Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2059

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
200.194.794
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde affectieve relatie. Toedeling van de gemeenschappelijke woning. Vaststelling van vergoedingsrechten wegen reguliere betalingen en investeringen in die gemeenschappelijke woning en in een appartement van de vrouw, in welk appartement partijen gedurende hun relatie samenwoonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.194.794/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/484468/ HA ZA 15-945

arrest van 20 juni 2017

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. G.E. van der Pols te [plaatsnaam] ,

tegen

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Beker te [plaatsnaam] .

Het geding

Bij exploot van 29 juni 2016 is de man in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 30 maart 2016 van de rechtbank [plaatsnaam] , gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie, hierna: het bestreden vonnis.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

De man heeft bij memorie van grieven vier grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden en bij akte haar eis in reconventie vermeerderd.

De man heeft bij antwoordakte verweer gevoerd tegen deze vermeerdering van eis in reconventie.

Beide partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld. Aan de orde is de financiële afwikkeling van een aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende woning na het einde van de affectieve relatie.

Het bestreden vonnis

2. Door de rechtbank is – zakelijk weergegeven - als volgt beslist in conventie:

  • -

    de woning [adres] te [plaatsnaam] wordt toebedeeld aan de vrouw voor een waarde van EUR 130.000 onder de opschortende voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid terzake van de hypothecaire geldlening ad EUR 172.000, met toedeling van de aan de hypotheek gekoppelde polis ter aflossing van de hypotheek aan de vrouw;

  • -

    de man wordt veroordeeld tot betaling van EUR 21.000 aan de vrouw wegens overbedeling, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    de man wordt veroordeeld tot betaling van EUR 30.957,03 aan de vrouw, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    benoemt mr M. Dekker, notaris te Rotterdam dan wel diens opvolger of plaatsvervanger als de notaris voor wie de overdracht van de woning zal plaatsvinden als partijen niet gezamenlijk een andere notaris kiezen;

  • -

    bepaalt dat de man binnen twee weken na betekening van het vonnis dient mee te werken aan de eigendomsoverdracht van voormelde woning, bij gebreke waarvan het vonnis de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van de man zal vervangen;

  • -

    het een en ander onder uitvoerbaarverklaring bij voorraad en afwijzing van het meer of anders gevorderde,

en in reconventie:

 wijst de vorderingen af,

alsmede in conventie en in reconventie:

 compenseert de kosten van dit geding aldus, dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Het geschil

4. Het geschil tussen partijen betreft de toedeling van de in gezamenlijk eigendom gehouden woning [adres] te [plaatsnaam] en de daarbij te hanteren waarde, alsmede de vaststelling van eventuele vergoedingsrechten wegens reguliere betalingen en investeringen in die woning en in een door vrouw in eigendom gehouden appartement.

Vorderingen man

5. De man vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen in conventie althans haar deze te ontzeggen, en de vrouw alsnog te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van EUR 36.000 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van antwoord in conventie (28 oktober 2015) tot aan de dag der algehele voldoening, onder veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

Grieven van de man

6. De man grieft ten eerste dat de rechtbank de woning met de daarop rustende hypothecaire verplichtingen aan de vrouw heeft toebedeeld.

7. Deze grief kan naar het oordeel van het hof niet slagen. De man heeft immers niet verzocht om toedeling van de woning aan hem in het petitum van de appeldagvaarding of in de memorie van grieven. Als dat al anders zou zijn (geweest), dan zou dat de man overigens ook niet baten. De rechtbank heeft haar oordeel gegrond op de vaststelling dat de man onvoldoende draagkracht heeft om de aan de woning verbonden lasten zelfstandig te financieren en de man heeft die vaststelling in het kader van zijn grief niet aangetast onder overlegging van verificatoire bescheiden, waaruit blijkt dat hij financieel (wel) in staat is om de woning met alle daarop rustende hypothecaire verplichtingen op zijn naam te krijgen, onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldlening. Integendeel, de man stelt zelf dat hij in een zeer moeilijke positie verkeert om zijn zaken op orde te krijgen en het hof begrijpt uit de tweede grief van de man dat hij daarmee ook doelt op zijn slechte financiële omstandigheden. Aan de overige stellingen van de man komt het hof niet meer toe.

8. De tweede grief van de man houdt in dat hij in het kader van de waarde(ring) van de woning ten onrechte wegens overbedeling is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van EUR 21.000. In de toelichting bij de grief stelt de man dat de waarde van de woning tenminste EUR 185.000 is, in plaats van de door de vrouw gestelde waarde, die is gebaseerd op de meest recente WOZ beschikking ad EUR 130.000. De rechtbank is van laatstgenoemd bedrag uitgegaan.

9. De vrouw werpt als verweer op, kort gezegd, dat de man geen bewijs heeft geleverd van zijn stelling. Voor een taxatie van de woning om zo de waarde te bepalen is medewerking van de man noodzakelijk, omdat hij sedert 2010 feitelijk als enige beschikking over de woning heeft, en de vrouw wijst erop dat de man na een voorstel van de vrouw om de woning te laten taxeren door een makelaar, naar het hof uit het proces-verbaal van de rechtbank begrijpt, zo nodig op haar kosten, aan een zodanige taxatie geen medewerking heeft willen geven.

10. Het hof overweegt als volgt. Het had op de weg van de man gelegen om zijn stelling betreffende de waarde van de woning reeds in de schriftelijk stukkenwisseling te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van een recent taxatierapport. Nu de man dit heeft nagelaten mist deze grief in zoverre feitelijke grondslag. Bovendien is de stelling onverenigbaar met de stelling van de man in de toelichting op zijn eerste grief, waarin hij betoogt dat de woning (eerst) een zodanige waarde zal hebben wanneer de man nog werkzaamheden in de woning zal hebben verricht. De man heeft voor het overige geen bezwaren geuit tegen de berekening van de rechtbank van het bedrag ad EUR 21.000 wegens overbedeling. De tweede grief slaagt derhalve evenmin. Het hof merkt op dat het in dit kader voorbij gaat aan het door de man gedane bewijsaanbod. Het hof acht dat ten aanzien van deze waardebepaling gezien het hierboven opgemerkte tardief en bovendien is het aanbod naar het oordeel van het hof onvoldoende gespecificeerd.

11. In zijn derde grief klaagt de man dat hij ten onrechte is veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van EUR 30.957,03 aan de vrouw. Het betreft hier de helft van de door de vrouw gedane betalingen ten behoeve van de woning. Het bedrag is niet in geschil. Ter onderbouwing voert de man aan dat het niet redelijk is dat hij de helft van de woonlasten van partijen voor zijn rekening dient te nemen, omdat zijn financiële omstandigheden van de afgelopen jaren slecht waren. Die lasten zouden derhalve naar rato van de inkomens van partijen gedragen moeten worden, zodat de man een lager bedrag zou dienen te vergoeden aan de vrouw.

12. Het verweer van de vrouw in dit verband is tweeledig. Vooreerst stelt zij dat partijen gehouden waren om naar evenredigheid bij te dragen in de gezamenlijke uitgaven. De man heeft in de betreffende periode waarop de vordering van de vrouw ziet echter helemaal niets betaald. Hij heeft daardoor een schuld aan de gemeenschap van 50% van het door de vrouw betaalde bedrag. Voorts stelt zij dat dit bedrag geen gemeenschappelijke woonlasten betrof. Naar het hof begrijpt stelt zij dat het bedrag door de vrouw is uitgegeven aan investeringen in de woning [adres] te [plaatsnaam] , waarin partijen nooit hebben samengewoond.

13. De grief slaagt naar het oordeel van het hof niet, om dat zij onvoldoende is onderbouwd. Partijen hebben tot 2010 een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 7 mei 2008 hebben zij de betreffende woning gekocht, tot welk goed zij gemeenschappelijk gerechtigd zijn, elk voor de helft. Partijen woonden niet in deze woning. Er is sprake van een eenvoudige gemeenschap. Na aankoop is verder geïnvesteerd in de woning, welke investeringen, naar onbetwist vaststaat, door de vrouw zijn betaald. Ingevolge art. 3:172 BW moeten de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel bijdragen tot de uitgaven ten behoeve van die gemeenschap, tenzij een regeling anders bepaalt. Uit dien hoofde is de man in beginsel gehouden naar evenredigheid van zijn aandeel, mitsdien de helft, bij te dragen in de betreffende kosten. De rechtbank heeft overwogen dat de man geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële omstandigheden, zodat de rechtbank reeds daarom voorbijgaat aan de stelling van de man, dat de redelijkheid tot een andere verdeling noopt dan een verdeling bij helfte. De man heeft ook in hoger beroep nagelaten om inzicht te bieden in zijn financiële omstandigheden, zodat wederom niet is aangetoond waarom de redelijkheid afwijking van de regeling van art. 3:172 BW vereist. Het bewijsaanbod van de man passeert het hof als onvoldoende gespecificeerd.

14. In zijn vierde grief klaagt de man dat zijn reconventionele vordering door de rechtbank ten onrechte is afgewezen. Hij stelt dat ook hij circa EUR 40.000 heeft geïnvesteerd om de hierboven bedoelde woning en het appartement dat eigendom is van de vrouw, te verbouwen, waartoe hij in eerste aanleg ook een overzicht in het geding heeft gebracht.

15. De vrouw voert aan dat de (door de man kennelijk bedoelde) investeringen aan de woning [adres] te [plaatsnaam] zijn gefinancierd door middel van een overbruggingskrediet van de ING bank ten laste van de gemeenschap en zij betwist dat de man voor het overige uit eigen middelen uitgaven ten behoeve van de gemeenschap heeft gedaan. Nu de man zelf stelt in de afgelopen jaren in een slechte financiële situatie te hebben verkeerd, is zijn stelling bovendien al aanstonds onaannemelijk. De vrouw betwist niet dat investeringen zijn gedaan in de woning, maar zij betwist wel dat alle stelposten op het overzicht van de man de gemeenschappelijke woning betreffen en ook dat de overgelegde kassabonnen alle betrekking hebben gehad op de woning en dat de uitgaven alleen door de man zijn voldaan. Zij wijst er onder meer op dat de man een klusbedrijf heeft en dat de locaties waar blijkens sommige bonnen materialen zijn gekocht eerder doen veronderstellen dat die materialen zijn aangeschaft ten behoeve van klussen voor derden dan ten behoeve van de woning. Ook wijst zij erop dat de bonnen opgeteld een bedrag vertegenwoordigen van slechts EUR 1.278,25.

16. In zijn vierde grief betoogt de man in aanvulling daarop voorts dat hij EUR 17.000 heeft geïnvesteerd in de woning waarin de man en de vrouw samenwoonden: het appartement dat eigendom is van de vrouw. Ter adstruering van zijn stellingen heeft de man in hoger beroep alsnog een aantal kopieën van kassabonnen overgelegd.

16. De vrouw betwist de door de man genoemde investeringen in het appartement van de vrouw. Zij wijst erop dat ook in hoger beroep ieder bewijs voor die investering specifiek voor haar appartement ontbreekt. Bovendien geeft zij aan dat de stelling van de man reeds onaannemelijk is omdat de beweerdelijke investeringen (zouden) zijn gedaan in de jaren vanaf 2008, terwijl partijen al sedert 2001 samenwoonden in het appartement.

16. Het hof is van oordeel dat de man, ook nadat hij in hoger beroep bonnen heeft overgelegd, zijn stellingen zowel ter zake de gestelde investeringen in de gemeenschappelijke woning als in het appartement van de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw had het op de weg van de man gelegen om de bestemming van elke investering aan te tonen en te stellen en zo nodig te bewijzen dat de kosten ervan voor alleen zijn eigen rekening zijn gekomen. Opnieuw geldt dat het hof het bewijsaanbod van de man passeert als onvoldoende gespecificeerd. De vierde grief slaagt daarom evenmin.

Akte tot vermeerdering van eis van de vrouw

17. De vrouw vermeerdert haar eis in reconventie met 50% van de uitgaven die zij in de periode van 4 augustus 2015 tot en met 1 december 2016 heeft gedaan ten behoeve van de gemeenschap. Het betreft uitgaven ter zake de hypothecaire geldleningen en betalingen ter zake OZB aanslagen voor de gemeenschappelijke woning [adres] te [plaatsnaam] . Het aandeel daarin van de man over deze periode betreft een bedrag van EUR 7.422,41.

18. De man betwist bij antwoordakte de omvang van de uitgaven die de vrouw heeft gedaan ten behoeve van deze eenvoudige gemeenschap over de betreffende periode. Hij erkent dat een bedrag van EUR 350,78 betrekking heeft op de woning [adres] te [plaatsnaam] . Hij wijst er echter op dat niet is aangetoond dat een door de vrouw opgevoerd bedrag ad EUR 2.340,91 uitsluitend diezelfde woning zou betreffen. Het valt derhalve niet uit te sluiten dat een deel van de door de vrouw gedane betalingen het appartement van de vrouw betreffen. De man laat de vordering van de vrouw voor het overige onbetwist.

19. De vermeerdering van eis is voor toewijzing vatbaar voor zover deze door de man niet is betwist, nu deze het hof voor het overige als niet onrechtmatig voorkomt. Terzake genoemd bedrag van EUR 2.340,91 is het hof van oordeel als volgt. Het is niet duidelijk uit productie XIII, welke de vrouw ter onderbouwing van dat onderdeel van haar vordering heeft overgelegd, of en in welke mate alle daarop voorkomende betalingen de gemeenschappelijke woning [adres] te [plaatsnaam] betreffen dan wel het appartement van de vrouw. Die onduidelijkheid komt voor rekening en risico van de vrouw. Het hof passeert het bewijsaanbod van de vrouw, nu dat aanbod zich beperkt tot het bewijs van betaling van de onderscheiden posten en het hof de betaling voldoende bewezen acht. Het hof leest in het aanbod niet dat wordt aangeboden te bewijzen op welke woning de betalingen betrekking hebben. Het hof zal naar aanleiding van de door de vrouw gedane eisvermeerdering het bestreden vonnis derhalve vernietigen voor zover het de veroordeling van de man betreft onder 5.3 van het dictum, derhalve tot betaling van EUR 30.957,03 aan de vrouw, en opnieuw rechtdoende de man veroordelen tot betalen van een bedrag van (EUR 30.957,03 plus (de helft van EUR 12.153,12 + EUR 350,78 =) EUR 6.251,95 oftewel EUR 37.208,98.

Kosten van de procedure

20. Het hof ziet aanleiding de man te veroordelen tot de kosten van de procedure in hoger beroep. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis, waarin de rechtbank meermalen heeft overwogen dat de man onvoldoende bewijs van zijn stellingen heeft overgelegd. In hoger beroep is de man wederom tekort geschoten in het onderbouwen van zijn stellingen met verificatoire bescheiden of ander bewijs. Bovendien heeft de man de vermeerdering van eis van de vrouw niet betwist en is hij in zoverre grotendeels in het ongelijk gebleken. Voor een kostenveroordeling van de man in de proceskosten in eerste aanleg acht het hof onvoldoende gronden aanwezig.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 30 maart 2016 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen doch enkel en alleen voor wat betreft het dictum onder 5.3, en opnieuw rechtdoende,

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van EUR 37.208,98, vermeerderd met de wettelijke rente over 30.957,03 met ingang van 4 september 2015 en met de wettelijke rente over 6.251,95 met ingang van 27 december 2016 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man in de proceskosten in hoger beroep, tot aan dit arrest begroot op EUR 1.945,- en als volgt gespecificeerd: EUR 314,- voor griffierecht, EUR 1631,- voor salaris advocaat;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, P.B. Kamminga en O.I.M. Ydema, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.