Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2211

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
BK-17/00249
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in het hoger beroep in geschil: of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd, zoals de Heffingsambtenaar stelt en belanghebbende betwist. Meer in het bijzonder is in geschil of de door belanghebbende betaalde parkeerbelasting over de periode 10.42 uur tot 11.24 uur van € 1 in mindering gebracht dient te worden op de naheffingsaanslag, en of de Rechtbank de Heffingsambtenaar terecht heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende in de beroepsfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/2035 met annotatie van Anneke Monsma
V-N Vandaag 2017/1919
Belastingblad 2017/367 met annotatie van G. Groenewegen
V-N 2017/51.18.19
Viditax (FutD), 15-08-2017
FutD 2017-2094
NTFR 2017/2261 met annotatie van Mr. M. Koubia
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00249

Uitspraak d.d. 1 augustus 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 december 2016, nummer 16/5331, betreffende de onder 1.1 vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 61,45. Dit bedrag bestaat uit € 1,45 belasting en € 60 kosten van de naheffingsaanslag.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 60,45, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van € 992 en vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 gelast.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De Heffingsambtenaar is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Heffingsambtenaar is in de gelegenheid gesteld het zijn zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren te brengen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 20 juni 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

De raad van de gemeente Zoetermeer heeft in zijn openbare vergadering van 14 december 2015 de Verordening parkeerbelastingen 2016 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Verordening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende heeft op 13 mei 2016 zijn voertuig met het kenteken […] (de auto) geparkeerd op [A] te [Z] (de parkeerplaats). Hij heeft € 1 parkeerbelasting voldaan. Op het parkeerkaartje is als parkeerduur vermeld: 10.42 uur tot 11.24 uur. Een kopie van het parkeerkaartje behoort tot de stukken van het geding.

3.2.

Tijdens een controle ter plaatse hebben parkeercontroleurs geconstateerd dat de auto om 11.36 uur op de parkeerplaats stond. Het onder 3.1. vermelde parkeerkaartje is achter de voorruit aangetroffen. Op de tegelijkertijd ingevulde “handhavingsbon” is onder meer het volgende vermeld:

“De op de parkeerticket aangegeven parkeertijd is verstreken (…)

Situatie: (…) geen personen op weg naar, bij of terugkomend van ticketautomaat.

*P1 Geen geldige vergunning

*YB Onbekende gebr.

*PL NIET aangem. voor […]

(…)

13-05-2016 11:43 (…) meneer kwam aan nadat de bon al uitgeschreven was met een kaartje dat een minuut later gekocht is dan de bon geshreven was. Hij gaf aan een kaartje bij te halen om nog even een extra boodschap te doen echter stapte hij in het voertuig en reed weg”

3.3.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van een (tweede) parkeerkaartje, dat belanghebbende eveneens op 13 mei 2017 heeft gekocht voor het parkeren op de parkeerplaats en waarop een parkeerduur van 11.37 uur tot 11.57 is vermeld.

.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft geoordeeld:

“6. Artikel 234, lid 3, Gemeentewet (tekst 2016) luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“Ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, wordt deze berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.”

7. Blijkens de wetsgeschiedenis behorend bij dit artikel betreft dit een forfaitaire tijdsduur van (het deel van) een uur, welke ziet op de periode die gelegen is vóór het tijdstip waarop wordt geconstateerd dat betaling niet heeft plaatsgevonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 19 045, nr. 13).

8. De heffing en invordering van gemeentelijke belastingen geschieden ingevolge artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en de Invorderingswet 1990 als waren die belastingen rijksbelastingen, behoudens voor zover een afwijkende regeling is getroffen. In de Gemeentewet is toepassing van artikel 20 Awr niet uitgesloten. Ook is geen van artikel 20 Awr afwijkende regeling getroffen waar het gaat om de vraag wanneer naheffing van parkeerbelasting kan plaatshebben.

9. Op grond van artikel 20 van de Awr kan, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan niet is betaald, die te weinig geheven belasting worden nageheven. De bevoegdheid tot naheffing is er uitsluitend als de verschuldigde belasting niet is voldaan. De naheffingsbevoegdheid ontstaat niet op de enkele grond dat niet op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan (vgl. Hoge Raad van 8 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3200 en HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1593). Van belang is dus (uitsluitend) of de verschuldigde belasting is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. In artikel 234, lid 2, van de Gemeentewet wordt wel bepaald wat (uitsluitend) als voldoening op aangifte wordt aangemerkt, maar daarmee is, gelet op het vorenstaande, niet de vraag beantwoord of, indien de verschuldigde belasting deels wel is betaald, een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Die vraag moet, nu in de Gemeentewet geen afwijkende regeling is getroffen, worden beantwoord met toepassing van artikel 20 Awr (vgl. Hoge Raad 8 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:

AA3200). Indien achteraf blijkt dat (gedeeltelijke) betaling van de verschuldigde belasting heeft plaatsgevonden, is voor het opleggen van een naheffingsaanslag op grond van artikel 20 Awr in zoverre geen plaats.

10. [De Heffingsambtenaar] heeft een bedrag van € 1,45 aan parkeerbelasting nageheven. [Belanghebbende] heeft de over het uur vóór de constatering verschuldigde parkeerbelasting echter wel gedeeltelijk betaald. [Belanghebbende] heeft immers voor de periode van 10.42 uur tot 11.24 uur een bedrag van € 1 parkeerbelasting voldaan. Op grond van het bepaalde in artikel 20 Awr kan alleen de belasting worden nageheven die te weinig is betaald. Dit brengt mee dat slechts € 0,45 (namelijk de belasting over het gedeelte van het voorliggende uur die door [belanghebbende] niet is betaald) kan worden nageheven. De aanslag dient dan ook te worden verminderd met het door [belanghebbende] reeds betaalde bedrag van € 1.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

12. De rechtbank veroordeelt [de Heffingsambtenaar] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Anders dan [de Heffingsambtenaar] bepleit vindt de rechtbank geen aanleiding om de wegingsfactor op 0,5 (licht) te stellen. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

Tussen partijen is in het hoger beroep in geschil:

a. of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd, zoals de Heffingsambtenaar stelt en belanghebbende betwist. Meer in het bijzonder is in geschil of de door belanghebbende betaalde parkeerbelasting over de periode 10.42 uur tot 11.24 uur van € 1 in mindering gebracht dient te worden op de naheffingsaanslag, en

b. of de Rechtbank de Heffingsambtenaar terecht heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende in de beroepsfase,

De Heffingsambtenaar beantwoordt deze vragen ontkennend, belanghebbende daarentegen bevestigend.

5.2.

In het incidenteel hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, zoals belanghebbende stelt en de Heffingsambtenaar betwist.

5.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Heffingsambtenaar concludeert met betrekking tot het incidenteel hoger beroep tot afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de kosten van het bezwaar.

6.2.

Belanghebbende concludeert tot handhaving van de uitspraak van de Rechtbank en tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de kosten van het hoger beroep en tot veroordeling van de Heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar.

Beoordeling van het hoger beroep

Hoger beroep

7.1.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne en voegt daaraan nog het volgende toe.

7.2.

Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in de beroepsfase gaat de Heffingsambtenaar ervan uit dat geen sprake is van een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Het Hof volgt de Heffingsambtenaar hierin niet en overweegt daartoe het volgende. Niet in geschil is dat belanghebbende voor het parkeren op de parkeerplaats van 10.42 uur tot 11.24 uur € 1 parkeerbelasting heeft voldaan. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar verklaard dat de naheffingsaanslag is opgelegd voor het uur, voorafgaande aan de constatering van het parkeren door de parkeercontroleurs op 11.36 uur. De parkeerduur waarvoor belanghebbende heeft voldaan maakt deel uit van dit uur. Omdat niet in geschil is dat het parkeerkaartje, dat als parkeerduur 10.42 uur tot 11.24 vermeldt, ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag achter de voorruit van de auto lag, moet het de parkeercontroleurs duidelijk zijn geweest dat voor een deel van de parkeerduur waarvoor zij een naheffingsaanslag oplegden, al parkeerbelasting was voldaan. Ook de Heffingsambtenaar moet dit, mede gelet op zijn hiervoor vermelde verklaring ter zitting, hebben begrepen. Door niettemin in bezwaar en beroep de in zoverre met artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen strijdige belastingaanslag te handhaven, heeft de Heffingsambtenaar onrechtmatig gehandeld. De toekenning door de Rechtbank van de proceskostenvergoeding is dus terecht.

7.3.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Incidenteel hoger beroep

7.4.

Belanghebbende heeft in het incidenteel hoger beroep gesteld dat de Rechtbank ten onrechte geen proceskosten heeft toegekend voor de bezwaarfase. Uit de stukken van het geding en hetgeen partijen hebben aangevoerd blijkt niet dat belanghebbende het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten heeft gedaan voordat de Heffingsambtenaar op het bezwaar heeft beslist. Gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht kan belanghebbende geen aanspraak maken op vergoeding van deze kosten. Overigens heeft belanghebbende zijn verzoek blijkens het proces-verbaal van de Rechtbank ingetrokken.

7.5.

Gelet op het vorenoverwogene is ook het incidenteel hoger beroep ongegrond en dient te worden beslist als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8. Het Hof acht termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 990 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 495 x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, J.T. Sanders en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.W.P. van Oosten. De beslissing is op

1 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.

Ter zake van het hoger beroep wordt van de Heffingsambtenaar een griffierecht geheven van € 501.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.