Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2033

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
200.209.021/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Persoonlijke aansprakelijkheid officier van justitie / rechterlijk ambtenaar. Verwijzing naar HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 en artikel 42 Wet rechtspositie rechtelijke ambtenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.209.021/01

Zaak- en rekestnummer rechtbank : C/09/508322 / HA RK 16-169

beschikking van 18 juli 2017

inzake

[naam 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. N.H. Margetson te Rotterdam,

tegen

1. [naam 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

verweerders in hoger beroep,

hierna afzonderlijk te noemen: [verweerder 1] en de Staat, of gezamenlijk: verweerders,

advocaat: mr. I.C. Engels te Den Haag.

Het geding

1. Bij beroepschrift met producties, door het hof ontvangen op 8 februari 2017, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 november 2016. In het beroepschrift heeft hij vijf grieven tegen de bestreden beschikking geformuleerd en toegelicht. Verweerders hebben op die grieven gereageerd in hun verweerschrift met een productie. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2017. Daarbij hebben de advocaten van partijen hun standpunten nader toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Vervolgens is een datum voor deze beschikking bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de volgende, door de rechtbank onbestreden vastgestelde, feiten:

a. In september 2015 is naar aanleiding van informatie die het Team Criminele Inlichtingen van de Landelijke Eenheid (TCI) heeft verkregen, onder leiding van [verweerder 1] als officier van justitie van het Landelijk Parket Rotterdam, een opsporingsonderzoek gestart onder de naam ‘26Plutonium’. In het kader van het opsporingsonderzoek heeft op 14 september 2015 een doorzoeking plaatsgevonden op het adres [adres 1] . Op dat adres is Uitzendbureau [X] B.V. gevestigd. [appellant] is eigenaar van dat uitzendbureau. Er zijn op dat adres verschillende geldbedragen aangetroffen en in beslag genomen.

Na voormelde doorzoeking heeft op dezelfde dag een doorzoeking plaatsgevonden van de woning van [appellant] aan de [adres 2] . Bij deze doorzoeking werd niets in beslag genomen. Op 16 september 2015 is [appellant] als verdachte verhoord. Hem is daarbij verteld dat de politie informatie had gekregen dat hij enkele tonnen euro’s bewaarde voor een politieke organisatie, maar dat de aan die informatie ontleende verwachting niet bewaarheid was geworden. In november 2015 heeft volledige terugbetaling van de in beslag genomen gelden plaatsgevonden. Het formele sepot, met sepotcode 01, is uiteindelijk op 21 januari 2016 aan [appellant] verstrekt.

3. [appellant] heeft de rechtbank bij verzoekschrift, gericht tegen [verweerder 1] , verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen. De rechtbank heeft de Staat als belanghebbende in de procedure toegelaten en heeft het verweer dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek gericht tegen [verweerder 1] , verworpen. Ten aanzien van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor heeft de rechtbank, voor zover voor dit hoger beroep nog relevant, overwogen, samengevat weergegeven, dat door verweerders in het uitgebreide verweerschrift gemotiveerd is aangegeven wat de basis is geweest waarop [verweerder 1] zijn beslissing heeft genomen om [appellant] te vervolgen en dwangmiddelen jegens hem in te zetten. Van [appellant] had daarom mogen worden verwacht nader te onderbouwen en te concretiseren welke feiten hij nog door middel van een getuigenverhoor wilde bewijzen. Met betrekking tot de toedracht bij de twee huiszoekingen overwoog de rechtbank dat het enkele feit dat partijen van mening verschillen over de wijze waarop de huiszoekingen hebben plaatsgevonden, niet kan leiden tot de conclusie dat een voorlopig getuigenverhoor moet worden gelast.

4. [appellant] verzoekt in hoger beroep de beschikking van de rechtbank te vernietigen en alsnog een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Grief 1 is gericht tegen de weergave van het standpunt van [appellant] in rechtsoverweging 2.3 van de bestreden beschikking. [appellant] voert aan dat die weergave onvolledig is. In het kader van deze grief heeft [appellant] voorts een brief van 7 februari 2017 van zijn advocaat in de strafprocedure, mr. O.O. van der Lee, overgelegd, waarin een aantal aan de getuigen mogelijk te stellen vragen zijn geformuleerd. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staat als belanghebbende moet worden toegelaten. [appellant] voert aan dat de aansprakelijkheid van de Staat is gegeven en dat het de Staat dus onverschillig moet laten of [verweerder 1] daarnaast ook aansprakelijk is. Grief 3 komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat van [appellant] had mogen worden verwacht nader te onderbouwen welke feiten er in het voorlopig getuigenverhoor nog aan de orde zouden moeten worden gesteld. [appellant] voert aan dat van hem niet verwacht kan worden thans zijn vragen en zijn processtrategie reeds volledig uiteen te zetten. Bovendien heeft [appellant] wel duidelijk gemaakt welke feiten hij wil bewijzen en welke vragen gesteld zullen worden. Grief 4 komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de gestelde gang van zaken bij de huiszoekingen niet kan worden geconcludeerd dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen waarvoor [verweerder 1] persoonlijk aansprakelijk gesteld kan worden, terwijl grief 5 is gericht tegen de afwijzing van het verzoek als zodanig en de veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

5. Het hof neemt het volgende tot uitgangspunt. Op grond van het bepaalde in artikel 186 Rv kan, in de gevallen waarin bewijs door getuigen is toegelaten, op verzoek van een belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen. Een voorlopig getuigenverhoor strekt ertoe de verzoeker gelegenheid te bieden opheldering te verkrijgen omtrent de voor het eventueel aan te spannen geding of voor een reeds aanhangige procedure van belang zijnde feiten, zulks teneinde hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt de toewijsbaarheid van de in te stellen vordering niet ter toetsing voor. Over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade, behoeft de verzoeker zich niet uit te laten (vgl. HR 6 juni 2008, nr. R07/117, LJN BC3354, NJ 2008, 323). Voorzover hij zich daarover wel uitlaat, is hij daaraan in het na opheldering van de feiten ingestelde geding niet gebonden.

6. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan echter, als het overigens aan de eisen voor toewijzing voldoet, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van het middel misbruik wordt gemaakt, waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten, alsmede op de grond dat het verzoek strijdig is met de eisen van een goede procesorde, dan wel dat toewijzing van het verzoek moet afstuiten op een ander, door de rechter als zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

7. Het hof zal eerst beoordelen of de Staat terecht als belanghebbende in deze procedure is toegelaten. Daarbij heeft te gelden dat de wet niet omschrijft wie als belanghebbende heeft te gelden. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, moet een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Binnen dit kader beantwoordt het hof de vraag of de Staat belanghebbende is, bevestigend. Reeds het feit dat een van zijn organen wordt aangesproken, brengt mee dat de Staat een eigen belang heeft bij de uitkomst van de procedure. Het feit dat [appellant] stelt dat de aansprakelijkheid van de Staat gegeven is, maakt dit niet anders, reeds omdat de Staat dit heeft betwist en de uitkomst van deze verzoekschriftprocedure ook daarom de positie van de Staat kan raken. Grief 2 faalt dus.

8. Verweerders hebben in hoger beroep hun door de rechtbank verworpen verweer gehandhaafd dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek voor zover dat is gericht tegen [verweerder 1] . Zij stellen in dat verband dat in het verzoekschrift geen feiten worden gesteld waaruit volgt dat [verweerder 1] persoonlijk een verwijt zou kunnen worden gemaakt. Ter zitting van het hof hebben zij in dit verband verder aangevoerd dat artikel 42 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (WRRA) de persoonlijke aansprakelijkheid van de officier van justitie uitsluit.

9. Wanneer dit verweer, dat bij het slagen van een van de grieven aan de orde zou komen, gegrond is, kunnen de overige grieven onbesproken blijven. Het hof ziet daarin aanleiding eerst dit verweer te bespreken.

10. In zijn arrest van 11 oktober 1991 (NJ 1993, 165) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een orgaan van de overheid slechts onder bijzondere omstandigheden persoonlijk aansprakelijk is voor de door hem gemaakte fouten. Dat arrest had betrekking op het handelen van een officier van justitie, zodat op grond van dit arrest zou moeten worden aangenomen dat ook een officier van justitie als orgaan van de Staat onder omstandigheden persoonlijk aansprakelijk kan zijn voor handelingen verricht in de uitoefening van zijn ambt.

11. Artikel 42 lid 1 WRRA luidt echter als volgt:

Voor schade die een rechterlijk ambtenaar bij de vervulling van zijn ambt aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, is jegens de derde uitsluitend de Staat aansprakelijk.

Het artikel is in werking getreden op 1 januari 1997, dus na het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad (en is nadien enkele malen slechts op voor deze zaak niet-relevante onderdelen gewijzigd). In september 2015 was de tekst van het artikel gelijkluidend aan de thans geldende tekst, met dien verstande dat destijds daarin nog afzonderlijk de rechterlijk ambtenaar in opleiding werd genoemd.

12. Het begrip “rechterlijk ambtenaar” is gedefinieerd in artikel 1 lid 1 onder b WRRA en bepaalt (en bepaalde in september 2015) dat daaronder worden verstaan de rechterlijke ambtenaren als bedoeld in artikel 1, onderdeel b van de Wet op de rechterlijke organisatie. In dat artikel zijn onder 7 de officieren van justitie genoemd; in september 2015 was dat ook het geval. Dat betekent dat de officier van justitie een rechterlijk ambtenaar is in de zin van artikel 42 WRRA.

13. Artikel 42 WRRA is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1994-1995, 24 220, nr. 3) onder meer als volgt toegelicht (p. 4):

“Het eerste lid van artikel 42 beoogt nu, zonder inhoudelijk te willen afwijken van genoemde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, buiten twijfel te stellen dat de Staat altijd voor dergelijke bedrijfsrisico’s jegens de derde aansprakelijk is, ook als hij dit op grond van de artikelen 6:162 en 6:170 (en eventueel 6:172) van het Burgerlijk Wetboek niet zou zijn.

Bovendien sluit de bepaling persoonlijke aansprakelijkstelling van rechterlijke ambtenaren en raio’s voor bedrijfsschade door derden uit en wijkt zij in zoverre af van onder meer genoemde bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. De achtergrond daarvan is de volgende. Indien iemand bij voorbeeld tegen een rechter of officier van justitie een procedure zou aanspannen waarin hij de rechterlijk ambtenaar aansprakelijk stelt voor de als gevolg van een bedrijfsfout van die rechterlijk ambtenaar geleden schade, en in die procedure zou persoonlijke aansprakelijkheid van de betrokkene door de oordelende rechter worden afgewezen, dan zou dit licht tot de beschuldiging van «vriendjespolitiek» kunnen leiden. Ook zou, omgekeerd, de vrees voor die beschuldiging ertoe kunnen leiden dat de rechter te snel tot persoonlijke aansprakelijkheid zou concluderen. In beide gevallen wordt het vertrouwen in de rechterlijke macht geschaad. Aangezien dit vertrouwen een groot goed is, wordt de onderhavige uitsluiting voorgesteld. Overigens is hier de breuk met de huidige situatie in de praktijk niet groot. Ten eerste komt persoonlijke aansprakelijkstelling van (rechterlijke) ambtenaren of organen, naast aansprakelijkstelling van het overheidslichaam, door derden tot nu toe zelden voor bij gebrek aan belang. Ten tweede worden de weinige ingediende claims door de rechter niet licht gehonoreerd. De Hoge Raad (HR 11-10-1991, AB 1992, 62, m.nt. FHvdB) overwoog omtrent de onrechtmatige daad van een officier van justitie, bestaande in overschrijding van een wettelijke bevoegdheid:

«Wanneer een orgaan van de overheid zich bij de uitoefening van de hem als zodanig opgedragen taak onrechtmatig gedraagt door zijn wettelijke bevoegdheden te overschrijden, zal deze gedraging slechts aan hem persoonlijk kunnen worden toegerekend indien zij aan zijn schuld is te wijten, dat wil zeggen: wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. Voor een toerekening aan hem op de grond dat deze gedraging krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt, is geen plaats.».

De wet was in dit geval zo onduidelijk, dat de officier van justitie te goeder trouw kon menen binnen zijn wettelijke bevoegdheden te zijn gebleven. In afwijking van oudere jurisprudentie werd hier die goede trouw gehonoreerd.

Het hier besproken uitgangspunt is neergelegd in het eerste lid van artikel 42.”

14. De wetgever heeft met artikel 42 WRRA aldus gekozen voor het uitgangspunt dat een rechterlijk ambtenaar in de zin van die wet niet persoonlijk door anderen dan de Staat aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die hij bij de vervulling van zijn ambt toebrengt. Wel kan de Staat onder bijzondere omstandigheden regres op hem nemen. Daarmee is voor rechterlijk ambtenaren afgeweken van het door de Hoge Raad in zijn arrest van 11 oktober 1991 weergegeven kader. In de hierboven geciteerde parlementaire toelichting is in dat verband gesproken over een “breuk met de huidige situatie”.

15. In zijn arrest van 4 december 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BJ7834, NJ 2011, 131), dat betrekking had op de aansprakelijkheid van arbiters, heeft de Hoge Raad bevestigd dat, mede gelet op de bij de parlementaire behandeling gegeven toelichting, uit artikel 42 WRRA volgt dat een rechterlijk ambtenaar niet persoonlijk aansprakelijk is voor schade die een gevolg is van een onjuiste rechterlijke uitspraak. Gelet op de tekst van het artikel, de parlementaire toelichting, waarin mede wordt gesproken over “bedrijfsfouten”, en de door de wetgever gegeven ratio van het artikel, moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat dit geldt voor alle in de vervulling van het ambt verrichte handelingen.

16. De handelingen waarvoor [appellant] [verweerder 1] aansprakelijk houdt, zijn zonder twijfel in de vervulling van zijn ambt verricht. Voor die handelingen is dus uitsluitend de Staat aansprakelijk te houden. Dat betekent dat [appellant] in een bodemprocedure tegen [verweerder 1] niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

17. [appellant] heeft een en andermaal benadrukt dat hij uitsluitend getuigen wenst te horen om [verweerder 1] persoonlijk aansprakelijk te kunnen stellen. Het gaat hem nadrukkelijk niet om de aansprakelijkheid van de Staat; volgens zijn beroepschrift (randnummer 20; zie ook randnummer 5 pleitnota eerste aanleg) is de aansprakelijkheid van de Staat gegeven, zodat [appellant] volgens zijn eigen stellingen bij het horen van getuigen om de aansprakelijkheid van de Staat vast te stellen, geen belang heeft.

18. Nu [appellant] aldus uitsluitend getuigen wil horen om [verweerder 1] persoonlijk aansprakelijk te kunnen stellen, maar hierboven is geconcludeerd dat [verweerder 1] niet persoonlijk jegens [appellant] aansprakelijk kan zijn voor de handelingen waarom het hier gaat, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van misbruik van de bevoegdheid tot het bezigen van het middel. [appellant] heeft geen belang bij het horen van getuigen om een aansprakelijkheid vast te stellen die niet kan bestaan en verweerders hebben er belang bij verschoond te blijven van een dergelijk getuigenverhoor.

19. [appellant] heeft nog aangevoerd dat hij in een bodemprocedure een verklaring voor recht wil vragen dat [verweerder 1] aansprakelijk is, en dat artikel 42 WRRA dit wel zou toestaan. Dat betoog is onjuist. De ratio van artikel 42 WRRA geldt evenzeer voor een verklaring voor recht als voor een vordering die ertoe strekt dat een bepaalde schadevergoeding wordt voldaan.

20. De slotsom moet daarom zijn dat, wat er verder van de grieven ook zij, het verzoek terecht is afgewezen. Het hof voegt daaraan toe dat, in de situatie waarin de aansprakelijkheid van de Staat volgens [appellant] gegeven is, ook overigens niet valt in te zien welk rechtens te beschermen belang [appellant] erbij heeft [verweerder 1] persoonlijk aansprakelijk te houden. De Staat is immers een solvabele debiteur, zodat verhaal op een ander dan de Staat geen schadevergoedingsdoel dient. De beschikking van de rechtbank moet dus worden bekrachtigd, zij het op andere gronden. [appellant] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en moet worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Den Haag van 10 november 2016;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.J. van der Helm, G. Dulek-Schermers en H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.