Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:220

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
BK-15/00349 en BK-13/00350
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:3230, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de navorderingsaanslagen, de verhogingen en de beschikkingen heffingsrente terecht heeft opgelegd onderscheidenlijk gegeven. Meer in het bijzonder geldt dat de Hoge Raad de zaken heeft verwezen ter behandeling van de overige bezwaren van belanghebbende alsmede voor behandeling van het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/287
V-N 2017/20.20.5
FutD 2017-0395
NTFR 2017/679 met annotatie van mr. J. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-15/00349 en BK-15/00350

Uitspraak d.d. 25 januari 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 25 september 2012, nummers AWB 09/2560 en AWB 11/5936, betreffende na te melden aan belanghebbende opgelegde aanslagen.

Navorderingsaanslagen, aanslagen, beschikkingen, bezwaar en voorafgaande gedingen

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende op 28 december 2007 voor het jaar 1995 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd (procedurenummer AWB 09/2560; BK-15/00349), berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 95.318. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 6.935 (100 percent van het nagevorderde bedrag), waarvan geen kwijtschelding is verleend. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van ƒ 2.573 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Voorts heeft de Inspecteur aan belanghebbende op die datum een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting (hierna: VB) 1996 opgelegd (procedurenummer AWB 11/5936; BK-15/00350), berekend naar een vastgesteld vermogen van ƒ 331.068. In de navorderingsaanslag is een verhoging begrepen van ƒ 2.200 (100 percent van het nagevorderde bedrag), waarvan geen kwijtschelding is verleend. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag van ƒ 813 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen, verhogingen en de beschikkingen heffingsrente bezwaar gemaakt.

1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 september 2012 de navorderingsaanslagen, verhogingen alsmede de heffingsrentebeschikkingen gehandhaafd.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij de bestreden - in één geschrift vervatte - uitspraken (ECLI:NL:RBHAA:2012:3230) voor zover in deze procedure van belang het volgende beslist:

”De rechtbank:

- verklaart de beroepen van belanghebbende gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de aan [belanghebbende] opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, VB 1996, doch slechts voor zover deze betrekking hebben op de kwijtscheldingsbesluiten en bevestigt deze uitspraken op bezwaar voor het overige;

- vernietigt de kwijtscheldingsbesluiten met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 en verleent kwijtschelding van de verhogingen tot ƒ 5.270 (IB/PVV 1995) en ƒ 1.672 (VB 1996);

- veroordeelt [de Inspecteur] in de proceskosten van belanghebbende en zijn echtgenote ten bedrage van € 1.120;

- gelast dat [de Inspecteur] het door belanghebbende en zijn echtgenote betaalde griffierecht van € 82 vergoedt;

- heropent het onderzoek ter voorbereiding op een nadere uitspraak over het verzoek om (immateriële) schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb;”

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 115 voor de behandeling van beide zaken. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.7.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 april 2014, nr. 12/00929 en 12/1060, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, de navorderingsaanslagen, verhogingen en de beschikkingen heffingsrente vernietigd, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van een bedrag aan proceskosten van € 2.922 en de teruggave gelast van het griffierecht van € 115.

1.8.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën bij arrest van 1 mei 2015, nr. 14/02874, HR 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Den Haag.

Loop van het geding na verwijzing

2.1.

Beide partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid een reactie naar aanleiding van het arrest in te dienen, belanghebbende bij reactie ingekomen op 7 juli 2015 en de Inspecteur bij reacties ingekomen op 11 juni 2015 en 23 november 2015. De reacties zijn in kopie aan de wederpartij gezonden.

2.2.

De minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) is niet om een reactie op het verwijzingsarrest gevraagd en is evenmin uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting. Gelet op hetgeen hierna omtrent de vergoeding van immateriële schade wordt overwogen en beslist, en de beleidsregel van de Minister van 8 juli 2014, nr. 436935 (Stcrt. 2014, 20210), is het Hof ervan uitgegaan dat de Minister afziet van het voeren van schriftelijk of mondeling verweer.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 maart 2016, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal opgemaakt. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Met toestemming van partijen is een nadere mondelinge behandeling achterwege gebleven.

Vaststaande feiten

3. Het Hof gaat op grond van de stukken van het geding in hoger beroep uit van de volgende vastgestelde feiten.

3.1.

Belanghebbende, geboren [in] 1935, is gehuwd met [Y] . Belanghebbende en zijn echtgenote zijn in 1995 en volgende jaren beschreven voor de inkomstenbelasting. Belanghebbende heeft in zijn aangiften geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de Bank van Lanschot Bankiers Luxemburg (VLB). Er is geen definitieve aanslag vermogensbelasting opgelegd.

“Overdracht van gegevens door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten

3.2.1.

Bij brief van 18 februari 2005 heeft de Belgische Bijzondere Belastinginspectie (hierna: BBI) in het kader van spontane uitwisseling van inlichtingen op grond van de EG richtlijn van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies (77/799/EEG, hierna: de Bijstandsrichtlijn) gegevens verstrekt aan de FIOD ECD/Team Internationaal te [A] .

3.2.2.

De hiervoor bedoelde gegevens bestaan uit een nota (hierna: de Nota) en twaalf bijlagen, genummerd B.1, B.2, enzovoorts. Deze gegevens zijn verstrekt op grond van artikel 4 van de Bijstandsrichtlijn. In de Nota is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld (namen en plaatsen zijn door de Inspecteur geanonimiseerd):

“IV VERSTREKTE INLICHTINGEN

De hierna volgende inlichtingen zijn gesteund op stukken die het Belgisch gerecht in beslag heeft genomen bij een huiszoeking bij een verdachte van andere misdrijven.

Het betreft gegevens van de [VLB].

De stukken, bestaande uit verscheidene lijsten op papier (bijlagen 1 tot en met 11) werden aangetroffen en in beslag genomen bij een huiszoeking in een garagebox te W(...) uitgevoerd in het kader van een onderzoek onder leiding van Onderzoeksrechter V(…). Deze garagebox werd op dat ogenblik gehuurd door de heer P(…) en door diens bende gebruikt als uitvalsbasis voor overvallen. Met een brief van 18 december 2001 heeft de procureur-generaal aan de belastingadministratie toelating verleend tot het nemen van inzage en afschrift van het dossier (bijlage 12).

Toelichting van de feiten zoals blijkt uit de verhoren.

De kopieën van de bankstukken werden door V(…) gekopieerd uit een de computerbestand van de heer M(…). M(…) had als helpdeskmedewerker bij de firma L(…) te W(…) de gegevens in bezit gekregen via zijn afdelingschef, de heer J(…). P(…) is een gewezen werknemer van de bank. L(…) is een toeleveringsbedrijf van kantoorbenodigdheden aan bedrijven. De originele bankgegevens stonden op “microtape” zoals V(…) het verwoordt. Door middel van een toestel van een Duitse zusterfirma van L (…) zijn de originele bankgegevens gelezen en op een diskette gezet en vervolgens afgedrukt. (…) Dergelijke tape [microtape] is leesbaar en omzetbaar met behulp van een computer. (…) Tenslotte heeft V(…) de afgedrukte lijsten gefotokopieerd -ten minste een gedeelte ervan- en deze kopieën bewaard in de gehuurde garagebox, waar zij door de politie werden aangetroffen.

Mogelijke motieven zoals blijkt uit de verhoren.

V(…) vermoedt dat M(…) en P(…) de bedoeling hadden de bank op te lichten door middel van deze stukken. V(…) verklaart dat M(…) hem en zijn dochter zou hebben bedreigd voor het geval “er iets uitkwam van deze stukken”. Het kopiëren en bewaren van de lijsten door V(…) evenals de beweerde bedreiging, kunnen ook wijzen op de intentie om de klanten van de bank aan de hand van de adreslijsten te lokaliseren met het oog op huisdiefstal.

Besluit

Dit alles betekent dat door de betrokkenen een hoge mate van geloofwaardigheid aan de stukken werd gehecht. Immers, de stukken zijn voor betrokkenen slechts nuttig onder een dubbele voorwaarde. Ten eerste moeten ze echt zijn in de zin van afkomstig van de bedrijfsadministratie van de bank. Ten tweede moeten ze accuraat zijn in de zin van overeenkomen met de werkelijkheid inzake enerzijds de namen en adressen van de rekeninghouders en anderzijds de rekeningstanden. Hieruit kan besloten worden dat de stukken zowel inzake herkomst als inhoud inderdaad een hoog gehalte aan waarachtigheid bevatten.

De stukken zijn door het Parket in beslag genomen ter gelegenheid van een huiszoeking, en bijgevolg op rechtmatige wijze verkregen. Vervolgens werd aan de administratie toelating van en inzage in en afschrift van de stukken verleend. Bijgevolg heeft de administratie de stukken verkregen op rechtmatige wijze. Bovendien betekent dit dat de oorsprong van de stukken ondubbelzinnig is.”

3.2.3.

De bijlagen B.1, B.2 en B.6 bevatten gegevens (namen, valuta, data, nummers, en bedragen) over rekeningstanden per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 (de “rekeningstandenlijsten”). Bijlage B.9 betreft een adressenlijst. Bijlage B.12 betreft een brief van 18 december 2001 afkomstig van de procureur-generaal van het Hof van Beroep Waalse Kaai te Antwerpen gericht aan de Belgische belastingautoriteiten, waarin aan deze autoriteiten toestemming wordt verleend inzage en afschrift te nemen in het strafdossier. De overige bijlagen bevatten onder meer namen, nummers, data, getallen en/of percentages. Een aantal bijlagen heeft als aanhef “F. van Lanschot Bankiers Luxembourg SA.” dan wel “FvL Cliënts (amounts in mio LUF)” of bevatten het logo van de VLB. Een deel van de gegevens in de bijlagen is weggelakt en – ook na de beslissingen van de geheimhoudingskamer, zie 1.5 en 1.10 – weggelakt gebleven.

3.2.4.

Op basis van de gegevens die zijn verstrekt bij de brief van 18 februari 2005 is binnen de Belastingdienst het project Bank Zonder Naam (hierna: het Project) gestart. Doel van het Project was het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken.

Ten behoeve van het Project is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het Draaiboek) opgesteld. Het Draaiboek bevat onder meer informatie met betrekking tot de aanleiding van het Project, de organisatorische aspecten, de duur van het Project, de gegevens met betrekking tot de bankrekeningen, de fiscale en formeelrechtelijke aspecten van de heffing over buitenlands vermogen, de invordering en de praktische aandachtspunten. Het Draaiboek, versie 7 maart 2007, is openbaar gemaakt door middel van publicatie op de website van de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën, met uitzondering van de namen en kantoorgegevens van individuele (belasting)ambtenaren.

Een versie van het Draaiboek waarin uitsluitend de namen van belastingambtenaren en hun telefoonnummers en e-mailadressen zijn geanonimiseerd, is bij het verweerschrift overgelegd.

Identificatie van de op de fotokopieën vermelde rekeninghouders

3.3.1.

De Inspecteur heeft na ontvangst van de Nota en de rekeningstandenlijsten de op de rekeningstandenlijsten vermelde informatie geverifieerd. Hiertoe zijn de volgende toetsen uitgevoerd.

Er heeft verificatie van de op rekeningstandenlijsten vermelde namen, rekeningnummers en rekeningsaldi plaatsgevonden aan de hand van gegevens welke door meewerkende rekeninghouders in eerdere projecten (het Rekeningenproject en het project Buitenlands Vermogen) zijn verstrekt aan de Belastingdienst.

Daarnaast zijn de gegevens op de rekeningstandenlijsten (tenaamstelling, rekeningnummer en rekeningsaldi) vergeleken met de gegevens die in het kader van het Project zijn verstrekt door meewerkende belastingplichtigen. Ook in strafrechtelijke onderzoeken verkregen gegevens van verdachten zijn vergeleken met de gegevens op de rekeningstandenlijsten.

Tevens heeft een chikwadraattoets plaatsgevonden.

Uit de informatie in de begeleidende Nota in combinatie met bijbehorende bijlagen, alsmede op grond van bovenstaande verificatie is door de Belastingdienst de conclusie getrokken dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de uitlatingen zoals gedaan in de Nota, en dat de daarbij verstrekte gegevens afkomstig zijn van de bank Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA (hierna ook: VLB).

3.3.2.

Op de rekeningstandenlijsten komen rekeninghouders voor met één achternaam met één of meer voorletters alsmede rekeninghouders met twee achternamen al dan niet met één of meer voorletters. In totaal gaat het om circa 2.500 renseignementen. De gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de rekeningstandenlijsten zijn in het kader van het Project vergeleken met de gegevens in het geautomatiseerde systeem Beheer Van Relaties (hierna: BVR) van de Belastingdienst. Indien en voor zover uit de vergelijking met het BVR slechts één persoon met exact dezelfde of, in andere bewoordingen, met de unieke combinatie meerdere voorletters-achternaam of combinatie (voorletters) achternaam-achternaam naar voren kwam, is deze persoon als rekeninghouder aangemerkt.

In een aantal gevallen heeft de identificatie (mede) plaatsgevonden aan de hand van de gegevens vermeld op de adressenlijsten.

3.3.3.

In een op 13 maart 2008 door [B] (opsporingsambtenaar van de FIOD-ECD) in het kader van het Project afgelegde ambtsedige verklaring met betrekking tot de geautomatiseerde identificatie is onder meer opgenomen:

“Onderzoek tenaamstelling naar personen

Het cliëntenbestand Van Lanschot is door de heer Schoevaars, EDP-auditor van het Centrum voor Product en Procesontwikkeling van de Belastingdienst (B/CPP) gematcht met de gegevens uit het systeem Beheer van Relaties (BVR). In dit systeem zijn alle natuurlijke- en rechtspersonen opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd en die bekend zijn bij de Belastingdienst, alsmede alle niet in Nederland wonende of gevestigde natuurlijke- of rechtspersonen met wie de Belastingdienst een relatie onderhoudt.

In het systeem worden ook gegevens bijgehouden over de relaties die er bestaan tussen de opgenomen natuurlijke en rechtspersonen, zoals ouder-kind of gehuwde relatie, of het zijn van aandeelhouder of bestuurder van een rechtspersoon. In het BVR-systeem blijven historische gegevens bewaard. Het BVR-systeem wordt gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie en het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en met eigen gegevens van de Belastingdienst.

Het onderzoek naar de tenaamstellingen middels matching met het BVR heeft zich gericht op de identificatie van personen onder de hiervoor bij de punten 1, 2 en 3 genoemde op naam gestelde rekeningen.

De heer Schoevaars verklaarde tegenover mij dat de identificatie, zakelijk weergegeven als volgt gegaan is.

Voorbereiding

Als bron voor het cliëntenbestand Van Lanschot zijn drie bronbestanden gebruikt, te weten de gedigitaliseerde van de Belgische autoriteiten ontvangen rekeningstanden per de data 21-12-1994, 05-09-1996 en 28-11-1996.

Vanuit deze bronbestanden is een bestand gemaakt dat de essentiële gegevens bevat, te weten per regel een tenaamstelling, een rekeningnummer en de saldi per soort.

Om de volledige koppeling (is het terug kunnen zoeken naar het originele brongegeven) tussen de van de Belgische autoriteiten ontvangen papieren bescheiden en de nu beschikbare digitale versie is aan elke regel een digitaal identificatienummer toegekend.

Dit digitale identificatienummer is samen met de tenaamstelling weggeschreven naar een nieuw bestand.

Tenaamstellingen met slechts een enkele naam zonder verdere vermelding van letters zijn uit het bestand gehaald.

De hiervoor onder punt 4 aangegeven tenaamstellingen zijn uit het bestand gehaald.

De hiervoor onder punt 5 aangegeven tenaamstellingen zijn uit het bestand gehaald.

De toevoegingen “A/O”, “-“, “,”,”/” en een spatie, alsmede de toevoegingen “B” en “LH” en andere in de tenaamstelling van de rekening, zijn ten behoeve van het matchen uit de tenaamstelling gehaald.

Aangezien het nu overgebleven bestand de gegevens bevat van 3 bronbestanden, waarin veel van de te naamgestelde rekeningen op alle 3 de data voorkomen is het bestand op naamsniveau ontdaan van dubbele en drievoudige vermeldingen.

In verband met de mogelijke verschillende schrijfwijzen tussen het Nederlands en de talen die gebruikt worden in Luxemburg zijn namen als Kraaij en Kraay voorlopig uit de herkende posten gelaten. Deze posten zijn wel opgeleverd maar voor verdere herkenning door middel van menselijke interventie voorgedragen

In de toegevoegde letters bij de tenaamstelling van de rekening komt in enkele gevallen de lettercombinatie TH voor. In Nederland is dit een gebruikelijke schrijfwijze is voor Theo(dorus). De officiele voorletter voor deze persoon is slechts de T. In de gevallen waar het duidelijk was dat met TH Theo(dorus) bedoeld werd, is TH vervangen door T. Het zelfde geldt voor de naam Chris(tianus), daarbij is CHR vervangen door C. Deze posten zijn wel opgeleverd maar voor verdere herkenning door middel van menselijke interventie voorgedragen

Het bestand is gesplitst in 2 aparte bestanden te weten die met enkele namen, als hiervoor bij de bij punt 1 beschreven rekeningen en een bestand met dubbele namen als hiervoor bij de punten 2 en 3 beschreven.

Het bestand met dubbele namen is ontdaan van gebruikelijke voorvoegsels als v. vd, ter e.d.. Dit is gedaan om matching op de combinatie van achternamen in BVR mogelijk te maken. Als voorbeeld hiervan kan het volgende dienen. Op de naamscombinatie Van den Berg - De Dijk, kan worden gezocht door te matchen met de naamscombinaties Berg-Dijk en Dijk-Berg.

Matchen

Bestand enkele namen.

Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit naam en letters, is gematcht met BVR op de vraag hoe vaak een naam, in combinatie met de voorletters in de volgorde zoals genoemd in de bronbestanden, voorkomt. Komt de combinatie in BVR maar 1 keer voor, dan is deze persoon als uniek in het BVR aangemerkt, en in combinatie met het (BSN) sofinummer, opgeleverd ter verdere behandeling.

Bestand dubbele namen

Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit een dubbele naam en in sommige gevallen voorzien van letters, is gematcht met het BVR op de vraag hoe vaak de combinatie van namen in het BVR, aan elkaar gekoppeld via een bestaande huwelijksrelatie, voorkomt. Komt de combinatie van namen in willekeurige volgorde maar 1 keer voor dan zijn deze beide personen als uniek in het BVR aangemerkt en, in combinatie met het (BSN)sofinummer, opgeleverd ter verdere behandeling.”

Identificatie

3.4.1. Op de rekeningstandenlijsten zijn onder meer de volgende gegevens vermeld.

Lijst B.1:

“Date: 9/05/96 (…)

RACINE * NAME *CCY * CURRENT ACCOUNTS * DEPOSITS *

[C] [Y] . NLG 9,005.79 .00

BONDS * SHARES / OPTIONS * INV. FUNDS * TOTAL **

426,385.000 .00 .00 435,390.79 ”

Lijst B.2:

“Date: 11/28/96 (…)

RACINE * NAME *CCY* CURRENT ACCOUNTS * DEPOSITS *

[C] [Y] . NLG 912.61 .00

BONDS * SHARES / OPTIONS * INV. FUNDS * TOTAL **

431,855.00 .00 .00 423,767.61 “

3.4.2. Tijdens het proces van identificatie bleek dat in het BVR slechts één persoon voorkomt die van zichzelf [X] heet en gehuwd is met iemand die de achternaam [Y] draagt, terwijl de namencombinatie [Y] – [X] in het BVR niet voorkomt. Het betreft dan ook een unieke naam-naamcombinatie.

Naar aanleiding van bovenstaande gegevens zijn belanghebbende en zijn echtgenote als rekeninghouder geïdentificeerd.

Contacten tussen partijen vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen

3.5.1. De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote met dagtekening 7 maart 2007 een vragenbrief gestuurd waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u houder bent (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(en) kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing. Daarom verzoek ik u mij de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die in de bijlage bij deze brief worden gevraagd.

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. (…)”

De bijlagen bevatten de formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)”, waarin belanghebbende wordt gevraagd om aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest, onder vermelding van onder andere rekeningnummer, naam van de bank, saldo en jaar van opening van de rekening.

3.5.2. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben bij brief van 12 maart 2007 aangegeven niet bekend te zijn met in het buitenland aangehouden bankrekeningen.

3.5.3. De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote met dagtekening 6 april 2007 nogmaals verzocht om de gevraagde informatie te verstrekken.

3.5.4. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben bij brief van 10 april 2007 aangegeven niet meer informatie te kunnen verstrekken dan reeds vermeld in de brief van 12 maart 2007.

3.5.5. De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote bij brief van 5 juni 2007 meegedeeld dat hetgeen belanghebbende en zijn echtgenote stellen niet juist is en heeft belanghebbende en zijn echtgenote nogmaals in de gelegenheid gesteld de gevraagde informatie te verstrekken. De Inspecteur heeft belanghebbende gewezen op eventuele omkering van de bewijslast.

3.5.6. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben de Inspecteur bij brief van 2 juli 2007 verzocht aan te geven over welke informatie deze beschikt.

3.5.7. De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote bij brief van 16 juli 2007 geïnformeerd met betrekking tot de gegevens waarover hij beschikt.

3.5.8. De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote bij brieven van 29 november 2007 op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 (inclusief verhoging) en VB 1996 (inclusief verhoging) op te leggen. In de brief gericht aan belanghebbende is onder meer het volgende vermeld:

“Redelijke schatting

Ondanks mijn herhaalde verzoeken om informatie en mijn verwijzing naar uw verplichtingen zoals genoemd in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, heeft u niet voldaan aan de op u rustende verplichtingen. (…)

Aan de hand van gegevens van een groot aantal rekeninghouders die één of meerdere bankrekeningen bij Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA hebben aangehouden in de periode 1994/1996 heb ik een verloop van de gemiddeld aangehouden tegoeden kunnen vaststellen. De gemiddeld aangehouden tegoeden zijn in de door mij onderzochte periode op jaarbasis toegenomen met gemiddeld ruim 23,5% per jaar. Deze toename kan zijn ontstaan uit het herbeleggen van rente en dividendinkomsten, waardestijging van aandelen en beleggingsfondsen en het saldo van opnames en stortingen.

Omdat ik de inkomsten en het vermogen moet schatten is er voor mij geen aanleiding om rekening te houden met een lagere toename van de tegoeden dan uit het onderzoek bij de onderzochte groep rekeninghouders is gebleken. Uitgaande van de mij bekende door u aangehouden tegoeden zal ik in mijn berekeningen voor de vermogensbelasting tot en met 2000 rekening houden met een jaarlijkse toename van uw tegoeden van 23,5%.

Ik zal uw vermogen op 1 januari 1996 met fl. 331.0 68 (€ 150.232) verhogen.

Met betrekking tot de inkomstenbelasting 1995 heb ik een rendement berekend op de door u in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen. Het rendement op beleggingen in buitenlandse beleggingsfondsen bedraagt op grond van artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in beginsel 6% per jaar.

Voor de bepaling van de rente op spaarrekeningen, depositorekeningen en obligaties heb ik rekening gehouden met de percentages van de wettelijke rente, de marktrente en de rendementen volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het rentepercentage op spaarrekeningen, depositorekeningen en obligaties heb ik voor 1995 geschat op 6%. Met betrekking tot het voor de inkomstenbelasting te belasten rendement op aandelen ben ik tevens uitgegaan van een gemiddelde van 6% per jaar. Hierdoor worden de inkomsten op de door u en/of uw echtgeno(o)t(e) in het buitenland aangehouden bankrekeningen berekend op 6% van het door mij berekende saldo op 1 januari van dat jaar. Hiervoor heb ik reeds vermeld op welke wijze de tegoeden op de buitenlandse bankrekening(en) zijn berekend.

Dit heeft tot gevolg dat het belastbaar inkomen over 1995 met fl. 13.762 (€ 6.245) wordt verhoogd.

Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2002 zal ik voor de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen uitgaan van dezelfde berekeningswijze als voor de Vermogensbelasting. Het voordeel uit sparen en beleggen bedraagt op grond van artikel 5.2 Wet IB 2001 4% van dit berekende vermogensbestanddeel.

Met ingang van het belastingjaar 2001 is de wetgeving veranderd. Indien een vermogensbestanddeel niet is opgenomen in de aangifte wordt op grond van artikel 2.17 lid 4 Wet inkomstenbelasting 2001 dit bestanddeel van de rendementsgrondslag geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren.

Uw belastbaar inkomen uit sparen en beleggen over 2002 zal ik verhogen met 50% x € 450.204 = € 225.102.

Navordering

Uw aangiften over de jaren 1995 en 2002 heb ik behandeld voordat ik over de informatie met betrekking tot de door u in het buitenland aangehouden bankrekening(en) kon beschikken. Hierdoor is de aanslag over dit jaar tot een te laag bedrag vastgesteld en ben ik voornemens u op grond van artikel 16, lid 1, 3 en 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een navorderingsaanslag op te leggen. (…)

Kennisgeving boete

(Navorderingsaanslagen IB/PH 1995 en VB 1996)

Op grond van artikel 18, lid 1, van de AWR ben ik voornemens over de correcties een niet-ordeboete van 100% op te leggen. Van deze boete zal ik overeenkomstig § 21, lid 3, van het Voorschrift administratieve boeten 1993 niets kwijtschelden.

(…)

Motivering boete

Uit het onderzoek door de Belastingdienst zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan ik voornemens ben deze boete op te leggen:

U bent geïdentificeerd als houder van een of meerdere buitenlandse bankrekeningen. U heeft de hiervoor vermelde vermogensbestanddelen en inkomsten niet vermeld in uw belastingaangifte(n). Dit ondanks dat in de aangifte(n) uitdrukkelijk gevraagd wordt naar (buitenlandse) inkomensbestanddelen en/of vermogensbestanddelen. Op grond hiervan ben ik van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.

Het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een of meer buitenlandse bankrekeningen (onder andere) in een land met een bankgeheim waardoor de belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit is ontnomen merk ik aan als listigheid, valsheid of samenspanning e.d. als bedoeld in § 21, lid 3 van het Voorschrift administratieve boeten 1993 en als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in § 42 juncto § 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen.

(…)

Uitnodiging om te reageren

Ik stel u in de gelegenheid om vóór 13 december 2007 schriftelijk op de voorgenomen navordering te reageren. Tevens kunt u dan de gronden waarop mijn voornemen tot het opleggen van de boete berust, gemotiveerd betwisten. Indien u dat wenst kunt u uw standpunt ook mondeling toelichten. Ik verzoek u in dat geval vóór 13 december 2007 een afspraak met mij te maken. U kunt mij bereiken via telefoonnummer. (…) ”

3.5.9.

De gemachtigde van belanghebbende en zijn echtgenote heeft hierop gereageerd bij brief van 11 december 2007. In deze brief is door de gemachtigde nogmaals verzocht om hem van informatie te voorzien waaruit zou (kunnen) blijken dat belanghebbende en zijn echtgenote een rekening zouden hebben (aangehouden) bij de VLB.

3.5.10.

Bij brief gedagtekend 17 december 2007 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende en zijn echtgenote meegedeeld dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 (inclusief verhoging) en VB 1996 (inclusief verhoging) worden opgelegd zoals aangekondigd.

3.5.11.

Met dagtekening 28 december 2007 respectievelijk 29 december 2007 zijn aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslagen (inclusief verhoging) alsmede de boete en de beschikkingen heffingsrente opgelegd.

Met dagtekening 29 december 2007 is aan de echtgenote van belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag alsmede de boete en de beschikking heffingsrente opgelegd.

Contacten tussen partijen na het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, VB 1996

3.6.1.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben bij brief van 8 januari 2008 bezwaar gemaakt tegen de onderhavige navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 (inclusief verhogingen) en de beschikkingen heffingsrente.

3.6.2.

De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote bij brief van 21 januari 2008 uitgenodigd voor een hoorgesprek en in de gelegenheid gesteld om stukken in te komen zien.

De gemachtigde is daarna op het Belastingkantoor geweest. Hij heeft daarbij het renseignement ingezien.

3.6.3.

Bij brief van 11 maart 2008 heeft de gemachtigde van belanghebbende en zijn echtgenote aan de Inspecteur meegedeeld dat hij beschikt over de renseignementen, het begeleidend schrijven vanuit het buitenland aan Nederland en de toelichtende (geanonimiseerde) Nota. Voorts heeft hij in deze brief aangegeven vooralsnog geen inzage in de stukken te wensen en te kunnen instemmen met aanhouding van de uitspraken op bezwaar totdat de gronden van het bezwaar zijn ingediend.

3.6.4.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben bij brief van 17 april 2008 hun bezwaar nader gemotiveerd.

3.6.5.

De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote bij brief van 3 november 2008 in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en hen daarvoor uitgenodigd op 24 februari 2009. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn niet verschenen. De gemachtigde van belanghebbende en zijn echtgenote heeft op 9 maart 2009 te kennen gegeven af te zien van een hoorgesprek. Bij brieven van 21 januari 2008 en 3 november 2008 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Belanghebbende is daarna nog tweemaal uitgenodigd voor een hoorgesprek. Belanghebbende heeft laten weten hier geen gebruik van te willen maken.

3.6.6.

Met dagtekening 16 april 2009 is uitspraak op de bezwaarschriften gedaan. Hierbij zijn de bestreden navorderingsaanslagen en de daarbij opgelegde boetes gehandhaafd.

Vervolg

3.7.1.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend en voorts heeft hij de rechtbank verzocht voor een deel van de op de zaak betrekking hebbende stukken op grond van artikel 8:29 van de Awb te beslissen dat beperking van kennisneming van (delen van) die stukken tot de rechtbank gerechtvaardigd is. Hij heeft ook versies van die stukken overgelegd om aan belanghebbende en zijn echtgenote door te sturen, waarin hij de passages heeft weggelaten waarvoor hij zich beroept op beperking van de kennisneming.

3.7.2.

Bij beslissing van 23 september 2011 heeft de rechtbank op de voet van artikel 8:29, derde lid, van de Awb geoordeeld dat de beperking van de kennisneming ten aanzien van een deel van de door de Inspecteur ingezonden stukken gerechtvaardigd is, heeft de rechtbank het verzoek om beperking ten aanzien van een gedeelte van de stukken afgewezen en met betrekking tot de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6 geoordeeld dat de Inspecteur belanghebbende en zijn echtgenote ter zitting in de gelegenheid moet stellen de ongeanonimiseerde rekeningstandenlijsten kortstondig integraal in te zien. Daarbij is – voor zover van belang – het volgende overwogen:

“(…) Het argument van het controlestrategisch belang van de Belastingdienst overtuigt echter wel. Indien inderdaad de lijsten “op straat” zouden komen te liggen doordat zij in concrete zaken in hun geheel aan de betreffende belanghebbende zouden moeten worden overgelegd, dan is inderdaad denkbaar dat derden daaruit kunnen afleiden dat de Inspecteur hen op basis van de daarin vervatte gegevens over met name tenaamstelling met de thans beschikbare opsporingsmethoden niet kan traceren. Dat neemt niet weg dat belanghebbende en zijn echtgenote na kennisneming van dergelijke stukken in onderhavige zaak niet zonder meer bevoegd zijn die gegevens aan derden bekend te maken, maar het is de vraag of de Inspecteur de geheimhouding door belanghebbende en zijn echtgenote kan effectueren. Het controlestrategisch belang dat met beperking van de kennisneming gemoeid is, weegt daarom zwaarder dan het belang dat belanghebbende en zijn echtgenote hebben bij het beschikken over de integrale rekeningstandenlijsten. Dat neemt echter niet weg dat een minder vergaande vorm van geheimhouding in een geval als dit voldoende bescherming tegen dat gevaar biedt. Niet valt immers in te zien dat belanghebbende en zijn echtgenote op zitting niet kortstondig inzage zouden kunnen hebben van de gehele lijsten om zich een indruk te kunnen vormen die volstaat om zijn verdediging te kunnen voeren. De beperking van de kennisneming van de (volledige) rekeningstandenlijsten is derhalve slechts gerechtvaardigd voor zover de Inspecteur verzoekt die lijsten niet integraal aan belanghebbende en zijn echtgenote door te zenden. (…)”

De beslissing luidt - voor zover van belang - als volgt:

“(…)

3.2.

bepaalt dat gerechtvaardigd is de beperking van de kennisneming in de onder 2.2 en 2.7 onder C bedoelde lijsten B1, B2 en B6 van namen en rekeningnummers van anderen dan -zoals de Inspecteur stelt - belanghebbende en zijn echtgenote zelf en van de namen, adres- telefoon- en faxgegevens en rekeningnummers van anderen dan – zoals de Inspecteur stelt – belanghebbende en zijn echtgenote zelf in het stuk B9, in die zin dat aan belanghebbende en zijn echtgenote geen integrale versie van die stukken wordt gezonden, maar dat de Inspecteur belanghebbende en zijn echtgenote ter zitting de gelegenheid moet bieden die stukken kortstondig integraal in te zien;

3.3.

wijst het verzoek om beperking van de kennisneming van andere delen van de onder 3.1 genoemde stukken af;

(…)”

3.7.3.

De Inspecteur heeft bij brief van 19 oktober 2011 op de geheimhoudingsbeslissing gereageerd en met betrekking tot de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6 onder meer het volgende toegelicht:

“(...)

C. Rekeningstandenlijsten

In de tussenuitspraak is bepaald dat de inspecteur ter zitting kortstondig inzage dient te verlenen in de integrale, ongeanonimiseerde rekeningstandenlijsten. Uit de tussenuitspraak leid ik af dat deze inzage bedoeld is om tegemoet te komen aan de grief van belanghebbende dat hij de echtheid van de stukken niet kan controleren. Na heroverweging heb ik besloten om niet mee te werken aan dit punt in de tussenuitspraak. Hiertoe heb ik de volgende redenen. Allereerst meen ik dat een stuk ofwel geheim dient te blijven, ofwel vrijgegeven dient te worden. Tussenvormen zijn mijns inziens niet denkbaar. Voorts speelt hier nog een ander belang. Indien aan dit oordeel van de rechtbank tegemoetgekomen zou worden, zou aan gemachtigde voor enkele tientallen verschillende belanghebbenden kortstondig inzage gegeven moeten worden, hetgeen de facto neerkomt op openbaarmaking van het stuk. Bovendien meen ik dat er ook andere manieren zijn om aan de (op zichzelf begrijpelijke) ‘echtheidsgrief’ van belanghebbende tegemoet te komen. Een mogelijkheid zou zijn dat de (geheimhoudingskamer van de) rechtbank de stukken beoordeelt en zich uitspreekt over de echtheid van de stukken. Anders dan de door de rechtbank bij de tussenuitspraak bepaalde oplossing kleven hieraan voor de inspecteur geen onomkeerbare gevolgen. (…)”

3.7.4.

Voorts heeft de Inspecteur op grond van de beslissing van 23 september 2011 bij de brief van 19 oktober 2011 nog nadere stukken aan de rechtbank en aan belanghebbende en zijn echtgenote toegezonden. Ten aanzien van een aantal stukken heeft de Inspecteur geen gevolg gegeven aan de beslissing van de geheimhoudingskamer hoewel beperking van de kennisneming daarvan door de rechtbank niet gerechtvaardigd is geacht.

Het betreft de volgende stukken:

- de Nota: de namen van bij het Belgisch strafrechtelijk onderzoek betrokken personen en de hierop betrekking hebbende plaatsnamen en bedrijfsgegevens;

- bijlage B11 bij de Nota: de naam van de persoon aan wie de brief genoemd als bijlage B11 gericht is;

- bijlagen B3, B4, B5, B7, B8, B10 en B11 bij de Nota: de cijfermatige informatie;

- memo redelijke schatting: de rekeningnummers;

- draaiboek: de namen van de belastingambtenaren.

3.7.5.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben bij brief van 19 oktober 2011 geen toestemming verleend aan de rechtbank om de stukken die zij niet kennen bij de beoordeling van de zaken te betrekken.

3.7.6.

Op 1 november 2011 doet de rechtbank de Inspecteur een brief toekomen waarvan de strekking is dat de rechtbank geen kennis zal nemen van de passages waarvan de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is en waarbij belanghebbende en zijn echtgenote de rechtbank geen toestemming hebben verleend die passages bij de beoordeling van het geschil te betrekken, maar daarnaast evenmin kennis zal nemen van de passages waarvan de beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd is en waarbij de Inspecteur zich niet neerlegt bij de geheimhoudingsbeslissing van de rechtbank.

3.7.7.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben de rechtbank bij brief van 10 november 2011 met bijlagen (een brief gericht aan de rechtbank Leeuwarden en drie ambtsedige verklaringen) meegedeeld dat de Inspecteur een aantal op de zaken betrekking hebbende stukken nog niet had overgelegd en zij hebben de rechtbank verzocht om de Inspecteur te gelasten deze stukken alsnog over te leggen. Het betreft de volgende stukken:

- agendapunten en bijbehorende verslagen in het kader van het Project Bank Zonder Naam;

- agendapunten en bijbehorende verslagen betrekking hebbende op de kick-off bijeenkomsten gehouden op 16 en 17 november 2006;

- een e-mail van 20 november 2006 waarin verzocht wordt de verzending van de vragenbrief aan belanghebbenden op de schorten;

- een verslag van 21 november 2006 inzake de wijze van identificatie;

- een e-mail van 5 december 2006 waarin de belastingregio’s worden geïnformeerd over het verzenden van de vragenbrief aan belanghebbenden;

- agendapunten en bijbehorende verslagen van alle bijeenkomsten gehouden door de betrokken belastingregio’s in het kader van de afpersingskwestie;

- verslag van de positieve uitkomsten van de extra identificatiecheck en chi-kwadraattoets.

3.7.8.

De Inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief van 1 december 2011. De Inspecteur heeft uitsluitend de onder 2.7.7 genoemde twee e-mails overgelegd en daarbij de rechtbank verzocht om te beoordelen of deze stukken zijn aan te merken als stukken in de zin van artikel 8:42 Awb. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat dat het geval is heeft de Inspecteur onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb meegedeeld dat het alleen de rechtbank is toegestaan om kennis van die stukken te nemen en de rechtbank verzocht te beslissen dat beperking van kennisneming van deze stukken tot de rechtbank gerechtvaardigd is.

3.7.9.

Bij brief van 19 december 2011 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een reactie op de brief van de Inspecteur van 1 december 2011 aan de rechtbank gestuurd, mede ter onderbouwing van hun standpunt waarom naar hun mening de onder 3.7.7 genoemde stukken zijn aan te merken als stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb.

3.7.10.

Bij beslissing van 19 december 2011 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank met betrekking tot de door de Inspecteur bij brief van 1 december 2011 overgelegde stukken, beslist dat het om stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb gaat. Het verzoek van de Inspecteur om beperking van de kennisneming van die stukken tot de rechtbank in verband met controlestrategische redenen, is afgewezen. Ook het verzoek tot beperking van de kennisneming van de namen van de op de e-mails voorkomende belastingambtenaren is afgewezen.

3.7.11.

De Inspecteur heeft bij de rechtbank bij brief van 11 januari 2012 in reactie op de beslissing van de geheimhoudingskamer van 19 december 2011 nadere stukken (de eerdergenoemde twee e-mails) ingediend. De Inspecteur heeft daarbij geen gevolg gegeven aan de beslissing van de geheimhoudingskamer om de namen van de belastingambtenaren vrij te geven, hoewel beperking van de kennisneming daarvan niet gerechtvaardigd is geacht.

3.8.

Na de mondelinge behandeling van 23 maart 2016 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur bankgegevens gezonden. Het gaat om bankstukken die op naam staan van het echtpaar [X] en [Y] .

De rekeningnummers zijn [C] en [D] . De rekening [C] is geopend op 23 mei 1996 en de rekening [D] op 13 november 1996.

Het tegoed op rekening [C] bedraagt op 5 september 1995 ƒ 435.390,79 en op 28 november 1996 ƒ 432.767,61. De navorderingsaanslagen zijn aan de hand van deze gegevens opgelegd.

Het in Nederland aangehouden spaartegoed bedraagt volgens de aangifte over het jaar 1995 per 31 december 1995 ƒ 114.863. Volgens de aangifte over het jaar 1996 bedraagt het saldo van dit spaartegoed per 31 december 1996 ƒ 129.517.

Het tegoed op rekening [D] bedraagt op 28 november 1996 ƒ 806.470,45. Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen is met het tegoed op deze rekening geen rekening gehouden.

Op naam van de zuster van belanghebbende, [E] , staat een rekening met nummer [F] . Van deze rekening zijn geen gegevens ingezonden aan de Inspecteur.

Van rekening [F] is volgens de bankafschrift van rekening [G] op 15 november 1996 een bedrag van ƒ 1.424,45 overgeschreven naar rekening [G] . Volgens de renseignementgegevens bedraagt het saldo van [F] op 5 september 1996 ƒ 828.618.93. Per 28 november 1996 is geen saldo bekend.

Arrest Hoge Raad

4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:Nl:HR:2015:1105 het volgende beslist:

“2.1. De bestreden navorderingsaanslagen, verhogingen en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde project Bank Zonder Naam (hierna: BZN).

2.2.1.

De onderhavige navorderingsaanslagen zijn opgelegd met toepassing van de op de voet van artikel 16, lid 4, AWR verlengde navorderingstermijn. Het Hof heeft die navorderingsaanslagen en de daarbij opgelegde verhogingen vernietigd omdat de Inspecteur niet de voortvarendheid in acht heeft genomen die ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199, (hierna: het arrest BNB 2010/199) is vereist.

2.2.2.

Het Hof heeft daartoe overwogen dat de Belastingdienst reeds in het tweede kwartaal van 2005 - in ieder geval niet later dan november 2005 - met een voldoende mate van zekerheid kon vaststellen dat ten aanzien van een substantieel aantal individuele belastingplichtigen mogelijk zou kunnen worden nagevorderd. Alsdan had de Belastingdienst op dat moment in redelijkheid tot het oordeel moeten komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden waren. Nu dat in die periode is nagelaten, brengt dit mee dat niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen, aldus het Hof.

2.2.3.

Daar komt volgens het Hof bij dat de tweede fase - vanaf maart 2006 tot het daadwerkelijk aanstellen van een projectleider in augustus 2006 - rijkelijk lang heeft geduurd. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de Belastingdienst - alvorens tot het besluit van een gecoördineerde aanpak te komen – de tijd moet worden gegund die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het Openbaar Ministerie geboden kan zijn, kan niet gezegd worden dat de Belastingdienst voldoende voortvarend gehandeld heeft, aldus nog steeds het Hof.

2.2.4.

Het overwogene onder 2.2.2 leidt volgens het Hof reeds tot het oordeel dat niet voldaan is aan de eis van voortvarend handelen. Maar ook indien dit niet het geval is, dan is zeker in combinatie met hetgeen is overwogen onder 2.2.3 (de nodeloos lange tweede fase), sprake van niet‑voortvarend handelen van de Belastingdienst, aldus nog steeds het Hof.

2.2.5.

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de hiervoor weergegeven oordelen van het Hof.

2.3.1.

Zoals is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137, neemt de Hoge Raad bij de beoordeling van gevallen als de onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, tot uitgangspunt dat de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In zodanige gevallen kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen, moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het Openbaar Ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.

2.3.2.

De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.

2.3.3.

Opmerking verdient dat de vereiste voortvarendheid in ieder geval niet is betracht indien bij de werkzaamheden als vermeld in 2.3.2 een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234).

2.4.1.

Bij de aanpak van het onderhavige BZN-project heeft de Belastingdienst gekozen voor een volgtijdige, fasegerichte, aanpak van de verwerking van de aangeleverde gegevens. Die keuze valt binnen de hiervoor onder 2.3.2 vermelde beoordelingsvrijheid die de Belastingdienst bij de organisatie en inrichting van de te verrichten werkzaamheden toekomt. Voor rechterlijk ingrijpen is dan slechts plaats indien de volgens het arrest BNB 2010/199 vereiste voortvarendheid niet in acht is genomen.

2.4.2.

Volgens het Hof is de vereiste voortvarendheid niet in acht genomen doordat de Belastingdienst reeds in het tweede kwartaal van 2005, althans niet later dan november 2005, tot het oordeel had moeten komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden waren. Blijkens ’s Hofs vaststelling vonden in die periode zogenoemde sofiëringswerkzaamheden plaats door een EDP-medewerker welke werkzaamheden in februari 2006 zijn afgerond met de oplevering van de eindversie van een excelbestand, bevattend een lijst met indicaties van de meest waarschijnlijke rekeninghouders. Vervolgens is besloten tot een projectmatige aanpak (de tweede fase). Zoals onder 2.4.1 hiervoor is overwogen, is de keuze voor die aanpak geoorloofd. Het Hof heeft de hiervoor bedoelde beoordelingsvrijheid van de belastingautoriteiten miskend doordat het zijn oordeel heeft gebaseerd op de overweging dat de Belastingdienst reeds vóór de afsluiting van de onderzoeksfase een landelijke projectorganisatie in het leven had kunnen roepen, en op het – veronderstellenderwijs – gehanteerde uitgangspunt dat de heffingsbelangen eerder duidelijk zouden zijn geworden indien de EDP-medewerker zou zijn opgedragen tussentijds opgave te doen van zijn voorlopige en nog niet volledige onderzoeksresultaten.

2.4.3.

Ook de onder 2.2.3 weergegeven overweging van het Hof kan de daaraan verbonden gevolgtrekking niet dragen. Blijkens ’s Hofs vaststellingen is in de periode maart 2006 tot augustus 2006 een aantal werkzaamheden verricht ten behoeve van de tweede fase. Die werkzaamheden zijn blijkens de omschrijvingen daarvan ingegeven door de door de Belastingdienst beoogde zorgvuldigheid bij de projectmatige aanpak. Een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden is daarbij niet opgetreden. ’s Hofs oordeel dat de Belastingdienst in deze fase niet voortvarend heeft gehandeld, berust kennelijk op ’s Hofs gevoelen dat een meer efficiënte inrichting van de werkzaamheden mogelijk zou zijn geweest. Ook in zoverre heeft het Hof de hiervoor bedoelde beoordelingsvrijheid van de belastingautoriteiten met betrekking tot de inrichting van hun werkzaamheden miskend. De uit het recht van de Europese Unie voortspruitende eisen van een voortvarende behandeling kunnen niet aldus worden toegepast dat daaraan slechts is voldaan indien de belastingautoriteiten hebben gekozen voor de meest efficiënte aanpak van de te verrichten werkzaamheden.

2.4.4.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat de vereiste voortvarendheid niet in acht is genomen. Het middel slaagt.

2.5.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.4 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de behandeling van de overige bezwaren van belanghebbende, alsmede het incidentele hoger beroep van de Inspecteur, waaraan het Hof niet is toegekomen.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de navorderingsaanslagen, de verhogingen en de beschikkingen heffingsrente terecht heeft opgelegd onderscheidenlijk gegeven, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend.

Meer in het bijzonder geldt dat de Hoge Raad de zaken heeft verwezen ter behandeling van de overige bezwaren van belanghebbende alsmede voor behandeling van het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur.

5.2.

Belanghebbende heeft in de procedure voor Hof Amsterdam – samengevat – de volgende niet door dat Hof behandelde standpunten ingenomen:

1) De rekeningstandenlijsten zijn niet betrouwbaar en niet authentiek;

2) De Inspecteur heeft het fair‑play-beginsel geschonden; hij heeft ambtsedige verklaringen, e-mailberichten, agendapunten e.d. niet overgelegd.

3) De Inspecteur heeft meer dan zes maanden stilgezeten dan wel overigens niet met de vereiste voortvarendheid gehandeld. Hierover kunnen de door belanghebbenden opgeroepen getuigen verklaren. Nu deze na oproeping bij exploit door de gemachtigde geen van allen zijn verschenen, dient het Hof hen op te roepen.

4) De Inspecteur heeft niet bewezen dat de verhogingen terecht zijn opgelegd.

Indien dit standpunt niet wordt gevolgd dient, nu de gemachtigde en Inspecteur in de procedure voor het gerechtshof Amsterdam betreffende de belanghebbende voor andere jaren tot een vergelijk zijn gekomen waarbij de verhogingen/boetes zijn kwijtgescholden/verminderd tot op 50 percent, die kwijtschelding/vermindering ook met betrekking tot hier in geschil zijnde verhogingen worden toegepast.

5) De navorderingsaanslagen zijn tot te hoge bedragen opgelegd. De veronderstelde vermogensgroei van 23,5 percent en het rentepercentage van 6 zijn niet aannemelijk.

6) De Inspecteur had de redelijke schatting moeten actualiseren.

7) Het aanvangstijdstip van de redelijke termijn dient te worden gesteld op <<invullen>>.

8) De ingehouden bronheffing dient verrekend te worden.

Na cassatie heeft belanghebbende nog het volgende naar voren gebracht.

9) Uit de aanslagbiljetten is niet duidelijk wat de belastingverplichting van belanghebbenden zou zijn, hetgeen in strijd is met artikel 5 van de AWR.

Bij deze standpunten merkt belanghebbende nog het volgende op. Belanghebbende verzoekt het Hof mevrouw [H] en mevrouw [I] te horen teneinde helderheid te krijgen over de vraag of in het project voldoende voortvarend is gehandeld. De aanslagregeling is onnodig vertraagd; de risicoanalyse is al in het Rekeningenproject toegepast en belanghebbende wil onderzocht zien in hoeverre gebruik is gemaakt van de daar opgedane kennis. De Inspecteur dient alsnog alle stukken in te brengen waaruit de (totstandkoming van de) besluitvorming blijkt die heeft geleid tot het oordeel dat er landelijke coördinatie geboden was. Belanghebbende heeft met de aan de Inspecteur toegezonden bankgegevens overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn opgelegd. De bedragen die op de rekeningen van belanghebbende en zijn echtgenote zijn gestort zijn afkomstig uit een schenking door de zuster van belanghebbende aan belanghebbende en zijn echtgenote.

5.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen en de daarbij toegepaste verhogingen, na de daarin door de Rechtbank aangebrachte wijzigingen, juist zijn. Hij voert daartoe – samengevat – nog het volgende aan.

De gegevens op de rekeningstandenlijsten zijn betrouwbaar en authentiek.

Alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.

De navorderingsaanslagen zijn met voldoende voortvarendheid opgelegd.

De (opbrengsten uit) de bankrekening is (zijn) opzettelijk niet in de aangiften inkomstenbelasting verantwoord.

Het startmoment van de redelijke termijn is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het moment van de aankondiging van de boete. De verhogingen en de boete zoals verminderd door de rechtbank zijn passend en geboden.

Belanghebbende heeft met de door hem na de zitting aan de Inspecteur toegezonden bankgegevens niet doen blijken dat de navorderingsaanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

Met bronheffing kan rekening worden gehouden indien belanghebbende kan aantonen dat er bij hem bronheffing is ingehouden. Dat heeft belanghebbende niet gedaan.

Het standpunt van belanghebbende dat uit de aanslagbiljetten is niet duidelijk wat de belastingverplichting van belanghebbenden zou zijn, hetgeen in strijd is met artikel 5 van de AWR zou zijn is tardief.

5.4.

Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en primair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en beschikkingen. Wat betreft de verhogingen concludeert belanghebbende subsidiair tot een vermindering daarvan tot op 50 percent van de nagevorderde belasting.

6.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Artikel 5 Awr

7.1.1.

Het Hof stelt voorop dat de rechter naar wie het geding na cassatie is verwezen, aan de hand van de inhoud en de strekking van hetgeen de Hoge Raad in het verwijzingsarrest heeft overwogen en beslist, heeft te beoordelen welke onderdelen van de gecasseerde uitspraak niet of tevergeefs zijn bestreden en derhalve onaantastbaar zijn geworden (HR 2 mei 1997, nr. 16.233, ECLI:NL:HR:1998:ZC2362).

7.1.2.

Voor zover belanghebbende na cassatie een beroep doet op het bepaalde in artikel 5 Awr en stelt dat onderzoek moet worden gedaan of uit de aanslagbiljetten duidelijk blijkt wat de bedragen aan verschuldigde belasting zijn, oordeelt het Hof dat in het geding na cassatie geen plaats is voor behandeling van deze stelling, omdat deze niet eerder voor de rechtbank of het Gerechtshof Amsterdam is ingenomen en derhalve geen deel uitmaakt van het geding na cassatie. Het Hof zal daarom niet inhoudelijk op de stelling ingaan.

De op de zaak betrekking hebbende stukken

7.2.1.

Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank Haarlem in de rechtsoverwegingen 4.1.1 tot en met 4.1.7 en 4.2.1 tot en met 4.2.5 omtrent de op de zaak betrekking hebbende stukken en maakt dit oordeel en de gronden waarop het berust tot de zijne.

7.2.2.

Het Hof ziet geen aanleiding thans verder onderzoek naar de authenticiteit van de renseignementen en de rekeningstandenlijsten te doen. Het Hof is van oordeel dat de authenticiteit in de loop van het geding voldoende is komen vast te staan.

De gemachtigde van belanghebbende heeft inzage gehad in het renseignement voor zover de naam van belanghebbende en zijn echtgenote erop staat vermeld. Belanghebbende heeft in geen enkel gedingstuk een reden aangevoerd om aan de bewijskracht van genoemde documenten te twijfelen. Voor het Hof Amsterdam heeft hij zijn stelling waarom hij aan de authenticiteit twijfelt niet verder onderbouwd. Verder heeft hij geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien aannemelijk, kunnen leiden tot de conclusie dat het voor het vaststellen van de authenticiteit en betrouwbaarheid van de rekeningstandenlijsten nodig is om de rekeningstandenlijsten integraal in te zien. Derhalve leidt de weigering van de Inspecteur om bepaalde documenten ongeschoond (onbeperkt) ter inzage te verstrekken, dan wel om bepaalde informatie op die documenten onleesbaar te maken, er niet toe dat belanghebbende de authenticiteit en betrouwbaarheid van de rekeningstandenlijsten niet meer kon beoordelen.

Hier komt bij dat belanghebbende in de loop van de procedure besloten heeft kenbaar te maken dat er een rekening was/is van de VLB. Dat kenbaar maken is uitgebouwd doordat de gemachtigde aan de Inspecteur bankafschriften met de naam van belanghebbende en zijn echtgenote heeft gezonden. Alsdan is het gewicht aan de eerder door de gemachtigde ingenomen stelling dat geen authentieke renseignementen/rekeningstandenlijsten zijn overgelegd door de Belastingdienst in een geheel ander daglicht komen te staan en het belang van verder onderzoek daarnaar in dit geding komen te vervallen.

(Verlengde) navorderingstermijn

7.3.1.

Naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van der Schoot, C-155/08 en C-157/08, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43.050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en 43.670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9120, regels geformuleerd, die in verband met de eerbiediging van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde evenredigheidsbeginsel ter rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal die artikel 16, vierde lid, van de Awr inhoudt, in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

7.3.2.

Voor zover het standpunt van belanghebbende erop neerkomt dat uit de in de genoemde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar voor navordering niet geldt voor de tijd die nodig is voor het verkrijgen van inlichtingen bij de belastingplichtige zelf of derden binnen Nederland is het Hof van oordeel dat voor dit standpunt geen steun is te vinden in de zo-even vermelde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie noch in de arresten van de Hoge Raad die daarna zijn gewezen.

7.3.3.

Voor elke navorderingsaanslag die is opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn moet worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het moment waarop de Inspecteur aanwijzingen van het bestaan van de VLB-rekening heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de navorderingsaanslag heeft opgelegd, aanvaardbaar is.

7.3.4.

De tijd die de Inspecteur heeft besteed aan het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en die welke noodzakelijkerwijs is gemoeid met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag, zoals de identificatie en het overige fiscale onderzoek, dient aanvaardbaar te zijn. Daarbij neemt het Hof in aanmerking de massaliteit van het aantal gegevens, de grote hoeveelheid van de vermeende rekeninghouders en de ten aanzien van ieder van hen te betrachten zorgvuldigheid om tot een eenduidige identificatie te komen.

7.3.5.

Tussen het moment dat in februari 2005 de informatie via de Belgische belastingautoriteit bij de FIOD/ECD binnenkwam en het moment dat voor het eerst contact met belanghebbende is opgenomen door het zenden van een vragenbrief op 7 maart 2007 is ruim twee jaar verstreken. De Inspecteur heeft verklaard dat in die periode de informatie is bestudeerd, dat een projectteam is opgezet, dat een draaiboek is opgezet voor het identificeren en belasten van de daarbij genoemde personen en dat de identificatie heeft plaatsgevonden.

7.3.6.

De Belastingdienst is na ontvangst van de inlichtingen in februari 2005 gestart met het verifiëren en analyseren van de ontvangen informatie. Gelet op de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid is ervoor gekozen de gegevens op een projectmatige wijze te verwerken. De daarmee gemoeide projectwerkzaamheden hebben onafgebroken plaatsgevonden. Zij zijn niet gelijktijdig maar volgtijdig uitgevoerd, waarbij steeds ten minste één van onderstaande typen projectwerkzaamheden heeft plaatsgevonden. Ruwweg kunnen de projectmatige werkzaamheden in drie verschillende periodes worden onderscheiden.

7.3.7.

De eerste fase is de onderzoeksfase. Gedurende deze fase is onderzocht en beoordeeld of de ontvangen gegevens bruikbaar waren voor fiscale behandeling. Deze fase heeft geduurd vanaf het moment dat de gegevens zijn ontvangen tot ruwweg maart 2006. De werkzaamheden binnen deze periode hebben bij de FIOD/ECD en Belastingdienst Centrum voor Product- en Procesontwikkeling (B/CPP) plaatsgevonden.

In de onderzoeksfase hebben de volgende activiteiten plaatsgevonden:

(1) opstarten van behandeling: de interne organisatie van de FIOD/ECD en B/CPP informeren over het verkrijgen van de gegevens en capaciteit vrijmaken om met de gegevens aan de slag te gaan;

(2) analyseren en veredelen van de ontvangen gegevens: het digitaliseren, rubriceren en ordenen van de gegevens. Hiervoor zijn geautomatiseerd verschillende bestanden gemaakt, gekoppeld en met elkaar vergeleken;

(3) identificeren van rekeninghouders; het ontwerpen van geautomatiseerde zoekvragen ter identificatie; het via interne en externe systemen koppelen van de ontvangen gegevens aan inwoners van Nederland. Enerzijds hebben geautomatiseerde zoekslagen plaatsgevonden die grotendeels zijn uitgevoerd door een EDP-auditor van B/CPP (zie het Proces-verbaal Geautomatiseerde identificatie van 13 maart 2008). Anderzijds zijn diverse handmatige zoekslagen gemaakt. Door deze onderzoeken zijn bijvoorbeeld eigenaren van postbussen achterhaald, telefoonnummers gekoppeld aan belastingplichtigen en codenamen gekraakt. Bij twijfel werden steeds weer nieuwe zoekslagen gemaakt, zodat de juist geïdentificeerde personen aangeschreven konden worden; en

(4) het zogenoemd sofiëren van de gegevens. Het zodanig bewerken van de ontvangen gegevens tot voor de behandeling van individuele belastingplichtigen noodzakelijke informatie.

De activiteiten onder 2, 3, en 4 hebben het grootste gedeelte van de voorperiode doorlopend plaatsgevonden.

7.3.8.

De tweede fase was de besluit- en inrichtingsfase. Gedurende deze fase heeft:

(1) in het voorjaar 2006 overleg plaatsgevonden tussen de Kennisgroep Landelijke Acties, het ministerie van Financiën en de FIOD-ECD. Besloten is tot een landelijk gecoördineerde aanpak in een project. Voorts hebben besprekingen over risico’s, rechtsvragen, mogelijk- en onmogelijkheden in het project bij de Belastingdienst plaatsgevonden. Daarnaast is een projectleider aangezocht die op 24 augustus 2006 van start is gegaan; en

(2) continue afstemming plaatsgevonden met het ministerie van Financiën (afstemmen en informeren over ontwikkelingen en voortgang).

7.3.9.

De derde fase was de projectfase. In het algemeen kunnen de werkzaamheden in deze periode als volgt worden samengevat:

(1) samenstellen van een landelijk projectteam;

(2) opzetten van een projectorganisatie: plannen maken en uitwerken, het landelijke en regionale management van de Belastingdienst informeren, formeren van een groep collegae die het landelijke project regionaal uitzet en bewaakt (= de regiotrekkers), capaciteit vrij doen maken in de regio’s voor het behandelen van de renseignementen, regelen van administratieve ondersteuning op landelijk en regionaal niveau;

(3) opzetten van een projectapplicatie: bouwen van een computerprogramma specifiek toegesneden voor de fiscale behandeling met betrekking tot de ontvangen gegevens. Deze applicatie verschaft behandelaren en projectleiding steeds op individueel niveau inzage in de behandeling;

(4) afstemmen en schrijven van een draaiboek: raadplegen deskundigen heffing, inning en opsporing. Afstemmen met deskundiger successierecht en het Openbaar Ministerie;

(5) informeren, organiseren en houden van startbijeenkomsten voor de regiotrekkers;

(6) het schrijven van standaardbrieven die bij de aanvang van het project verstuurd moeten worden;

(7) verifiëren van de ontvangen gegevens: op verschillende manieren beoordelen of de ontvangen gegevens (voldoende) betrouwbaar zijn (vergelijken met gegevens die reeds in eerdere projecten verstrekt waren en chi-kwadraattoets);

(8) selecteren van posten in verband met mogelijk strafrechtelijk onderzoek;

(9) voorbereiding starten van civiele kortgedingprocedures, en overleg met de Landsadvocaat.

Het analyseren en veredelen van de gegevens en het identificeren van rekeninghouders heeft hierbij de meeste tijd gevergd. Deze activiteiten hebben gedurende de periode april 2005 tot en met maart 2007 onafgebroken plaatsgevonden en zijn naderhand vervolgd. In maart 2007 is besloten de gegevens van de eerste tranche geïdentificeerde belastingplichtigen vrij te geven voor behandeling op de diverse kantoren van de Belastingdienst.

De keuze voor een projectmatige aanpak is naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar vanwege de eenheid van beleid en uitvoering.

De Inspecteur is in maart 2007 op de hoogte gekomen van het feit dat belanghebbende naar voren is gekomen als rekeninghouder van de VLB. Mede gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij nagestreefde zorgvuldigheid is de met het identificatieproces gemoeide tijd niet onredelijk lang. Het Hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokkenen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. Niet is aannemelijk geworden dat de werkzaamheden dusdanig zijn georganiseerd en ingericht dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is. Het Hof acht onvoldoende omstandigheden aanwezig waaruit zou volgen dat van de Belastingdienst redelijkerwijs een andere, bijvoorbeeld niet volgtijdelijke aanpak met inzet van meer mankracht zoals meer EDP-auditors, verlangd kon worden. Er zijn geen zodanige omstandigheden gesteld dan wel aannemelijk geworden op grond waarvan op een eerder moment dan in maart 2007 met inachtneming van de te betrachten zorgvuldigheid voldoende zeker was dat belanghebbende rekeninghouder was.

7.3.10.

Het Hof is alles overziende tot de slotsom gekomen dat de vereiste voortvarendheid vanaf het aanschrijven van belanghebbende op 7 maart 2007 tot en met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 op 28 december 2007 in acht is genomen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat hij de navorderingsaanslagen heeft opgelegd zonder overschrijding van het tijdsverloop dat, nadat het rekeninghouderschap van belanghebbende hem bekend was geworden, noodzakelijkerwijs was gemoeid met het verkrijgen van de inlichtingen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting alsmede met het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking stonden.

7.3.11.

Het Hof heeft bij dit oordeel het volgende in aanmerking genomen.

De Hoge Raad heeft met de volgtijdelijke projectmatige fasegerichte aanpak, die in de arresten van 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:Nl:HR:2015:1105, is beschreven, ingestemd. De door de gemachtigde van belanghebbende gestelde omstandigheid dat het project efficiënter had kunnen worden uitgevoerd, is – wat er overigens van dit standpunt zij – geen reden om in dit geval anders over de volgtijdelijke projectmatige fasegerichte aanpak te oordelen. Het Hof volgt de gemachtigde van belanghebbende dan ook niet in diens standpunt dat onderzocht dient te worden, bijvoorbeeld door middel van het door het Hof doen oproepen en het horen van getuigen als de landelijk projectleider mevrouw [I] dan wel anderen bij het project betrokkenen zoals mevrouw [H] , of het project meer efficiënter had kunnen worden vormgegeven doordat bij hen zal worden nagegaan of en op welke wijze de bij het Rekeningproject opgedane ervaringen bij het onderhavige project zijn betrokken. Hierbij overweegt het Hof nog het volgende.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Belastingdienst bij de organisatie en de inrichting van de te verrichten werkzaamheden van het project beoordelingsvrijheid toekomt. Uit de gedingstukken blijkt dat gebruik is gemaakt van gegevens van meewerkende rekeninghouders uit het Rekeningenproject. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan in weerwil van wat de Hoge Raad in zijn arrest van 1 mei 2015 hiervoor heeft overwogen, namelijk dat de eisen van een voortvarende behandeling niet aldus kunnen worden toegepast dat daaraan slechts is voldaan indien de belastingautoriteiten hebben gekozen voor de meest efficiënte aanpak van de te verrichten werkzaamheden zou kunnen worden geoordeeld dat in dit geval niet aan de eisen van voortvarendheid is voldaan. Nu de gemachtigde van belanghebbende zodanige feiten en omstandigheden niet heeft aangevoerd, maar heeft volstaan met een in algemene termen gesteld verzoek om getuigen te horen, heeft het Hof besloten geen gehoor aan het verzoek te geven. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de gemachtigde in de uitnodiging voor de zitting is gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te nemen naar de zitting of op te roepen om ter zitting te verschijnen. De door hem opgeroepen getuigen zijn niet verschenen. Gelet op het vorenstaande ziet het Hof geen reden zelf getuigen op te roepen om ter zitting te worden gehoord.

Identificatie

7.4.1.

Nu belanghebbende en zijn echtgenote hebben toegegeven rekeninghouder te zijn (geweest) van rekening [C] is het belang aan de voor het Hof Amsterdam ingenomen stelling dat een derde, buiten Nederland wonende, belastingplichtige rekeninghouder zou zijn komen te ontvallen.

7.4.2.

Het Hof overweegt voorts nog het volgende. De identificatie is tot stand gekomen aan de hand van door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse fiscus verstrekte gegevens. Uit de stukken van het geding komen geen feiten naar voren op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de Nederlandse fiscus de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens op onrechtmatige wijze heeft verkregen. De door de gemachtigde van belanghebbende gestelde omstandigheid dat de gegevens afkomstig zijn van een particulier die deze door diefstal of een ander strafbaar feit, bijvoorbeeld afpersing, in handen heeft gekregen, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de Belgische autoriteiten de gegevens bij een huiszoeking hebben verkregen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van de gegevens van VLB en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat de Belgische autoriteiten bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen heeft geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43.050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179).

7.4.3.

Belanghebbende stelt met een beroep op de Bijstandsrichtlijn dat de Nederlandse en Belgische overheid gegevens van VLB hebben verkregen met schending van de soevereiniteit van de Staat Luxemburg. Ook deze stelling faalt. De Bijstandsrichtlijn is uitsluitend gericht tot de lidstaten, en belastingplichtigen, zoals belanghebbende, kunnen daaraan geen rechten ontlenen. In de onderhavige zaken is verder geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland, maar van het overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. De Bijstandsrichtlijn mist derhalve toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, ECLI:NL:HR:2010:BM0137).

7.4.4.

Belanghebbende heeft geen reden aangevoerd waarom hij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de Inspecteur om informatie te verstrekken en evenmin waarom hij geen antwoord heeft gegeven op het verzoek van de Inspecteur om nadere informatie.

7.4.5.

De Inspecteur heeft gesteld en met de door hem overgelegde aangiftegegevens aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in zijn aangiften geen renten of saldi van deze buitenlandse bankrekening heeft vermeld.

Bewijslastverdeling

7.5.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende gevraagd gegevens en inlichtingen te verschaffen over de door hem in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Daarbij is belanghebbende erop gewezen dat hij verplicht is die gegevens en inlichtingen te verstrekken en dat het niet voldoen aan deze verplichting leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

7.5.2.

Vaststaat dat in het kader van de vaststelling van de navorderingsaanslagen geen door de Inspecteur verlangde gegevens of inlichtingen over enige op naam van belanghebbende en zijn echtgenote staande in het buitenland aangehouden bankrekening zijn verstrekt, terwijl belanghebbende reeds buiten eigen toedoen als houder van die buitenlandse rekening was geïdentificeerd, de Inspecteur van die gegevens en inlichtingen derhalve het bestaan mocht aannemen en voldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende over die gegevens en inlichtingen beschikte of kon beschikken maar niet de moeite heeft genomen om inlichtingen van de VLB te verzoeken en ook niet het door de Belastingdienst toegezonden formulier ter verkrijging van inlichtingen van de VLB wilde invullen en verzenden aan de VLB. Belanghebbende heeft niet voldaan aan zijn verplichting ingevolge artikel 47, eerste lid, AWR. Hieruit volgt dat het Hof de beroepen met betrekking tot de nagevorderde belasting over de navorderingsjaren op grond van het bepaalde in artikel 27e, onderdeel b, AWR ongegrond dient te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn.

Hoogte van de navorderingsaanslagen

7.6.1.

Na de zitting van 23 maart 2016 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur bankafschriften toegezonden. Daaruit komt naar voren dat belanghebbende en zijn echtgenote rekeninghouder zijn (waren) bij VLB en de rekening [C] in mei 1996 hebben geopend. Het saldo van de rekening per september en november 1996 bedroeg respectievelijk ƒ 435.390,79 en ƒ 432.767,61. De hoogte van de navorderingsaanslagen zijn op deze bedragen gebaseerd.

7.6.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij en zijn echtgenote rekening [C] in mei 1996 hebben geopend en dat het tegoed afkomstig is uit een schenking van de zuster van belanghebbende en de Inspecteur daarom geen correctie had moeten toepassen. Belanghebbende heeft deze stelling echter niet met dusdanige feitelijke gegevens onderbouwd dat op grond daarvan de juistheid kan worden aangenomen. De Inspecteur heeft gesteld dat slechts een schenking aannemelijk is met betrekking tot de bedragen op de rekening [D] die belanghebbende en zijn echtgenote op 13 november 1996 hebben geopend. Het Hof acht dit geloofwaardig gelet op de volgende gegevens: Volgens de bankafschriften is op rekening [D] een bedrag gestort vanaf de rekening [F] die op naam van [E] , de zuster van belanghebbende, stond, terwijl (i) per 28 november 1996 op rekening [F] geen saldo bekend is, terwijl (ii) op 5 september 1996 op rekening [F] nog ƒ 828.618.93 staat, en terwijl (iii) op rekening [D] per 28 november 1996 een bedrag van ƒ 806.470,45 staat. Belanghebbende heeft met betrekking tot de herkomst van de saldi op de rekening [C] geen verklaring gegeven. De bedragen zijn dusdanig hoog dat het Hof ervan uitgaat dat een dergelijk saldo, meer dan ƒ 400.000, niet pas in 1996 tot stand kan zijn gekomen en dat belanghebbende en zijn echtgenote een dergelijk tegoed reeds in 1995 aanhielden al dan niet op een VLB rekening in het buitenland. In zijn aangiften voor 1995 en 1996 heeft belanghebbende slechts een bedrag uit spaarsaldi in Nederland aangegeven. De Inspecteur heeft zich bij de berekening van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1995 en vermogensbelasting 1996.gebaseerd op de saldi van de rekening [C] uit 1996. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken dat de navorderingsaanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

Boeten

7.7.1.

Hierna wordt onder “boete(n)” verstaan: verhogingen als bedoeld in artikel 18(oud) AWR.

7.7.2.

De boete bij navordering kon voor de onderhavige jaren niet hoger zijn dan 100 percent van, kort gezegd, de nagevorderde belasting. Naar vast beleid, tot 1 januari 1998 neergelegd in de Leidraad administratieve boeten (LAB) en sindsdien in het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst (BBBB), legt de inspecteur in geval van opzet een boete van 50 percent op. Eveneens vast beleid is dat recidive, de ernst van de beboete gedraging, samenloop met niet-fiscale overtredingen of delicten, persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige en de wijze waarop het beboete feit heeft plaatsgevonden, aanleiding kunnen geven de boete te verhogen tot het wettelijke maximum en dat de Inspecteur een boete dient op te leggen die passend is te achten bij de geconstateerde beboetbare gedraging.

7.7.3.

De Inspecteur heeft aanleiding gezien de boeten op het wettelijk maximum van 100 percent vast te stellen (zie 1.1 en 1.2). De Inspecteur dient derhalve niet alleen aannemelijk te maken dat de (primitieve) aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld en dat zulks aan opzet van belanghebbende is te wijten, maar ook dat zich omstandigheden als bedoeld onder 7.7.2 laatste volzin, hebben voorgedaan. Vervolgens dient de Inspecteur te bewijzen dat de door hem verdedigde boetes, gelet op alle omstandigheden, passend zijn bij de beboetbare gedragingen. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

7.7.4.

Op grond van het vorenoverwogene is aannemelijk dat belanghebbende in de jaren waarvoor de navorderingsaanslagen en boetes zijn opgelegd, houder van een tegoed op een bankrekening in het buitenland was, dat hij in de aangiften IB/PVV en VB voor die jaren geen melding van deze bankrekening heeft gemaakt en dat hij de saldi daarvan alsmede de inkomsten daaruit niet in de aangiften heeft verantwoord. Uit de berekening die de Inspecteur heeft gemaakt die wat betreft de saldi overeenkomen met de door belanghebbende aan de Inspecteur na cassatie verstrekte gegevens volgt dat de buitenlandse inkomens en vermogens van belanghebbende in die jaren aanzienlijk hoger waren dan de door hem in zijn aangiften vermelde buitenlandse inkomens en vermogens. Door deze aangiften stellig en zonder voorbehoud te doen heeft belanghebbende willens en wetens onjuiste aangiften gedaan. Belanghebbende kon er daarbij van uitgaan dat de rekening (bij VLB in Luxemburg) buiten het zicht van de Nederlandse fiscus zou blijven; de rekening was immers geopend in een land met een bankgeheim. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid gegevens te verschaffen waaruit het tegendeel blijkt. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de primitieve aanslagen voor de onderhavige jaren tot te lage bedragen zijn vastgesteld.

7.7.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met wat hij heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat het opleggen van boeten, na het verstrekken van de bankgegevens door belanghebbende doch voor toepassing van (een) vermindering(en) wegens overschrijding van de redelijke termijn, van 100 percent van de nagevorderde belasting gerechtvaardigd is.

Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende vele jaren lang de rekening bij VLB in Luxemburg heeft verzwegen, dat hij moet hebben geweten dat hij over de tegoeden op en de inkomsten uit de buitenlandse rekening in Nederland belasting verschuldigd was en dat de ernst van de beboete gedraging zodanig is dat een boete van 100 percent niet buitenproportioneel is.

Het Hof ziet, anders dan de Inspecteur, evenwel geen reden om voor de boetes bij de navorderingsaanslagen vast te houden aan boetes, voor toepassing van (een) vermindering(en) wegens overschrijding van de redelijke termijn, van 100 percent. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende alsnog inzicht heeft geboden in de bankgegevens.

7.7.6.

De gemachtigde van belanghebbende heeft nog aangevoerd dat hij in een procedure voor het Gerechtshof Amsterdam betreffende belanghebbende en de overige, na verwijzing voor Hof Den Haag, procederende BZN-spaarders met de inspecteur tot een vergelijk is gekomen waarbij boetes als de onderhavige zijn vastgesteld op 50 percent van de nagevorderde belasting. Dit compromis dient, aldus gemachtigde, ook voor de onderhavige jaren ten aanzien van belanghebbende te worden toegepast. Naar het oordeel van het Hof faalt deze grief. Daarbij overweegt het Hof het volgende.

In de door belanghebbende bedoelde zaken was de vermindering van de boete van in beginsel 100 percent tot 50 percent onderdeel van een op de desbetreffende zaken afgestemd compromis. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen jaren waarvoor in hoger beroep zou worden doorgeprocedeerd over de kwestie van de inrichting van de werkzaamheden in de projectfase waarbij een getuigenverhoor over de werkzaamheden van de EDP-auditor zou plaatsvinden en jaren waarvoor daarover niet in hoger beroep zou worden doorgeprocedeerd. Voor de laatstbedoelde jaren is in het compromis een boete van 50 percent en een bepaalde kostenvergoeding afgesproken. Het compromis omvatte ook de intrekking van de voor de desbetreffende jaren door de belanghebbende ingestelde hoger beroepen. Dit gold niet voor de thans nog te beslissen jaren waarin is doorgeprocedeerd en die na verwijzing door de Hoge Raad thans ter beslissing voorliggen. Voor die jaren bevatte het compromis geen afspraken over boete en kostenvergoeding.

Hetgeen belanghebbende voorts op dit punt heeft aangevoerd is onvoldoende om op grond daarvan te concluderen dat de Inspecteur een afspraak in algemene zin heeft gemaakt die inhield dat een boete van 50 percent zou gelden voor alle bekennende BZN-spaarders en/of dat de afspraak in een meerderheid van met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen is toegepast. De omstandigheid dat de gemachtigde van de Inspecteur, tevens coördinator van de groep buitenlands vermogen, aanwezig was ter zitting van Hof Amsterdam, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

7.7.7.

Naar het oordeel van het Hof is in dit geval een boete van 90 percent, gegeven de omstandigheden, passend, gelet op de aard van het verzuim, en ook geboden uit een oogpunt van normhandhaving. Daarbij neemt het Hof in aanmerking hetgeen onder 7.6.5 is overwogen alsmede dat, naar de Inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht, belanghebbende de bedoeling heeft gehad gedurende een reeks van jaren tegoeden aan te houden op een bankrekening in een land met een bankgeheim met het oogmerk deze tegoeden en de daaruit genoten voordelen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

7.7.8.

Nu de hoogte van de belasting zoals die bij de navordering is vastgesteld tot dezelfde bedragen kan worden vastgesteld uit de bankrekeningafschriften van belanghebbende zelf en de berekening van de boetes daarop is gegrond is voor matiging van de boeten in verband met het feit dat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast geen aanleiding. Mitsdien is het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond.

Gevolgen overschrijding redelijke termijn voor de boeten

7.8.1.

De beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden hangt af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Als zodanige handelingen dienen in elk geval aangemerkt te worden de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g, lid 2, en 67k, lid 1, AWR (vergelijk Hoge Raad, 22-04-2005, 37.984, ECLI:NL:HR:2005: AO9006).

7.8.2.

De kennisgevingen dat bij de oplegging van de belastingaanslagen boeten zouden worden opgelegd zijn gedaan op 29 november 2007. Aan deze kennisgevingen kon belanghebbende redelijkerwijs de verwachting ontlenen dat de Inspecteur boeten zou opleggen.

Het lag nog in de macht van belanghebbende om na ontvangst van de verzoeken om informatie en de vragenbrieven in de periode daarvoor door het geven van openheid van zaken omtrent zijn buitenlandse rekening het opleggen van boeten (ten dele) te voorkomen.

7.8.3.

Het Hof stelt vast dat de behandeling van de bezwaren en de beroepen in eerste aanleg inzake de belastingaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 - zie daarvoor de overwegingen van de rechtbank onder 4.13.1 en 4.13.2 - langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank over (de gevolgen van) deze overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor behandeling in hoger beroep die is gesteld op twee jaar is in de procedure voor Hof Amsterdam niet overschreden. De rechtbank heeft op 25 september 2012 uitspraak gedaan en de uitspraken van het Hof Amsterdam zijn gedaan op 22 april 2014. Evenmin is de redelijke termijn voor behandeling van het beroep in cassatie overschreden. De Hoge Raad heeft op 1 mei 2015 arrest gewezen. Het Hof Den Haag doet op 25 januari 2017 uitspraak. Na cassatie heeft de procedure een jaar en negen maanden geduurd.

7.8.4.

Het Hof vindt in hetgeen onder 7.8.2 en 7.8.3 is overwogen aanleiding de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn te verminderen. De vermindering wegens termijnoverschrijding bedraagt 30 percent voor de boeten, opgelegd bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996. Na deze vermindering bedragen de boeten, opgelegd bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 63 percent (90 percent minus 30 percent van 90 percent).

Zorgvuldigheidsbeginsel en heffingsrente

7.9.1.

De heffingsrente heeft de Inspecteur berekend met inachtneming van de bepalingen in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Uit de bewoordingen van deze wet volgt onmiskenbaar dat heffingsrente wordt berekend indien de vaststelling van een navorderingsaanslag na afloop van het belastingtijdvak leidt tot een te betalen bedrag.

Gegevens op grond waarvan de Inspecteur een voorlopige aanslag had kunnen opleggen waren niet voorhanden. Het opleggen van een voorlopige navorderingsaanslag is niet mogelijk. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van hoofdstuk VA van de Awr volgt niet dat de staatssecretaris beleid zal formuleren of heeft geformuleerd voor gevallen als de onderhavige waarin het niet gaat om het opleggen van een voorlopige aanslag maar om een navorderingsaanslag.

7.9.2.

Belanghebbende heeft in de aangiften voor de inkomstenbelasting niet vermeld dat hij inkomsten uit tegoeden in het buitenland heeft genoten en heeft evenmin belaste vermogensbestanddelen in het buitenland aangegeven. Het initiatief daarvoor ligt bij belanghebbende. In de rechtsoverwegingen 7.3.1 tot en met 7.3.11 hiervoor heeft het Hof geoordeeld dat de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend zijn opgelegd. Alsdan kan niet worden gezegd dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door tot de datum dat hij de navorderingsaanslagen heeft opgelegd heffingsrente te berekenen (vgl. HR 28 maart 2001, nr. 35.968, ECLI:NL:HR:2001:AB0764, BNB 2001/297).

Slotsom

7.10.

Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 ongegrond is en betreffende de boetes gegrond is.

Immateriële schadevergoeding

7.11.1.

De Rechtbank Haarlem heeft in zijn uitspraken bepaald dat het onderzoek wordt heropend naar de vraag of belanghebbenden voor het bezwaar en beroep recht hebben op een vergoeding voor immateriële schade wegens de lange duur van de procedures.

Voor zover belanghebbenden deze beslissing na cassatie aanvechten betreft dit een nieuwe grief tegen de uitspraken van de rechtbank die nog niet eerder naar voren is gebracht en reeds om die reden in het geding na verwijzing niet kan worden beoordeeld.

Voorts geldt, nu de rechtbank op het verzoek om vergoeding van immateriële schade in een afzonderlijke uitspraak heeft beslist of zal beslissen, dat er in dit hoger beroep geen plaats is om op deze kwestie inhoudelijk in te gaan. Tegen de door de rechtbank genomen of te nemen beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade kunnen belanghebbenden met inachtneming van de desbetreffende wettelijke bepalingen afzonderlijk hoger beroep instellen.

7.11.2.

De redelijke termijn voor behandeling in hoger beroep van twee jaar is in de procedure voor Hof Amsterdam niet overschreden. De rechtbank heeft op 25 september 2012 uitspraak gedaan en de uitspraken van het Hof Amsterdam zijn gedaan op 22 april 2014. Evenmin is dat het geval met de procedure in cassatie. De Hoge Raad heeft op 1 mei 2015 arrest gewezen.

Het Hof Den Haag doet op 25 januari 2017 uitspraak in de verwijzingszaak. In beginsel geldt voor de procedure na cassatie een termijn van een jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn met negen maanden zou zijn overschreden. Nu evenwel sinds de uitspraak van Hof Amsterdam van 22 april 2014 tot aan de uitspraak van dit Hof van 25 januari 2017 nog geen drie jaren zijn verstreken, vindt het Hof aanleiding toepassing te geven aan onderdeel 3.8.2 van het arrest HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:2016:252, BNB 2016/140. Dit brengt mee dat het tijdsverloop tussen de uitspraak van het Hof Amsterdam en de uitspraak van het Hof Den Haag geen overschrijding van de redelijke termijn oplevert. Het Hof zal daarom geen schadevergoeding toekennen.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en de daarbij behorende bijlage als volgt vast op € 1.984:

- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- voor Hof Amsterdam 2 punten (voor de volgende proceshandelingen: indienen hoger beroep, mondelinge behandeling);

- voor Hof Den Haag 2 punten (conclusie na verwijzing, een mondelinge behandeling, en een twee schriftelijke reacties);

- tarief € 496;

- aard van de zaak factor 1.

8.2.

De rechtbank heeft in beroep reeds een proceskostenvergoeding voor het bezwaar en het beroep en een vergoeding van het griffierecht toegekend. Deze vergoedingen zal het Hof in stand laten. Het voor de procedure voor het Hof Amsterdam betaalde griffierecht van € 115 zal de Inspecteur aan belanghebbende vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de proceskostenveroordeling, de opdracht tot vergoeding van het griffierecht en de beslissing tot heropening van het onderzoek;

- verklaart de beroepen met betrekking tot de navorderingaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 ongegrond, behoudens voor zover het de daarin begrepen boetes betreft;

- verklaart de beroepen met betrekking tot de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 gegeven beschikkingen heffingsrente ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze de boetes betreffen;

- vermindert de boetes tot 63 percent van de nagevorderde belasting;

- verklaart het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.984;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 115 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, G.J. van Leijenhorst en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 25 januari 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.