Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2064

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
BK-16/00487, BK-16/00488 en BK-16/00489
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:11785, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1665
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil: of belanghebbende met facturen als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) aannemelijk heeft gemaakt recht op aftrek van omzetbelasting te hebben; of de omzetbelasting begrepen in de kosten van juridische bijstand voor aftrek in aanmerking komt; of recht bestaat op aftrek van omzetbelasting begrepen in kilometerkosten; of recht bestaat op toepassing van de kleine ondernemersregeling als bedoeld in artikel 25 van de Wet;of de boeten terecht zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1728
Viditax (FutD), 13-07-2017
FutD 2017-1798
Viditax (FutD), 14-09-2018
NTFR 2017/1878
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-16/00487, BK-16/00488 en BK-16/00489

Uitspraak van 11 juli 2017

in het geding tussen:

commanditaire vennootschap [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 september 2016, nummers SGR 16/635, SGR 16/636 en SGR 16/638 betreffende de onder 1.1.1 tot en met 1.1.3 vermelde naheffingsaanslagen en beschikkingen.

Naheffingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

Zaak BK-16/00487

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, berekend op € 12.074. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 1.207 opgelegd (de boetebeschikking) en de te vergoeden heffingsrente vastgesteld op € 1.345 (de beschikking heffingsrente).

Zaak BK-16/00488

1.1.2.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, berekend op € 13.604. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 1.360 opgelegd (de boetebeschikking) en de te vergoeden belastingrente vastgesteld op € 886 (de beschikking belastingrente).

Zaak BK-16/00489

1.1.3.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 30 september 2014 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, berekend op € 5.458. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 545 opgelegd (de boetebeschikking) en de te vergoeden belastingrente vastgesteld op € 60 (de beschikking belastingrente).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de hiervoor vermelde naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffings- en belastingrente afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In de zaak met kenmerk SGR 16/635 (Hof kenmerk BK-16/00487) is een griffierecht van € 168 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In de zaak met kenmerk BK-16/00487 is een griffierecht van € 503 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 mei 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

Belanghebbende is een commanditaire vennootschap die zich bezighoudt met zakelijke dienstverlening op het fiscale vlak. Beherend vennoot van belanghebbende is [X] en de echtgenote van [X] is commanditair vennoot.

3.2.

Belanghebbende heeft in de onderhavige tijdvakken facturen uitgereikt en daarop omzetbelasting in rekening gebracht. Zij heeft ter zake niet tijdig aangiften ingediend. De Inspecteur heeft daarom aan belanghebbende aangiftebiljetten omzetbelasting uitgereikt voor de periode 1 januari 2010 tot en met 30 september 2014 die uiterlijk op 27 november 2014 moesten worden ingediend.

3.3.

Belanghebbende heeft de door de Inspecteur uitgereikte aangiften als volgt ingevuld:

Aangiften

2010

2011

2012

2013

2014

Verschuldigd

€ 5.121

€ 5.501

€ 7.605

€ 5.999

€ 5.458

Voorbelasting

€ 4.741

€ 4.654

€ 7.213

€ 5.523

€ 4.733

Te betalen

€ 380

€ 847

€ 392

€ 476

€ 725

KO

€ 380

€ 847

€ 392

€ 476

€ 725

Te betalen

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

3.4.

Tot de stukken van het geding behoren overzichten van de door belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2012 gerealiseerde omzetten en de daarmee gemoeide omzetbelasting. Uit de overzichten volgt dat voor de jaren 2010 en 2011 de over de omzet verschuldigde omzetbelasting, in afwijking van de ingediende aangiften, respectievelijk € 5.839 en € 6.181 bedraagt.

3.5.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de aangiften van belanghebbende diverse malen verzocht om nadere informatie. Belanghebbende heeft overzichten verstrekt van aan haar in rekening gebrachte bedragen en drie facturen overgelegd afkomstig van [Y] Advocaten-Belastingkundigen (de advocaat). Deze facturen hebben als factuurdatum respectievelijk 24 maart 2010, 2 juli 2010 en 1 september 2010. Op de laatste twee facturen is als prestatie vermeld: “Werkzaamheden (…) inzake geschil met Belastingdienst”, op de eerste factuur luidt de omschrijving: “Voorschotnota in verband met geschil met de Belastingdienst”.

3.6.

De Inspecteur is bij de berekening van de naheffingsaanslagen voor de jaren 2010 en 2011 uitgegaan van de bedragen zoals die volgen uit de in 3.4 genoemde overzichten, met dien verstande dat hij voor het jaar 2010 is uitgegaan van een bedrag aan omzetbelasting van € 5.893 (zie hierna onder 3.7.) in plaats van het in het overzicht vermelde bedrag van € 5.839. Voor de overige jaren is de Inspecteur uitgegaan van de bedragen vermeld op de aangiften. Hij heeft daarbij geen rekening gehouden met de door belanghebbende aangegeven voorbelasting omdat, aldus de Inspecteur, geen facturen zijn overgelegd, met uitzondering van drie facturen voor het jaar 2010 inzake juridische bijstand, die volgens de Inspecteur niet voor aftrek in aanmerking komen.

3.7.

De Inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen opgelegd:

Naheffingsaanslagen

2010

2011

2012

2013

2014

Verschuldigd

€ 5.893

€ 6.181

€ 7.605

€ 5.999

€ 5.458

Voorbelasting

-

-

-

-

-

Te betalen

€ 5.893

€ 6.181

€ 7.605

€ 5.999

€ 5.458

€ 12.074

€ 13.604

Boete

€ 1.207

€ 1.360

€ 545

Rente

€ 1.345

€ 886

€ 60

Totaal

€ 14.626

€ 15.850

€ 6.063

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil:

  1. of belanghebbende met facturen als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) aannemelijk heeft gemaakt recht op aftrek van omzetbelasting te hebben;

  2. of de omzetbelasting begrepen in de kosten van juridische bijstand voor aftrek in aanmerking komt;

  3. of recht bestaat op aftrek van omzetbelasting begrepen in kilometerkosten;

  4. of recht bestaat op toepassing van de kleine ondernemersregeling als bedoeld in artikel 25 van de Wet;

  5. of de boeten terecht zijn opgelegd.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en hetgeen partijen ter onderbouwing van hun standpunten hebben aangevoerd, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de boetebeschikkingen, tot vermindering van de naheffingsaanslagen tot nihil en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“8. Uit artikel 15 van de Wet OB volgt dat een ondernemer uitsluitend recht op aftrek van voorbelasting heeft, wanneer sprake is van omzetbelasting die op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur door andere ondernemers aan hem in rekening is gebracht ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten. Een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.

9. Op [belanghebbende] rust de last te bewijzen dat zij recht heeft op aftrek van de door haar geclaimde voorbelasting. In beginsel kan zij daartoe volstaan met het overleggen van op de voorgeschreven wijze opgemaakte facturen afkomstig van andere ondernemers ter zake voor aan haar verrichte leveringen en verleende diensten. Voor de jaren 2009, 2011, 2012 en 2013 en voor de periode 1 januari 2014 tot en met 30 september 2014 heeft zij geen facturen overgelegd en ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de door haar op haar aangiften vermelde voorbelasting juist was. [De Inspecteur] heeft voor deze tijdvakken dan ook terecht de voorbelasting niet in aftrek toegelaten.

10. Voor het jaar 2010 heeft [belanghebbende] uitsluitend facturen van de advocaat overgelegd. Ter zitting heeft zij verklaard dat deze facturen betrekking hebben op een geschil over de heffing van inkomstenbelasting van de beherende vennoot van [belanghebbende]. Deze facturen hebben dan ook feitelijk betrekking op diensten die zijn verricht aan die vennoot en niet aan [belanghebbende]. Dat betekent dat [de Inspecteur] terecht de op deze facturen vermelde omzetbelasting niet in aftrek heeft toegelaten. Zo al gesteld kan worden dat sprake is van diensten die zijn verricht aan [belanghebbende], komt de voorbelasting op grond van artikel 1, eerste lid, letter c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 niet voor aftrek in aanmerking.

11. Het voorstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat [de Inspecteur] terecht de voorbelasting die [belanghebbende] op haar aangiften heeft vermeld niet in aftrek heeft toegelaten.

12. Op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) in samenhang met paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst kan de inspecteur tot een maximum van € 4.920 een verzuimboete opleggen van 10% van de verschuldigde belasting, wanneer de belasting die op aangiften voldaan had moeten worden niet is betaald. Vaststaat dat [belanghebbende] de door haar verschuldigde belasting niet op aangiften heeft voldaan, zodat [de Inspecteur] terecht de verzuimboeten heeft opgelegd. [Belanghebbende] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan gesteld kan worden dat sprake is van afwezigheid van alle schuld of die aanleiding zouden kunnen geven tot matiging van de boete wegens wanverhouding tussen de boete en het beboetbare feit. De rechtbank acht de boete ook passend en geboden.

13. [Belanghebbende] heeft tegen de heffingsrente en belastingrente geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat de heffingsrente en belastingrente niet overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VA van de Awr zijn berekend.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

a. Facturen

7.1.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet is de belasting die de ondernemer in aftrek brengt, de belasting die in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, een en ander voor zover de goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.

7.2.

Op belanghebbende rust de bewijslast aannemelijk te maken dat zij recht heeft op de door haar geclaimde aftrek van omzetbelasting. Belanghebbende is hier niet in geslaagd omdat zij geen facturen heeft overgelegd met betrekking tot de jaren 2011 tot en met 2013 en het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 30 september 2014. Voor het jaar 2010 is slechts een drietal facturen overgelegd inzake juridische bijstand (zie dienaangaande 7.4 hierna).

7.3.

Belanghebbende heeft haar stelling dat de facturen met betrekking tot de jaren 2011, 2012, 2013 en het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 30 september 2014 in het bezit zijn van de Inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. Het Hof merkt voorts op dat belanghebbende in geen enkel stadium van de procedure deze facturen (alsnog) heeft ingebracht, hoewel zij daartoe ruimschoots de gelegenheid had.

b. Juridische kosten

7.4.

Met betrekking tot de drie voor het jaar 2010 overgelegde facturen inzake juridische bijstand geldt dat aannemelijk is dat deze facturen geen betrekking hebben op door haar als ondernemer verrichte prestaties. Het Hof acht aannemelijk, met name gelet op de aanvulling van het hogerberoepschrift, dat deze facturen zien op kosten voor juridische bijstand wegens de ontvlechting van [X] ’s deelname in maatschappen, waaronder [A] . De ter zake in rekening gebrachte omzetbelasting komt derhalve niet bij belanghebbende voor aftrek in aanmerking.

c. Kilometerkosten

7.5.

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat recht bestaat op aftrek van omzetbelasting inzake het houden van dan wel rijden met een auto geldt dat, nu ieder bewijs hiervoor ontbreekt, deze stelling faalt. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de Inspecteur eerder enige aftrek van omzetbelasting inzake autokosten heeft geaccepteerd en daarmee vertrouwen heeft gewekt, geldt dat deze stelling evenzeer faalt nu niet aannemelijk is geworden dat de Inspecteur enige uitlating heeft gedaan op grond waarvan bij belanghebbende redelijkerwijs de indruk kan zijn ontstaan dat de Inspecteur van mening was dat zij recht had op aftrek. Zo belanghebbende bedoelt te verwijzen naar een eerder boekenonderzoek, geldt dat deze stelling niet is onderbouwd.

d. Kleine ondernemersregeling

7.6.

Belanghebbende stelt voorts dat zij recht heeft op toepassing van de kleine ondernemersregeling als bedoeld in artikel 25 van de Wet. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende geen recht op toepassing hiervan reeds omdat niet is voldaan aan de administratieve verplichtingen als bedoeld in het vierde lid van dit artikel. Bijvoorbeeld een deugdelijke inkoop- en verkoopadministratie is niet aanwezig. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de Inspecteur eerder toepassing van de kleine ondernemersregeling heeft geaccepteerd en daarmee vertrouwen heeft gewekt, verwerpt het Hof deze stelling nu niet aannemelijk is geworden dat de Inspecteur enige uitlating heeft gedaan op grond waarvan belanghebbende redelijkerwijs mocht veronderstellen dat in de onderhavige tijdvakken deze regeling kan worden toegepast. Zo belanghebbende bedoelt te verwijzen naar een eerder boekenonderzoek, geldt dat deze stelling niet is onderbouwd.

e. Boeten

7.7.

Met betrekking tot de opgelegde boeten maakt het Hof de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne.

f. Ambtshalve

7.8.

De Inspecteur heeft, kennelijk abusievelijk, in afwijking van de verstrekte overzichten (zie 3.4. en 3.6.), de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 opgelegd rekening houdend met een bedrag aan verschuldigde belasting van € 5.893 in plaats van € 5.839. Het Hof zal deze verschrijving corrigeren en bedoelde naheffingsaanslag verminderen met (€ 5.893 - € 5.839) = € 54, resulterend in een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 12.020.

Slotsom

7.9.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende slaagt waar het betreft de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011, zaaknummer BK-16/00487, en faalt voor wat betreft de overige zaken.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand op haar drukken.

8.2.

Wel is er - gelet op de gegrondbevinding van het hoger beroep in de zaak met kenmerk BK-16/00487 - aanleiding de Inspecteur te gelasten het ter zake van deze procedure in beroep en hoger beroep geheven griffierecht van € 168 + € 503 = € 671 aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de zaak met kenmerk BK-16/00487 en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

- verklaart het beroep in de zaak met kenmerk BK-16/00487 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 tot een bedrag van € 12.020;

- handhaaft de boetebeschikking;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig; en

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van in totaal € 671 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, Chr.Th.P.M. Zandhuis, en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 11 juli 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd te ondertekenen

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.