Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:207

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
200.151.008/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opstalverzekering; schending mededelingsplicht in verband met strafrechtelijk verleden. Bewijskracht kopie van aanvraagformulier. Aanvangstijdstip termijn van art. 7:929 lid 1 BW bij niet-ontzenuwd vermoeden van verzwijging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1541

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.151.008/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/443660 / HA ZA 13-615

arrest van 14 februari 2017

inzake

[appellant]

wonende te Tilburg,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.P. van den Bogart te Boxmeer,

tegen

Goudse Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Gouda,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Goudse,

advocaat: mr. F. van Kersbergen te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 23 mei 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag, team handel, tussen partijen gewezen vonnis van 5 maart 2014.

Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] negen grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Goudse de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 5 maart 2014 onder 2.1, 2.2 en 2.4 tot en met 2.14 vastgestelde feiten zijn ook in hoger beroep niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. [appellant] is eigenaar van een pand gelegen aan [adres] (hierna: het pand).

b. Met ingang van 5 augustus 2004 heeft [appellant] voor het pand bij Goudse een bedrijfsgebouwenverzekering afgesloten onder polisnummer 43.099.18 (hierna: de verzekering) voor een verzekerde som van € 550.000,. Delta Adviezen trad daarbij op als tussenpersoon voor [appellant].

c. In het dossier van Goudse met betrekking tot deze verzekering bevindt zich een aanvraagformulier ten name van [appellant], waarin een vraag naar het strafrechtelijk verleden van de verzekeringnemer met “neen” is beantwoord.

d. Bij de door [appellant] in eerste aanleg overgelegde producties bevindt zich een bevel tot

inverzekeringstelling van de Regiopolitie Brabant-Noord/’s-Hertogenbosch,

Mutatienr: PL2110/03-225159, gedateerd 18 januari 2005, met — voor zover

relevant — de volgende inhoud:

“OVERWEGENDE dat op dinsdag 18 januari 2005 10:05 uur, voor haar/hem is geleid een persoon, die verklaarde te zijn genaamd:

[appellant]

(...)

OVERWEGENDE dat genoemde persoon wordt verdacht van

Het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van een middel als bedoeld in de lijst II behorende bij de lijst II van de Opiumwet. Gepleegd te Berlicum, te Epe, danwel elders in Nederland in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 21 september 2004.

Witwassen, danwel het een gewoonte maken van witwassen, danwel schuldig zijn aan witwassen. Gepleegd te Berlicum te ‘s-Hertogenbosch, te Tilburg, danwel elders in Nederland, in de periode van januari 2000 tot en met 9 december 2003, danwel tot en met 21 september 2004. (…)”

e. Op 18 mei 2006 is door de Officier van Justitie te ’s-Hertogenbosch conservatoir beslag op het pand van [appellant] gelegd.

f. Op 6 september 2011 is brand uitgebroken in het pand. [appellant] heeft naar aanleiding van de brand Goudse verzocht om de door hem geleden schade ten gevolge van de brand uit te keren onder de verzekering.

g. In opdracht van Goudse heeft CED Forensic een onderzoek ingesteld naar de

brand. Op 20 september 2011 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen een expert van CED Forensic en [appellant]. De expert heeft een door [appellant] na doorlezing voor akkoord ondertekend verslag van dit interview opgesteld, waarin — voor zover relevant — het volgende is opgenomen:

“Aan betrokkene is uitgelegd wat de reden van onderzoek is. Namelijk onderzoek met betrekking tot (…) de brand op 6 september 2011 ontstaan in het perceel [adres].

Aan betrokkene is een exemplaar van het gespreksverslag verstrekt.

Hij verklaarde:

(...)

U houdt mij voor dat uit administratief onderzoek door mijn verzekeringsmaatschappij De Goudse is gebleken dat op 18 mei 2006 door de Officier van Justitie te ‘s-Hertogenbosch conservatoir beslag op mijn pand [adres] is gelegd. U vraagt mij naar de reden hiervan? Ik vertel u hierop dat ik tijdens ons gesprek in eerste instantie heb aangegeven dat ik in het jaar 2003 met de politie en justitie in aanraking ben geweest ter zake een misdrijf. Gaandeweg het gesprek valt mij te binnen dat jaar 2003 niet klopt en het in jaar 2004 moet zijn geweest, na het ingaan van de verzekering. Ik weet dat zeker.

Als mijn verzekeringsagent Delta Adviezen in Tilburg aan mij, bij het aangaan van de verzekering, hadden gevraagd of ik met politie en of justitie in aanraking was geweest dan had ik daar eerlijk antwoord op gegeven. Voor alle duidelijkheid ik was toen niet met de genoemde instanties in aanraking geweest, dit was pas later. Bovendien heeft Delta Adviezen dit niet aan mij gevraagd.

Waarvoor ik met politie en justitie in aanraking ben geweest wil ik niet vertellen. Ik vind dat dit niets met de huidige brand te maken heeft. Het gaat om een misdrijf en heb daar een boete voor gekregen van € 1.300.000. Met justitie ben ik daarover nog bezig. De zaak loopt nog, waarschijnlijk is dat ook de reden waarom zij het pand niet hebben verkocht. U heeft mij meerdere malen verzocht om openheid te verschaffen en te vertellen waarom ik met politie en justitie in aanraking ben geweest. Ik wil er nu niet over vertellen. Ik wil er over nadenken of ik aan de verzekeringsmaatschappij hierover openheid wil geven. Het heeft (…) in mijn beleving niets met de brand te maken. U heeft mij een machtiging laten zien en gevraagd of ik deze voor akkoord wil tekenen. Ik wil dat doen echter de passage over het navraag doen bij de justitie moet eruit.

(...)

U vraagt mij of ik weleens met de politie of Justitie in aanraking ben geweest ter zake van een misdrijf? Ik vertel u hierop dat (...) dit het geval is. Ik heb u daar eerder over verteld, verder ben ik nimmer met de genoemde instanties in aanraking ben geweest.”

h. Met ingang van 26 september 2011 heeft Goudse de verzekeringsportefeuille

van Delta Adviezen overgenomen.

i. Een e-mail, gedateerd 16 november 2011, van de schadebehandelaar van

Goudse aan mr. E.C.M.J. van Kempen (toenmalig advocaat

van [appellant]) luidt — voor zover relevant — als volgt:

“Ik heb inmiddels het gehele dossier bestudeerd. Op dit moment verleen ik geen dekking. Het is namelijk niet duidelijk of het aanvraagformulier naar waarheid is ingevuld door de heer [appellant].

(...)

Inmiddels heeft het Bureau Ontnemingswetgeving OM, namens de Officier van Justitie Den Bosch, beslag gelegd op de schadepenningen. De onderzoeker heeft op ons verzoek aan de heer [appellant] gevraagd dit toe te lichten. In 1e instantie heeft de heer [appellant] tegenover de onderzoeker verklaard dat hij in het jaar 2003 (voor de ingangsdatum van de verzekering) in aanraking is geweest met politie en justitie inzake een misdrijf. Dit zou te maken hebben met de beslaglegging. Later in het gesprek heeft de heer [appellant] aangegeven dat hij zich heeft vergist in het jaartal en dat het in het jaar 2004 (na de ingangsdatum van de verzekering) is geweest. De heer [appellant] wilde niet vertellen waarvoor hij met justitie in aanraking is geweest. Wel zei hij de onderzoeker toe dat de bescheiden met betrekking tot zijn strafrechtelijk verleden, via zijn advocaat aan ons zou worden toegestuurd. Deze bescheiden zijn echter nog niet door ons of de onderzoeker ontvangen.

De heer [appellant] stelt ons op dit moment niet in de gelegenheid om te beoordelen of de vraag op het aanvraagformulier met betrekking tot zijn strafrechtelijk verleden naar waarheid is ingevuld. Hij verleent hierdoor niet zijn volledige medewerking. Op grond van de toepasselijke voorwaarden is hij dit wel verplicht. Aangezien hij dit op dit moment niet doet, is hij zijn recht op polisdekking verloren.”

j. Op 25 januari 2012 heeft [appellant] per e-mailmail aan Goudse het bevel tot inverzekeringstelling van 18 januari 2005 toegezonden.

k. Bij brief van 16 februari 2012 heeft mr. C.G.C. Kievits namens Goudse – voor zover relevant – het volgende aan mr. Van Kempen bericht:

“Gelet op het feit dat [appellant] heeft verklaard dat hij in 2003 in aanraking is geweest met de politie, deze verklaring vervolgens gewijzigd heeft in die zin dat het zou gaan om het jaar 2004 en geen openheid van zaken heeft willen geven over de reden waarom hij met politie en justitie in aanraking is geweest, terwijl het door u toegezonden bevel tot inverzekeringstelling dateert van 2005, wil De Goudse uitgebreid door [appellant] geïnformeerd worden over zijn strafrechtelijk verleden, 8 jaar voorafgaand aan de aanvraagdatum van de verzekering.

Mocht blijken dat uw cliënt niet voldaan heeft aan zijn mededelingsplicht door aanvraagformulieren niet naar waarheid in te vullen, dan bestaat de kans dat De Goudse een beroep doet op artikel 7:929 lid 2 BW. Tevens zal er in dat geval een beroep gedaan kunnen worden op artikel 7:930 lid 4 BW waarin staat opgenomen dat geen uitkering verschuldigd is indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Voor de ingediende schadeclaim zal in dat geval aan [appellant] geen vergoeding worden verleend. (...)

De Goudse wenst inzage in het strafrechtelijk verleden van [appellant] van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag van deze verzekering, dus van 21 mei 1996 tot aan 21 mei 2004. In de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens is bepaald dat door een door [appellant] ingeschakelde advocaat inzage kan worden verkregen in het justitieel documentatieregister. Het vermoeden van verzwijging kan alleen ontzenuwd worden door objectieve informatie die opgevraagd is door een onafhankelijke advocaat. Deze betreffende advocaat zal dan vervolgens een verklaring moeten opstellen met daarin de gegevens die hij of zij tijdens de inzage heeft gezien en die relevant zijn voor het verzoek. De kosten van de betreffende advocaat voor dit onderzoek zal De Goudse geheel voor haar rekening nemen. De Goudse stelt voor om als onafhankelijke advocaat mr. J.L. Oudshoorn van De Vink Oudshoorn Advocaten te Rijswijk in te schakelen om bovenstaande verklaring te bewerkstelligen. Mr. Oudshoorn is bekend met dit soort procedures.

Na ontvangst van de gevraagde stukken zal De Goudse beoordelen of er voldaan is aan de mededelingsplicht en of een aanvullend gesprek met de expert van CED Forensic gewenst is.”

l. Bij brief van 11 december 2012 heeft Goudse – voor zover relevant – aan mr.

Van Kempen bericht de schade niet te vergoeden, met de volgende toelichting:

“Gelet op het feit dat de heer [appellant] heeft verklaard dat hij in 2003 in aanraking is geweest met de politie, deze verklaring vervolgens gewijzigd heeft in die zin dat het zou gaan om het jaar 2004 en geen openheid van zaken heeft willen geven over de reden waarom hij met politie en justitie in aanraking is geweest, terwijl het door u toegezonden bevel tot inverzekeringstelling dateert van 2005, heeft de door ons ingeschakelde advocate (...) bij brief van 16 februari 2012 geschreven dat wij door de heer [appellant] uitgebreid geïnformeerd willen worden over zijn strafrechtelijk verleden, 8 jaar voorafgaand aan de aanvraagdatum van de verzekering, te weten van 21 mei 1996 t/m 21 mei 2004. Er is in dat verband voorgesteld dat de heer [appellant] een onafhankelijk advocaat zou machtigen om inzage te verkrijgen in het justitiële documentatieregister.

De heer [appellant] heeft hieraan geen medewerking verleend.

Op grond van de verklaring van de heer [appellant] van 20 september 2011 hebben wij een voldoende concreet vermoeden dat hij een strafrechtelijk verleden voorafgaande aan het invullen van het aanvraagformulier heeft verzwegen. (...)

Wij stellen ons op het standpunt dat de heer [appellant] het concrete vermoeden dat hij een strafrechtelijk verleden heeft verzwegen, onvoldoende heeft ontzenuwd.

Wij beroepen ons er daarom op dat de heer [appellant] bij het aangaan van de verzekering zijn mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW niet is nagekomen.

Wij stellen ons veronderstellenderwijs op het standpunt dat wij bij kennis van de ware stand van zaken als redelijk handelend verzekeraar geen verzekering hebben zouden gesloten (artikel 7:930 lid 4 BW). Wij merken hierbij op dat de heer [appellant] geen inzicht heeft willen geven in de concrete (verdenkingen van) strafbare feiten.”

m. De personalia van [appellant] zijn door Goudse opgenomen in het incidentenregister van Goudse en extern geregistreerd bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CVB) van het Verbond van Verzekeraars en de Stichting CIS te Zeist.

3. [appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een verklaring voor recht dat Goudse onder de verzekering gehouden is tot vergoeding van de schade van [appellant] als gevolg van de brand van 6 september 2011, alsmede veroordeling van Goudse tot betaling van € 233.302, met wettelijke rente,
- ongedaanmaking van de registratie in het interne verwijzingsregister en de melding daarvan aan het CBV alsmede de registratie in het externe verwijzingsregister bij de stichting CIS te Zeist op straffe van een dwangsom, en
- betaling van de kosten van de contraexpert ten belope van € 10.961,24, van de buitengerechtelijke kosten van € 10.000, en van de proceskosten.

4. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. Zij heeft daartoe geoordeeld dat Goudse ingevolge artikel 251 Wetboek van Koophandel (oud) en artikel 7:930 lid 4 BW op goede gronden heeft geweigerd tot vergoeding van de schade over te gaan, alsmede dat Goudse onweersproken heeft betoogd dat in dit geval interne en externe registratie ingevolge het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen gerechtvaardigd is.

5. Met grief I keert [appellant] zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat bij de aanvraag van de verzekering is gebruikt gemaakt van een aanvraagformulier van 21 mei 2014 waarin de vraag naar het strafrechtelijk verleden van [appellant] met ‘nee’ is beantwoord en dat de rechtbank zijn verweer dat hij zijn handtekening niet onder dat formulier heeft gezet dan wel pagina 4 van het beweerdelijke formulier niet bij de andere pagina’s hoort, niet heeft gehonoreerd.

6. [appellant] betwist dat de door Goudse overgelegde kopie van het aanvraagformulier overeenstemt met het origineel. Daartoe wijst hij erop dat de pagina’s 1, 2 en 3 vrijwel naadloos op elkaar aansluiten, maar dat de aansluiting van pagina 3, die aan de onderzijde deels blanco is, niet aansluit op de bovenkant van pagina 4, die voor meer dan de helft wit is. Verder loopt het aanvraagformulier na pagina 4, waar de handtekening is geplaatst, door op pagina’s 5, 6 en 7, hetgeen niet logisch is. Alleen de tekst van pagina 4 is in een kader geplaatst en de daaropvolgende pagina’s sluiten weer netjes op elkaar aan. Volgens [appellant] behoort pagina 4 niet bij het aanvraagformulier en kan Goudse, gelet op artikel 160 Rv, alleen bewijzen dat dit wel het geval is door overlegging van het originele aanvraagformulier. Indien zij daartoe niet meer in staat is, komt dat voor haar risico, aldus [appellant].

7. Het hof overweegt dat artikel 160 Rv er niet aan in de weg staat dat het door Goudse overgelegde stuk tot bewijs van haar stelling kan dienen. Ingevolge die bepaling is de kracht van het schriftelijke bewijs in de oorspronkelijke akte gelegen. Derhalve komt alleen aan het originele aanvraagformulier, getekend door [appellant], op de voet van artikel 157 lid 2 Rv dwingende bewijskracht toe ten aanzien van de waarheid van de daarin opgenomen verklaring. Dat neemt evenwel niet weg dat Goudse ingevolge artikel 152 Rv ook door middel van het door haar overgelegde stuk bewijs kan leveren en dat de waardering daarvan aan het oordeel van de rechter is overgelaten.

8. De door [appellant] genoemde aanwijzingen dat de overgelegde kopie niet overeenstemt met het origineel zijn door Goudse als volgt weersproken. Het aanvraagformulier vormde oorspronkelijk een boekje, waarvan de bladzijden op zeker moment zijn losgescheurd om deze te kunnen scannen en in gescande vorm te bewaren. De pagina’s die aan weerszijden van één blad waren gedrukt, vertonen dan ook dezelfde rafelige scheurrandjes. Het gehele formulier ziet op de aanvraag van [appellant], zoals blijkt uit het feit dat op elke pagina gegevens van [appellant] vermeld staan, steeds in hetzelfde handschrift. Het is duidelijk dat het kader om de tekst van de slotverklaring en ondertekening niet meer op pagina 3 paste en dus op pagina 4 is afgedrukt. Dat na de ondertekening nog de pagina’s 5, 6 en 7 volgen, doet niet ter zake nu deze slechts algemene risicogegevens bevatten die geen rol spelen voor het beroep op verzwijging. Naar het oordeel van het hof heeft Goudse hiermee een plausibele verklaring gegeven voor de gesignaleerde bedenkingen. Nu [appellant] daarop niet meer is ingegaan, zal het hof er als onvoldoende gemotiveerd weersproken van uitgaan dat het overgelegde stuk een kopie is van het originele aanvraagformulier.

9. [appellant] heeft betwist dat hij een handtekening heeft gezet onder dit formulier (inleidende dagvaarding onder 9) en aangevoerd dat hij nimmer een handtekening heeft gezet onder een aanvraagformulier (memorie van grieven, pagina 3). Ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft [appellant] dienaangaande nader verklaard: “Ik weet niet of ik een kopie heb ontvangen van het aanvraagformulier. De handtekening lijkt op die van mij maar ik weet niet zeker of ik het getekend heb. Ik betwijfel dus dat ik het heb getekend.” Aldus heeft [appellant] de echtheid van de handtekening op de kopie van het aanvraagformulier niet stellig ontkend, zodat zich niet het in artikel 159 lid 2 Rv bedoelde geval voordoet dat het aanvraagformulier tegen [appellant] geen bewijs oplevert zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Nu slechts een kopie van het originele aanvraagformulier beschikbaar is, volgt uit hetgeen hiervoor onder 7 is overwogen dat deze weliswaar geen dwingend bewijs oplevert maar dat de waardering daarvan aan de rechter is overgelaten. Mede in het licht van de op het oog duidelijke gelijkenis tussen de handtekening op het aanvraagformulier en de twee in elk geval door [appellant] ondertekende documenten, waaronder de offerte voor de desbetreffende opstalverzekering (producties c en d bij conclusie van antwoord) is ook het hof van oordeel dat [appellant] zijn betwisting dat de handtekening op het aanvraagformulier de zijne is, onvoldoende heeft gemotiveerd. Grief I faalt derhalve.

10. Grief II keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het gesprek van de onderzoeker van CED Forensic met [appellant] op 20 september 2011 deel uitmaakte van het feitenonderzoek als bedoeld in de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek van het Verbond van verzekeraars (hierna: GPO) en dat geen gebruik is gemaakt van persoonlijke onderzoeksmethoden. Volgens [appellant] vormt een mogelijk strafrechtelijk verleden zeer persoonlijke informatie en vloeit daaruit voort dat verzekeraars niet zomaar vragen kunnen stellen naar iemands strafrechtelijk verleden. Door het stellen van vragen in het gesprek over de beslaglegging op het pand, verricht de onderzoeker onderzoek naar de persoon [appellant], hetgeen volgens [appellant] is aan te merken als persoonlijk onderzoek in de zin van de GPO zodat aan de voorwaarden die de gedragscode daaraan stelt had moeten worden voldaan.

11. Deze grief slaagt niet. In de GPO, zoals deze luidde in januari 2004, wordt onder ‘feitenonderzoek’ verstaan: het onderzoek dat wordt ingesteld na het ontvangen van een schademelding/aanspraak op uitkering en dat betrekking heeft op het verzamelen van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beslissing met betrekking tot het recht op schadevergoeding en/of (de omvang van) verzekeringsuitkering. Het hof is van oordeel dat het verslag van het gesprek van 20 september 2011 geen aanleiding geeft om aan te nemen dat dit gesprek betrekking had op meer of iets anders dan een feitenonderzoek als bedoeld in de GPO. Dat de onderzoeker vragen heeft gesteld over het strafrechtelijk verleden van [appellant] en daarmee, in de woorden van [appellant], onderzoek ‘naar de persoon [appellant]’ heeft gedaan, betekent nog niet dat daarmee sprake was van een ‘persoonlijk onderzoek’ in de zin van de GPO. Maar zelfs als dat anders zou zijn, valt niet in te zien dat daarmee de resultaten van het gesprek van 20 september 2011 moeten worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs waarop Goudse zich in de gegeven omstandigheden tegenover [appellant] niet kan beroepen. Daarvoor zijn naar het oordeel van het hof niet voldoende de in dit verband door [appellant] gestelde omstandigheden dat de onderzoeker niet heeft aangekondigd dat hij eveneens persoonlijk onderzoek zou verrichten, dat niet eerst toestemming zou zijn gevraagd van de fraudecoördinator en dat het onderzoeksbureau tot het concern van verzekeraar zou behoren, wat daar verder van zij. [appellant] had in het gesprek met de onderzoeker gelegenheid om zelf te beslissen welke informatie hij zou verstrekken en heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt door toestemming te weigeren voor het opvragen van informatie bij de Officier van Justitie. Van een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer die uitsluiting van de gegevens uit het gesprek zou kunnen rechtvaardigen is derhalve geen sprake.

[appellant] heeft in hoger beroep aangeboden om te bewijzen dat CED Forensic in strijd met de GPO heeft gehandeld en [appellant] hiermee in zijn (privacy)belangen is geschaad. Zoals gezegd stelt [appellant] daartoe onvoldoende en heeft het hof op basis van de wel gestelde feiten dit standpunt van [appellant] reeds verworpen, zodat bewijslevering niet meer aan de orde is. Aan het bewijsaanbod gaat het hof derhalve voorbij.

12. Grief III keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] in het gesprek met de onderzoeker tegenstrijdige uitlatingen heeft gedaan en dat Goudse daarin, in samenhang met de beslaglegging op het pand, aanleiding mocht zien om opening van zaken te verlangen ten aanzien van de vraag of hij voor het afsluiten van de verzekering in aanraking met politie of justitie was geweest.

13. Het hof is van oordeel dat nu [appellant] in het gesprek met de onderzoeker desgevraagd eerst heeft verklaard dat hij in 2003 met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van een misdrijf en vervolgens later in hetzelfde gesprek heeft verklaard dat dit pas in 2004 na het ingaan van de verzekering moet zijn geweest, [appellant] wel degelijk tegenstrijdige uitlatingen heeft gedaan. Daaraan doet niet af dat [appellant], naar hij stelt, enkel een vergissing tijdens het interview verbeterde, noch dat hij op dat moment geen rechtsbijstand had, zelf geen juridische achtergrond heeft en geen gelegenheid had gehad om zijn geheugen op te frissen. Goudse kon en mocht in de tegenstrijdige uitlatingen en in hetgeen haar bekend was over de beslaglegging dan ook grond zien om van [appellant] opening van zaken te vragen over zijn strafrechtelijk verleden voorafgaand aan het aanvragen van de verzekering. Ook deze grief faalt derhalve.

14. Nadat Goudse op 16 november 2011 aan mr. Van Kempen had laten weten dat Goudse op dat moment geen dekking verleende en dat Goudse door [appellant] toegezegde bescheiden met betrekking tot zijn strafrechtelijk verleden nog niet had ontvangen, heeft [appellant] op 25 januari 2012 het bevel tot inverzekeringstelling van 18 januari 2005 aan Goudse gezonden. Met grief IV komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat gelet op de inhoud van het bevel tot inverzekeringstelling (pleegdata van voor 2005) en de overige genoemde zwaarwegende omstandigheden, de weigering van [appellant] om machtiging te verlenen tot inzage van zijn (eventuele) gegevens uit het Justitiële Documentatieregister niet verdedigbaar was en tegen het voorshands oordeel dat nu [appellant] heeft nagelaten feiten waarmee hij bekend was en die voor de verzekeraar van belang waren mee te delen, sprake is van verzwijging.

15. Zoals het hof heeft overwogen (zie hiervoor onder 13), had Goudse goede grond om van [appellant] opening van zaken te verlangen over zijn strafrechtelijk verleden voorafgaand aan het aanvragen van de verzekering in 2004. In aansluiting hierop is het hof van oordeel dat [appellant] met het toezenden van het bevel tot inverzekeringstelling van 18 januari 2005 de aanwijzingen dat hij mogelijk voorafgaand aan het sluiten van de verzekering met politie en/of justitie in aanraking was geweest, geenszins heeft weerlegd. Weliswaar bleek uit dat bevel dat [appellant] eerst na het sluiten van de verzekering in verzekering was gesteld in verband met de in het bevel genoemde verdenkingen, doch tevens bleek daaruit dat de verdenkingen betrekking hadden op ernstige feiten die zich hadden afgespeeld vanaf januari 2000 (en dus, anders dan [appellant] stelt, niet pas vanaf 1 oktober 2003), derhalve in de periode van acht jaar voor het sluiten van de verzekering in verband waarmee [appellant] tegenover Goudse had verklaard dat hij niet in aanraking met politie en/of justitie was geweest. Voor Goudse bestond er daarom – mede gelet op hetgeen [appellant] in het gesprek met de onderzoeker had verklaard over zijn contacten met justitie en/of politie in 2003 – voldoende grond om, zoals Goudse in de brief van 16 februari 2012 heeft gedaan, van [appellant] medewerking te verlangen aan inzage in het Justitiële Documentatieregister, teneinde vast te stellen of daarin voor de relevante periode gegevens waren opgenomen die [appellant] aan Goudse had moeten meedelen. Op grond van het niet verlenen van bedoelde medewerking heeft de rechtbank terecht, bij wijze van rechterlijk vermoeden, voorshands bewezen geacht dat [appellant] heeft nagelaten feiten aan Goudse mee te delen waarmee hij bekend was en die, naar hij wist of behoorde te begrijpen, voor Goudse van belang waren voor de beslissing of hij met [appellant] een verzekering wilde sluiten. De rechtbank heeft het aanbod van [appellant] tot tegenbewijslevering gepasseerd op de grond dat hij niet aan zijn verplichting uit artikel 21 Rv heeft voldaan. De rechtbank heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden die zij geraden achtte, te weten dat wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van Goudse en dat het ervoor wordt gehouden dat [appellant] voor Goudse heeft verzwegen dat hij in de periode van acht jaar voorafgaand aan het sluiten van de verzekering in aanraking is geweest met politie en justitie, derhalve in de periode 21 mei 1996 tot aan 21 mei 2004.

16. [appellant] heeft in hoger beroep zijn bewijsaanbod herhaald en wederom aangeboden te bewijzen, door het horen van zichzelf en de beheerder van het pand, dat het concrete vermoeden van Goudse betreffende zijn strafrechtelijk verleden ziet op een feit dat zich na het aangaan van de verzekering heeft voorgedaan. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] zijn verplichting ex artikel 21 Rv heeft geschonden door op de comparitie in eerste aanleg te weigeren de vragen over zijn strafrechtelijk verleden te beantwoorden. Het hof verbindt hieraan dezelfde consequentie als de rechtbank. Daar komt bij dat het bewijsaanbod ook niet ter zake dienend is: ook wanneer (alsnog) zou komen vast te staan dat [appellant] niet reeds vóór het sluiten van de verzekering met de politie of justitie in aanraking is geweest in verband met de feiten waarvoor de beslaglegging heeft plaatsgevonden, is dat onvoldoende ter ontzenuwing van het vermoeden dat [appellant] in de relevante periode (voor andere feiten) in aanraking met politie of justitie is geweest. Grief IV faalt dus.

17. Het hof zal thans eerst de zesde grief en de zevende grief (beide genummerd VII) behandelen. Met deze grieven komt [appellant] op tegen de beslissing van de rechtbank om hem niet toe te laten tot tegenbewijs tegen het onder 15 bedoelde voorshandse bewijsoordeel dat [appellant], kort gezegd, zich schuldig heeft gemaakt aan verzwijging. Volgens [appellant] heeft de rechtbank aldus in strijd gehandeld met artikel 24 Rv door de feitelijke grondslag van het verweer van Goudse aan te vullen.

De grieven falen. Goudse heeft zich beroepen op het vermoeden dat [appellant] relevante feiten had verzwegen. [appellant] heeft ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg nadrukkelijk geweigerd antwoord te geven op de vraag van de rechter wanneer hij voor het eerst in aanraking was geweest met de politie. Het moet [appellant] duidelijk zijn geweest dat de rechtbank hiermee wilde vernemen of hij in de periode van acht jaren voorafgaand aan het sluiten van de verzekering met de politie in aanraking was geweest. Het hof verwerpt het standpunt van [appellant] dat uit zijn antwoord tijdens de comparitie dat het ‘lang geleden is’ blijkt dat die eerste keer buiten de voor Goudse relevante periode van acht jaar voorafgaand aan het sluiten van de verzekering viel. Als hij dat zou hebben bedoeld, had hij dit immers naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde vraag ‘wat lang is’ kunnen preciseren in plaats van beantwoording te weigeren. De vraag viel dan ook geenszins buiten hetgeen Goudse aan haar verweer ten grondslag had gelegd.

18. Met grief V betoogt [appellant] dat Goudse zich te laat heeft beroepen op schending van de mededelingsplicht. Ingevolge artikel 7:929 lid 1 BW diende Goudse dat te doen binnen twee maanden na de ontdekking dat niet aan de mededelingsplicht was voldaan. Goudse heeft, niet weersproken door [appellant], aangevoerd dat zij met haar brief van 16 februari 2012 heeft gewezen op de niet-nakoming van de mededelingsplicht onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Volgens [appellant] was de bedoelde termijn van twee maanden al gaan lopen op 7 oktober 2011, toen Goudse kennisnam van het rapport van haar onderzoekers met het verslag van het gesprek van 20 september 2011, zodat de brief van 16 februari 2012 te laat was.

19. De grief faalt. Artikel 7:929 lid 1 BW brengt mee dat een verzekeraar die heeft ontdekt dat de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht niet is nagekomen, de verzekeringnemer daarover niet onnodig lang in onzekerheid mag laten. De verplichting, die geldt ongeacht of zich reeds een onder de dekking vallende gebeurtenis heeft voorgedaan, strekt ertoe om de verzekeringnemer gelegenheid te geven zich op zijn positie te beraden en te beoordelen of hij er verstandig aan doet het risico waarvoor de verzekering dekking zou moeten bieden, elders te verzekeren. In deze procedure doet zich het geval voor dat de verzekeraar op grond van een vermoeden dat de verzekeringnemer niet heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht aan de verzekeringnemer gelegenheid biedt om dit vermoeden te ontzenuwen. Het is dan de vraag op welk moment de termijn van artikel 7:929 lid 1 BW gaat lopen. Om te kunnen spreken van ‘ontdekking’ in de zin van deze bepaling is een vermoeden van schending van de mededelingsplicht niet voldoende, maar is vereist dat de verzekeraar daaromtrent ‘een voldoende mate van zekerheid heeft’ (Kamerstukken I 2005-2006, 30 137, p. 6). Het hof is van oordeel dat de termijn in dit geval niet eerder is gaan lopen dan op 25 januari 2012, toen Goudse van [appellant] het bevel tot inverzekeringstelling van 18 januari 2005 ontving. Vóór 25 januari 2012 had Goudse nog slechts een vermoeden, dat mogelijk nog door de door [appellant] te verstrekken gegevens met betrekking tot de relevante periode voorafgaand aan het sluiten van de verzekering zou worden ontzenuwd. Vanaf 25 januari 2012 moest Goudse er rekening mee houden dat [appellant] geen verdere gegevens meer zou verstrekken ter ontzenuwing van het vermoeden van Goudse. Aan de hand van de op dat moment voorhanden gegevens had Goudse derhalve te beoordelen of zij de mogelijkheid wilde openhouden om zich op niet-nakoming van de mededelingsplicht te beroepen. Met de brief van 16 februari 2012 heeft Goudse jegens [appellant] tijdig voldaan aan haar verplichting ingevolge artikel 7:929 lid 1 BW.

20. Grief VIII keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Goudse bij de overname van de verzekeringsportefeuille van Delta Adviezen niet gehouden was na te gaan of het aanvraagformulier door [appellant] juist was ingevuld.
Ook deze grief faalt. De zorgplicht van Goudse als opvolgend tussenpersoon reikte niet zo ver dat zij het aanvraagformulier voor de verzekering van [appellant] had moeten controleren. De door Goudse weersproken stelling van [appellant] dat Goudse had moeten zien dat het aanvraagformulier niet correct was, is niet gemotiveerd zodat het hof daaraan voorbijgaat. Hetzelfde geldt voor de stelling van [appellant] dat Goudse aansprakelijk is voor toerekenbare tekortkomingen van haar ‘rechtsvoorganger’ Delta Adviezen.

21. De negende grief (genummerd VIII) keert zich tegen de afwijzing van de door [appellant] ingestelde vorderingen. De toelichting bevat geen argumenten die niet al in het voorgaande zijn besproken en verworpen. Derhalve faalt ook deze grief bij gebrek aan een zelfstandige betekenis.

20. De slotsom is dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep als hierna vermeld.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 maart 2014;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Goudse tot op heden begroot op € 5.114, aan verschotten en € 3.263, aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak dan wel, wat het bedrag van € 68,- betreft, na de datum van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, C.J. Verduyn en J.M. Willink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.