Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2048

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2017
Datum publicatie
24-10-2017
Zaaknummer
200.201.974/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

staatsaansprakelijkheid; uitzetting versus uitlevering; o.a. vordering bewerkstelligen dat uitgezette persoon wordt teruggeleid; ontvankelijkheid; bevoegdheid vreemdelingenrechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0838
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.201.974/01

Rolnummer rechtbank : C/09/514071 / KG ZA 16-840

arrest van 25 juli 2017

inzake

[appellant],

thans gedetineerd in Kigali, Rwanda,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. T. de Boer,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 12 oktober 2016 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag op 16 september 2016 gewezen vonnis. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] één grief (uiteenvallend in vier subgrieven) tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Vervolgens heeft hij een akte houdende wijziging van eis ingediend. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Op 8 juni 2017 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, aan de hand van pleitnotities die zij hebben overgelegd. Bij die gelegenheid heeft [appellant] voorts nog een aantal (op voorhand toegezonden) producties in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.1

[appellant] is begin 2000 naar Nederland gekomen. Bij beschikking van 16 februari 2004 is aan hem een tot 17 februari 2003 geldige verblijfsvergunning asiel op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verleend met ingang van 27 februari 2000. Bij dezelfde beschikking is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met ingang van 17 februari 2003.

1.2

Bij besluit van 19 augustus 2011 van de minister voor Immigratie en Asiel is de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en voor bepaalde tijd van [appellant] ingetrokken met terugwerkende kracht tot 17 februari 2000. Daartoe is – samengevat – overwogen dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat [appellant] actief heeft deelgenomen aan genocide in Rwanda in de periode van 6 april 1994 tot en met 19 juli 1994 en dat daarom sprake is van “het ernstige vermoeden” dat betrokkene weet heeft gehad en medeplichtig is geweest aan handelingen als omschreven in artikel 1F van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Uit het besluit blijkt dat de minister rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat [appellant] zal worden vervolgd in Rwanda en zich heeft gebogen over de vraag of [appellant] in Rwanda risico loopt te worden blootgesteld aan een schending van artikel 3 EVRM. Het besluit had op grond van artikel 45 Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) onder meer als rechtsgevolg dat [appellant] met ingang van de dag waarop de beroepstermijn is verstreken, niet langer rechtmatig in Nederland verbleef, dat hij Nederland uit eigen beweging diende te verlaten voor het einde van de beroepstermijn en dat hij bij gebreke hiervan kon worden uitgezet. Omdat [appellant] tijdig beroep instelde, werden deze rechtsgevolgen opgeschort. Het beroep van [appellant] is door de rechtbank Den Haag ongegrond verklaard en deze uitspraak is in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) op 23 juni 2014 bevestigd.

1.3

Op 24 juli 2014 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een laissez passer-aanvraag (hierna: LP-aanvraag) betreffende [appellant] doorgezonden aan de autoriteiten van Rwanda. Op in ieder geval op 29 juli 2014, 20 augustus 2014 en 13 januari 2015 is er gerappelleerd.

1.4

Op 15 augustus 2014 is [appellant] in bewaring gesteld, waarna in ieder geval op 21 augustus 2014 en op 27 januari 2015 met hem vertrekgesprekken zijn gevoerd. Het door [appellant] tegen de bewaringsbeslissing ingestelde beroep is ongegrond verklaard en het hiertegen ingestelde hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard. [appellant] heeft vervolgens verschillende keren beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring, welke beroepen telkens ongegrond zijn verklaard.

1.5

Bij besluit van 15 augustus 2014 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie [appellant] een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar en aan hem de aanzegging gegeven Nederland onmiddellijk te verlaten. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, op 21 november 2014 ongegrond verklaard. In haar uitspraak is de rechtbank ingegaan op het standpunt van de staatssecretaris, inhoudende dat geen sprake is van een reëel en voorzienbaar risico van schending van artikel 3 EVRM, ook al zou [appellant] door de Rwandese autoriteiten “concreet worden gezocht en worden gearresteerd ter zake van enige verdenking van het plegen van genocide en misdaden tegen de menselijkheid”. Een dergelijk risico volgde volgens de staatssecretaris evenmin, zo blijkt uit de uitspraak, uit de omstandigheid dat [appellant] bij terugkeer naar Rwanda mogelijk zal worden gearresteerd met het oog op de tenuitvoerlegging van een door een Gacaca-rechtbank (een soort volksrechtbank) in 2008 wegens genocide opgelegde gevangenisstraf van vijftien jaar. Het tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is op 30 januari 2015 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kennelijk ongegrond verklaard.

1.6

Bij besluit van 10 november 2014 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan [appellant] een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, op 3 februari 2015 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 mei 2015 bevestigd.

1.7

Op 12 januari 2015 heeft Rwanda een internationaal arrestatiebevel ten aanzien van [appellant] uitgevaardigd, waarin staat vermeld dat [appellant] in Rwanda wordt verdacht van genocide en “extermination as a crime against humanity” en waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“5. Thus, the Prosecutor General of the Republic of Rwanda requests the judicial authorities of Netherlands to:

i. Arrest (…) [appellant] (…)

ii. Search and seize all physical evidence related tot he crimes alleged to have been committed by (…) [eiser] (…). create a detailed itemized inventory that is properly witnessed and acknowledged by the Accused; and transfer the said evidence and inventory to the National Public Prosecution Authority Office in Kigali, Rwanda, at the time of his extradiction [onderstreping hof];”

1.8

Op dezelfde datum heeft Rwanda een “indictment” (beschuldiging) ten aanzien van [appellant] uitgevaardigd.

1.9

Op 16 januari 2015 is [appellant] geplaatst op de lijst met namen van genocideverdachten die op dat moment in het buitenland woonachtig waren en waartegen vervolging aanhangig is gemaakt.

1.10

Op 13 februari 2015 heeft Interpol Nederland per e-mail een “diffusion” ontvangen van Rwanda. Bij e-mailbericht van 16 februari 2015 met het onderwerp “WANTED PERSON DIFFUSION [appellant] (…)” heeft het hoofdkantoor van Interpol in Lyon aan Interpol Nederland onder meer het volgende bericht:

“Please be advised that the individual sought is wanted in charges of genocide and crimes against humanity. It has come to our attention that the individual may be facing charges of genocide, alternatively may already be serving a sentence, following his conviction of genocide and crimes against humanity in the Netherlands.

We would appreciate if your authorities could confirm whether the individual sought is facing charges of genocide, alternatively is already serving a sentence in the Netherlands. (…)”

1.11

Bij e-mailbericht van 26 februari 2015 heeft het hoofdkantoor van Interpol te Lyon aan Interpol Nederland het volgende bericht:

“The General Secretariat refers to the above matter and our message dated 16 Februari 2015, in which we requested clarification on the existence or otherwise of criminal proceedings and the outcome thereof in the Netherlands against the individual sought by NCB Kigali for the same offences.”

1.12

Op 12 maart 2015 heeft Interpol Den Haag, na raadpleging van de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken van het ministerie van Veiligheid en Justitie (AIRS) aan het hoofdkantoor van Interpol te Lyon onder meer het volgende geantwoord:

“On behalf of our International Crimes Team we can inform you that no criminal investigation has been initiated against the subject. Also he has not been sentenced in The Netherlands.”

1.13

Op 16 maart 2015 heeft de Dienst Terugkeer & Vertrek een laissez passer ten aanzien van [appellant] van de Rwandese autoriteiten ontvangen.

1.14

Bij brief van 17 maart 2015 met als onderwerp “Rechtshulpverzoek van Rwanda inzake (…) [appellant] (…); internationaal arrestatiebevel” heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een note verbale van de Rwandese autoriteiten van 19 januari 2015 aan AIRS gezonden. Ontvangst van deze brief is op 18 maart 2015 door AIRS ingeboekt. Bij de note verbale zijn gevoegd het internationaal arrestatiebevel en de indictment.

1.15

Tijdens het hoger beroep dat heeft geresulteerd in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 mei 2015 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke uitzetting en verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die erop is gericht te voorkomen dat hij op 21 maart 2015 wordt uitgezet. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 maart 2015 is het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen afgewezen, omdat er geen grond bestaat om aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep zal worden vernietigd en dat niet van de rechtmatigheid van de uitzetting en de wijze waarop deze wordt geëffectueerd kan worden uitgegaan.

1.16

[appellant] had eerder al beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 februari 2015 tot verlenging van de bewaringstermijn ingaande 11 februari 2015 en had daarbij tevens om schadevergoeding verzocht. Nadat de rechtbank het beroep ongegrond had verklaard en het verzoek om schadevergoeding had afgewezen, is het hoger beroep tegen deze uitspraak door de ABRvS bij uitspraak van 20 april 2015 gegrond verklaard. De ABRvS heeft aan [appellant] een schadevergoeding toegekend van € 3.200,- over de detentieperiode van 9 februari 2015 tot 21 maart 2015.

1.17

Op 21 maart 2015 is [appellant] uitgezet naar Kigali, Rwanda. Bij aankomst aldaar is [appellant] gearresteerd en in hechtenis genomen op grond van het internationale arrestatiebevel en de aanklacht wegens verdenking van deelname aan genocide. Hij verblijft thans nog steeds in detentie.

1.18

In Rwanda is bij de zogeheten Busasamana-rechtbank thans een strafrechtelijke procedure ten aanzien van [appellant] aanhangig. Bij beslissing van 27 juli 2015 heeft de Busasamana-rechtbank de hierboven reeds genoemde, door het Gacaca-tribunaal van sector Nyanza op 26 februari 2008 aan [appellant] opgelegde straf van 15 jaar vernietigd en is de behandeling van de zaak aangehouden.

1.19

Ten aanzien van verdachten die aan Rwanda worden uitgeleverd is in Rwanda de zogeheten Transfer Law van toepassing. Deze wet bevat een aantal waarborgen ter zake van het recht op een eerlijk proces. De personen die verdacht en veroordeeld worden onder het regime van de Transfer Law ondergaan hun hechtenis en gevangenisstraf in afzonderlijke, speciaal voor hen ingerichte (afdelingen van) penitentiaire inrichtingen in Rwanda.

1.20

Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS (onder meer ABRvS 23 juli 2004 ECLI:NL:RVS:2004:AQ5615) prevaleert de Uitleveringswet als bijzondere regeling boven artikel 45 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en moet de uitzetting dus worden opgeschort als een uitleveringsverzoek is ingediend en daarop nog niet afwijzend is beslist.

2. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de rechtbank:

primair

  1. de Staat zal verplichten om te bewerkstelligen dat [appellant] op kosten van de Nederlandse Staat binnen twee weken naar Nederland wordt teruggeleid; en

  2. de Staat zal verplichten tot vergoeding van de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van de verkapte uitlevering, thans bestaande uit:

- schade als gevolg van detentie in Rwanda à € 400,- per dag, te rekenen vanaf 21 maart 2015 tot aan de dag van teruggeleiding naar Nederland;

- reeds gemaakte advocaatkosten in Rwanda, thans begroot op € 2.420,-;

subsidiair:

de Staat zal gebieden dat hij bewerkstelligt:

a. dat de behandeling van de strafzaak van [appellant] in Rwanda onder de werking van de Transfer Law komt te vallen;

b. dat aan [appellant] in zijn lopende strafzaak in Rwanda een gekwalificeerde niet- Rwandese advocaat ter beschikking zal worden gesteld op kosten van de Staat, die toegang zal krijgen tot alle noodzakelijk geachte bewijsmiddelen en getuigen en voor het overige in staat zal worden gesteld de verdediging van [appellant] effectief te voeren;

c. dat de kosten van rechtsbijstand van deze niet-Rwandese advocaat niet anders gelimiteerd worden dan zoals gebruikelijk in het Nederlandse stelsel van toegevoegde rechtsbijstand in vergelijkbare Nederlandse strafzaken; en

d. dat de namens de verdediging in de tegen [appellant] lopende strafzaak op te roepen getuigen een effectieve, niet door Rwanda beïnvloedbare, getuigenbescherming aangeboden kan worden;

althans zodanige voorzieningen zal treffen als de voorzieningenrechter geraden acht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

3. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

4. In appel vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en, na eiswijziging, dat het hof:

primair

  1. de Staat zal verplichten al het mogelijke te doen om [appellant] op kosten van de Nederlandse Staat binnen twee weken naar Nederland terug te geleiden en [appellant] op de hoogte te houden van zijn inspanningen; en

  2. de Staat zal verplichten een voorschot te betalen op de vergoeding van de materiële en immateriële schade die [appellant] heeft geleden en lijdt als gevolg van de onrechtmatige uitlevering, thans bestaande uit:

- een voorschot op de vergoeding van de immateriële schade als gevolg van de vernederende en onmenselijke omstandigheden in detentie en de blootstelling aan een schending van artikel 6 EVRM, ad € 5.000,- of een bedrag dat het hof geraden acht;

- reeds gemaakte advocaatkosten in Rwanda, thans begroot op € 5.000,-;

subsidiair:

de Staat zal gebieden dat hij al het mogelijke doet om te bewerkstelligen:

a. dat de behandeling van de strafzaak van [appellant] in Rwanda onder de werking van de Transfer Law komt te vallen;

b. dat, met inachtneming van het door artikel 6 EVRM beschermde recht van raadsman naar keuze, aan [appellant] in zijn lopende strafzaak in Rwanda een gekwalificeerde niet- Rwandese advocaat ter beschikking zal worden gesteld op kosten van de Staat, die toegang zal krijgen tot alle noodzakelijk geachte bewijsmiddelen en getuigen en voor het overige in staat zal worden gesteld de verdediging van [appellant] effectief te voeren;

c. dat de kosten van rechtsbijstand van deze niet-Rwandese advocaat niet anders gelimiteerd worden dan zoals gebruikelijk in het Nederlandse stelsel van toegevoegde rechtsbijstand in vergelijkbare Nederlandse strafzaken; en

d. dat de namens de verdediging in de tegen [appellant] lopende strafzaak op te roepen getuigen een effectieve, niet door Rwanda beïnvloedbare, getuigenbescherming aangeboden kan worden;

en de Staat zal gebieden [appellant] van bovengenoemde inspanningen op de hoogte te houden;

althans zodanige voorzieningen zal treffen als de voorzieningenrechter geraden acht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente met ingang van veertien dagen na het arrest.

5. De enige grief van [appellant] houdt in dat de rechtbank heeft miskend dat de Staat op onrechtmatige wijze aan [appellant] de uitleveringsprocedure heeft onthouden. Deze grief valt uiteen in vier subgrieven.

Met griefonderdeel A stelt [appellant] dat er sprake is van een uitleveringsverzoek, althans dat het arrestatiebevel van 12 januari 2015 op één lijn moet worden gesteld met een uitleveringsverzoek, en dat uitzetting dus niet mogelijk was omdat uitlevering prevaleert (zie hierboven onder 1.20.). [appellant] verwijst daartoe onder meer naar de in het aanhoudingsbevel voorkomende woorden “at the time of his extradition” (zie hierboven onder 1.7.). Voor zover het uitleveringsverzoek gebrekkig was, had de Staat aanvulling, verbetering of verduidelijking aan de Rwandese autoriteiten moeten vragen. Zelfs als van een uitleveringsverzoek strikt genomen (nog) geen sprake was, was uitzetten al niet meer toegestaan omdat er in elk geval wel een aanhoudingsbevel lag, hetgeen de voorfase van een uitleveringsprocedure inluidt, aldus [appellant]. Vanaf dat moment is uitzetting al niet meer mogelijk, zo bepleit [appellant] met griefonderdeel B. Hij verwijst in dat verband naar de wetsgeschiedenis. [appellant] betoogt voorts met griefonderdeel C dat sprake is verkapte uitlevering omdat de Staat tot uitzetting werd bewogen door andere drijfveren dan de wens om [appellant] uit Nederland te verwijderen. [appellant] leidt dit onder meer af uit het feit dat de Staat ten tijde van de uitzetting op de hoogte was van het aanhoudingsbevel en van de indictment en ervoor heeft gekozen om deze stukken niet te delen met [appellant] en diens advocaat, noch met de betrokken bestuursorganen en het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie. Griefonderdeel D, tot slot, houdt in dat de Staat door deze informatie welbewust achter te houden voorafgaand aan de uitzetting heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat [appellant] hierdoor het recht op een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM is onthouden. Het ligt volgens [appellant] voor de hand dat de bestuursrechter bij bekendheid met het uitleveringsverzoek c.q. arrestatiebevel de uitzetting niet toelaatbaar zou hebben gevonden. Het uitleveringsverzoek c.q. arrestatiebevel zou naar zijn mening dan ook in elk geval hebben gegolden als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid op grond waarvan [appellant] had kunnen verzoeken om een voorlopige voorziening en/of een nieuw asielverzoek had kunnen indienen.

[appellant] stelt voorts dat hij schade lijdt doordat hij is uitgezet in plaats van uitgeleverd. Bij uitlevering zou hij zijn gedetineerd in de internationale vleugel van de Gasabo-gevangenis in Kigali, terwijl hij thans samen met vierhonderd andere gevangenen in een tent verblijft onder omstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 EVRM. Voorts lijdt hij schade doordat hem de waarborgen van de Transfer Law en de bij een uitlevering te bedingen diplomatieke garanties zijn onthouden. De huidige rechtsgang in Rwanda is volgens hem in strijd met artikel 6 EVRM.

[appellant] heeft ook nog aangevoerd dat als hij in vrijheid was gesteld op 9 februari 2015 (zie onder 1.16) én tijdig op de hoogte was gesteld van het arrestatiebevel en de indictment, hij eigener beweging naar Mozambique zou zijn gegaan, waar hij familie heeft. De detentie in Rwanda was hem dan bespaard gebleven.

6. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

7. Het meest verstrekkende verweer van de Staat houdt in dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, omdat voor hem een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan.

8. Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof het volgende voorop.

8.1.

Zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Vw 2000 en meermalen is bevestigd in de rechtspraak (zie o.a. HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3135), heeft de wetgever beoogd de rechtsbescherming van de vreemdeling bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter, in het bijzonder de vreemdelingenrechter. Het werd onwenselijk geacht dat twee verschillende rechters, de bestuursrechter en de burgerlijke rechter, zouden oordelen over geschillen met betrekking tot de vreemdeling. Zo zou de uitleg van begrippen uit de wet daardoor uiteen kunnen gaan lopen of zou de burgerlijke rechter zich genoodzaakt kunnen zien de uitspraak van de bestuursrechter te beoordelen (zie o.a. Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 71). Om deze reden bepaalt artikel 72 lid 3 Vw 2000 dat voor de vreemdeling niet alleen beroep openstaat tegen jegens hem als zodanig door een bestuursorgaan gegeven beschikkingen, maar ook tegen door een bestuursorgaan jegens hem als zodanig verrichte, rechtens relevante (feitelijke) handelingen.

8.2.

Aan deze (in beginsel) exclusieve vreemdelingrechtelijke rechtsbescherming doet niet af dat handelingen ter (voorbereiding van de) uitvoering van een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking niet afzonderlijk ter beoordeling aan de vreemdelingenrechter kunnen worden voorgelegd omdat zij op grond van artikel 45 Vw 2000 van rechtswege uit die beschikking voortvloeien – zoals in dit geval de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit uit het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning. De rechtsbescherming met betrekking tot dergelijke uitvoeringshandelingen is immers in voldoende mate gewaarborgd door het beroep dat heeft opengestaan tegen de daaraan ten grondslag liggende, zogeheten “meeromvattende beschikking” (zoals de afwijzing van een asielaanvraag of de intrekking van een verblijfsvergunning wel wordt genoemd, omdat zo’n afwijzing respectievelijk intrekking directe rechtsgevolgen heeft voor de mogelijkheid van uitzetting en de aanspraak op opvangvoorzieningen, zonder dat daarvoor nog verdere publiekrechtelijke handelingen vereist zijn). De vreemdelingenrechter moet het besluit mede toetsen in het licht van de op grond van artikel 45 Vw 2000 uit de beschikking voortvloeiende rechtsgevolgen (zie wederom de Hoge Raad in het onder 8.1. aangehaalde arrest, met verwijzing naar o.a. ABRvS 2 april 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AH9543).

8.3.

Bij het voorgaande is van belang dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 72 lid 3 Vw 2000 blijkt dat ook als het gaat om de uitvoering van een meeromvattende beschikking, de vreemdelingenrechter rechtsbescherming kan bieden indien er door tijdsverloop tussen de afwijzing van de asielaanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning enerzijds en de daadwerkelijke uitzettingshandeling anderzijds een relevante wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Als de situatie ten tijde van de uitzetting zodanig verschilt van die ten tijde van het rechterlijk oordeel ten aanzien van de beschikking waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit dat niet meer kan worden gezegd dat de rechtmatigheid van de uitzetting al is komen vast te staan, kan een uitzettingshandeling een rechtens relevante handeling zijn, waartegen ingevolge artikel 72 lid 3 Vw 2000 bezwaar en beroep openstaat (aldus opnieuw de Hoge Raad in het hierboven genoemde arrest, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis). Ook als de uitzetting reeds heeft plaatsgevonden, is rechtsbescherming mogelijk op grond van nieuwe feiten of omstandigheden die niet bekend waren noch behoorden te zijn ten tijde van de uitzetting. De vreemdeling kan bijvoorbeeld de staatssecretaris verzoeken om hem naar Nederland terug te geleiden wegens schending van het refoulementverbod (ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1995, r.o. 1.3). Een zodanig verzoek dient dan te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het eerdere besluit waaruit de bevoegdheid voortvloeit. Een bevel tot terughalen kan ook bij wijze van voorlopige voorziening worden gevorderd (vergelijk uitspraak Vz ABRvS 26 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0628, waarin het ging om overdracht). De vreemdeling kan op basis van artikel 8:88 lid 1 Awb, in samenhang gelezen met artikel 72a Vw 2000, tevens verzoeken om schadevergoeding in verband met onrechtmatig handelen tijdens of na de feitelijke uitzetting (ABRvS 12 juni 2015, hiervoor aangehaald).

9. In het licht van het voorgaande overweegt het hof als volgt. Met de Staat is het hof van oordeel dat de grieven en stellingen van [appellant] alle kunnen worden teruggebracht tot in de kern de stelling dat de uitzetting onrechtmatig is geweest, en wel om diverse redenen, namelijk: (i) er lag al een uitleveringsverzoek, althans (ii) dat kon worden verwacht, en daarom moest de uitzetting worden opgeschort, en/of (iii) de uitleveringsprocedure is op onrechtmatige wijze omzeild en/of (iv) er is informatie achtergehouden die tot een andere uitkomst in de vreemdelingrechtelijke procedure zou hebben geleid. Het achterhouden van informatie vindt Munyneza weliswaar op zichzelf al onrechtmatig, maar de kern van zijn bezwaar is dat hij is uitgezet, althans dat hij is uitgezet in plaats van uitgeleverd en dat hij daardoor nu wordt blootgesteld aan een schending van de artikelen 3 en 6 EVRM.

10. Zoals hierboven al is overwogen was de bevoegdheid tot uitzetting in dit geval het gevolg van het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning. [appellant] heeft de rechtmatigheid van dat besluit in de vreemdelingenrechtelijke procedure ter discussie kunnen stellen. Dit geldt ook voor het besluit strekkende tot een inreisverbod voor de duur van 10 jaar. Niet in geschil is dat de vreemdelingenrechtelijke procedure, zowel als het gaat om een procedure “ten gronde” als om een voorlopige voorziening, een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is. In de gevoerde procedures was bekend dat [appellant] in Rwanda mogelijk dan wel waarschijnlijk zou worden vervolgd wegens genocide en hij heeft kunnen aanvoeren dat dit aan uitzetting in de weg stond. De besluiten zijn onherroepelijk komen vast te staan en hebben derhalve formele rechtskracht. [appellant] stelt echter dat door toedoen van de Staat in die procedures niet bekend was dat Rwanda een aanhoudingsbevel met indictment had doen uitgaan en dat de procedures een andere uitkomst hadden gekend als die informatie niet was achtergehouden. Daargelaten of dit laatste juist is, uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat het [appellant] vrijstond en -staat om de staatssecretaris met een beroep op nieuwe feiten en omstandigheden te verzoeken terug te komen op zijn eerdere besluit en hem naar Nederland terug te halen. Tegen een afwijzende beslissing stond/staat vervolgens beroep en hoger beroep open, terwijl ook een voorlopige voorziening en een vordering tot schadevergoeding tot de mogelijkheden behoren. De redenering van de voorzieningenrechter dat het volgen van de bestuursrechtelijke procedure niet tot het door [appellant] gewenste gevolg kan leiden omdat daarvoor de medewerking van de Rwandese autoriteiten nodig is, is niet sluitend. Die medewerking is namelijk hoe dan ook nodig, ook als de primaire vordering in dit geding zou worden toegewezen, aangezien [appellant] niet over een reisdocument beschikt. De (voor het eerst) tijdens de pleidooizitting in appel namens [appellant] geponeerde stelling dat hij wel over zo’n document beschikt, is door de Staat betwist, en is niet nader onderbouwd door [appellant].

11. De conclusie luidt dat [appellant] zich tot de vreemdelingenrechter kan en moet wenden. Dit spoort ook met de onder 8.1. weergegeven bedoeling van de wetgever. Dit betekent dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen. Dit geldt niet alleen voor zijn primaire maar ook voor zijn subsidiaire vorderingen, nu deze (eveneens) strekken tot (een vorm van) compensatie voor de nadelige gevolgen van de volgens [appellant] onrechtmatige uitzetting.

12. Zoals hierboven reeds vermeld heeft [appellant] heeft ook nog aangevoerd dat hij, als hij in vrijheid was gesteld op 9 februari 2015 en hij bovendien tijdig op de hoogte was gesteld van het arrestatiebevel en de indictment, eigener beweging naar Mozambique was gegaan, waar hij familie heeft. De detentie in Rwanda was hem dan bespaard gebleven. Voor zover dit al bedoeld is als een zelfstandige grondslag van de vorderingen, geldt dat [appellant] om dezelfde redenen als hierboven vermeld ook in dit betoog niet kan worden ontvangen.

13. Aan een verdere bespreking van de grief komt het hof gelet op het voorgaande niet toe. De conclusie luidt dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd voor zover [appellant] daarbij in de proceskosten is veroordeeld en voor zover deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het vonnis moet worden vernietigd voor zover de vorderingen daarbij integraal zijn afgewezen. Opnieuw rechtdoende zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen. De Staat heeft niet gevorderd dat [appellant] in de proceskosten in appel zal worden veroordeeld en het hof ziet geen aanleiding tot een ambtshalve veroordeling.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis van 16 september 2016 voor zover de vorderingen daarbij zijn afgewezen, en

opnieuw rechtdoende:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk;

- bekrachtigt het vonnis voor het overige (proceskosten plus rente, alsmede uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze veroordeling).

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, M.E. Honée en J.H. Gerards en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2017, in aanwezigheid van de griffier.