Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2097

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
200.182.126/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2016:856
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2019:1153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Onrechtmatige daad, vordering schadvergoeding werkgever. Frauduleus handelen door werknemer. Stelplicht. Bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3894
AR-Updates.nl 2017-0948
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.182.126/01

Zaaknummer rechtbank : 1168211 \ CV EXPL 12-33447

arrest van 25 juli 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. C.C.P. Jansen te Spijkenisse,

tegen

Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Delfland,

gevestigd te Delft,

geïntimeerde,

hierna te noemen: GGZ Delfland,

advocaat: mr. D.J.G. Timmermans te Leiden.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van het tussen partijen aanhangige geding verwijst het hof naar het arrest van 20 september 2016 dat het hof heeft gewezen in het door [appellant] ingestelde incident.

1.2

In aansluiting op de reeds gewisselde stukken hebben partijen op 11 mei 2017 de zaak doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van overgelegde pleitnotities. GGZ Delfland heeft bij die gelegenheid nog producties in het geding gebracht. Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.3

Ten slotte is arrest gevraagd op het voor het pleidooi ingediende kopiedossier.

1.4

Het hof merkt op dat tegelijk met dit arrest eveneens arrest wordt gewezen in de zaak [naam] / GGZ Delfland, zaaknummer 200.182.227/01. Dit hoger beroep is eveneens gericht tegen de vonnissen van 14 december 2011, 25 april 2012, 24 mei 2012 en 11 augustus 2014.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1

Zoals al in het tussenarrest van 12 april 2016 vermeld, gaat het in deze zaak om het volgende. [appellant] was in dienst bij GGZ Delfland in de functie van manager frontoffice. In die hoedanigheid was hij verantwoordelijk voor de inkoop van ICT-diensten en daaraan gerelateerde zaken. Nadat hij op 15 maart 2011 op non-actief was gesteld, is er bij GGZ Delfland jegens [appellant] de verdenking van fraude gerezen. [appellant] zou daarbij hebben samengespannen met een derde, te weten de heer [naam] (hierna: [naam]). GGZ Delfland heeft naar mogelijk door [appellant] gepleegde fraude onderzoek laten instellen door Hoffmann Bedrijfsrecherche (hierna: Hoffmann). Op 27 april 2011 heeft GGZ Delfland [appellant] op staande voet ontslagen wegens fraude. Bij beschikking van 8 september 2011 heeft de kantonrechter te Den Haag de arbeidsovereenkomst, indien nog niet anderszins geëindigd, ontbonden zonder toekenning van een vergoeding.

Vorderingen van GGZ Delfland

2.2

GGZ Delfland heeft in eerste aanleg, na wijziging van eis, een verklaring voor recht gevorderd dat [appellant] en/of [naam] toerekenbaar tekort is/zijn geschoten in de nakoming van hun contractuele verplichtingen jegens GGZ Delfland, althans dat [appellant] en/of [naam] onrechtmatig heeft/hebben gehandeld jegens GGZ Delfland en dat zij deswege hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voor GGZ Delfland ontstane schade. Daarnaast heeft zij de (partiële) ontbinding van alle overeenkomsten gevorderd als bedoeld in bijlage 138 van het onderzoeksrapport van Hoffmann wegens bedrog, misleiding, ernstige wanprestatie zijdens [appellant] en/of [naam] en/of vanwege (wederzijdse) dwaling. Voorts heeft zij gevorderd dat [appellant] en/of [naam] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding door [appellant] en/of Put ten bedrage van € 431.620,-, dan wel op te maken bij staat, te vermeerderen met de proceskosten, de beslagkosten en de kosten van het onderzoek van Hoffmann (€ 98.770,-) en advocatenkosten € 97.769,95 (incl. BTW).

2.3

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 11 augustus 2014 (met rolnummer 1168211) geoordeeld dat (onder meer) uit het rapport van Hoffmann volgt dat [naam] en [appellant] nauw hebben samengewerkt en stelselmatig hebben samengespannen (waarbij [appellant] de leidende figuur is geweest) teneinde GGZ Delfland onrechtmatig te benadelen. Naar het oordeel van de kantonrechter staan in ieder geval twee gevallen van onrechtmatig handelen vast (namelijk ter zake van de Leica lens en ter zake van de Tom Tom) en heeft GGZ Delfland goed onderbouwd dat het niet bij die twee gevallen is gebleven. Het gaat volgens de kantonrechter om een groot aantal transacties waarbij ofwel in het geheel geen goederen of diensten aan GGZ Delfland zijn geleverd of ten goede zijn gekomen, ofwel zaken of diensten zijn door geleverd met een in overleg tussen [appellant] en [naam] bepaalde, extreme winstopslag. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat [appellant] en [naam] onrechtmatig hebben gehandeld jegens GGZ Delfland en deswege hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voor GGZ Delfland ontstane schade. De kantonrechter heeft de kosten van voor het onderzoek van Hoffmann ten bedrage van € 98.770,-, alsmede buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 9.044,- toegewezen. Voor het overige is de zaak naar de schadestaat verwezen.

2.4

De grieven II tot en met XI strekken ten betoge dat de kantonrechter [appellant] ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding van de schade bestaande uit de kosten van het onderzoek van Hoffmann en voor het overige nader op te maken bij staat; [appellant] voert aan dat hij niet onrechtmatig jegens GGZ Delfland heeft gehandeld (althans dat uit het vonnis niet blijkt in hoeverre hiervan sprake is) en dat op GGZ Delfland de bewijslast rust dat er wel sprake is van onrechtmatig handelen. De omstandigheid dat de kantonrechter – kennelijk – twee concrete voorbeelden van fraude bewezen acht, betekent nog niet dat daarmee vaststaat dat hij op grote schaal heeft gefraudeerd, aldus [appellant].

2.5

Het hof zal allereerst bespreken in hoeverre vaststaat dat er tussen [appellant] en [naam] een nauwe samenwerking heeft bestaan die wijst op frauduleuze samenwerking. In dit verband zijn in het bijzonder de grieven II tot en met V van belang. Met grief II voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit het rapport Hoffmann en de eigen stellingen van [appellant] en [naam] blijkt dat [naam] en [appellant] in nauwe samenwerking hebben gehandeld, waarbij [appellant] de leidende figuur is geweest. Met grief III voert [appellant] aan dat hij niet kan worden aangemerkt als de feitelijk bestuurder van de eenmanszaak (B.V. i.o.) Source & Stone van [naam] en dat uit de inschrijvingen van [appellant] als bestuurder geen intentie van samenwerking blijkt. Grief IV richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat de hele gang van zaken en herkenbare modus operandi de nauwe samenwerking van [naam] en [appellant] bevestigt, alsmede dat [naam] heeft gesteld dat [appellant] hem van adviezen voorzag. [appellant] voert aan dat van opzettelijk frauderen en het toebrengen van schade aan GGZ Delfland geen sprake was. Met grief V voert [appellant] aan dat er binnen GGZ Delfland ook andere personen waren die onzakelijk handelden, al dan niet op kosten van GGZ Delfland.

2.6

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat [appellant] in de periode 2009/2010 een eigen bedrijf (de eenmanszaak “Casa Tinin”) heeft gehad, dat op 14 oktober 2009 in het handelsregister is ingeschreven. De eenmanszaak van [naam], ICT Put, is op 2 oktober 2009 ingeschreven. Voorts staat vast dat [appellant] en [naam] elkaar reeds voor die tijd kenden: [naam] was eerder werkzaam voor het bedrijf Infotheek en vervolgens voor het bedrijf Data Wells. Hij had in die hoedanigheid nauw contact met [appellant]. Daarnaast bestond er een vriendschappelijke relatie tussen [appellant] en [naam], zoals beschreven in het rapport Hoffmann (p. 23 e.v.). [appellant] heeft een en ander niet bestreden.

2.7

Uit het rapport Hoffmann blijkt voorts dat er zakelijke banden bestonden tussen ICT Put en Casa Tinin en dat ICT Put betalingen aan Casa Tinin deed. [appellant] heeft ook niet bestreden dat hij (namens Casa Tinin) facturen aan ICT Put stuurde ter zake van aan ICT Put geleverde goederen of diensten, welke ICT Put vervolgens aan GGZ Delfland leverde. [appellant] heeft niet toegelicht waarom hij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat GGZ Delfland ermee akkoord ging dat hij persoonlijk zou profiteren van transacties die hij, namens GGZ Delfland, met [naam] sloot. Dit vertrouwen kan [appellant] in ieder geval niet hebben ontleend aan de omstandigheid dat ook zijn leidinggevende een eigen bedrijf had, reeds omdat [appellant] niet heeft gesteld dat deze leidinggevende daarmee betrokken was in transacties met GGZ Delfland. En ook niet uit de omstandigheid dat een van zijn medewerkers (onder meer) op kosten van GGZ Delfland zijn autobanden heeft laten vervangen, zoals [appellant] in de toelichting op grief V aanvoert.

2.8

De conclusie van het vorenstaande is dat de grieven II-V falen voor zover [appellant] daarin betoogt dat sprake was van een normale zakelijke samenwerking tussen hem en [naam] en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij persoonlijk heeft geprofiteerd van deze samenwerking. In eerdere tussen partijen gevoerde procedures is door de rechter geoordeeld dat [appellant] heeft gefraudeerd en dat het door GGZ Delfland gegeven ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. Daarmee staat vast dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens GGZ Delfland. Echter, de omvang van het onrechtmatig handelen is daarmee nog niet gegeven, laat staan dat kan worden vastgesteld welke schade GGZ Delfland als gevolg daarvan heeft geleden.

2.9

Waar de beweerde onrechtmatigheid bestaat uit fraude door middel van aan GGZ Delfland gerichte facturen, dient het hof, alvorens een (eventuele) verwijzing naar de schadestaatprocedure kan plaatsvinden, te bepalen ter zake van welke facturen [appellant] gefraudeerd heeft en dus doende onrechtmatig heeft gehandeld. Een dergelijk nader onderzoek naar de omvang van de fraude past niet in een schadestaatprocedure, maar dient plaats te vinden in de hoofdzaak nu in een schadestaatprocedure enkel de omvang van de schade van reeds gegeven onrechtmatigheid wordt vastgesteld, De grieven zijn dus gegrond voor zover daarin wordt geklaagd dat de omvang van het onrechtmatig handelen door [appellant] nog niet vast staat.

2.10

Naar het hof begrijpt is GGZ Delfland van mening dat het – gezien de gestelde omvang van de fraude – vrijwel onmogelijk is om in de processtukken een volledige opsomming te geven van alle fraudegevallen. Zij heeft daarom volstaan met het geven van diverse voorbeelden. Voor de nadere onderbouwing en voor een uitputtende opsomming van alle frauduleuze facturen heeft GGZ Delfland verwezen naar het rapport Hoffmann en (in hoger beroep) naar het zogenoemde rapport Lepelaar, dat in het kader van het strafrechtelijk onderzoek is opgesteld. Voorts verwijst zij in haar petitum naar “bijlage 138”. Uit deze stukken komt inderdaad een beeld naar voren waarin [appellant] en [naam] stelselmatig hebben samengespannen om GGZ Delfland (onrechtmatig) te benadelen. Het hof heeft desalniettemin een nadere toelichting van GGZ Delfland nodig over de vraag op welke fraude-incidenten haar vordering ziet (art. 22 Rv). Het hof verzoekt daarom en om redenen van proceseconomie - het voorkomen van afzonderlijke procedures over de afzonderlijke onrechtmatige daden - GGZ Delfland nader toe te lichten hoe haar vordering van € 431.620,- is opgebouwd. Dat wil zeggen dat zij nader dient te specificeren op welke facturen haar vordering betrekking heeft, dat zij dient toe te lichten waarop ieder van deze facturen ziet (wat zou er aan GGZ Delfland zijn geleverd?), alsmede waarom de facturen frauduleus zijn. Voorts dient zij toe te lichten – per factuur – in hoeverre zij schade heeft geleden als gevolg van deze fraude, alsmede hoe hoog deze schade is. Voor het hof is het thans nog niet duidelijk in hoeverre het zinvol is om de hoogte van de schade in een afzonderlijke schadestaatprocedure vast te laten stellen.

Vorderingen van [appellant]

2.11

In de procedure met rolnummer 1069232 CV EXPL 11-38154 (voorheen: 11-5372) (hierna te noemen: de ontslagzaak) heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd dat de hem op 15 maart 2011 aangezegde schorsing en de verlenging daarvan nietig of onrechtmatig is, dat het op 27 april 2011 aangezegde ontslag op staande voet nietig c.q. onrechtmatig is, en dat GGZ Delfland zich niet heeft gedragen als een goed werkgever en derhalve aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden, alsmede dat, kort gezegd, GGZ Delfland zal worden veroordeeld tot doorbetaling van loon vanaf 27 april 2011, met nevenvorderingen, tot toelating tot de gebruikelijke werkzaamheden op straffe van een dwangsom en tot afgifte van eigendommen. De kantonrechter heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot loondoorbetaling, omdat hij geen deskundigenverklaring als bedoeld in art. 7:629a BW heeft overgelegd met betrekking tot zijn ziekteperiode. De overige vorderingen heeft de kantonrechter afgewezen.

2.12

In meergenoemde arresten van 12 april 2016 en 20 september 2016 (gewezen naar aanleiding van een door [appellant] ingesteld incident) heeft het hof geoordeeld dat [appellant] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis met rolnummer 1069232 (betrekking hebbend op de schorsing en het ontslag van [appellant] en daarmee samenhangend een loondoorbetaling) en dat de beslissingen in dat vonnis in kracht van gewijsde zijn gegaan en [appellant] niet-ontvankelijk is in de grieven XIV-XXIV, die zich tegen dat vonnis richten. Daarnaast klaagt [appellant] in grief I dat de rechtbank ten onrechte de overwegingen in genoemde zaak heeft beschouwd als “herhaald en ingelast”. Deze grief is ongegrond. In de relatie [appellant] - GGZ Delfland bestaat geen bezwaar tegen een dergelijke werkwijze. Voor zover [appellant] erover klaagt dat [naam] (naar het hof begrijpt) benadeeld wordt, heeft hij daarbij geen belang.

2.13

[appellant] heeft in de onderhavige procedure in reconventie dezelfde vorderingen ingesteld als in de zaak met rolnummer 1069293 (de ontslagzaak). In het bestreden vonnis van 11 augustus 2014 heeft de kantonrechter [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk verklaard omdat over die vorderingen reeds is beslist in het vonnis in de ontslagzaak. Grief XIII is gericht tegen het niet-ontvankelijkheidsoordeel. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter [appellant] terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat diens vorderingen reeds in de ontslagzaak waren afgewezen en deze beslissingen gezag van gewijsde hebben. De grief is dus ongegrond.

2.14

Daarnaast heeft [appellant] de opheffing van de gelegde beslagen gevorderd. Deze vordering heeft de kantonrechter afgewezen. Grief XII is daartegen gericht. Het hof zal de behandeling van deze grief aanhouden.

Slotsom

2.15

[appellant] is niet ontvankelijk in zijn grieven XIV tot en met XXIV. De grieven I en XIII zijn ongegrond. De grieven II-V falen voor zover [appellant] daarin betoogt dat sprake was van een normale zakelijke samenwerking tussen hem en [naam] en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij persoonlijk heeft geprofiteerd van deze samenwerking. De zaak zal naar de rol worden verwezen zodat GGZ Delfland een memorie als bedoeld onder rechtsoverweging 2.10 kan nemen. [appellant] kan hier vervolgens op reageren.

2.16

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

- verwijst de zaak naar de rol van 19 september 2017 voor het nemen van een memorie aan de zijde van GGZ Delfland als hierboven onder 2.10 bedoeld;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, R.S. van Coevorden en S.R. Mellema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.