Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2103

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
200.179.727/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Chiropractor" geen beschermde titel en niet in strijd met wet BIG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.179.727/01

Zaak- en rolnummer rechtbank: C/09/470814 / HA ZA 14-893

Arrest van 31 januari 2017 (bij vervroeging)

inzake

1. STICHTING HET NATIONAAL REGISTER VAN CHIROPRACTOREN,

gevestigd te Rotterdam,

2. CHIROPRACTIE WESTLAND B.V.,

gevestigd te Maasdijk,

3. [naam],

wonende te (Illinois) [woonplaats], Verenigde Staten,

appellanten,

hierna: SNRC, Westland en [appellant 3],

en gezamenlijk: SNRC c.s.,

advocaat: mr. W. Römelingh te Den Haag,

tegen

[naam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S. Kökbugur te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 16 september 2015 is SNRC c.s. in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 17 juni 2015 (hierna: het vonnis). Bij memorie van grieven (met producties) heeft SNRC c.s. tien grieven tegen het vonnis aangevoerd. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Op 12 januari 2017 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, SNRC c.s. aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

1.1

In hoger beroep is niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten in het vonnis zodat deze feiten ook voor het hof als uitgangspunt gelden. Met inachtneming van die feiten alsmede van hetgeen voorts als niet (voldoende gemotiveerd) bestreden, is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.2

SNRC stelt zich blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel het volgende ten doel: “het registreren van in Nederland werkende chiropraktoren. Het behartigen van de belangen van de in Nederland werkzame chiropractoren.

1.3

Westland oefent een chiropractie-praktijk uit. [appellant 3] is een chiropractor. Zij heeft de Amerikaanse nationaliteit. Westland en [appellant 3] wensen een arbeidsovereenkomst te sluiten.

1.4

Op 21 februari 2014 heeft Westland ten behoeve van [appellant 3] een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning ingediend bij het UWV. Bij ongedateerde beschikking heeft het UWV de aanvraag afgewezen. De grond voor afwijzing is, zakelijk weergegeven, dat Westland zich onvoldoende heeft ingespannen om haar vacature te vervullen door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt.

1.5

[geïntimeerde] voert een praktijk in “chiropraktie en natuurgeneeskunde”.

2.1

SNRC c.s. vordert, zakelijk weergegeven:

a. [geïntimeerde] te verbieden om zich als werkzoekend chiropraktor aan te bieden;

b. [geïntimeerde] te gebieden om zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel zodanig te wijzigen dat elke verwijzing naar chiropractie of een daarop lijkende benaming wordt verwijderd;

c. [geïntimeerde] te verbieden om zich op welke manier dan ook aan te duiden als chiropractor, het te doen voorkomen alsof hij chiropractische behandelingen aanbiedt, dan wel daartoe enige benaming of aanduiding te gebruiken die op chiropractor of chiropractie lijkt dan wel daarnaar verwijst;

d. het onder a. tot en met c. bedoelde op straffe van verbeurte van een dwangsom;

e. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die door Westland en [appellant 3] wordt geleden doordat [geïntimeerde] zich ten onrechte als werkzoekend chiropractor bij het UWV heeft ingeschreven, op te maken bij staat,

een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten en nakosten.

2.2

SNRC c.s. heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven, dat [geïntimeerde] chiropractie beoefent zonder dat hij de daarvoor noodzakelijke opleiding heeft gevolgd. Volgens SNRC c.s. handelt [geïntimeerde] daarmee onbevoegd en onrechtmatig.

[geïntimeerde] heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken.

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en SNRC c.s. in de proceskosten veroordeeld.

3.1

De grieven houden kort gezegd het volgende in. Grief 1 richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat [geïntimeerde] niet in strijd handelt met de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de wet BIG). Volgens SNRC c.s. is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat [geïntimeerde] wel in strijd met andere wetten handelt, te weten artikel 2 lid 2 sub b van de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen Zorg (WKKGZ) en artikel 7:453 BW, alsmede met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Voor zover SNRC c.s. met grief 1 heeft bedoeld om ook naar andere bepalingen in de WKKGZ en afdeling 7.7.5 BW te verwijzen, wordt daaraan voorbij gegaan, omdat de grief in zoverre onvoldoende specifiek is.

Met grief 2 voert SNRC c.s. aan dat de rechtbank heeft miskend dat iedere zorgaanbieder of hulpverlener dient te handelen overeenkomstig de voor hem geldende professionele standaard. Volgens grief 3 heeft de wetgever er de voorkeur aan gegeven om zoveel mogelijk aan de beroepsgroepen zelf over te laten wat de beroepsnormen zijn. De rechtbank lijkt volgens SNRC c.s. ten onrechte te menen dat een professionele standaard in een wet of verordening moet zijn vastgelegd om als professionele standaard te kunnen gelden. Grief 4 richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat niet valt in te zien dat [geïntimeerde] gebonden is aan de door de World Health Organisation (WHO) vastgestelde “Guidelines on Basic Training and Safety in Chiropractic”. Iedereen in de wereld die chiropractie uitoefent wordt geacht zich hieraan te houden en een chiropractor die dat niet doet zal in de regel in strijd handelen met de zorgvuldigheid die het maatschappelijk verkeer betaamt, aldus SNRC c.s. Volgens grief 5 kan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet in het midden blijven of [geïntimeerde] voldoet aan de Nederlandse normen voor chiropractie. Grief 6 is gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het betoog van SNRC c.s. dat [geïntimeerde] de goede naam van de chiropractie in Nederland schade toebrengt door het enkele feit dat hij het vak van chiropractor uitoefent zonder een door SNRC c.s. voorgeschreven diploma. Grief 7 ziet op het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen “chiropraktiker” en “chiropractor”. Grief 8 is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat SNRC c.s. ten onrechte (zware) verwijten aan het adres van [geïntimeerde] maakt die in het geheel niet zijn gefundeerd. Volgens grief 9 heeft de rechtbank bij haar oordeel dat het causaal verband ontbreekt, over het hoofd gezien dat het UWV met [geïntimeerde] kwam aanzetten bij wijze van prioriteit genietend aanbod, welk aanbod reden was om de tewerkstellingsvergunning te weigeren. Grief 10 ziet tot slot op de verwerping door de rechtbank van de stelling van SNRC c.s. dat [geïntimeerde] in strijd met het merkenrecht handelt. Volgens SNRC c.s. is de rechtbank uitgegaan van een verkeerde lezing van de stelling van SNRC c.s.; de stelling is niet dat [geïntimeerde] inbreuk maakt op een merkenrecht, maar dat hij handelt in strijd met afdeling 6.3.3A BW en met name artikel 6:193c BW doordat hij suggereert dat hij chiropractor is.

Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen en daarbij evenals de rechtbank de aanduidingen “chiropractor” en “chiropractie” gebruiken zonder daarmee onderscheid te willen maken in de verschillende door partijen gebruikte benamingen.

3.2

Vooropgesteld wordt dat de wet BIG geen specifieke eisen stelt aan het beroep van chiropractor en dat de titels “chiropractor” en “chiropractie” niet zijn beschermd. De wet BIG bevat ook geen algemene (opleidings)normen voor personen die individuele gezondheidszorg verlenen. Het voeren van de titel “chiropractor”, of een daarop gelijkende titel, is dus niet in strijd met de wet BIG. Wel stelt die wet eisen aan bepaalde geneeskundige handelingen - de zogenoemde “voorbehouden handelingen” (in hoofdstuk IV wet BIG) - die slechts door de in de wet BIG genoemde beroepsbeoefenaren mogen worden uitgeoefend. Zoals de rechtbank heeft overwogen, en SNRC c.s. in hoger beroep niet heeft bestreden, is echter gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] voorbehouden handelingen heeft verricht. Ten aanzien van andere geneeskundige handelingen dan de voorbehouden handelingen geldt dat het [geïntimeerde] in beginsel vrij staat deze te verrichten.

3.3

Met haar grieven 1 tot en met 7 betoogt SNRC c.s. in de kern dat [geïntimeerde] weliswaar niet in strijd handelt met de wet BIG, maar wel met artikel 2 lid 2 sub b van de WKKGZ en/of artikel 7:453 BW. Deze bepalingen houden kort gezegd in dat zorgverleners dienen te handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de geldende professionele standaard. Volgens SNRC c.s. bestaat er ook een professionele standaard voor chiropractoren. Zij verwijst in dit verband naar de – kennelijk door SNRC zelf opgestelde – “Nederlandse normen voor de chiropractie” en de gelijkluidende “Europese normen voor de chiropractie” en voorts naar in 2005 door de WHO opgestelde “opleidingseisen” die volgens SNRC c.s. inhouden dat 4464 studie uren moeten worden gevolgd. [geïntimeerde] voldoet niet aan de in deze stukken gestelde opleidingseisen, aldus SNRC c.s. Volgens SNRC c.s. is daardoor sprake van handelen in strijd met de wet, althans met de zorgvuldigheid die het maatschappelijk verkeer betaamt.

3.4

Naar het oordeel van het hof is geen sprake van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] jegens SNRC c.s. Het enkele feit dat een deel van in Nederland werkende chiropractoren zich bij SNRC heeft laten registreren en SNRC zelf normen heeft opgesteld, betekent niet dat sprake is van een professionele standaard. SNRC c.s. heeft ook niets gesteld over de wijze van totstandkoming van haar normen en evenmin is aangetoond dat deze normen breed gedragen worden door de beroepsgroep, die bovendien niet vastomlijnd is. Het is ook niet aan SNRC om te bepalen wie al dan niet als chiropractor kan worden aangemerkt. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken op welke wijze [geïntimeerde] gebonden is aan de door SNRC zelf opgestelde normen, laat staan dat SNRC c.s. de bevoegdheid toekomt om handhaving van haar normen jegens [geïntimeerde] af te dwingen.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan evenmin worden aangenomen dat [geïntimeerde] gebonden is aan voorstellen van de WHO ten aanzien van een opleiding voor chiropractoren. Overigens heeft SNRC c.s. in dit verband niet verwezen naar de Guidelines on Basic Training and Safety in Chiropractic zelf, maar slechts naar een bijlage daarbij met het opschrift: “Annex 2: A sample four-year, full-time accredited programme” (zie productie 10 van SNRC c.s.). De bijlage betreft een voorbeeld van een “chiropractic programme”. Ten onrechte meent SNRC c.s. hieruit te kunnen afleiden dat in Nederland als professionele standaard geldt dat eenieder die zich chiropractor noemt, een opleiding overeenkomstig dit voorbeeld moet hebben gevolgd. Zoals overwogen stelt de in deze relevante wet, de wet BIG, geen opleidingseisen aan chiropractoren. Hoeveel relevante opleidingsuren [geïntimeerde] in Duitsland heeft gevolgd – partijen strijden daarover – kan verder in het midden blijven.

3.5

De conclusie uit het voorgaande is dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] jegens SNRC c.s. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank in de bestreden rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.7 van het vonnis heeft overwogen. De grieven 1 tot en met 7 falen daarom, evenals grief 10, omdat geen sprake is van een oneerlijke handelspraktijk doordat [geïntimeerde] zich chiropractor noemt.

3.6

Nu geen sprake is van onrechtmatig handelen kunnen ook de grieven 8 en 9, die betrekking hebben op de gestelde schade en het gestelde causaal verband, niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Los hiervan geldt ten aanzien van grief 8 dat SNRC c.s. ook in hoger beroep heeft nagelaten om een onderbouwing te geven van haar stelling dat [geïntimeerde] patiënten blootstelt aan gevaar en/of letsel toebrengt (althans dat letsel voorzienbaar is). Die stelling wordt dan ook verworpen. Zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd en SNRC c.s. niet gemotiveerd heeft bestreden, heeft [geïntimeerde] een vierjarige opleiding alternatieve geneeswijzen in Duitsland gevolgd met als zwaartepunt ‘chiropraktie’, is hij reeds 25 jaar praktiserend ‘chiropraktiker’ en heeft hij nooit te maken gehad met letselschade van een van zijn patiënten.

Ten aanzien van grief 9 overweegt het hof overigens nog dat het UWV de tewerkstellingsvergunning heeft afgewezen op de grond dat Westland onvoldoende heeft aangetoond dat zij zich afdoende heeft ingespannen om haar vacature te vervullen door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt. In dit verband heeft het UWV blijkens de door SNRC c.s. overgelegde beschikking in aanmerking genomen dat in diverse Europese landen een opleiding tot chiropractor te vinden is en dat het in de rede ligt dat de werkgever eerst in deze landen gaat werven alvorens buiten Europa naar een chiropractor te zoeken. Er is in de beschikking niet verwezen naar [geïntimeerde].

3.7

De conclusie luidt dat alle grieven falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. SNRC c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten van het appel worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van 17 juni 2015;

- veroordeelt SNRC c.s. hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 311,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, M.A.F. Tan-de Sonnaville en J.H. Gerards en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.