Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2177

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
200.201.873/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:223, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

cessie en verpanding vordering op naam, artikel 3: 88 jo 3:98 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 84
Burgerlijk Wetboek Boek 3 88
Burgerlijk Wetboek Boek 3 94
Burgerlijk Wetboek Boek 3 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/365
JOR 2017/308 met annotatie van mr. F.J.L. Kaptein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.201.873/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/504565 / HA ZA 16-117

arrest van 25 juli 2017

in de zaak van

Majoto Holding B.V.

gevestigd te Borne,

hierna te noemen: Majoto,

appellante in principaal appel,

verweerster in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. L.S. van Meurs,

tegen

1. V.o.f. […] en Zoon,

gevestigd te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas,

2. [geintimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geintimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

hierna gezamenlijk te noemen: [geintimeerde c.s.],

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag.

Het geding

1. Bij exploot van 17 oktober 2016 is De Vrije Energie Producent B.V. (hierna: DVEP) in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag, team handel, tussen DVEP en [geintimeerde c.s.] gewezen vonnis van 17 augustus 2016. Bij memorie van grieven heeft DVEP twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde c.s.] de grieven bestreden en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

2. Bij akte genomen op de rolzitting van 11 april 2017 hebben DVEP en Majoto een verzoek tot schorsing en gelijktijdige hervatting van het geding ingediend. Op 25 april 2017 heeft [geintimeerde c.s.] daarop bij akte gereageerd. Vervolgens hebben DVEP en Majoto een akte uitlating genomen op 23 mei 2017.

3. Op 12 juni 2017 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [geintimeerde c.s.] door mr. L.P.A. Zwijnenberg, advocaat te Den Haag, en Majoto (en DVEP) door mr. Van Meurs voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Daarna is arrest bepaald.

De feiten

4. Het gaat in deze zaak, voor zover thans van belang, om het volgende:

4.1

[geintimeerde sub 2] en [geintimeerde sub 3] zijn vennoten van de v.o.f. […] en Zoon. Deze vennootschap exploiteert een tuinbouwbedrijf.

4.2

In 2005 en 2006 heeft [geintimeerde c.s.] bestellingen geplaatst bij [X] B.V. (hierna: [X]), een groothandel in zaden, pootgoed, peulvruchten en overige eenjarige gewassen. Deze bestellingen bedroegen in totaal € 110.215,93.

4.3

Voor deze bestellingen heeft [X] facturen gestuurd met de volgende factuurdata, voor de volgende bedragen:

- 31 mei 2005 € 11.463,90

- 4 juli 2005 € 11.463,90

- 11 augustus 2005 € 11.463,90

- 4 oktober 2005 € 11.463,90

- 11 november 2005 € 11.463,90

- 6 december 2005 € 11.463,90

- 6 februari 2006 € 11.463,90

- 10 april 2006 € 22.927,80

- 2 mei 2006 € 6.804,69

- 9 augustus 2006 € 236,14

Deze facturen dienden binnen 30 dagen na factuurdatum te zijn voldaan.

4.4

Deze facturen zijn grotendeels onbetaald gelaten. [geintimeerde c.s.] heeft een deelbetaling van € 10.347,60 gedaan aan [X] ter zake van de factuur van 31 mei 2005. Daarnaast heeft [geintimeerde c.s.] op 29 september 2011 een bedrag van € 100,-- betaald. De totale onbetaald gebleven hoofdsom inzake de facturen bedraagt derhalve € 99.768,33 (hierna: de vordering op [geintimeerde c.s.]).

4.5

Op 5 januari 2009 hebben [X] en [X] Vastgoed B.V. (hierna: [X] Vastgoed) een akte van cessie ondertekend (hierna: de akte van cessie). Deze akte houdt in dat [X] haar vordering op [geintimeerde c.s.], daterend uit 2005 en 2006 en op dat moment bedragend € 99.868,33, per 31 december 2007 heeft overgedragen aan [X] Vastgoed. In de akte is bepaald dat [X] van deze cessie mededeling zal doen aan [geintimeerde c.s.]. Als reden voor de cessie wordt vermeld dat dhr. [X] de aandelen in [X] heeft verkocht aan [y] Holding en dat in dat kader (om de koopprijs te verlagen), de vordering van [X] op [geintimeerde c.s.] is overgedragen aan [X] Vastgoed.

4.6

DVEP handelt in energie.

4.7

[X] heeft op 5 september 2012 een overeenkomst gesloten met DVEP inhoudende dat DEVP tegen betaling energie zal leveren aan [X].

4.8

[X] is haar betalingsverplichtingen jegens DVEP niet volledig nagekomen.

4.9

Als zekerheid voor de betalingsverplichtingen van [X] jegens DVEP is een openbaar pandrecht gevestigd op de vordering op [geintimeerde c.s.]. De pandakte is op 27 oktober 2015 ondertekend namens DVEP en op 30 oktober 2015 door dhr. [X] namens “[X] Vastgoed”.

4.10

[X] is op 17 november 2015 failliet verklaard.

4.11

Bij brief van 16 december 2015 is door de advocaat van DVEP aan [geintimeerde c.s.] mededeling gedaan van het pandrecht van DVEP op de vordering op [geintimeerde c.s.].

4.12

[geintimeerde c.s.] is niet tot betaling overgegaan.

4.13

Op 24 maart 2017 hebben DVEP en Majoto een akte van cessie ondertekend, waarmee DVEP haar vordering op [X], en het daaraan verbonden pandrecht op de vordering op [geintimeerde c.s.], overdraagt aan Majoto. Op 28 maart 2017 heeft mr. Van Meurs mededeling van de cessie gedaan aan de curator van [X].

De vordering en beslissing in eerste aanleg

5. DVEP vorderde in eerste aanleg om [geintimeerde c.s.] hoofdelijk te veroordelen tot:

I. betaling aan DVEP van een bedrag van € 99.768,33, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente;

II. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten berekend op een bedrag van € 1.772,68, althans een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van de dagvaarding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

III. betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6. DVEP heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. [X] is in verzuim ten aanzien van betaling van de vordering van DVEP. DVEP is derhalve gerechtigd om het haar gegeven pandrecht op de vordering op [geintimeerde c.s.] uit te winnen.

7. De rechtbank heeft de vordering van DVEP afgewezen. Daartoe heeft zij, kort gezegd, overwogen dat de cessie van de vordering op [geintimeerde c.s.] door [X] aan [X] Vastgoed niet rechtsgeldig is, omdat niet is komen vast te staan dat mededeling van deze cessie is gedaan aan [geintimeerde c.s.]. De consequentie daarvan is dat de vordering op [geintimeerde c.s.] het vermogen van [X] nooit heeft verlaten, en dat de beoogde verpanding van deze vordering door [X] Vastgoed aan DVEP niet rechtsgeldig is geschied. DVEP is derhalve niet inningsbevoegd ten aanzien van de vordering op [geintimeerde c.s.].

Schorsing en gelijktijdige hervatting van het geding

8. Tijdens de procedure in hoger beroep is van de zijde van DVEP verzocht om schorsing van het geding (ex artikel 225 Rv) en gelijktijdige hervatting van het geding in de stand waarin het zich bij de schorsing bevond door Majoto (ex artikel 227 Rv). Daartoe is aangevoerd dat de vordering van DVEP op [X] is gecedeerd aan Majoto en dat Majoto daarmee van rechtswege ook rechthebbende is geworden op het litigieuze pandrecht op de vordering van [X] Vastgoed op [geintimeerde c.s.], welk pandrecht aan DVEP was verleend als zekerheid voor de voldoening van de vordering van DVEP op [X].

9. Het hof stelt vast dat Majoto heeft overgelegd de akte van cessie tussen DVEP en Majoto waaruit blijkt dat de vordering die DVEP had op [X] uit hoofde van energieleveranties is gecedeerd aan Majoto alsmede de schriftelijke mededeling van deze cessie aan de curator. Daarnaast geldt dat DVEP en Majoto terecht hebben gesteld dat het (gestelde) pandrecht op de vordering van [X] Vastgoed op [geintimeerde c.s.] daarmee van rechtswege is verkregen door Majoto (artikel 6:142 BW). Dit betekent dat Majoto thans als partij in de onderhavige zaak moet worden aangemerkt.

De vordering en grieven in hoger beroep

10. Majoto vordert in hoger beroep, kort gezegd, dat het hof het vonnis van de rechtbank vernietigt en de vorderingen onder I en II (zie r.o. 5) alsnog toewijst. Daarnaast vordert Majoto dat [geintimeerde c.s.] hoofdelijk wordt veroordeeld tot terugbetaling van de proceskosten van € 6.745,00 die DVEP aan [geintimeerde c.s.] heeft voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van betaling door DVEP, althans een door het hof in goede justitie te bepalen datum, en tot betaling van de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in appel, te vermeerderen met wettelijke rente.

11. Majoto heeft twee grieven aangevoerd. Met de eerste grief betoogt Majoto dat het wel genoegzaam aannemelijk en onderbouwd is dat aan [geintimeerde c.s.] mededeling van de cessie is gedaan. De tweede grief houdt in dat ook als geconcludeerd zou worden dat geen rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden bij gebreke van een rechtsgeldige mededeling aan [geintimeerde c.s.], DVEP (en daarmee Majoto) dan toch een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op de vordering op [geintimeerde c.s.] op grond van artikel 3:88 juncto 3:98 BW.

12. Voor het geval het principaal appel zou slagen, heeft [geintimeerde c.s.] (voorwaardelijk) incidenteel appel ingesteld. [geintimeerde c.s.] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gestelde vordering op [geintimeerde c.s.] niet is verjaard.

De beoordeling van het hoger beroep

13. [geintimeerde c.s.] betoogt dat geen sprake is van een rechtsgeldige verpanding door [X] Vastgoed aan DVEP van de gestelde vordering op [geintimeerde c.s.] omdat de eerdere cessie van deze vordering door [X] aan [X] Vastgoed niet rechtsgeldig was. Majoto heeft zich er in de procedure voor het hof op beroepen dat DVEP ten tijde van de verpanding te goeder trouw was en daarom wordt beschermd.

14. Artikel 3:84 BW bepaalt dat voor de overdracht van een goed moet zijn voldaan aan drie eisen. Er moet sprake zijn van (1) een levering, (2) krachtens geldige titel (3) door een beschikkingsbevoegde. Artikel 3:88 BW bepaalt dat ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, een overdracht van een recht op naam (zoals de vordering op [geintimeerde c.s.]) geldig is, indien de verkrijger te goeder trouw is en de beschikkingsonbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht, die niet het gevolg was van beschikkingsonbevoegdheid van de toenmalige vervreemder. Uit artikel 3:98 BW volgt dat het voorgaande ook van toepassing is op de vestiging van een beperkt recht op een recht op naam (zoals een pandrecht op de vordering op [geintimeerde c.s.]).

15. Uit artikel 3:94 BW vloeit voort dat voor de levering van de vordering op [geintimeerde c.s.] is vereist een daartoe bestemde akte van cessie en mededeling van de cessie aan [geintimeerde c.s.]. Als wordt aangenomen dat mededeling niet heeft plaatsgevonden, dan geldt het volgende. De cessie van de vordering op [geintimeerde c.s.] door [X] aan [X] Vastgoed is niet rechtsgeldig geschied omdat de levering niet op de vereiste wijze heeft plaatsgevonden. Omdat de cessie niet rechtsgeldig was, was [X] Vastgoed op het moment van de verpanding van de vordering op [geintimeerde c.s.] aan DVEP niet beschikkingsbevoegd ten aanzien van deze vordering. Deze beschikkingsonbevoegdheid van [X] Vastgoed vloeit voort uit de ongeldigheid van de cessie van [X] aan [X] Vastgoed, die niet het gevolg was van beschikkingsonbevoegdheid van [X], aangezien het probleem was gelegen in de vereiste leveringshandelingen. Dit betekent dat als DVEP te goeder trouw was, de verpanding toch geldig is. Anders dan [geintimeerde c.s.] meent, is het bepaalde in artikel 3:88 BW dus wel degelijk van toepassing op de situatie die is ontstaan wanneer de mededeling van de cessie ontbrak.

16. Majoto heeft gesteld dat DVEP als verkrijger van het pandrecht te goeder trouw was. Dhr. [X] heeft ten tijde van de verpanding tegenover DVEP verklaard dat de vordering op [geintimeerde c.s.] was overgegaan van [X] naar [X] Vastgoed en dat daarom niet [X], maar [X] Vastgoed pandgever was. Dhr. [X] heeft de (door de advocaat van DVEP opgestelde) pandakte zelf(s) met de pen aangepast. DVEP is er dan ook vanuit gegaan, en mocht er ook vanuit gaan, dat [X] Vastgoed beschikkingsbevoegd was de vordering op [geintimeerde c.s.] aan haar te verpanden, zo stelt Majoto. DVEP had geen enkele reden of indicatie die aanleiding gaf om op enigerlei wijze te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de cessie van zes jaar eerder, welke cessie destijds in het kader van een bedrijfsovername had plaatsgevonden.

17. [geintimeerde c.s.] betoogt dat DVEP niet te goeder trouw was ten tijde van de verpanding van de vordering en voert daartoe het volgende aan. De akte van cessie van 5 januari 2009 vermeldt dat “de cedent mededeling van deze overdracht van de vordering zal doen”. DVEP, die de akte naar eigen zeggen heeft gezien, wist derhalve dat op het moment van ondertekening van de akte van cessie nog geen mededeling van de cessie had plaatsgevonden. Dit is merkwaardig omdat blijkens de akte sprake is van een schriftelijke vastlegging van eerdere afspraken: blijkens artikel 1 van de akte van cessie zou de vordering per 31 december 2007 mondeling zijn overgedragen. In het jaar 2008 heeft dus geen mededeling plaatsgevonden. Het is, gelet hierop, volstrekt onwaarschijnlijk dat nadien (na ondertekening van de akte van cessie) wel een mededeling aan [geintimeerde c.s.] heeft plaatsgevonden. DVEP wist bij het aangaan van de verpanding dat geen mededeling had plaatsgevonden, althans diende daar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ernstig rekening mee te houden. DVEP heeft haar onderzoekverplichting verzaakt en was niet te goeder trouw bij het aangaan van de verpanding, aldus [geintimeerde c.s.].

18. Naar het oordeel van het hof is dit verweer van [geintimeerde c.s.] onvoldoende. Het feit dat in de akte van cessie van januari 2009 staat dat mededeling zal worden gedaan van de cessie aan [geintimeerde c.s.] betekent niet dat DVEP ten tijde van de verpanding in oktober 2012 er niet vanuit mocht gaan dat mededeling van de cessie inmiddels had plaatsgevonden. Dat uit de cessieakte van januari 2009 volgt dat mededeling op het moment van ondertekening van de akte nog niet had plaatsgevonden, terwijl de akte tevens vermeldt dat de vordering per 31 december 2007 (mondeling) is overgedragen, maakt dat niet anders. Het hof ziet niet in waarom dit het – zoals [geintimeerde c.s.] betoogt – volstrekt onwaarschijnlijk maakt dat na ondertekening van de akte wel mededeling aan [geintimeerde c.s.] heeft plaatsgevonden, temeer nu een “mondelinge overdracht” niet rechtsgeldig is en partijen door middel van de akte van cessie de kwestie kennelijk juridisch wilden formaliseren, waartoe niet alleen de akte, maar ook mededeling vereist was.

19. [geintimeerde c.s.] heeft verder aangevoerd dat artikel 2.3 van de door DVEP ondertekende pandakte bepaalt dat aan DVEP alle relevante informatie (en documentatie en stukken) met betrekking tot de (pretense) vordering op [geintimeerde c.s.] is verstrekt, en dat het DVEP moet zijn opgevallen dat een schriftelijke mededeling van de cessie ontbrak. Ook dit verweer faalt. Niet valt in te zien hoe hieruit zou volgen dat DVEP wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de cessie niet zou zijn meegedeeld, temeer nu een rechtsgeldige mededeling van een cessie ook mondeling kan geschieden.

20. Het voorgaande leidt ertoe dat het verweer van [geintimeerde c.s.] faalt. Dit betekent dat is komen vast te staan dat DVEP ten tijde van de verpanding van de vordering op [geintimeerde c.s.] te goeder trouw was en ervan uit mocht gaan dat [X] Vastgoed tot de verpanding bevoegd was. Dit betekent dat een (eventueel) gebrek in de levering van de vordering door [X] aan [X] Vastgoed, doordat de cessie niet aan [geintimeerde c.s.] zou zijn meegedeeld, niet aan de rechtsgeldigheid van de verpanding in de weg staat.

21. [geintimeerde c.s.] heeft er op gewezen dat DVEP in eerste aanleg tijdens de comparitie op de vraag van de rechter wat de rechtsgevolgen zouden zijn als de cessie niet geldig zou zijn, heeft geantwoord dat DVEP dan geen geldig pandrecht heeft verkregen. Anders dan [geintimeerde c.s.] meent, staat deze opmerking er niet aan in de weg dat Majoto bij het hof een beroep doet op de bescherming van artikel 3:88 juncto 3:98 BW. De herstelfunctie van het hoger beroep is hier juist voor bedoeld en niet kan worden gesteld dat DVEP in eerste aanleg (ondubbelzinnig) afstand heeft gedaan van een beroep op deze bepalingen.

22. De tijdens het pleidooi in hoger beroep ingenomen stelling dat de cessie nooit heeft plaatsgevonden (anders dan door het gegeven dat de mededeling daarvan ontbreekt) is een nieuwe stelling die bovendien niet van een voldoende onderbouwing is voorzien. Voor de conclusie dat de cessie-akte niet op 5 januari 2009 (bevoegd) is ondertekend is in de stellingen van [geintimeerde c.s.] geen enkele aanwijzing te vinden. Tijdens dit pleidooi heeft de advocaat van [geintimeerde c.s.] verder nog aangevoerd dat de pandakte is getekend namens een eenmanszaak [X] Vastgoed. Dit betoog is nieuw en kennelijk ingegeven door het feit dat de aanduiding “B.V.” ontbreekt. Dat er een eenmanszaak bestaat met de naam [X] Vastgoed is betwist en door [geintimeerde c.s.] niet onderbouwd, terwijl ook overigens moet worden aangenomen dat is bedoeld de besloten vennootschap [X] Vastgoed te binden.

23. De conclusie is dat grief 2 in het principaal appel slaagt. Gelet op die uitkomst heeft Majoto geen belang meer bij bespreking van grief 1 van het principaal appel.

24. Het slagen van grief 2 in het principaal appel brengt mee dat de voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld, is ingetreden. [geintimeerde c.s.] heeft in incidenteel appel gegriefd tegen de verwerping door de rechtbank van haar stelling dat de vordering op [geintimeerde c.s.] inmiddels is verjaard. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vordering op [geintimeerde c.s.] niet is verjaard en verenigt zich met datgene wat de rechtbank in dit kader heeft overwogen. Wat [geintimeerde c.s.] in hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt niet tot een andere uitkomst. Dat de ook door de rechtbank vermelde betalingen van € 519,29 per maand die met grote regelmaat door [geintimeerde c.s.] zijn gedaan geen rentebetalingen, maar “betalingen uit coulance” betreffen die [geintimeerde c.s.] heeft verricht omdat dhr. [X] aangaf dat hij zijn gezin niet meer komen onderhouden, en dat ook het betalingsvoorstel van [geintimeerde c.s.] van 27 december 2014 in dat licht moet worden bezien, heeft [geintimeerde c.s.] niet afdoende onderbouwd.

25. [geintimeerde c.s.] heeft ook nog aangevoerd dat als sprake zou zijn van een geldige verpanding en de vordering niet zou zijn verjaard, dan nog geldt dat zij niets verschuldigd is. [geintimeerde c.s.] betoogt dat het bedrag dat [geintimeerde c.s.] verschuldigd zou zijn uit hoofde van de facturen, verrekend mag worden met schade van tenminste € 120.000,00 die [geintimeerde c.s.] heeft geleden als gevolg van ondeugdelijke leveranties van [X]. Een deel van de leveranties waarop de facturen zien heeft [geintimeerde c.s.] niet eens ontvangen en leveranties die wel doorgingen bleken spint te bevatten. De schade bestaat uit gederfde omzet, extra arbeidsuren etc.

26. Het hof verwerpt het beroep op verrekening. De door [geintimeerde c.s.] gestelde toerekenbare tekortkomingen zijn onvoldoende (concreet) onderbouwd. Nu [geintimeerde c.s.] in dit opzicht niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, word niet toegekomen aan bewijslevering. Daarbij komt dat [X] - zoals Majoto heeft aangevoerd - niet in gebreke is gesteld, zodat ook om die reden geen sprake kan zijn van enige schadevergoeding die in verrekening kan worden gebracht. Dat in dit geval geen ingebrekestelling vereist was, heeft [geintimeerde c.s.] onvoldoende onderbouwd met relevante feiten en omstandigheden.

27. De conclusie is dat het vonnis van de rechtbank moet worden vernietigd. De vordering tot betaling van de onbetaald gebleven facturen van totaal € 99.768,33 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na de betreffende factuurdata.

28. Majoto vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 onder c BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dit Besluit is echter blijkens artikel 3 daarvan slechts van toepassing indien het verzuim op of na 1 juli 2012 is ingetreden. Het hof stelt vast dat die situatie in dit geval niet aan de orde is. De vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn zal daarom worden getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Nu Majoto niet heeft gesteld dat zij (of DVEP) daadwerkelijk buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, zal het hof de vordering afwijzen

29. [geintimeerde c.s.] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof spreekt geen proceskostenveroordeling uit voor het incidenteel appel omdat dit onnodig is ingesteld. De devolutieve werking van het principaal appel bracht immers reeds mee dat het hof moest oordelen over de onderwerpen die [geintimeerde c.s.] in het incidenteel appel aan de orde stelt.

30. Nu het vonnis dat de rechtbank tussen [geintimeerde c.s.] en DVEP heeft gewezen wordt vernietigd, heeft DVEP recht op terugbetaling van de door haar aan [geintimeerde c.s.] betaalde proceskosten. Nu niet is gebleken dat DVEP deze vordering tot terugbetaling aan Majoto heeft gecedeerd, kan deze vordering niet jegens Majoto worden toegewezen.

Beslissing

Het hof:

in het principaal appel

- vernietigt het tussen DVEP en [geintimeerde c.s.] gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, team handel, van 17 augustus 2016;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [geintimeerde c.s.] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen zijn gekweten, tot betaling aan Majoto van een bedrag van € 99.768,33, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW ingaande dertig dagen na de factuurdata van de onbetaald gebleven facturen tot de dag van volledige voldoening;

- veroordeelt [geintimeerde c.s.] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen zijn gekweten, tot betaling aan Majoto van de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van Majoto begroot op € 3.989,44 aan verschotten en € 2.842,00 aan salaris advocaat (2 punten x

€ 1.421,00), en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [geintimeerde c.s.] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen zijn gekweten, tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van Majoto tot op heden begroot op € 2.038,52 aan verschotten en € 7.896,00 aan salaris advocaat (3 punten x € 2.632,00), en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van algehele voldoening;

- verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

in het incidenteel appel

- verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, J.J. van der Helm en P. Glazener en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.