Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:223

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-02-2017
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
2200298214
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:307, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijke uitlokking van moord.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van18 jaren.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke uitlokking van de moord op het slachtoffer. In de periode voorafgaand aan de moord heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op zowel de psychische als de fysieke integriteit van zijn partner (mededader). De gewelddadige uitvoering van de moord door de mededader vond plaats op klaarlichte dag, op straat, na afloop van een door het slachtoffer bezochte gebedsdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002982-14

Parketnummer: 10-810235-13

Datum uitspraak: 6 februari 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1964,

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gedetineerd in de PI Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de op 9 en 23 januari 2017 gehouden terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts zijn de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


[medeverdachte]

op of omstreeks 01 februari 2013 te Vlaardingen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft [medeverdachte] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welk feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 01 februari 2013 te Vlaardingen en/of Rotterdam, door misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt door

- die [medeverdachte] meermalen te gebieden / op te dragen om [slachtoffer] om het leven te brengen / te vermoorden en/of

- die [medeverdachte] meermalen te dreigen met (zware) mishandeling en/of de dood indien die [medeverdachte] weigerde om [slachtoffer] om het leven te brengen / te vermoorden en/of

- meermalen, althans eenmaal te dreigen om een of meer familieleden van die [medeverdachte] iets aan te doen, indien die [medeverdachte] weigerde om [slachtoffer] om het leven te brengen / te vermoorden en/of

- die [medeverdachte] meermalen (dagelijks) te mishandelen en/of uit te schelden en/of

- die [medeverdachte] meermalen te verkrachten en/of daarbij die [medeverdachte] op het bed vast te binden en/of haar mond af te plakken/tapen en/of (daarbij) die [medeverdachte] met een riem te slaan en/of

- een of meer naaktfoto's van die [medeverdachte] en/of pornografische foto's van die [medeverdachte] en/of verdachte tezamen te maken en/of (daarbij) (vervolgens) te dreigen om deze foto's te verspreiden en/of op het internet te plaatsen, althans openbaar te maken, indien die [medeverdachte] weigerde om [slachtoffer] om het leven te brengen / te vermoorden en/of

- ( aan) die [medeverdachte] een vuurwapen te verstrekken en/of (daarbij) (vervolgens) aan die [medeverdachte] te laten zien / uit te leggen hoe een vuurwapen werkt / moet worden gebruikt en/of

- aan die [medeverdachte] mede te delen op welk tijdstip op

01 februari 2013 [slachtoffer] zich op een bepaalde locatie zou bevinden, om vervolgens die [medeverdachte] te gebieden om, in het bezit van voornoemd vuurwapen, naar deze locatie te gaan, ten einde aldaar [slachtoffer] dood te schieten;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij

op of omstreeks 01 februari 2013 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij

op of omstreeks 01 februari 2013 te Vlaardingen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft doen beroven, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

(door) [medeverdachte] met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van die [slachtoffer] laten schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

meest subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[medeverdachte]

op of omstreeks 01 februari 2013 te Vlaardingen opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft die [medeverdachte] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 01 februari 2013 te Vlaardingen en/of Rotterdam, althans elders in Nederland en/of in Belgie opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- een vuurwapen aan te schaffen en/of

- een vuurwapen aan die [medeverdachte] te verstrekken en/of (daarbij) (vervolgens) aan die [medeverdachte] te laten zien / uit te leggen hoe een vuurwapen werkt / moet worden gebruikt en/of

- ( vervolgens) aan die [medeverdachte] mede te delen op welk tijdstip op 01 februari 2013 [slachtoffer] zich op een bepaalde locatie zou bevinden, (om vervolgens die [medeverdachte] te gebieden om, in het bezit van voornoemd vuurwapen, naar deze locatie te gaan, ten einde aldaar [slachtoffer] dood te schieten).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

18 jaren met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof zich niet kan verenigen met de wijze waarop de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezen heeft verklaard.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging - kort en zakelijk weergegeven - het standpunt ingenomen dat de verklaringen van [medeverdachte] waarin zij de verdachte als uitlokker van het doden van het slachtoffer belast, onbetrouwbaar zijn en dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Deze verklaringen zijn met name door druk van haar familie, mede in verband met cultuur gerelateerde omstandigheden, waaronder eerwraak en/of druk van de politie afgelegd nadat [medeverdachte] eerder andersluidend heeft verklaard. Ook de verklaringen van haar familie zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. Een en ander zoals weergegeven in de pleitaantekeningen van de raadsvrouw.

Overwegingen van het hof

Door zowel [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte]), die partner van de verdachte was en onherroepelijk veroordeeld is voor de moord op het slachtoffer, als door de verdachte zelf zijn wisselende verklaringen afgelegd over de toedracht en de omstandigheden die tot het delict hebben geleid. Het hof realiseert zich dat in deze zaak waar het om een delict gaat dat wordt bedreigd met een levenslange gevangenisstraf of een maximale tijdelijke gevangenisstraf van dertig jaar derhalve uiterst behoedzaam moet worden omgegaan met niet alleen de door [medeverdachte] en haar familie afgelegde, voor verdachte belastende, verklaringen maar ook met de door verdachte afgelegde wisselende verklaringen.

Gelet op hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen komt het hof, na weging van alle bewijsmiddelen tot de slotsom dat het betoog van de verdediging en de in verband daarmee aangevoerde alternatieve scenario’s in hoger beroep, de door de verdediging aangevoerde druk jegens [medeverdachte] door familieleden, de politie of anderszins, niet aannemelijk is geworden en dit betoog heeft het hof ook niet kunnen overtuigen.

Het hof acht de voor het bewijs relevante onderdelen van de verklaring van [medeverdachte] alsmede die van de hierna volgende door de verdediging bestreden getuigen betrouwbaar en deze onderdelen kunnen dan ook voor het bewijs worden gebezigd. Het verweer wordt verworpen.

Het hof zal hierna puntsgewijs bespreken hetgeen voor deze slotsom redengevend is geweest.

Ondersteuning van dan wel aansluiting bij de verklaringen van [medeverdachte]

Het hof is van oordeel dat belangrijke elementen uit de bestreden verklaringen van [medeverdachte] ondersteund worden door onafhankelijk van haar verklaringen als bron uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen en door het hof gebezigd bewijs, dan wel bij die voor het bewijs relevante verklaringen van [medeverdachte] aansluiten.

Naaktfoto’s

[medeverdachte] heeft in de bewuste verklaringen onder meer aangegeven dat verdachte naaktfoto’s van haar heeft gemaakt en gedreigd heeft deze aan derden te laten zien dan wel openbaar te maken. Dergelijke foto’s, waarvan de verdachte heeft toegegeven dat hij deze van [medeverdachte] heeft gemaakt, zijn ook in de woning van de verdachte aangetroffen. Dat, zoals de verdediging heeft betoogd, deze foto’s met instemming van [medeverdachte] zijn gemaakt en het, zeker nu de verdachte zelf op de foto’s is te zien, onwaarschijnlijk is dat verdachte jegens [medeverdachte] zou hebben gedreigd deze foto’s aan derden te laten zien dan wel openbaar te maken, heeft het hof niet kunnen overtuigen. Daarbij heeft het hof meegewogen de fase waarin de relatie zich bevond ten tijde van het maken van deze foto’s alsmede dat een groot deel van de foto’s een pornografisch en een voor [medeverdachte] vernederend karakter heeft. Het valt het hof daarbij op, hetgeen het hof ter zitting in hoger beroep als waarneming aan de verdediging en het openbaar ministerie ook kenbaar heeft gemaakt en bij die gelegenheid ook niet is weersproken, dat de verdachte op de foto’s niet dan wel niet herkenbaar in beeld is; op de foto’s waarop niet uitsluitend [medeverdachte] is te zien is slechts een geslachtsdeel en/of een deel van het lichaam van een man te zien, waarvan verdachte heeft aangegeven dat hij die persoon is.

De verdediging heeft ter terechtzitting in dit verband nog aangevoerd dat uit de foto’s blijkt dat [medeverdachte] ontspannen is en zelfs lacht naar de camera. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw de bewuste foto’s desgevraagd aangewezen. Weliswaar kijkt [medeverdachte] om en glimlacht zij op een aantal van de aangeduide foto’s, maar dat daaruit – zoals betoogd door de raadsvrouw - blijkt dat [medeverdachte] tijdens de opnames ontspannen is en dat deze foto’s vrijwillig en met instemming van [medeverdachte] zijn gemaakt, heeft het hof, ook in samenhang met hetgeen hiervoor op dit punt is overwogen en in onderlinge samenhang bezien met het overige door het hof gebezigde bewijs, niet kunnen overtuigen.

Mishandeling van [medeverdachte]

Blijkens medische informatie omtrent [medeverdachte](de FARR-verklaring van 19 februari 2013, met een letselbeschrijving van 2 februari 2013 en de FARR-verklaring van 26 maart 2013, een toelichting op voormelde letselbeschrijving (p. 791-2 t/m 791-5)) heeft de forensisch arts B. Bekker kort na de aanhouding van [medeverdachte] over haar hele lichaam, waaronder de schaamstreek en benen, letsel geconstateerd en dit letsel kan passen bij slaan en schoppen.

Het hof hecht geloof aan de latere verklaring van [medeverdachte] dat niet, zoals zij eerder verklaarde, het slachtoffer haar heeft mishandeld, maar dat de verdachte dat (op meerdere tijdstippen) heeft gedaan.

Dat het slachtoffer dit letsel bij [medeverdachte] zou hebben aangebracht, is voorts uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Daarbij is van belang dat de verdachte uiteindelijk, in zijn laatste verhoor bij de politie, heeft erkend dat hij [medeverdachte], zij het slechts eenmalig op de dag voorafgaand aan de moord op het slachtoffer, klappen heeft gegeven, daarbij op haar geslachtsdeel wilde mikken, haar daar wilde trappen maar aan de zijkant van haar geslachtsdeel terechtkwam, naar hij meent bij haar linkerbeen en dat hij [medeverdachte] vuistslagen heeft gegeven (p. 18 verklaring 27 mei 2015).

In dit verband heeft het hof ook meegewogen het tussen verdachte en [medeverdachte] afgeluisterde gesprek van 9 maart 2013, waarbij verdachte vraagt aan [medeverdachte] of ze naar alles hebben gekeken en of [medeverdachte] wel gezegd heeft dat die van die persoon zijn en dat verdachte en zij die nacht niet de liefde hebben bedreven. Daarbij doelt verdachte naar het oordeel van het hof op letsel op het lichaam van [medeverdachte] en vraagt hij of zij ook gezegd heeft dat dit door het slachtoffer is toegebracht. Het voorgaande past bij de aanvankelijke verklaring van [medeverdachte] dat het slachtoffer haar heeft mishandeld en de daarbij aansluitende aanvankelijke verklaring van de verdachte bij de politie die er op neer komt dat hij geen weet had van de blauwe plekken bij [medeverdachte] omdat hij haar niet meer naakt heeft gezien in de weken voorafgaand aan het schieten.

Voorts is van belang dat tijdens de huiszoeking in de slaapkamer van de verdachte en [medeverdachte] naast het bed een openstaande zak met tie rips is aangetroffen en een witte riem, hetgeen past in de bestreden verklaring van [medeverdachte] dat zij op bed, dus in de slaapkamer, met tie rips is vastgebonden en is geslagen met een witte riem. Dat er geen DNA sporen op deze voorwerpen zijn aangetroffen met een duiding zoals betoogd door de verdediging, kan daar naar het oordeel van het hof onvoldoende aan afdoen.

Het in dit verband nog gehouden betoog van de verdediging dat omwonenden van verdachte en [medeverdachte] geen geluiden hebben gehoord die duiden op mishandeling, faalt reeds omdat dit nu juist goed zou kunnen worden verklaard uit de door [medeverdachte] naar voren gebrachte omstandigheid dat haar mond was afgeplakt en zij naar haar zeggen wel wilde schreeuwen maar dat daardoor niet kon.

Afknippen van de haren

Eveneens is in dit verband nog van belang de omstandigheid dat verdachte het haar van [medeverdachte] - naar haar zeggen - voor straf heeft afgeknipt, en de verdachte ontkent dit onder dwang in de zin van straf te hebben gedaan.

Het hof acht dit uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden en hecht aan die verklaring van verdachte ook geen geloof. Immers, bij de politie verklaart de verdachte op een vraag van [medeverdachte] te hebben geantwoord dat hij niet wist of hij voor straf haar haren heeft afgeknipt, maar wel zijn excuus heeft aangeboden(p.298). Dit laatste is moeilijk te rijmen met het door de verdediging aangevoerde vrijwillig afknippen van het haar. Vervolgens heeft verdachte later bij de politie ook nog aangegeven dat hij [medeverdachte]’s haren heeft geknipt omdat zij niet tegen hem wilde zeggen met wie zij omging(p.404). Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte vervolgens verklaard dat hij haar haren heeft afgeknipt nadat hij had begrepen dat ze vreemd was gegaan, om te voorkomen dat ze bij hem weg zou gaan.

Gelet op het hiervoor overwogene kan deze handeling bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een straf dan wel een dwangmiddel. Deze omstandigheid weerspreekt naar het oordeel van het hof de door de verdediging aangevoerde afwezigheid van dwang.

Het moordwapen

Naast de verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte] heeft [getuige 1], woonachtig in België en niet rechtstreeks familie van [medeverdachte], als getuige verklaard dat verdachte hem rond de jaarwisseling heeft gevraagd of hij in België aan een wapen kon komen. Deze verklaring wordt ondersteund door [getuige 2], overigens wel familie van [medeverdachte], die verklaart dat hij er bij was toen verdachte dit aan [getuige 1] vroeg. Uit de gegevens afkomstig van de telefoon van verdachte blijkt in dit verband dat deze telefoon in de periode van 22 januari 2013 tot en met 26 januari 2013 meerdere keren contact heeft met twee Belgische telefoonnummers. Uit zendmastgegevens komt voorts naar voren dat deze telefoon van verdachte op 26 januari 2013 een zendmast in de omgeving van Breda aanstraalt. Dit is ook de dag waarvan [medeverdachte] verklaart dat verdachte toen is thuisgekomen met een wapen.

Naar het oordeel van het hof veelzeggend en niet in het voordeel van verdachte wat betreft zijn geloofwaardigheid en de overtuigingskracht van zijn verweer in deze, is daarbij het navolgende.

Verdachte hulde zich tijdens het politie onderzoek aanvankelijk in stilzwijgen over het wapen edoch uit een afgeluisterd gesprek van 17 maart 2013 tussen verdachte en [medeverdachte] (pag. 261) komt naar voren dat verdachte jegens [medeverdachte] aangaf dat zij tegen de officier van justitie moest zeggen het wapen van het slachtoffer te hebben gekregen. Vervolgens heeft de verdachte in eerste aanleg, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 en 27 november 2013, over dit wapen verklaard niet te hebben geweten van wie dit wapen was en hij daarom aan [medeverdachte] heeft gevraagd waar het wapen; ‘de machine’, vandaan kwam, waarop [medeverdachte] de verdachte heeft verteld dat ze het wapen van het slachtoffer heeft gekregen. Ter terechtzitting in eerste aanleg voert de verdachte aan dat naast de verklaring van [medeverdachte] over dit wapen de eerdergenoemde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] eveneens onbetrouwbaar zijn, – kort gezegd - omdat het hem niet welgezinde familie van [medeverdachte] is en ook in hoger beroep wordt betoogd waarom de familie van [medeverdachte] en [medeverdachte] zelf belang hebben bij een veroordeling van verdachte als dader van uitlokking. Dit terwijl verdachte voor het eerst in hoger beroep zijn eerdere proceshouding ten aanzien van het moordwapen heeft veranderd en naar aanleiding van zijn bij de politie op 27 mei 2015 ten tijde van het hoger beroep afgelegde verklaring, in aanvulling bij het hof ter terechtzitting van 9 januari 2017 nota bene niet alleen heeft erkend inderdaad in België een wapen te hebben aangeschaft op 26 januari 2013, maar ook - zoals door [medeverdachte] onder meer is aangegeven - die dag met dit wapen thuis is gekomen en [medeverdachte] dit wapen heeft gezien die dag toen hij daarmee thuis bezig was. De geloofwaardigheid van verdachte alsmede de overtuigingskracht van zijn verweer, brokkelt naar het oordeel van het hof nog verder af door hetgeen verdachte ten aanzien van het moordwapen ter terechtzitting in hoger beroep voorts nog heeft verklaard.

Bij die gelegenheid heeft de verdachte desgevraagd door het hof – zakelijk weergegeven – niet alleen aangegeven dat hij na de aanschaf van het wapen in België die dag thuis met dit wapen in de slaapkamer bezig was en [medeverdachte] het wapen toen en daar heeft gezien, maar tevens heeft hij op de vraag van [medeverdachte] wat verdachte met dat wapen moest, geantwoord: 'daarmee ga ik je moeder neuken’. Gevraagd door het hof of en hoe dit gesprek een vervolg kreeg, heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte] boos naar de keuken is gegaan. Verdachte heeft op een gegeven moment het wapen in zijn broekzak gedaan. Hij heeft erkend dat het wapen aldus niet zichtbaar was, alvorens hij de slaapkamer verliet. Hij heeft verklaard dat hij daarna de woning heeft verlaten, nog steeds met het wapen in zijn broekzak, om het wapen in de kelderbox te verstoppen. Hij stelt het wapen bovenop de kast in de kelderbox te hebben gelegd, een plek die pas zichtbaar is en waar men bij kan komen als men op een fiets gaat staan.

Op de vraag van het hof hoe het dan kan dat [medeverdachte] met dit wapen het slachtoffer heeft doodgeschoten, als verdachte naar zijn zeggen haar het wapen niet heeft gegeven en het wapen door hem in de kelder was verstopt, heeft de verdachte onder meer verklaard dat hij denkt dat [medeverdachte], die zich toen in de keuken bevond, heeft gezien dat hij via de keuken de slaapkamer uit is gekomen alsmede gezien heeft dat hij sleutels uit het kastje heeft gehaald en met die sleutels de woning heeft verlaten. Dit acht het hof hoogst onwaarschijnlijk nu verdachte ter zitting met behulp van een door hemzelf gemaakte tekening van die woning, waarop aangegeven staat waar dit sleutelkastje zich bevindt, nog eens heeft bevestigd dat daar het kastje gepositioneerd is en blijkens die tekening dit sleutelkastje zich vanuit de keuken lopend om een hoek achter een wand/muur links tegen/in de muur in de gang van de woning bevond.

Verklaring [getuige 2]

[getuige 2] heeft verklaard dat hij de verdachte tweemaal heeft gezien en gesproken voor de kerst in 2012. Beide keren sprak de verdachte over het slachtoffer. Tijdens het tweede gesprek vroeg verdachte aan [getuige 2] of deze het slachtoffer neer kon schieten. De verdachte gaf hem ook het telefoonnummer van het slachtoffer. [getuige 2] heeft dit nummer ook op een papiertje geschreven.

Het hof acht deze verklaring van [getuige 2] aannemelijk, nu uit het tapgesprek tussen de nicht van de mededader ([getuige 3]) en [getuige 2], dat plaatsvindt nadat [getuige 2] zijn verklaring tegen de politie heeft afgelegd, nergens blijkt dat die verklaring vooraf door de familie [medeverdachte] is ingegeven. Het papiertje waarop [getuige 2] het telefoonnummer van [slachtoffer] heeft genoteerd, is bovendien door hem aan de politie overhandigd.

Vragen naar het vrijdagmiddaggebed

De verklaring van [medeverdachte] dat de verdachte op 25 januari 2013 heeft gebeld naar [getuige 3], familielid van [medeverdachte], om de gebedstijden op vrijdag te weten te komen vindt niet alleen steun in de verklaring van [getuige 3], maar ook in de verklaring van de verdachte zelf waarmee verdachte de juistheid van de verklaring van [medeverdachte] en [getuige 3] over die bewuste vraag bevestigt.

Het valt het hof daarbij op dat [getuige 3] nu juist in positieve zin over verdachte in dit verband verklaart. Immers zij verklaart desgevraagd bij de rechter-commissaris (pag. 6): “Ik was eigenlijk een beetje blij. Je kunt niet weten of iemand echt gelovig is maar hij was dat volgens mij niet en ik dacht: hij is bekeerd.”

Wel geeft zij daarbij haar verbazing aan over de vraag omdat de tijden makkelijk zijn op te zoeken. Ze heeft niet gevraagd waarom verdachte belde en het was naar haar zeggen een kort vraag/antwoord gesprek.

Hieruit komt naar het oordeel van het hof niet naar voren hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de familie van [medeverdachte] en de in dit verband door hen afgelegde verklaringen over verdachte.

Het hof acht reeds gelet op het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang bezien, deze door [medeverdachte], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] afgelegde en voor de verdachte belastende verklaringen, dan ook betrouwbaar en het hof zal die voor het bewijs bezigen.

Al hetgeen de verdediging in dit verband voorts nog heeft aangevoerd kan daar naar het oordeel van het hof niet dan wel onvoldoende aan afdoen.

Voorbedachte rade en opzet

Uit het door het hof gebezigde bewijs, in onderlinge samenhang bezien, komt naar het oordeel van het hof naast de door verdediging overigens niet bestreden voorbedachte rade en opzet van [medeverdachte], ook het in deze rechtens vereiste opzet van verdachte voldoende naar voren en dit behoeft hier geen verdere bespreking nu door die gebezigde bewijsmiddelen hetgeen ter zake door de verdediging ten aanzien van de opzet van verdachte is aangevoerd, wordt weerlegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[medeverdachte]

op 1 februari 2013 te Vlaardingen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft [medeverdachte] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welk feit hij, verdachte omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 1 februari 2013 te Vlaardingen, door geweld en bedreiging en door het verschaffen van middelen en inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt door

- die [medeverdachte] op te dragen om [slachtoffer] om het leven te brengen en

- die [medeverdachte] te dreigen met de dood indien die [medeverdachte] weigerde om [slachtoffer] om het leven te brengen en

- te dreigen om een of meer familieleden van die [medeverdachte] iets aan te doen, indien die [medeverdachte] weigerde om [slachtoffer] om het leven te brengen en

- die [medeverdachte] te mishandelen en uit te schelden en

- die [medeverdachte] op het bed vast te binden en haar mond af te plakken/tapen en die [medeverdachte] met een riem te slaan en

- naaktfoto's van die [medeverdachte] en pornografische foto's van die [medeverdachte] te maken en te dreigen om deze foto's te verspreiden, althans openbaar te maken, indien die [medeverdachte] weigerde om [slachtoffer] om het leven te brengen en

- aan die [medeverdachte] een vuurwapen te verstrekken en aan die [medeverdachte] te laten zien hoe een vuurwapen werkt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijke uitlokking van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan opzettelijke uitlokking van de moord op [slachtoffer]. In de periode voorafgaand aan de moord heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op zowel de psychische als de fysieke integriteit van zijn partner [medeverdachte]. De gewelddadige uitvoering van de moord door de mededader vond plaats op klaarlichte dag, op straat, na afloop van een door het slachtoffer bezochte gebedsdienst.

Aan het slachtoffer is diens kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Daarnaast is aan de nabestaanden een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. De dood van het slachtoffer laat een grote leegte achter, die zich voor de nabestaanden zowel emotioneel als financieel tot op de dag van vandaag laat gelden. Delicten als het onderhavige brengen ook in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Het hof neemt in aanmerking dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 december 2016 niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

In het rapport van de psychiater J.M.J.F. Offermans en de klinisch psycholoog B. Koudstaal is vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een narcistische persoonlijkheidsstoornis en dat er aanwijzingen zijn voor psychopatische trekken die zich manifesteren binnen de relaties met anderen. Verder is sprake van een duidelijke gekrenktheid bij de verdachte ten aanzien van het ‘vreemdgaan’ van de mededader. Op grond van deze bevindingen in dit rapport is het hof met de deskundigen van oordeel dat de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht.

Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de [getuige 3]mentele vrijheden (EVRM), waarbij in het bijzonder de duur van de behandeling in hoger beroep in aanmerking wordt genomen. Nu dit evenwel mede is veroorzaakt door het op verzoek van de verdediging nader horen van verdachte, van de medeverdachte en een tweetal deskundige en het een ingewikkelde zaak betreft zal het hof volstaan met de enkele constatering dat de behandeling van de zaak niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is afgerond.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur in deze passend en geboden is.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 79.944,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De onderbouwde vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep inhoudelijk niet dan wel onvoldoende betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 79.944,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.416,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De onderbouwde vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.416,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 79.944,00 (negenenzeventigduizend negenhonderdvierenveertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 79.944,00 (negenenzeventigduizend negenhonderdvierenveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 341 (driehonderdeenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.416,00 (duizend vierhonderdzestien euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.416,00 (duizend vierhonderdzestien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. A.A. Schuering en mr. N. Schaar, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 februari 2017.