Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2058

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
200.189.175
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenleving. Uitleg overeenkomst in relatie tot gedrag van partijen. Haviltex. Begrip kosten van de huishouding. Schuldbekentis tussen de partners. Gezien de omstandigheden van het geval (als door het hof uitgewerkt) mocht degene die het geld heeft geleend er in redelijkheid op vertrouwen dat hij het geleende bedrag niet behoefde terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.189.175/01

Zaak- rolnummer rechtbank : 4193681 / CV EXPL 15-24043

arrest van 27 juni 2017

inzake

[man een] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: [man een] ,

advocaat: mr. S. Burger te Rotterdam

tegen

[man twee] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: [man twee]

advocaat: mr. J.H. Lodewijk te Amersfoort.

Het geding

Bij exploot van 4 april 2016 is [man een] in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2016.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

[man een] heeft bij memorie van grieven drie grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft [man twee] de grieven weersproken en in incidenteel appel twee grieven geformuleerd. Tevens houdt zijn memorie van grieven een vermeerdering van eis in.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [man een] de incidentele grieven weersproken.

Partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Het hof heeft telefonisch bij mr. S. Burger opgevraagd de memorie van antwoord in incidenteel appel en het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2015.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht, gaat het hof uit van de feiten zoals deze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Het bestreden vonnis van 4 maart 2016

2. Door de rechtbank (sector kanton) is in het bestreden vonnis als volgt beslist:

in conventie:

wijst de vordering van [man een] af;

in reconventie:

veroordeelt [man een] om aan [man twee] tegen kwijting te betalen € 875,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 9 september 2015 tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis wat deze veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde:

in conventie en in reconventie:

compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Vordering van [man een]

3. [man een] vordert dat het het hof moge behagen het vonnis van 4 maart 2016 van de rechtbank Rotterdam tussen appellant als eiser in conventie en gedaagde in reconventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie en eiser in reconventie gewezen, waarbij de vordering van appellant als eiser in conventie is afgewezen en de vordering van geïntimeerde als eiser in reconventie gedeeltelijk is toegewezen, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. De vordering van appellant in conventie alsnog toe te wijzen;

  2. De vordering van geïntimeerde in reconventie af te wijzen;

  3. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Vordering van [man twee]

4. [man twee] vordert dat het het hof moge behagen het vonnis van 4 maart 2016 van de rechtbank Rotterdam tussen appellant als eiser in conventie en gedaagde in reconventie in principaal appel, tevens geïntimeerde in incidenteel appel en geïntimeerde als gedaagde in conventie en eiser in reconventie in principaal appel en appellant in incidenteel appel, waarbij de vordering van appellant als eiser in conventie in principaal appel is afgewezen en de vordering van geïntimeerde als eiser in reconventie gedeeltelijk is toegewezen, gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

In principaal appel

Het beroep en de vordering van appellant in conventie af te wijzen en de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2016 te bekrachtigen.

In incidenteel appel

De gewijzigde vordering voor een bedrag van € 24.924,23 van geïntimeerde in reconventie in principaal appel, tevens appellant in incidenteel appel, toe te wijzen.

In principaal en incidenteel appel

Tot veroordeling van appellant in principaal appel tevens geïntimeerde in incidenteel appel in de kosten van het geding in hoger beroep, zulks met bepaling dat over die proceskosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen arrest.

Uitleg samenlevingsovereenkomst en het gedrag van partijen

5. Gezien de onderlinge samenhang zal het hof de grieven zo veel mogelijk gezamenlijk bespreken, zowel de grieven in conventie als in reconventie.

6. Partijen zijn in 2008 met elkaar een samenlevingsovereenkomst aangegaan. Deze samenlevingsovereenkomst is opgesteld door notaris Tielens te Nieuwegein. Gezien het feit dat bij het vastleggen van de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst een notaris is betrokken - die in beginsel deskundig is op dit gebied - acht het hof bij de uitleg van de samenlevingsovereenkomst primair de tekst van belang. Niet alleen de tekst van de samenlevingsovereenkomst is van belang maar ook de overige omstandigheden kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer rederlijkwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Eveneens acht het hof van belang hoe partijen feitelijk hebben gehandeld in het kader van hun samenlevingsovereenkomst. Ook uit gedrag kan een stilzwijgend gesloten overeenkomst worden afgeleid.

7. Op bladzijde 3 van de samenlevingsovereenkomst is een bepaling opgenomen met betrekking tot de kosten van de huishouding. Daaris onder meer vermeld: ”Partijen dragen samen de kosten van de huishouding, zoals uitgaven voor bijvoorbeeld levensonderhoud, vakanties en dergelijke. De verdeling van deze kosten regelen zij in hun onderlinge verhouding. Het recht op verrekening van het teveel betaalde aan de kosten van de huishouding vervalt zes maanden na het betreffende kalender jaar.” Op bladzijde 3 is eveneens een bepaling opgenomen die regelt wanneer de overeenkomst eindigt en hoe deze moet worden afgewikkeld.

8. De kern van de geschilpunten die partijen verdeeld houdt zijn:

  1. de schulden van [man een] die betrekking hebben op de periode voordat hij met [man twee] samenwoonde en die vervolgens door [man twee] zijn betaald. Dit betreft een bedrag van ruim € 23.192,23;

  2. verplichtingen van [man een] die zijn ontstaan na het verbreken van de samenleving maar zijn voldaan door [man twee] . Het gaat om een bedrag van € 875,- met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsverzekering en een bedrag van € 1.732,- met betrekking tot de ziektekosten van [man een] . Zie randnummer 4.2 van de memorie antwoord.

9. Het hof begrijpt uit het betoog van [man een] dat hij van mening is dat er geen rechtsgrond is op grond waarvan hij het bedrag van € 875,- aan [man twee] moet terugbetalen. Door [man een] wordt onder meer gesteld:

  1. [man twee] was kostwinner in de relatie tussen [man een] en [man twee] ;

  2. er is nimmer sprake van geweest dat [man een] zijn eigen premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering zou betalen. Met het eindigen van de relatie is dit niet veranderd;

  3. [man een] mocht erop vertrouwen dat [man twee] zijn schulden zou betalen. Met betrekking tot het kleine gedeelte dat na het eindigen van de relatie is voldaan, is dit niet anders.

10. Het hof overweegt als volgt. Premies voor arbeidsongeschiktheid en ziektekosten kunnen worden aangemerkt als kosten van de huishouding. Gezien het feit dat [man twee] tijdens de samenleving van partijen de kostwinner was, komen deze kosten voor zijn rekening. Een redelijke uitleg van de samenlevingsovereenkomst brengt met zich mede dat [man een] er niet meer op mocht vertrouwen dat [man twee] na het verbreken van de samenleving nog gehouden is de kosten van de huishouding voor [man een] te blijven voldoen. Partijen hebben in hun samenlevingsovereenkomst geen alimentatieregeling opgenomen. Ook kan na het verbreken van de samenleving uit het gedrag van partijen geen stilzwijgend gesloten overeenkomst worden afgeleid dat de ene partij jegens de andere partij nog betalingen dient te voldoen. Bovendien is [man een] met een andere partner gaan samenwonen. Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat [man een] aan [man twee] het bedrag van € 875,- moet terugbetalen. Voorts is het hof van oordeel dat [man een] eveneens aan [man twee] moet voldoen de somma van € 1.732,- met betrekking tot de ziektekostenpremie. Het betreft dus een totaalbedrag van € 2.607,-.

Schuldbekentenis [man een] van € 20.445,72

12. In eerste aanleg is een schuldbekentenis in het geding gebracht van [man een] waarin hij verklaart aan zijn voormalige partner verschuldigd te zijn een bedrag van € 20.445,72. Niet bestreden is dat deze schuld van [man een] door [man twee] aan de voormalige partner van [man een] is betaald.

13. [man twee] wenst dat [man een] het bedrag van € 20.445,72 aan hem terugbetaalt. In de visie van [man twee] heeft hij het bedrag van € 20.445,72 aan [man een] voorgeschoten. [man een] zou het bedrag van € 20.445,72 aan [man twee] terugbetalen als hij weer zou gaan werken. [man een] is echter niet gaan werken, dit kan niet voor rekening en risico komen van [man twee] . In randnummer 2.2 van zijn memorie van antwoord heeft [man twee] gesteld dat [man een] voormeld bedrag aan hem zou terugbetalen. Deze schuld kan niet worden aangemerkt als kosten van de huishouding. [man twee] is van mening dat op [man een] de bewijslast rust dat er een afspraak is dat [man een] het bedrag van € 20.445,72 niet aan [man twee] hoeft terug te betalen.

14. Door [man een] is verweer gevoerd. [man twee] heeft de schulden op zich genomen en deze als een eigen schuld voldaan. Over enige vorm van lening of een terugbetalingsverplichting is nimmer gesproken. Alle betalingen zijn verricht ten tijde van de samenleving van partijen zodat de rechtbank daar terecht de conclusie aan heeft verbonden dat de betalingen (aflossing van schulden en het betalen van rente) onder de kosten van de huishouding vallen.

15. Het hof overweegt als volgt. Een redelijke uitleg van de samenlevingsovereenkomst brengt met zich mede dat de schuld van [man een] van € 20.442,72 niet kan worden aangemerkt als kosten van de huishouding. De schuld heeft betrekking op een voormalige samenleving van [man een] met een andere partner. Of partijen een concrete afspraak hebben gemaakt over de betaling van € 20.445,72 kan het hof niet vaststellen. Wat het hof wel kan vaststellen is hoe partijen zich feitelijk hebben gedragen en of aan dit gedrag een juridisch gevolg kan worden verbonden. Feit is dat [man twee] de kostwinner was en [man een] - mede als gevolg van een drankprobleem - niet werkte, althans gestopt was met werken tijdens de relatie. [man een] had geen vermogen en geen inkomsten. Feitelijk is [man twee] de schuld van [man een] gaan afbetalen terwijl hij geen heldere afspraak met [man een] heeft gemaakt of deze het bedrag van € 20.442,72 weer aan hem moest terugbetalen. [man twee] stelt in randnummer 2.2: ”(….) echter [man een] heeft nooit moeite gedaan om een nieuwe baan te vinden, maar verzocht aan [man twee] wel steeds om de schulden voor hem te betalen, zodat partijen rustiger konden leven en [man een] minder deurwaarders achter zich aan zou hebben.” Gezien het feit dat partijen met elkaar samenwoonden, een affectieve relatie hadden en de wijze waarop zij zich feitelijk hebben gedragen, mocht [man een] er in redelijkheid op vertrouwen dat hij het bedrag van € 20.442,72 niet aan [man twee] behoefde terug te betalen. [man twee] wist dat hij met iemand samenwoonde met een drankprobleem, die daarvoor in therapie was en geen baan had of enig vermogen. [man twee] heeft geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan van zijn niet onderbouwde en door [man een] betwiste stelling dat er een terugbetalingsafspraak tussen partijen was gemaakt zodat het hof hem ook niet toelaat tot het bewijs van deze stelling [ vgl. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49] De grief treft dus in zoverre geen doel.

Proceskosten

16. Gezien het feit dat er sprake was van een affectieve relatie zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren.

Bekrachtiging en aanvulling

17. Onder aanvulling van de gronden bekrachtigt het hof het bestreden vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2016. Tevens zal het hof appellant veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan geïntimeerde te voldoen de somma van € 1.732,-.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 4 maart 2016 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen en in aanvulling daarop:

veroordeelt [man een] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [man twee] te betalen de somma van € 1.732,-;

compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, O.I.M. Ydema en D. Wachter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.