Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2172

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
01-08-2017
Zaaknummer
200.198.839/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0963

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.198.839/01

Zaaknummer rechtbank : 5152431 RL EXPL 16-17284

arrest van 1 augustus 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: geen, voorheen mr. G.S.A.J. Kuis te Voorburg,

tegen

QUALIFIED LEGAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Rijswijk (ZH),

geïntimeerde,

hierna te noemen: QLS,

advocaat: mr. J.S. Kuiper te Den Haag.

1 Het geding

1.1.

Bij dagvaarding van 18 augustus 2016 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Den Haag van 22 juli 2016. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft QLS de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Op 6 juli 2015 is [appellant] voor bepaalde tijd, te weten drie maanden, in dienst getreden bij QLS. Vanaf 6 oktober 2015 geldt de overeenkomst voor onbepaalde tijd. Op 8 mei 2016 heeft [appellant] aan QLS een e-mail gestuurd met als onderwerp “Leg de pen neer”. Hierin schrijft hij onder meer het volgende:

“Net las ik je SMS-berichten of ik het geld van [naam] ad € 1.542,- wilde storten op de bankrekening van QLS zodat je de salarissen en het griffierecht ad € 941,- kon betalen. [naam] heeft mij € 1.600,- contant betaald; ik heb getankt en heb voor € 58,- reis en verblijfkosten gemaakt. Ik kom terug van twee dagen Vlieland. Ik heb even over je verzoek nagedacht maar dat doe ik niet; ik verrekenen het met het salaris wat ik nog tegoed heb. […] De pillen die ik kreeg om me te focussen en toch te kunnen functioneren, helpen niet meer. Ik schort nu alles op; morgen ben ik er niet en daarna ook niet.”

Bij brief van 24 mei 2016 heeft QLS de ontslagname van [appellant] per 8 mei 2016 schriftelijk bevestigd. Partijen twistten vervolgens over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en QLS hiermee was beëindigd.

2.2.

In de onderhavige kort gedingprocedure heeft [appellant] – zakelijk weergegeven – bij wege van voorziening betaling van € 7.300,49, vermeerderd met rente en overlegging en – op straffe van een dwangsom – verstrekking van salarisspecificaties en gegevens met betrekking tot de pensioentoezegging gevorderd. QLS heeft de vorderingen van [appellant] gemotiveerd betwist.

2.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd, omdat het spoedeisend belang van [appellant] bij de gevraagde voorzieningen tegenover het verweer van QLS onvoldoende onderbouwd is.

2.4.

In dit hoger beroep vordert [appellant], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en alsnog de gevraagde voorlopige voorziening tot (door)betaling van loon (met nevenvorderingen zoals gevorderd in eerste aanleg) verleent. [appellant] heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat hij een (spoedeisend) belang heeft bij de (door)betaling van loon vanaf juli 2015 tot en met juli 2016, het verstrekken van salarisspecificaties (anders dan in eerste aanleg: over de maanden mei, juni en juli 2016 en de maanden waarin de arbeidsovereenkomst voortduurde) en het verstrekken van alle gegevens betreffende de pensioentoezegging.

2.5.

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. Hiermee legt [appellant] het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voor.

2.6.

Het hof stelt voorop dat als de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, in beginsel zijn kortgedingvonnis moet afstemmen op de beslissingen in het bodemvonnis, ongeacht of dit een tussenvonnis of een eindvonnis is, en ongeacht of de beslissingen in de overwegingen of in het dictum van het bodemvonnis staan. Niet relevant is of het bodemvonnis kracht van gewijsde heeft; als een rechtsmiddel tegen het vonnis is ingesteld mag de kortgedingrechter de kans van slagen van het rechtsmiddel niet bij zijn voorlopige oordeel betrekken. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan worden aanvaard als het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015).

2.7.

QLS heeft bij zijn memorie van antwoord een vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:50487) in de bodemprocedure tussen partijen overgelegd, waarin deze heeft geoordeeld dat niet gebleken is van een eigen ontslagname door [appellant] per 8 mei 2016, noch van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Volgens de kantonrechter was inmiddels wel sprake van een zodanig verstoorde arbeidsrelatie dat deze een grond vormde voor (de door beide partijen verzochte) ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Deze is door de kantonrechter per 1 december 2016 toegewezen. Daar de verzoeken van [appellant] na wijziging van eis niet zagen op salaris en/of pensioen heeft de kantonrechter daarover niet hoeven oordelen. [appellant] is niet in de gelegenheid geweest zich uit te laten over dit bodemvonnis, maar nu [appellant] niet langer wordt bijgestaan door een advocaat kan het hof hem niet meer in de gelegenheid stellen dit alsnog te doen. Een en ander laat echter het hierboven weergegeven uitgangspunt onverlet. Dit betekent dat het hof ervanuit dient te gaan dat de arbeidsovereenkomst tot 6 december 2016 heeft voortgeduurd en dat – zoals de kantonrechter in rov. 5.12 van het bodemvonnis heeft overwogen – niet is aangetoond dat sprake is geweest van ziekte van [appellant].

2.8.

Daargelaten dat het verbazing wekt dat in de bodemprocedure geen loonvordering c.a. is ingesteld, geldt dat bij loonvorderingen de spoedeisendheid bij het treffen van een voorziening in beginsel is gegeven. Voor de periode vanaf 8 mei 2016 (het moment waarop [appellant] “de pen heeft neergelegd”) is echter onvoldoende aannemelijk dat [appellant] recht had op loon, omdat de kantonrechter in het bodemvonnis heeft geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat [appellant] ziek is geweest. Voor zover [appellant] meent dat hij recht heeft op loon over die periode omdat hij zijn werkzaamheden had opgeschort, constateert het hof dat de kantonrechter in rov. 5.12 van het bodemvonnis heeft overwogen dat [appellant] ook kan worden verweten dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, omdat hij in reactie op het niet (tijdig) uitbetalen van salaris door QLS ook een loonvordering had kunnen instellen in plaats zijn werkzaamheden volledig neer te leggen. Het hof ziet hierin een aanwijzing dat de bodemrechter van oordeel is dat de opschorting van de werkzaamheden niet terecht (want buitenproportioneel) is geweest. Ook gelet hierop is onvoldoende aannemelijk dat [appellant] recht had op loon over de periode vanaf 8 mei 2016. De door [appellant] gevraagde voorziening tot betaling van loon over deze periode kan reeds daarom niet worden toegewezen. Van verstrekking van salarisspecificaties over die periode kan daarom geen sprake zijn. De vordering zal in zoverre worden afgewezen.

2.9.

Over de periode december 2015 tot 8 mei 2016 heeft [appellant] een bedrag van € 1.966,11 aan achterstallig loon gevorderd. QLS heeft de hoogte van dit bedrag niet bestreden. Echter, daar uit de berekening van [appellant] alsmede uit de e-mail van [appellant] van 8 mei 2016 (zie 2.1) blijkt dat [appellant] een van [naam] ontvangen bedrag van € 1.600 (minus de door hem gemaakte kosten ad € 58) niet aan QLS heeft afgedragen, resteert per saldo na verrekening van die bedragen een zo klein bedrag aan door QLS te weinig uitbetaald loon over de betreffende periode, dat de gevorderde voorziening tot betaling van dat bedrag thans niet als spoedeisend kan worden aangemerkt. Dit klemt te meer omdat [appellant] in de bodemzaak geen loonbetaling heeft gevorderd, hetgeen in de rede had gelegen.

2.10.

De overigens door [appellant] over de periode juli 2015 tot en met november 2015 gevorderde bedragen betreffen geen (achterstallig) loon, maar (de maximale) wettelijke verhogingen ex artikel 7:625 BW wegens te late loonbetaling door QLS. Daargelaten of in voldoende mate vaststaat of [appellant] aanspraak kan maken op deze (maximale) verhoging, ontbreekt ook ten aanzien van dit gedeelte van de vordering de spoedeisendheid. Ook hier had het in de rede gelegen dat [appellant] dit bedrag in de bodemprocedure had gevorderd. Dit betekent dat de vordering tot betaling van achterstallig loon c.a. in zijn geheel zal worden afgewezen.

2.11.

Ten aanzien van de door [appellant] gevorderde pensioengegevens is van een spoedeisend belang niet gebleken. Zonder nadere toelichting van [appellant], die ontbreekt, kan de spoedeisendheid van de gevraagde voorziening dan ook niet worden aangenomen. Ook dit deel van de vordering ligt voor afwijzing gereed.

2.12.

Een en ander brengt mee dat de gevraagde voorzieningen geweigerd dienen te worden. Dat betekent dat het hof tot dezelfde slotsom komt als de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep, zodat dit bekrachtigd zal worden. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit hoger beroep.

3 Beslissing

Het hof:

3.1.

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Den Haag van 22 juli 2016;

3.2.

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van QLS tot op heden begroot op € 716 aan griffierecht en € 894 aan salaris advocaat;

3.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, J.M. Rowel-van der Linde, en
I.C. Kranenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.