Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2050

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
18-07-2017
Zaaknummer
200.216.138/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art 351 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.216.138/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/511226

arrest van 18 juli 2017

in het incident ex artikel 351 Rv

inzake

1 [appellant],

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

hierna te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante] en gezamenlijk: [appellanten],

advocaat: mr. E. Tamas te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: A. Neermanwatie Nandoe te Rijswijk Zh.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar zijn in deze zaak gewezen tussenarrest van 4 juli 2017, waarbij een comparitie van partijen is bevolen. [appellanten] heeft in de appeldagvaarding - onder meer - schorsing gevorderd van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van voornoemd vonnis totdat in hoger beroep een eindarrest is gewezen.

1.2

Bij conclusie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het incident.

1.3

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest in het incident gevraagd.

2 Beoordeling in het incident

2.1

Deze zaak betreft het volgende. [geïntimeerde] en [appellanten] hebben mondeling een overeenkomst gesloten op grond waarvan [geïntimeerde] aan [appellanten] een bedrag heeft geleend van € 50.000,00. Deze overeenkomst van geldlening is op enig moment schriftelijk vastgelegd en op 1 februari 2014 door partijen ondertekend. De rechtbank heeft bij vonnis van 8 februari 2017 [appellanten] veroordeeld tot - kort gezegd - betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 44.400,00, vermeerderd met wettelijke rente met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. De rechtbank heeft dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.2

[appellanten] vordert in dit incident schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis van 8 februari 2017 voor de duur van deze hoger beroep-procedure. Het hof merkt dit aan als een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis zoals bedoeld in artikel 351 Rv.

2.3

Uit vaste jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een vordering op grond van artikel 351 Rv de belangen van partijen moeten worden afgewogen, in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij de belangenafweging moet uitgangspunt zijn dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom heeft verkregen (in dit geval [geïntimeerde]), wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Nagegaan moet worden of het belang van de veroordeelde (in dit geval [appellanten]) bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder moet wegen. Het hof moet bij de beoordeling van de incidentele vordering uit gaan van het in eerste aanleg gewezen vonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet in de regel buiten beschouwing worden gelaten. Op die regel kan een uitzondering worden gemaakt als het vonnis in eerste aanleg klaarblijkelijk op een misslag berust.

2.4

[appellanten] heeft niets aangevoerd ter zake haar belang bij de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis in eerste aanleg. Ook is niet gesteld of gebleken dat het vonnis in eerste aanleg klaarblijkelijk op een misslag berust.

2.5

Bij deze stand van zaken weegt bovendien het belang van [geïntimeerde] bij voldoening aan het veroordelende vonnis en het voorkomen van verdere vertraging bij de afwikkeling zwaarder dan het belang van Kahdje c.s. bij het afwachten van de uitkomst van het hoger beroep.

2.6

De slotsom is dat de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging zal worden afgewezen. Het hof zal [appellanten] veroordelen in de kosten van het incident.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging af;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het incident, aan de zijde van [geïntimeerde] te begroten op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

in de hoofdzaak:

houdt iedere verdere beslissing aan tot de comparitie van 26 juli 2017 te 9:30 uur.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.D. Ruizeveld, A.D. Kiers-Becking en H.M. Wattendorff en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.