Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2139

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
BK-16/00470 en BK-16/00471
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2976
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of: de bij de Rechtbank ingestelde beroepen tevens zijn gericht tegen de uitspraak op de bezwaren van belanghebbende inzake de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2002 en tegen het uitblijven van een uitspraak op belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003; de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de onder 1.1 vermelde en beschikkingen dwangsommen heeft verbeurd; de Inspecteur belanghebbende ten onrechte niet heeft gehoord voordat hij op de bezwaren tegen de dwangsombeschikkingen heeft beslist; belanghebbende recht heeft op integrale van de door hem gemaakte proceskosten; en belanghebbende recht heeft op vergoeding van de door hem als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1770
FutD 2017-1854
Viditax (FutD), 24-07-2017
Viditax (FutD), 24-11-2017
NTFR 2017/2267 met annotatie van
NLF 2017/1812 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-16/00470 en BK-16/00471

Uitspraak van 7 juni 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/belastingen, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 september 2016, nummers SGR 16/1342 en SGR 16/1343, betreffende de onder 1.1. vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, bezwaren, ingebrekestellingen en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2002 met dagtekening 22 oktober 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) en voor het jaar 2003 met dagtekening 2 augustus 2006 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslagen zijn boete- en heffingsrentebeschikkingen gegeven.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 20 januari 2006 heeft de Inspecteur op belanghebbendes bezwaren van 22 februari 2005 tegen de onder 1.1. vermelde aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2002 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Op belanghebbendes bezwaar van 31 augustus 2006 tegen de onder 1.1. vermelde aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003 is geen uitspraak op bezwaar gedaan.

1.3.

Bij brief van 19 november 2015 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de onder 1.1. vermelde aanslagen en beschikkingen. Belanghebbende merkt in deze brief op dat hij de Inspecteur bij brief van 10 juni 2006 [kennelijk is bedoeld: 10 juni 2015, Hof] in gebreke heeft gesteld voor het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Bij de brief zijn twee ingevulde formulieren “Dwangsom Bij niet tijdig beslissen” gevoegd. Daarin eist belanghebbende dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaren.

Ten slotte vermeldt belanghebbende in de brief van 19 november 2015 dat “sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zoals geformuleerd (…) in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, UN A09006, BNB 2005/337”.

1.4.

Bij brieven van 30 november 2015 heeft de Inspecteur afwijzend op de verzoeken om een dwangsom beslist (hierna: de dwangsombeschikkingen).

1.5.

Bij brieven van 11 december 2015 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de dwangsombeschikkingen.

1.6.

Bij uitspraken op bezwaar van 4 februari 2016 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de dwangsombeschikkingen ongegrond verklaard.

1.7.

Belanghebbende heeft beroepen bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 46 geheven.

1.8.

De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 124 geheven. De Inspecteur heeft geen verweerschriften ingediend. Wel heeft hij in een nader stuk, ingediend op 20 februari 2017, zijn standpunten toegelicht.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 maart 2017. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Oordeel van de rechtbank

3. De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“Geschil

7. In geschil is allereerst of het beroep zich tevens richt tegen de aanslagen dan wel uitsluitend tegen de afwijzing van de verzoeken om toekenning van een dwangsom. In geschil is of [de Inspecteur] de verzoeken om toekenning van een dwangsom terecht heeft afgewezen. Voor het geval het antwoord op die vraag ontkennend luidt, is voorts in geschil of [belanghebbende] recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. Ten slotte is in geschil of [belanghebbende] recht heeft op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling van het geschil

Omvang van het geschil
8. [Belanghebbende] heeft ter zitting betoogd dat de beroepen niet slechts betrekking hebben op de afwijzing van de verzoeken om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen, maar dat daarmee tevens wordt opgekomen tegen de aanslagen. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. In het door [belanghebbende] ingediende beroepschrift is uitdrukkelijk vermeld dat het beroep is gericht tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de afwijzing van de verzoeken om toekenning van een dwangsom en tegen de afwijzing van het verzoek om een proceskostenvergoeding. Beide besluiten zijn gedagtekend 4 februari 2016. In het beroepschrift is nergens vermeld dat de beroepen ook gericht zijn tegen de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag over het jaar 2002 dan wel tegen het feit dat op het bezwaarschrift tegen de aanslag over het jaar 2003 niet tijdig is beslist. Het feit dat [belanghebbende] in de aanvulling op zijn beroepschrift zijdelings ingaat op (inhoudelijke aspecten van) de aanslagen is daartoe onvoldoende.

Dwangsom
9. Het verbeuren van een dwangsom door een bestuursorgaan wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag is geregeld in paragraaf 4.1.3.2, bestaande uit de artikelen 4.16 tot en met 4.20, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze paragraaf is ingevoerd bij de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Staatsblad 2009, nr. 383, hierna: Wet Dwangsom). In artikel III, eerste lid, van de Wet Dwangsom is bepaald dat op het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift dat is ingediend vóór het tijdstip waarop paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is geworden, het recht van toepassing blijft zoals dit gold vóór het tijdstip van toepassing. Op grond van artikel IV van de Wet Dwangsom trad die wet in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij werd geplaatst. Plaatsing in het Staatsblad heeft plaatsgevonden op 30 september 2009, zodat de wet in werking trad op 1 oktober 2009.

10. Uit hetgeen is vermeld onder 2 blijkt dat de bezwaarschriften zijn ingediend vóór 1 oktober 2009. Dit kan, met inachtneming van hetgeen is overwogen in 9, tot geen ander oordeel leiden dan dat de dwangsomregeling van paragraaf 4.1.3.2 in dit geval geen toepassing vindt. [De Inspecteur] heeft de verzoeken om toekenning van dwangsommen dan ook terecht afgewezen.

Vergoeding immateriële schade
11. [Belanghebbende] heeft in zijn beroepschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment waarop [de Inspecteur] het bezwaarschrift ontvangt. [De Inspecteur] heeft het bezwaarschrift op 15 december 2015 ontvangen. Nu de rechtbank op 7 september 2016 in de onderhavige procedure uitspraak heeft gedaan, is van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake. [Belanghebbende] heeft dan ook geen recht op een vergoeding van immateriële schade.

Hoorplicht
12. Niet in geschil is dat [belanghebbende] niet is gehoord in de bezwaarfase terwijl hij daar wel om heeft verzocht. Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld echter, ondanks de schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar heeft beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat een belanghebbende daardoor niet wordt benadeeld. Nu het horen van [belanghebbende] in bezwaar, gelet op de hiervoor onder 9 en 10 aangehaalde regelgeving, niet tot een ander besluit had kunnen leiden is [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank niet benadeeld als gevolg van het achterwege blijven van een hoorzitting en inhoudelijke afdoening van de zaak door de rechtbank.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of:

1e.. de bij de Rechtbank ingestelde beroepen tevens zijn gericht tegen de uitspraak op de bezwaren van belanghebbende inzake de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2002 en tegen het uitblijven van een uitspraak op belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003;

2e. de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de onder 1.1 vermelde en beschikkingen dwangsommen heeft verbeurd;

3e. de Inspecteur belanghebbende ten onrechte niet heeft gehoord voordat hij op de bezwaren tegen de dwangsombeschikkingen heeft beslist;

4e. belanghebbende recht heeft op integrale van de door hem gemaakte proceskosten; en

5e. belanghebbende recht heeft op vergoeding van de door hem als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade.

4.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4.3.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de door de Inspecteur gedane uitspraken op bezwaar, vernietiging van de dwangsombeschikkingen, bepaling dat de Inspecteur alsnog uitspraak op de bezwaren tegen de aanslagen en beschikkingen 2002 en 2003 dient te doen en veroordeling van de Inspecteur tot betaling van dwangsommen, immateriële schadevergoeding in verband met het overschrijden van de redelijke termijn en proceskostenvergoeding.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Omvang van het geschil

6.1.

Het Hof volgt de Rechtbank niet in haar oordeel dat de beroepen niet mede zijn gericht tegen de uitspraak op de bezwaren van belanghebbende inzake de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2002 en tegen het uitblijven van een uitspraak op belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003. In de onder punt 1.3. vermelde brief van 19 november 2015 heeft belanghebbende grieven tegen (het uitblijven van) deze uitspraken op bezwaar aangevoerd. De Rechtbank had deze brief daarom (mede) moeten aanmerken als een tegen (het uitblijven van) de uitspraken op bezwaar gericht beroepschrift waarin, met toepassing van artikel 26b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tegen meer dan één uitspraak op bezwaar (of het uitblijven daarvan) beroep is ingesteld. Het Hof zal beoordelen of de in de brief van 19 november 2015 vervatte beroepen ontvankelijk zijn. Indien en voor zover het Hof de ontvankelijkheidsvraag bevestigend beantwoordt, zal het met betrekking tot (het uitblijven van) de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen en beschikkingen voor de jaren 2002 en 2003 doen hetgeen de Rechtbank had behoren te doen.

De uitspraak op de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2002

6.2.

De uitspraak op de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2002 is gedagtekend 20 januari 2006. De termijn van zes weken waarbinnen belanghebbende beroep tegen de uitspraak kon instellen (beroepstermijn), verstreek op 3 maart 2006. Belanghebbende heeft echter pas op 19 november 2015 (zie onder 6.1.), dat wil zeggen 9 jaar en ruim 8 maanden na het verstrijken van beroepstermijn, beroep ingesteld. De omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd ter verklaring van de overschrijding van de beroepstermijn, stonden naar het oordeel van het Hof niet aan indiening van een, zo nodig ongemotiveerd, beroepschrift binnen de beroepstermijn in de weg. Ook overigens zijn geen feiten gebleken op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat de indiener niet in verzuim is geweest. Derhalve zal het Hof het beroep tegen deze uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

Het niet tijdig beslissen op belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003

6.3.

Belanghebbende heeft op 31 augustus 2006 bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2006) had de Inspecteur binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak op de bezwaren moeten doen. Dit heeft hij niet gedaan. Gelet op artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Awb, zoals dat destijds luidde, kon belanghebbende vanaf 1 september 2007 beroep instellen tegen het niet-tijdig beslissen op de bezwaren. Belanghebbende heeft echter pas op 19 november 2015 (zie onder 6.1), dat wil zeggen 8 jaar en ruim 2 maanden na het verstrijken van beroepstermijn, beroep in gesteld. Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Awb (tekst 2007) is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op een bezwaar niet aan een termijn gebonden. In artikel 6:12, derde lid, van de Awb (tekst 2007) is evenwel bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het onredelijk laat wordt ingediend. Naar het oordeel van het Hof is hiervan sprake. Naar het oordeel van het Hof moet het belanghebbende, gelet op het door hem verstrekte overzicht van de gang van zaken in 2007 (aanvulling motivering hogerberoepschrift, randnummer 16 tot en met randnummer 23) ten minste in september 2007 duidelijk zijn geweest dat de Inspecteur niet van zins was om uitspraak op de bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003 te doen. Daarvan uitgaande had belanghebbende met redelijke voortvarendheid – wat naar het oordeel van het Hof wil zeggen: binnen 6 weken na 31 augustus 2007 (dag van binnenkomst bezwaarschrift) – oftewel vóór 13 oktober 2007 beroep moeten instellen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd ter verklaring van het pas op 19 november 2015 instellen van beroep, niet in de weg stonden aan indiening van een zo nodig ongemotiveerd beroepschrift vóór 13 oktober 2007. Ook overigens zijn geen feiten gebleken op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat het beroepschrift niet onredelijk laat is ingediend. Mitsdien zal het Hof het beroep tegen het niet tijdig beslissen op belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003 niet-ontvankelijk verklaren.

6.4.

De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003 ontslaat de Inspecteur niet van zijn verplichting om alsnog uitspraak op deze bezwaren te doen. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur toegezegd deze verplichting binnen twee maanden te zullen nakomen. Het Hof zal de Inspecteur daarom opdragen binnen twee weken na de verzending van afschriften van deze uitspraak aan partijen uitspraak te doen op de bezwaren betreffende de aanslag en beschikkingen voor het jaar 2003.

6.5.

Gelet op hetgeen onder 6.2. en 6.3. is overwogen faalt de onder 4.1., ten eerste, vermelde hogerberoepsgrond.

Dwangsommen wegens niet tijdig beslissen

6.6.

De Rechtbank heeft met juistheid beslist dat, nu de onder 1.2. genoemde bezwaren zijn ingediend voor de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, Staatsblad 2009, 383, de dwangsomregeling van § 4.1.3.2 van de Awb in dit geval geen toepassing vindt. Het Hof maakt deze beslissing en de daartoe door de Rechtbank gebezigde gronden tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat het buitengewoon onbillijk is dat, bij een zaak die al zo lang sleept, de dwangsomregeling buiten toepassing moet blijven. Het is het Hof echter verboden om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen (artikel 11 van de Wet algemene bepalingen).

6.7.

Naar het oordeel van het Hof waren, gelet op hetgeen onder 6.6. is overwogen, de bezwaren tegen de dwangsombeschikkingen kennelijk ongegrond. Daarom mocht de Inspecteur van het horen van belanghebbende afzien voordat hij op de bezwaren tegen de dwangsombeschikkingen besliste (artikel 7:3, aanhef en onderdeel b, van de Awb).

6.8.

Op grond van hetgeen onder 6.6. en 6.7. is overwogen, is het Hof van oordeel dat de onder 4.1 ten tweede en ten derde, vermelde hogerberoepsgronden falen.

Vergoeding immateriële schade

6.9.1.

De bezwaren tegen de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2002 zijn bij de Inspecteur ingediend op 22 februari 2005. De Inspecteur heeft bij uitspraken van 20 januari 2006 op de bezwaren beslist. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld op 9 februari 2016. De Rechtbank heeft in zijn uitspraak van 7 september 2016 overwogen dat in het beroepschrift “nergens [is] vermeld dat [het beroep] ook gericht [is] tegen het uitspraak op bezwaar tegen de aanslag over jaar 2002”. Op die grond heeft de Rechtbank een inhoudelijke beslissing over (de uitspraak op bezwaar betreffende) de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2002 achterwege gelaten.

6.9.2.

Vanaf de indiening van de bezwaren tot aan de uitspraak van de Rechtbank zijn ongeveer elf jaren en zeven maanden verstreken. Een groot deel hiervan, te weten vanaf het einde van de beroepstermijn (2 maart 2006) tot aan de indiening van de indiening van het beroep (19 november 2015; zie onder 6.1.), oftewel negen jaren en ruim acht maanden, dient aan belanghebbende te worden toegerekend. De omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd ter verklaring van het late tijdstip van indiening van het beroepschrift, overtuigen het Hof niet. Zij stonden naar het oordeel van het Hof niet in de weg aan een tijdige indiening van het beroepschrift, zo nodig ongemotiveerd en met een latere aanvulling van de gronden. Na aftrek van de aan belanghebbende toe te rekenen periode van negen jaren en ruim acht maanden, bedraagt de behandelingsduur vanaf de indiening van het bezwaren tot aan de dag waarop de Rechtbank uitspraak deed, één jaar, elf maanden en ongeveer twee weken. Dit is minder dan de termijn van twee jaar die in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087) als redelijke behandelingsduur voor het bezwaar en beroep in eerste aanleg wordt genoemd. De procedure bij het Hof heeft ruim zeven maanden in beslag genomen; ook in zoverre is van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake.

6.10.1.

De bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003 zijn ingediend op 31 augustus 2006. Op deze bezwaren heeft de Inspecteur nog niet beslist (zie onder 1.2). Belanghebbende heeft tegen het uitblijven van de uitspraak op bezwaar op 19 november 2015 beroep ingesteld (zie onder 1.3 en 6.2). De Rechtbank heeft in zijn uitspraak van 7 september 2016 overwogen dat in het beroepschrift “nergens [is] vermeld dat [het beroep] ook gericht [is] tegen het feit dat op het bezwaarschrift tegen de aanslag over het jaar 2003 niet tijdig is beslist”. Op die grond heeft de Rechtbank een inhoudelijke beslissing over (het niet doen van uitspraak op de bewaren tegen) de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2003 achterwege gelaten.

6.10.2.

Na de indiening van de bezwaren tot aan de uitspraak van de Rechtbank zijn 10 jaren en één week verstreken. Een groot deel hiervan, te weten het tijdsverloop vanaf het einde van de periode die belanghebbende ingevolge artikel 6:12, lid 3, van de Awb (tekst 2007) na de dag waarop de Inspecteur uiterlijk op het bezwaar moest beslissen (31 augustus 2007; zie onder 6.3) redelijkerwijs diende te worden gegund om beroep in te stellen tegen het uitblijven van de uitspraak op bezwaar tot aan de dag waarop het beroep is ingesteld (19 november 2015, zie onder 6.1). Van het met redelijke voortvarendheid instellen van beroep is naar het oordeel van het Hof sprake indien het beroepschrift wordt ingediend binnen twee maanden na het einde van de termijn waarbinnen op het bezwaar dient te worden beslist. In dit geval dus vóór 1 november 2007. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat het belanghebbende, gelet op het door hem verstrekte overzicht van de gang van zaken in 2007 (aanvulling motivering hogerberoepschrift, randnummer 16 tot en met randnummer 23) na de briefwisseling van december 2006 tot en met juli 2007 tussen hem en de Inspecteur duidelijk moet zijn geweest dat de Inspecteur niet van zins was om uitspraak op de bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003 te doen. Het aan belanghebbende toe te rekenen deel van de behandelingsduur is derhalve 8 jaren en ruim twee weken. Na aftrek van deze aan belanghebbende toe te rekenen tijdsduur, bedraagt de behandelingsduur vanaf de indiening van het bezwaren tot aan de dag waarop de Rechtbank uitspraak deed, één jaar, 11 maanden en drie weken. Dit is minder dan de termijn van twee jaar die in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087) als redelijke behandelingsduur voor het bezwaar en beroep in eerste aanleg wordt genoemd. De procedure bij het Hof heeft ruim zeven maanden in beslag genomen; ook in zoverre is van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake.

6.11.

De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn bij de behandeling van de bezwaren en beroepen betreffende de dwangsombeschikkingen afgewezen. Naar het oordeel van het Hof is deze beslissing juist. Het Hof maakt de beslissing en de daartoe door de Rechtbank gebezigde gronden tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep inzake de vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn bij de behandeling van de bezwaren en beroepen betreffende de dwangsombeschikkingen heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. De procedure bij het Hof heeft ruim zeven maanden in beslag genomen, ook in zoverre is van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake.

6.12.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep deels gegrond omdat de Rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig beslissen onbehandeld heeft gelaten.

Proceskosten en griffierechten

7.1.

Nu de Rechtbank geen uitspraak heeft gedaan op de beroepen betreffende de aanslagen en de beschikkingen voor het jaar 2002 en het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2003 en het Hof, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, alsnog op deze beroepen heeft beslist, acht het Hof termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep gemaakte kosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Het Hof stelt de te vergoeden kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.226 (1 punt voor het bezwaarschrift, een bedrag per punt van € 246 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Rechtbank, 1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof, een bedrag per punt van € 495 en een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaken).

Dat belanghebbende andere proceskosten dan kosten van rechtsbijstand heeft gemaakt, is niet aannemelijk gemaakt.

Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende om de Inspecteur te veroordelen in de werkelijk door belanghebbende gemaakte kosten van rechtsbijstand af. Weliswaar heeft de Inspecteur ernstig onzorgvuldig gehandeld door belanghebbende al vanaf 1 september 2007 te laten wachten op een uitspraak op zijn bezwaren tegen de aanslag en de beschikkingen voor het jaar 2003, maar deze onzorgvuldigheid maakt van onderhavige zaak geen uitzonderlijk schrijnend geval waarbij strikte toepassing van het tarief in de bijlage bij het Bpb evident onrechtvaardig zou zijn. Voorts kan niet gezegd dat de Inspecteur tegen beter weten in een of meer onjuiste standpunten heeft gehandhaafd.

7.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin de beroepen inzake de dwangsombeschikkingen ongegrond zijn verklaard en het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure betreffende de dwangsombeschikkingen is afgewezen;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op de bezwaren tegen de aanslagen en beschikkingen 2002 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op de bezwaren tegen de aanslag en beschikkingen 2003 niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure betreffende de uitspraken op de bezwaren tegen de aanslagen en beschikkingen voor het jaar 2002 af;

- wijst het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedures betreffende het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de aanslag en beschikkingen voor het jaar 2003 af;

- verstaat dat de Inspecteur binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, uitspraak zal doen op de bezwaren tegen de aanslag en beschikkingen voor het jaar 2003;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.226;

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 170 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. J.J.J. Engel en mr. S.K.A. Efstratiades, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.W.P. van Oosten. De beslissing is op 7 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.