Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2065

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
BK-17/00034 en BK-17/00035
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:15288, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1664
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of: goed koopmansgebruik voorschrijft of toelaat dat belanghebbende met ingang van het jaar 2011 het door hem gehanteerde waarderingsstelsel wijzigt van het kasstelsel naar het factuurstelsel; de Inspecteur de door belanghebbende in de onderhavige jaren opgenomen bedragen uit het Fonds terecht in het belastbaar inkomen heeft begrepen; de Inspecteur terecht minder autokosten en minder kosten lidmaatschappen/contributies in aanmerking heeft genomen; en of belanghebbende recht heeft op zelfstandigenaftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1808 met annotatie van Almer de Beer
V-N Vandaag 2017/1749
Viditax (FutD), 13-07-2017
FutD 2017-1797
Viditax (FutD), 14-09-2018
NTFR 2017/2347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-17/00034 en BK-17/00035

Uitspraak van 11 juli 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 december 2016, nummers SGR 16/4751 en SGR 16/4753, betreffende de onder 1.1 en 1.4 vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaren en gedingen in eerste aanleg

BK-17/00034

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.559 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.200. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 226 opgelegd (de boetebeschikking) en de te betalen heffingsrente vastgesteld op € 221 (de beschikking heffingsrente).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank (nr. SGR 16/4751) heeft het beroep ongegrond verklaard.

BK-17/00035

1.4.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.011 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.920. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 984 opgelegd (de boetebeschikking) en de te betalen belastingrente vastgesteld op € 801 (de beschikking belastingrente).

1.5.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank (nr. SGR 16/4753) heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraken van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 mei 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

Belanghebbende is beherend vennoot van de commanditaire vennootschap [X] (de CV) en gerechtigd tot 80 percent van de winst van de CV. Belanghebbendes echtgenote is commanditaire vennoot van de CV en gerechtigd tot 20 percent van de winst van de CV. De CV houdt zich bezig met zakelijke dienstverlening op het fiscale vlak en handelt onder de naam ' [Y] '.

3.2.

Belanghebbende is voorts bestuurder van Stichting [A] (het Fonds). Het Fonds is op 26 mei 1915 opgericht en heeft tot doel 'het verlenen van onderhoud aan behoeftige bloedverwanten van de stichtster'. Belanghebbende is enig bestuurder en zelfstandig bevoegd. Hij rekent een beheervergoeding van 10 percent van de zuivere inkomsten van het Fonds als omzet van de CV.

3.3.

Belanghebbende staat als enig gemachtigde van de bankrekening van het Fonds geregistreerd. In onderhavige jaren zijn van de bankrekening van het Fonds de volgende bedragen overgemaakt naar bankrekeningen ten name van belanghebbende:

Datum

Omschrijving

Bedrag

23 november 2011

voorgeschoten KvK elektr bankier

€ 135

23 november 2011

voorschot 2010/2011

€ 5.000

29 maart 2012

voorschot jaar

€ 5.000

30 augustus 2012

voorschot c.s.

€ 8.000

19 november 2012

cf afspraak op verzoek

€ 4.500

19 december 2012

voorschot 2013

€ 3.500

Tevens zijn in de onderhavige jaren namens belanghebbende van de bankrekening van het Fonds betalingen aan derden gedaan.

3.4.

Op grond van bevindingen uit een bij het Fonds ingesteld onderzoek is door de Belastingdienst aangifte gedaan wegens verduistering begaan door belanghebbende. Naar aanleiding van deze aangifte zijn tussen de Officier van Justitie en belanghebbende de volgende afspraken gemaakt, welke in een e-mail van 3 maart 2015 aan belanghebbende zijn bevestigd:

1. "U betaald binnen zes maanden het geleende geld terug of komt anderszins tot een vergelijk, bijvoorbeeld vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met de vier familie-vertegenwoordigers.

2. (…)

3. U heeft een eigen woning die niet belast is met een hypotheek en kunt dat huis eventueel aanspreken ten einde het geleende geld terug te betalen."

3.5.

Belanghebbende heeft bij het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 een verzamelinkomen aangegeven van € 6.200, geheel bestaande uit belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Hij heeft een bedrag van € 2.366 -/- € 473 (20 percent van € 2.366) = € 1.893 als winst uit onderneming aangegeven. Door toepassing van een zelfstandigenaftrek van € 9.484 resulteerde dit in een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek van € 7.591.

3.6.

Belanghebbende heeft bij het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 een verzamelinkomen aangegeven van € 6.920, geheel bestaande uit belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Hij heeft een bedrag van € 12.511 -/- € 2.502 (20 percent van € 12.511) = € 10.009 als winst uit onderneming aangegeven. Door toepassing van een zelfstandigenaftrek van € 7.280 alsmede van een zelfstandigenaftrek van € 2.729 uit voorgaande jaren resulteerde dit in een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil.

3.7.

Met dagtekening 19 mei 2015 is aan belanghebbende de aanslag IB/PVV 2011 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 14.759. De Inspecteur heeft in afwijking van de aangifte het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 8.559. Het inkomen uit werk en woning is door de Inspecteur als volgt vastgesteld:

Aangegeven winst van de CV: € 2.366

meer omzet: 3.087

minder kosten lidmaatschappen/contributies: 852

minder telefoon/internetkosten: 863

minder autokosten: 2.394

minder representatiekosten: 140

minder juridische advieskosten: 2.456

Winst van de CV: € 12.158

Winstaandeel echtgenote 20%: 2.432

Winstaandeel belanghebbende: € 9.726

mkb-vrijstelling 12%: 1.167

Belastbare winst uit onderneming: € 8.559

3.8.

Met dagtekening 15 juli 2015 is aan belanghebbende de aanslag IB/PVV 2012 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 38.931. De Inspecteur heeft in afwijking van de aangifte het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 32.011. Het inkomen uit werk en woning is door de Inspecteur als volgt vastgesteld:

Aangegeven winst van de CV: € 12.511

meer omzet: 26.983

minder kosten lidmaatschappen/contributies: 2.372

minder telefoon/internetkosten: 458

minder autokosten: 2.394

minder juridische advieskosten: 753

Winst van de CV: € 45.471

Winstaandeel echtgenote 20%: 9.094

Winstaandeel belanghebbende: € 36.377

mkb-vrijstelling 12%: 4.366

Belastbare winst uit onderneming: € 32.011

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of:

  1. goed koopmansgebruik voorschrijft of toelaat dat belanghebbende met ingang van het jaar 2011 het door hem gehanteerde waarderingsstelsel wijzigt van het kasstelsel naar het factuurstelsel;

  2. de Inspecteur de door belanghebbende in de onderhavige jaren opgenomen bedragen uit het Fonds terecht in het belastbaar inkomen heeft begrepen;

  3. de Inspecteur terecht minder autokosten en minder kosten lidmaatschappen/contributies in aanmerking heeft genomen; en of

  4. belanghebbende recht heeft op zelfstandigenaftrek.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en hetgeen partijen ter onderbouwing van hun standpunten hebben aangevoerd, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de boetebeschikkingen, tot vermindering van de aanslagen, de beschikking heffingsrente en de beschikking belastingrente, alsmede tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6.1.

De Rechtbank (nr. SGR 16/4751) heeft omtrent het geschil in de zaak betreffende de aanslag IB/PVV 2011 het volgende overwogen:

"Meer omzet uit het Fonds

8. Uit het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat [belanghebbende] enig bestuurder is van het Fonds. Hij is alleen/zelfstandig bevoegd en beschouwt zijn activiteiten voor het Fonds als verricht in zijn onderneming. De beheersvergoeding van 10% van de zuivere inkomsten rekent hij als omzet van de CV. In 2011 heeft [belanghebbende] € 2.048 bij het Fonds in rekening gebracht. Uit het door [belanghebbende] niet weersproken overzicht van zijn bankrekeningen blijkt dat in 2011 in totaal € 5.135,05 vanuit het Fonds naar hem is overgemaakt. [De Inspecteur] heeft het meerdere als beheersvergoeding en dus als omzet (€ 3.087) van de CV aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] dit terecht gedaan. Door [belanghebbende] is niet aannemelijk gemaakt dat het om leningen zou gaan. De overgelegde niet ondertekende 'overeenkomst van geldlening' d.d. 25 april 2013 met als hoofdsom € 115.000 is hiervoor onvoldoende. [De Inspecteur] heeft voorts onweersproken aangevoerd dat in elk geval tot 2016 geen aflossing of rentebetaling heeft plaatsgevonden.

De mindere ondernemingskosten

9. De door [de Inspecteur] toegepaste verminderingen als genoemd in 5. onder b. t/m d. [Hof; zie 3.7 onder kosten lidmaatschappen/contributies, autokosten en representatiekosten] zijn door hem zodanig onderbouwd dat op [belanghebbende] de bewijslast rust om de door hem gestelde bedragen aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] hierin niet geslaagd. Het enkel stellen van kosten en het overleggen van een handgeschreven opstelling is onvoldoende. Door [belanghebbende] zijn geen, althans onvoldoende, facturen en/of betaalbewijzen overgelegd. Zijn stelling dat hij met zijn auto jaarlijks tenminste 30.000 km voor de onderneming aflegt, heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt. Er is geen specificatie, zoals een kilometer- of rittenadministratie. De schatting staat ook niet in verhouding tot de in de onderneming verrichte werkzaamheden. [De Inspecteur] heeft zijn correcties in redelijkheid kunnen toepassen.

Aftrek juridische advieskosten/kasstelsel-factuurstelsel

10. [Belanghebbende] heeft een factuur van zijn advocaat van 23 december 2011 overgelegd met een te betalen bedrag van € 5.105,75. [De Inspecteur] heeft onweersproken gesteld dat deze factuur niet is betaald. Niet in geschil is dat [belanghebbende] in elk geval vanaf 2006 voor zijn administratie en boekhouding het zogenoemde kasstelsel toepast. Eén en ander volgens afspraak destijds met de inspectie Apeldoorn. Door [belanghebbende] is in elk geval tot en met 2010 met instemming van [de Inspecteur] dit stelsel gehanteerd, zodat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een bestendige gedragslijn als bedoeld in artikel 3.25 Wet IB 2001. Naar de rechtbank begrijpt, wil [belanghebbende] vanaf 2011 het factuurstelsel toepassen en aldus € 2.456 aan nog niet betaalde advocaatkosten als kosten van de onderneming in 2011 in aanmerking nemen.

11. Op grond van artikel 3.25 van de Wet IB 2001 wordt de in een kalenderjaar genoten winst bepaald volgens goed koopmansgebruik met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. De bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd als goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. Deze wettelijke bepaling dient aldus te worden verstaan dat goed koopmansgebruik een dergelijke wijziging rechtvaardigt niet alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden, maar ook indien een belastingplichtige wil overgaan van een op zich aanvaardbaar stelsel van winstberekening naar een ander zodanig stelsel dat voor de desbetreffende onderneming geschikt is, mits niet naar willekeur en louter op fiscale gronden tot stelselwijziging wordt besloten. De voorwaarde dat niet louter op fiscale gronden tot stelselwijziging mag worden besloten, betekent dat de overgang naar een ander stelsel van winstberekening niet gericht mag zijn op het behalen van een incidenteel fiscaal voordeel (vgl. HR 14 januari 1970, nr. 16 270, ECLI:NL:HR:1970:AX5258).

12. Naar het oordeel van de rechtbank is er in 2011 geen aanleiding voor [belanghebbende] om tot een stelselwijziging over te gaan. Hij kan dit ook niet doen omdat hij geen deugdelijke en verifieerbare balans en verlies- en winstrekening heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank stelt [de Inspecteur] zich daarom terecht op het standpunt dat het kasstelsel van toepassing blijft en daarom de niet betaalde advocaatkosten, wat hier verder ook van zij, niet als kosten van de CV in aanmerking komen.

Zelfstandigenaftrek

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] tegenover de onderbouwde weerspreking door [de Inspecteur] niet aannemelijk gemaakt dat hij het voor de zelfstandigenaftrek benodigde aantal uren aan de onderneming heeft besteed. De rechtbank volgt [de Inspecteur] in zijn stelling dat gelet op de in 2011 gedeclareerde uren gedeeld door [belanghebbendes] gangbare uurtarief en rekening houdend met veel indirecte uren, [belanghebbende] niet voldoet aan het urencriterium als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet IB 2001. [Belanghebbende] heeft in dit verband niets aangevoerd dat tot een ander oordeel zou moeten leiden. [De Inspecteur] heeft dan ook terecht geen rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek.

Verzuimboete

14. Aan [belanghebbende] is een verzuimboete opgelegd van € 226 in verband met het niet tijdig doen van aangifte. Niet in geschil is dat [belanghebbende] de aangifte niet tijdig heeft gedaan. [Belanghebbende] heeft verder tegen deze boete geen gronden ingebracht. De rechtbank acht de boete passend en geboden."

6.2.

De overwegingen en oordelen van de Rechtbank in de zaak betreffende de aanslag IB/PVV 2012 (nr. SGR 16/4753) hebben een gelijke strekking.

Beoordeling van het hoger beroep

Geschilpunt (a): de juridische kosten en het kas- of factuurstelsel

7.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in het kader van de jaarlijkse winstberekening in elk geval vanaf het jaar 2006 het zogenoemde kasstelsel heeft toegepast. Belanghebbende wil met ingang van het jaar 2011 het factuurstelsel toepassen en stelt zich, naar het Hof begrijpt, op het standpunt dat goed koopmansgebruik de door hem voorgestane stelselwijziging voorschrijft.

7.2.

Naar het oordeel van het Hof is in het onderhavige geval een verplichte stelselwijziging niet aan de orde, aangezien het door belanghebbende toegepaste kasstelsel niet in strijd is met goed koopmansgebruik. Uit een tot de gedingstukken behorende uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2006 blijkt dat de Inspecteur uit praktische overwegingen met de toepassing van het kasstelsel heeft ingestemd. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur toegelicht dat hij destijds met dit stelsel akkoord is gegaan, omdat hij dat gezien de omvang van de onderneming van belanghebbende gepast vond.

7.3.

Belanghebbende heeft voorts geen deugdelijke balans en verlies- en winstrekening opgemaakt waaruit zijn fiscale verplichtingen blijken. Hij heeft in de bezwaarfase bij brief van 16 maart 2016 weliswaar een stuk met als opschrift 'basis gecorrigeerde resultaten plus dito balansen per ultimo' verstrekt, maar de Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat de door belanghebbende aangeleverde gegevens zeer summier zijn en niet of nauwelijks worden toegelicht, en dat geen aansluiting kan worden gemaakt, onder meer omdat een beginbalans ontbreekt. Belanghebbende heeft dit alles niet, dan wel onvoldoende weersproken. Hij heeft geen inzicht verschaft in de hoogte van de winst bij toepassing van het factuurstelsel. Onder deze omstandigheden is het niet mogelijk het kasstelsel te wijzigen in het factuurstelsel, zodat ook een vrijwillige stelselwijziging niet aan de orde kan komen.

7.4.

Vaststaat dat belanghebbende de in geschil zijnde juridische kosten in de onderhavige jaren niet heeft betaald. Het vorenoverwogene brengt met zich dat - nu het kasstelsel dient te worden toegepast - deze kosten, wat daar verder van zij, niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht.

Geschilpunt (b): de uit het Fonds opgenomen gelden

7.5.

De Inspecteur heeft de bedragen die door het Fonds in de onderhavige jaren aan belanghebbende dan wel namens belanghebbende aan derden zijn uitbetaald (zie 3.3), in het belastbaar inkomen begrepen, voor zover deze bedragen de reeds door belanghebbende aangegeven beheervergoeding (zie 3.2) overtreffen.

7.6.1.

Belanghebbende stelt dat de opgenomen gelden door het Fonds aan hem als lening zijn verstrekt. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst belanghebbende op de jaarrekeningen van het Fonds, alsmede op twee niet ondertekende, achteraf opgestelde 'overeenkomsten van geldlening'.

7.6.2.

Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende nimmer de intentie gehad de gelden van het Fonds te lenen. Het gegeven dat belanghebbende stelt dat sprake is van een lening, is een werkelijkheid die belanghebbende zelf heeft gecreëerd en welke dient te worden genegeerd, aldus de Inspecteur.

7.7.

Voor de toepassing van het belastingrecht gaat het om de rechtsverhouding die partijen feitelijk in het leven hebben willen roepen en niet om voorstellingen die partijen in plaats daarvan tegenover derden, waaronder de fiscus, trachten te wekken. De schijn(handeling) dient genegeerd te worden en de werkelijke verhouding tussen partijen dient daarvoor in de plaats te worden gesteld. Daarbij gaat het om de bedoeling van partijen die kan worden afgeleid uit de naar buiten blijkende omstandigheden van het geval (vgl. HR 9 juni 2006, nr. 40681, ECLI:NL:HR:2006:AX7317, BNB 2006/285).

7.8.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de Inspecteur aannemelijk maakt dat sprake is van een schijnhandeling. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur in de op hem rustende bewijslast is geslaagd, waarbij het volgende in aanmerking is genomen.

7.9.1.

Uit de omschrijving van de overschrijvingen vanaf de rekening van het Fonds (zie 3.3) blijkt niet dat sprake is van een lening. In de onderhavige jaren staat veelal 'voorschot' vermeld en eenmaal 'cf afspraak op verzoek'. De omschrijvingen van de overschrijvingen in eerdere en latere jaren wijzen evenmin erop dat het zou gaan om als lening verstrekte bedragen.

7.9.2.

Belanghebbende heeft - eerst nadat de Inspecteur hem om informatie over het Fonds heeft gevraagd - niet ondertekende, achteraf opgestelde 'overeenkomsten van geldlening' overgelegd. Daarin is bepaald dat met ingang van 1 januari 2014 maandelijks aflossing zal plaatsvinden. Aflossing heeft tot op heden nimmer plaatsgevonden.

7.9.3.

De Inspecteur heeft de jaarrekeningen 2011 en 2012 van het Fonds rechtstreeks bij het accountantskantoor [B] opgevraagd, nadat verstrekking door belanghebbende uitbleef. Uit deze jaarrekeningen blijkt dat tot de activa van het Fonds vorderingen behoren, maar niet dat sprake is van vorderingen op belanghebbende. De post vorderingen is niet nader gespecificeerd, noch voorzien van een nadere toelichting, afgezien van de algemene clausule 'Vorderingen worden gewaardeerd op de nominale waarde onder aftrek van noodzakelijk geachte voorzieningen voor oninbaarheid'.

7.9.4.

De afspraak met de Officier van Justitie (zie 3.4) is niet nagekomen.

7.9.5.

Belanghebbende heeft als enig bestuurder van het Fonds, die zelfstandig bevoegd is en als enige over de bankrekening van het Fonds kan beschikken, geen verantwoording afgelegd ten aanzien van het beheer van de gelden ten opzichte van de belanghebbenden bij het Fonds en evenmin over de besteding van de gelden overleg gevoerd met de familievertegenwoordigers. Uit de door partijen voor de zitting ingebrachte nadere stukken volgt voorts dat belanghebbende niet bereid is de familievertegenwoordigers informatie te verstrekken over de in de jaarrekeningen van het Fonds vermelde lening.

7.9.6.

Uit de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV 2011 en 2012 blijkt niet dat sprake is van een lening. Dat belanghebbende achteraf - ter zitting van de Rechtbank - heeft gesteld dat de door hem gestelde schuld aan het Fonds abusievelijk niet in box 3 is aangegeven, doet daar niet aan af.

7.10.

Uit de door de Inspecteur aannemelijk gemaakte feiten en omstandigheden tezamen en in onderling verband bezien, volgt dat belanghebbende met betrekking tot de gepresenteerde geldleningen niet in werkelijkheid een verplichting van hem aan het Fonds tot terugbetaling van de verstrekte gelden heeft beoogd en tot stand heeft gebracht. Derhalve hebben de geldverstrekkingen niet de wezenlijke kenmerken van een lening, zodat deze niet kunnen worden aangemerkt als een lening (vgl. HR 8 september 2006, nr. 42015, ECLI:NL:HR:2006:AV2327, BNB 2007/104).

7.11.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep bedoelt te stellen dat de uit het Fonds opgenomen gelden niet tot een bron van inkomen kunnen worden gerekend, verwerpt het Hof die stelling. Het Hof laat daarbij in het midden of de gelden, zoals de Inspecteur heeft gedaan, tot de winst uit belanghebbendes onderneming kunnen worden gerekend of dat de voordelen die belanghebbende zich heeft laten toekomen voor hem resultaat uit overige werkzaamheden opleveren. Indien deze laatste kwalificatie juist is, behoort dat resultaat in de onderhavige jaren immers eveneens tot het belastbare inkomen, en zijn de aanslagen vanwege de door de Inspecteur toegepaste MKB-winstvrijstelling eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

7.12.

Wat betreft geschilpunt b is het gelijk derhalve aan de Inspecteur.

Geschilpunten (c) en (d): de autokosten en de kosten lidmaatschappen/contributies

7.12

Belanghebbende heeft het bedrag van de autokosten bepaald door uit te gaan van 30.000 zakelijke kilometers x € 0,19. De Inspecteur heeft uit het oogpunt van redelijkheid een bedrag van € 2.395 - oftewel de helft van de door belanghebbende opgevoerde autokosten exclusief omzetbelasting - in aanmerking genomen.

7.13.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende het hogere bedrag aan autokosten niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft geen kilometer- of rittenadministratie bijgehouden, noch het bedrag op andere wijze - bijvoorbeeld door middel van het overleggen van agenda's - aannemelijk gemaakt.

7.14.

Voor zover belanghebbende met zijn stelling dat de Inspecteur eerder de autokosten heeft geaccepteerd, een beroep bedoelt te doen op het vertrouwensbeginsel, kan hem dat niet baten, nu niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat de Inspecteur enige uitlating heeft gedaan op grond waarvan belanghebbende redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat de autokosten in aanmerking zouden worden genomen. De stelling van belanghebbende dat ten aanzien van de zakelijke kilometers en het gehanteerde systeem tijdens een eerder boekenonderzoek geen inhoudelijke opmerkingen zijn gemaakt, mist feitelijke grondslag (zie het controlerapport d.d. 8 december 2010, bijlage 1 bij het verweerschrift in hoger beroep).

7.15.

Belanghebbende is evenmin geslaagd in de op hem rustende bewijslast met betrekking tot de kosten van lidmaatschappen/contributies. Hij stelt kosten te hebben gemaakt voor vaktechnische bijeenkomsten en seminars en heeft daartoe een overzicht van kosten opgesteld, bankafschriften over het jaar 2011 overgelegd (zonder kostennota's of facturen), alsmede twee facturen gedateerd in 2012 (zonder betalingsbewijzen). Naar het oordeel van het Hof zijn de kosten hiermee niet aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van de bankafschriften kan niet worden opgemaakt welke betalingen aan de onderhavige kosten zijn te relateren. Ten aanzien van de overgelegde facturen ontbreken de betalingsbewijzen.

Geschilpunt (e): de zelfstandigenaftrek

7.16.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.76, lid 1, van de Wet IB 2001 dient de ondernemer voor de toepassing van de zelfstandigenaftrek te voldoen aan het urencriterium. Blijkens artikel 3.6, lid 1, van de Wet IB 2001 wordt - kort gezegd - onder het urencriterium verstaan het gedurende een kalenderjaar besteden van ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.

7.17.

Belanghebbende heeft noch door het overleggen van een urenadministratie, noch op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij in het onderhavige jaar ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor zijn onderneming heeft besteed. Op grond daarvan komt hem de zelfstandigenaftrek niet toe.

De boetebeschikkingen

7.18.

Met betrekking tot de opgelegde boeten maakt het Hof de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne.

Slotsom

7.19.

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Het Hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraken van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, E.M. Vrouwenvelder en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 11 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.