Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2051

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
200.181.951-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rolverwijzing in bouwzaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.181.951/01

Rolnummer rechtbank : C/09/463769/ HA ZA 14-0449


arrest van 25 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. N. Overeem te Den Haag ,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerde] (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag .

Het geding

Bij exploot van 27 augustus 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 27 mei 2015 door de rechtbank Den Haag gewezen tussen partijen. Op de rolzitting van 15 december 2015 is de zaak aangebracht. Bij arrest van 29 december 2015 is een comparitie na aanbrengen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [appellant] bij memorie van grieven van 18 oktober 2016 (met producties) twee grieven aangevoerd. Deze zijn door [geïntimeerde] bestreden bij memorie van antwoord van 27 december 2016 (met producties). Hierna hebben partijen op 8 juni 2017 de zaak mondeling bepleit, aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van de pleitzitting is proces-verbaal opgemaakt. Hierna is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2 Het onderhavige geschil gaat over het volgende.
(2.1) [geïntimeerde] is sinds 2000 eigenaar van het pand [adres 1] in [plaats] .
(2.2) [appellant] is van 5 oktober 2012 tot en met 22 februari 2016 eigenaar geweest van het pand [adres 2] in [plaats] . Hierna heeft hij de eigendom van het pand overgedragen aan zijn zus, [zus appellant] . Tevoren (van 2008-2012) had het pand [adres 2] leeggestaan. [appellant] is begin 2013 begonnen met de verbouw van het pand [adres 2] tot 10 appartementen. In verband hiermee heeft [appellant] sloop- en verbouwingswerkzaamheden uit laten voeren aan zijn pand en heeft hij een deel van de achtertuin van [adres 2] afgegraven. De 10 appartementen zijn inmiddels gerealiseerd.
(2.3) Sinds 2013 hebben partijen tal van kort geding procedures gevoerd, die verband houden met de schade die [geïntimeerde] naar zijn zeggen (aan [adres 1] ) heeft geleden ten gevolge van deze sloop- en verbouwingswerkzaamheden van [appellant] . Partijen hebben ook tal van (partij)rapporten laten opmaken.
(2.4) Bij inmiddels onherroepelijk (bij verstek) gewezen vonnis in kort geding van 16 oktober 2013 is [appellant] veroordeeld om een bedrag van € 7.500,-- aan [geïntimeerde] te betalen als voorschot op door [geïntimeerde] te maken kosten van onmiddellijk herstel van een tweetal plafonds in [adres 1] . Tevens is [appellant] veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis een aanvang te maken met het treffen van de nodige voorzieningen aan het pand aan de [adres 2] te [plaats] , zodat de aldaar ontstane gevaarlijke situatie wordt opgeheven en zodat wordt voorkomen dat er water/vocht in het pand van [geïntimeerde] kan binnenstromen, daaronder in ieder geval begrepen het aanbrengen van een adequate hemelwaterafvoer en het (met zand) dichtstorten van de gaten in het fundament van het pand [adres 2] , een en ander op straffe van een dwangsom met een maximum van € 15.000,--.
(2.5) In de bodemprocedure die heeft geleid tot het thans bestreden vonnis van 27 mei 2015heeft [geïntimeerde] gesteld dat hij door ondeskundige sloop- en verbouwingswerkzaamheden van [appellant] , zonder de vereiste voorzorgsmaatregelen, (met name) waterschade aan zijn pand, [adres 1] , heeft opgelopen. [appellant] is bij genoemd vonnis veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen “alle schade van het echtpaar [geïntimeerde], die veroorzaakt is door en toerekenbaar is aan de sloop- en bouwwerkzaamheden sinds omstreeks maart 2013 aan het registergoed [adres 2] te [plaats] in opdracht en/of onder verantwoordelijkheid van [appellant] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.”
(2.6) Bij inmiddels onherroepelijk (op tegenspraak) gewezen vonnis in kort geding van 12 januari 2017(gewezen tussen [geïntimeerde] enerzijds en [appellant] en zijn zus anderzijds) heeft de voorzieningenrechter na overleg met en met instemming van partijen, die zich op voorhand aan de conclusies van de deskundige hebben gecommitteerd, als deskundige benoemd de heer ir. J. Galjaard MBA RO ter beantwoording van de volgende vragen:
“1. Wat is de oorzaak of zijn de oorzaken van de lekkage(s) in het pand [adres 1] ?
2. Kunt u bij het beantwoorden van vraag 1 het gegeven betrekken dat de staat van het
pand [adres 1] niet is vastgelegd voorafgaand aan de verbouwing en

renovatie van pand en perceel [adres 2] .

3. Voldoet het afwateringssysteem (hemelwaterafvoer) van pand en perceel [adres 2]

aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen?

4. Zo nee, welke (herstel)maatregelen zijn noodzakelijk voor het realiseren van een

deugdelijk afwateringssysteem?

5. Voldoet de dakbedekking van het pand [adres 2] aan de redelijkerwijs

daaraan te stellen eisen?

6. Zo nee, welke (herstel)maatregelen zijn noodzakelijk voor het realiseren van

deugdelijke dakbedekking?

7. Voldoet het afwateringssysteem (hemelwaterafvoer) van pand en perceel [adres 1]

aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen?

8. Zo nee, welke (herstel)maatregelen zijn noodzakelijk voor het realiseren van een

deugdelijk afwateringssysteem?


9. Is sprake van afwatering van pand en/of perceel [adres 1] op pand en/of

perceel [adres 2] ?

10. Is sprake van verzakking van het terras aan de achterzijde van het pand [adres 3]

?

11. Is sprake van verzakking van het pand [adres 3] ?

12. Bij bevestigende beantwoording van vraag 10 en/of vraag 11; wat is de oorzaak of zijn de oorzaken van de verzakking(en)?

13. Kunt u bij het beantwoorden van vraag 12 het gegeven betrekken dat de staat van pand en perceel [adres 3] niet is vastgelegd voorafgaand aan de verbouwing en

renovatie van pand en perceel [adres 2] .

14. Voldoet de aangebrachte grondkering tussen perceel [adres 3] en perceel [adres 2] aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen?

15. Zo nee, welke (herstel)maatregelen zijn noodzakelijk voor het realiseren van een

deugdelijke grondkering?

16. Hebt u verder nog iets op te merken dat u in deze zaak van belang vindt?”

(2.7) De deskundige Galjaard heeft op 16 mei 2017 een schouw gehouden. De verwachting is dat het definitieve rapport binnen enkele maanden klaar zal zijn.
Verdere beoordeling van het hoger beroep

3. [appellant] klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat hij onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Volgens [appellant] moet [geïntimeerde] stellen en (op grond van artikel 150 Rv) bewijzen dat schade aan zijn pand is opgetreden als gevolg van de (verbouwings)werkzaamheden van [appellant] . [appellant] betwist niet dat het pand van [geïntimeerde] gebreken vertoont, maar stelt dat de schade niet door zijn toedoen is ontstaan. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] zijn pand [adres 1] niet onderhouden, terwijl [adres 2] tussen 2008 en 2012 leeg heeft gestaan en hierdoor in deplorabele toestand is komen verkeren, hetgeen [appellant] niet kan worden toegerekend.
Daarnaast klaagt [appellant] erover dat volstrekt in het midden is gebleven of de pretense scheurvorming en waterschade zijn ontstaan door onrechtmatige sloop- en verbouwingswerkzaamheden van [appellant] , daarmee naar het hof begrijpt aanvoerend dat in het bestreden vonnis is nagelaten de grondslag van de aansprakelijkheid vast te stellen.

4. Voormelde grief slaagt in zoverre dat de rechtbank heeft miskend dat in de hoofdprocedure (en niet in de schadestaatprocedure) de grondslag van de aansprakelijkheid concreet en specifiek moet worden vastgesteld. Anders gezegd: voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is vereist dat de aansprakelijkheid van gedaagde vaststaat en waarop deze concreet en specifiek berust. Ter verduidelijking verwijst het hof naar onderstaande cursief weergegeven uitspraak van de Hoge Raad en conclusie van de procureur-generaal.
ECLI:NL:HR:2008, BD1674 (Hoge Raad):
“3.5.3 (...) De schadestaatprocedure van art. 612-615b Rv. sluit aan bij afdeling 6.1.10 BW betreffende de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding en is dan ook een procedure waarin de vaststelling van de inhoud en de omvang van de in de hoofdprocedure vastgestelde verplichting tot schadevergoeding aan de orde is. De grondslag van die verplichting, in dit geval wanprestatie, dient bij uitsluiting in de hoofdprocedure te worden vastgesteld.”
ECLI:NL:PHR:2009:BG5846 (conclusie mr. L. Strikwerda):
“7. In de schadestaatprocedure wordt niet beslist over de grondslag van de aansprakelijkheid voor de schade, maar nog slechts over de omvang van de verplichting tot schadevergoeding. Omtrent de grondslag van de aansprakelijkheid voor de schade kan in de schadestaatprocedure niet worden geoordeeld. De schadestaatprocedure is bedoeld ter beoordeling van de omvang van de schade die eiser stelt te hebben geleden als gevolg van het handelen of nalaten van gedaagde.”

5. Zoals hiervoor overwogen, heeft de rechtbank een concrete en specifieke beoordeling van de aansprakelijkheid van [appellant] nagelaten. De algemeenheden in het bestreden vonnis en meer in het bijzonder in het dictum ervan, zijn ontoereikend. De rechtbank heeft immers door enkel de van beide zijden ingebrachte (hoeveelheid) deskundigenrapporten tegen elkaar af te wegen niet met voldoende precisie vastgesteld op welke specifieke punten [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] , terwijl blijkens het dictum de aansprakelijkheidsvraag lijkt te zijn doorgeschoven naar de schadestaatprocedure. Dit is niet de bedoeling.

6. Het voorgaande betekent dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven en dat het hof de aansprakelijkheidsvraag zal moeten onderzoeken. Het hof acht het in dit verband gewenst de bevindingen van de rechtbank-deskundige Galjaard (zie rechtsoverwegingen 2.6 en 2.7) af te wachten. Hierbij weegt mee dat (i) een groot deel van de vraagstelling aan de deskundige relevant is voor het geschil in deze bodemprocedure, (ii) dat dit de eerste gerechtelijke deskundige is die in dit al jaren lopende conflict zal rapporteren en (iii) dat deze deskundige de betreffende locatie al heeft bekeken. Zo nodig kan het hof in een later stadium deze deskundige ook in de onderhavige zaak benoemen en hem aanvullende vragen stellen.

7. Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol van 26 september 2017 om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen om het rapport van de deskundige Galjaard over te leggen. Desgewenst kan [geïntimeerde] , en wel tegelijkertijd (op 26 september 2017), bij akte op dit rapport reageren. Vier weken later kan [appellant] bij antwoord-akte reageren.
Daarna dient opnieuw arrest te worden gevraagd, waarbij het hof (ten behoeve van de roladministratie) aangeeft dat niet gefourneerd hoeft te worden omdat het hof reeds de beschikking heeft over het procesdossier.

8. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Het hof:

  • -

    verwijst de zaak naar de rol van 26 september 2017 voor het overleggen door [geïntimeerde] van het in rechtsoverweging 7 bedoelde rapport van de deskundige Galjaard en het nemen van een akte naar aanleiding van het rapport;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, T.G. Lautenbach en J.W. Frieling en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.