Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2170

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
200.199.861/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Het hof toetst artikel 1:266 BW (gezagsbeëindiging) aan het EVRM. Gezagsbeëindiging is niet noodzakelijk om duidelijkheid te verschaffen omtrent het toekomstperspectief van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/6
PFR-Updates.nl 2017-0237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.199.861/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 16-2433

zaaknummer rechtbank : C/09/508230

beschikking van de meervoudige kamer van 19 juli 2017

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. G.E.M. Later te Den Haag,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de pleegmoeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder,

2. de Stichting Jeugdbescherming West te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

1.1.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2016, hierna: de bestreden beschikking, uitgesproken onder voormeld zaak- en rekest nummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De moeder is op 27 september 2016 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2.

De raad heeft op 21 november 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof is voorts van de zijde van de moeder een brief van 31 oktober 2016 ingekomen op 2 november 2016, met bijlagen.

2.4.

Het hof heeft de na te noemen minderjarige in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 15 juni 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam] als tolk in de Portugese taal;

- [naam] namens de raad;

- [naam] namens de gecertificeerde instelling;

- [naam] namens Jeugdformaat.

De pleegmoeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    uit de moeder is geboren [de minderjarige] , geboren [in] 2001 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarige;

  • -

    sinds november 2010 verblijft de minderjarige in het huidige, perspectief biedende pleeggezin;

  • -

    bij beschikking d.d. 20 juli 2015 van de rechtbank Den Haag zijn de ondertoezichtstelling over de minderjarige en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd voor de periode van 23 juli 2015 tot 23 juli 2016;

  • -

    de moeder heeft de Angolese nationaliteit en van de minderjarige is de nationaliteit onbekend.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige beëindigd en is de gecertificeerde instelling benoemd tot voogdes over de minderjarige. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2.

De grieven van de moeder zien op de gezagsbeëindiging en de benoeming van de gecertificeerde instelling tot voogdes over de minderjarige. Zij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan. De minderjarige heeft continuïteit en stabiliteit nodig in haar opvoeding. De moeder heeft er daarom geen probleem mee dat de minderjarige, indien zij aangeeft dit te willen, bij de pleegmoeder blijft wonen. De moeder respecteert de keuze van de minderjarige, waardoor de minderjarige niet in een loyaliteitsconflict terechtkomt. De minderjarige kan haar ontwikkeling bij de pleegmoeder ongestoord voortzetten, maar dat betekent niet dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding van de minderjarige te dragen. Naar de opvoedvaardigheden van de moeder is nooit onderzoek gedaan. De moeder leeft, net als de minderjarige, in de westerse cultuur en is niet geworteld in de Afrikaanse cultuur. Er is geen sprake van een cultuurverschil. De moeder kan zich daarnaast wel degelijk inleven in de leefwereld van de minderjarig en is eveneens in staat om voor de minderjarige belangrijke zaken te regelen. De moeder is daarom van mening dat het gezag over de minderjarige ten onrechte is beëindigd.

5.2.

De raad verweert zich daartegen – kort samengevat – als volgt. Het toekomstperspectief van de minderjarige ligt in het pleeggezin. De minderjarige heeft behoefte aan duidelijkheid over dit perspectief. De raad heeft niet de indruk dat de moeder zich bij deze plaatsing kan neerleggen. Feit is dat zaken die de minderjarige betreffen in het verleden niet of lastig te realiseren waren, hetgeen de raad niet in het belang van de minderjarige acht. Daarbij is er veel onvrede tussen de betrokken partijen, onder andere tussen de moeder en de pleegmoeder. Positief acht de raad dat er inmiddels weer contact is tussen de moeder en de minderjarige. De raad acht het goed mogelijk dat het cultuurverschil tussen de moeder en de minderjarige ertoe leidt dat het de moeder moeite kost om aansluiting te vinden bij de minderjarige. Dit is echter voor de raad niet doorslaggevend geweest voor het verzoek tot gezagsbeëindiging. Doorslaggevend is geweest dat het toekomstperspectief van de minderjarige in het pleeggezin ligt en dat zij behoefte heeft aan duidelijkheid over dit perspectief.

5.3.

Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.4.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2008-2009, 32015, nr. 3, p. 34) is opgenomen dat, bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel op grond van artikel 1:266 BW is aangewezen in het geval een minderjarige in een pleeggezin is geplaatst, de volgende factoren van belang kunnen zijn:

a. Wanneer een kind in een pleeggezin is geplaatst moet het zich daar, indien mogelijk, volledig en harmonieus kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectief biedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind.

b. Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel.

c. In die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend.

d. De enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het verzoek tot beëindiging van het gezag.

5.5.

Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die diep ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (zie onder meer EHRM 6 oktober 2015, N.P. / Moldavië, 58455/13, rechtsoverweging 65 en 66) wordt, ten aanzien van gezagsbeëindiging, het volgende overwogen:

The deprivation of parental rights is a particularly far-reaching measure which deprives a parent of his or her family life with the child and is inconsistent with the aim of reuniting them. Such measures should be applied only in exceptional circumstances and can only be justified if they are motivated by an overriding requirement pertaining to the child’s best interests […].

66. In identifying the child’s best interests in a particular case, two considerations must be borne in mind: firstly, it is in the child’s best interests that his ties with his family be maintained except in cases where the family has proved particularly unfit; and secondly, it is in the child’s best interests to ensure his development in a safe and secure environment […]. It is clear from the foregoing that family ties may only be severed in very exceptional circumstances and that everything must be done to preserve personal relations and, where appropriate, to “rebuild” the family […]. It is not enough to show that a child could be placed in a more beneficial environment for his upbringing […]. However, where the maintenance of family ties would harm the child’s health and development, a parent is not entitled under Article 8 to insist that such ties be maintained.

5.6.

Naar het oordeel van het hof is in onderhavige zaak niet voldaan aan de vereisten die artikel 1:266 BW en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) aan gezagsbeëindiging stellen. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.

5.6.1.

Bij een verzoek tot gezagsbeëindiging ligt de bewijslast bij de verzoekende partij, in dit geval de raad. De raad heeft ter onderbouwing van zijn verzoek doorslaggevend geacht dat het toekomstperspectief van de minderjarige in het pleeggezin ligt en dat daarover duidelijkheid moet bestaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat zowel voor de moeder als voor de minderjarige duidelijk is dat thuisplaatsing van de minderjarige niet meer aan de orde is en dat het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van de minderjarige in het pleeggezin ligt, waar de minderjarige al sinds 2010 verblijft en waar zij is gehecht. Het hof onderkent dat dit op zichzelf niet in de weg staat aan gezagsbeëindiging. Ook indien de met het gezag belaste ouder volledig, consistent en uitdrukkelijk instemt met een uithuisplaatsing, kan voldaan worden aan de vereisten van artikel 1:266 BW en het EVRM. Dit is het geval indien een kind al geruime tijd bij een pleeggezin verblijft en zich aan de pleegouders gehecht heeft en het belang van het kind bij (duidelijkheid over) bestendiging van die opvoedingssituatie en hechtingsrelatie dient te prevaleren boven het belang van de ouder om met het gezag belast te blijven.

5.6.2.

Naar het oordeel van het hof is gezagsbeëindiging in onderhavige zaak niet noodzakelijk om de gewenste duidelijkheid omtrent het toekomstperspectief van de minderjarige te bewerkstelligen. Het hof overweegt dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat de minderjarige op haar plaats is in het pleeggezin en dat de moeder zich hier niet (langer) tegen verzet. Ter zitting heeft de moeder benadrukt het belangrijk te vinden dat de minderjarige bij de pleegmoeder blijft totdat zij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Het hof acht verder van belang dat de minderjarige richting de moeder goed in staat is aan te geven wat haar wensen zijn ten aanzien van haar woonsituatie en dat de moeder deze wensen respecteert. Gelet op het voorgaande en op de leeftijd van de minderjarige – zij is inmiddels bijna zestien jaar oud – is het hof van oordeel dat bij de minderjarige geen behoefte bestaat aan meer duidelijkheid over haar toekomstperspectief.

5.6.3.

Het hof acht verder van belang dat de psychische situatie van de moeder goed en stabiel is en dat er geen risico bestaat op een terugval, hetgeen ook door de raad is onderschreven. Ter zitting is nog gebleken dat de moeder inmiddels haar opleiding heeft afgerond en dat zij een baan heeft gevonden. Het hof is bovendien niet gebleken dat de moeder onvoldoende meewerkt aan zaken die van belang zijn voor de minderjarige. Dat de moeder op bepaalde punten van mening verschilt met de gecertificeerde instelling en/of de pleegmoeder rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de beëindiging van haar gezag. Van een professionele instelling mag immers worden verwacht dat zij zich inspant teneinde eventuele problemen in de communicatie tussen partijen weg te nemen. Het hof overweegt in dit verband nog dat de raad heeft erkend dat de geschilpunten ten aanzien van bijvoorbeeld het uitgaan van de minderjarige, de culturele verschillen en het regelen van praktische zaken ten behoeve van de minderjarige niet doorslaggevend zijn geweest voor het verzoek tot gezagsbeëindiging.

5.6.4.

Het hof neemt tot slot in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de minderjarige zelf graag zou zien dat de moeder het gezag behoudt, omdat zij bang is dat de moeder anders haar verblijfsstatus zou kunnen verliezen. Deze verblijfsstatus is gekoppeld aan de status van de minderjarige en is gebaseerd op artikel 8 EVRM, vanwege het bestaan van ‘family life’ tussen de minderjarige en de moeder.

5.7.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking vernietigd moet worden en dat het inleidend verzoek alsnog moet worden afgewezen.

5.8.

Gelet op het voorgaande behoeft de grief van de moeder tegen de benoeming van de gecertificeerde instelling als voogdes geen bespreking.

5.9.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.10.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder, [appellante] , over de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2001 te [geboorteplaats] , alsnog af en bepaalt dat het ouderlijk gezag over de minderjarige voortaan weer aan de moeder toekomt;

draagt de griffier van het hof op onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank te Den Haag;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. O.I.M. Ydema, A.N. Labohm en I. Zetstra, bijgestaan door mr. B.L. Lok als griffier, en is op 19 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.