Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2030

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
22-004605-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 181 Sr. Art 10 en 11 EVRM. Beperking recht op demonstratie buiten aangewezen locatie. Anti-zwarte piet demonstratie. Wet op de openbare manifestaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004605-16

Parketnummer: 09-108713-15

Datum uitspraak: 11 juli 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboorteland] op [geboortedatum]

adres: [adres verdachte].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg op de rechtsdagen

2 juni 2016 (waar de politierechter, bij wie de zaak was aangebracht, de zaak verwees naar de meervoudige kamer) en 22 september 2016 en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 27 juni 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen verklaard en is de verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten ontslagen van alle rechtsvervolging. De benadeelde partij X is in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 15 november 2014 te Gouda toen de aldaar dienstdoende X (brigadier van politie Eenheid Den Haag) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 11 Wet openbare manifestaties, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau te Gouda, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig:

- te verstarren en/of

- zijn spieren aan te spannen en/of

- te rukken en/of trekken, in elk geval zijn lichaam in een tegengestelde richting te bewegen dan die opsporingsambtenaar hem, verdachte, trachtten te bewegen en/of

- een of meerdere schoppende en/of slaande bewegingen te maken en/of

- ( met kracht) in het been (net onder de lies) van die opsporingsambtenaar te knijpen,

tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel (te weten bloeduitstorting op voornoemd been en/of een overbelaste en/of ontstoken en/of gezwollen pols) bekwam;

2.


hij op of omstreeks 15 november 2014 te Gouda, een opsporingsambtenaar, X (brigadier van politie Eenheid Den Haag), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door

- ( terwijl die opsporingsambtenaar hem, verdachte, had vastgegrepen) te rukken en/of trekken, in elk geval zijn lichaam in een tegengestelde richting te bewegen dan die opsporingsambtenaar hem, verdachte, trachtten te bewegen (ten gevolge waarvan de pols van die opsporingsamtenaar werd overbelast) en/of

- ( met kracht) in het been (net onder de lies) van die opsporingsambtenaar te knijpen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair twintig dagen hechtenis, waarvan € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard, omdat er sprake is van een stelselmatige inbreuk op de rechten van de verdachte. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft de raadsman aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte enkel is aangehouden vanwege zijn uiterlijk, dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn recht om in vrijheid een tegengeluid te kunnen laten horen en dat er sprake was van onregelmatigheden bij de aanhouding van de verdachte. Volgens de raadsman wordt de verdachte op systematische wijze het demonstreren onmogelijk gemaakt. Het is niet de eerste keer dat de verdachte rond Sinterklaas hardhandig met de politie in aanraking is gekomen. De sanctie van niet-ontvankelijkheid is noodzakelijk als middel om toekomstige vergelijkbare schendingen te voorkomen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het Zwolsmanarrest (NJ 1996/249) heeft de Hoge Raad overwogen dat het Openbaar Ministerie slechts dan niet-ontvankelijk in de vervolging van een verdachte kan worden verklaard, indien sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een inbreuk op de rechten van de verdachte zoals door de raadsman aan zijn verweer ten grondslag is gelegd. Met name blijkt niet dat aan de verdachte systematisch het demonstreren onmogelijk wordt gemaakt en dat bij zijn aanhouding steeds weer sprake is van onregelmatigheden. Het hof verwijst ter zake ook naar hetgeen hierna wordt overwogen.

Hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn betoog heeft aangevoerd kan derhalve noch zelfstandig, noch tezamen en in onderlinge samenhang, een inbreuk als hierboven omschreven opleveren.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof heeft uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte de hem onder 2 ten laste gelegde mishandeling heeft begaan, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op of omstreeks 15 november 2014 te Gouda toen de aldaar dienstdoende X (brigadier van politie Eenheid Den Haag) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 11 van de Wet openbare manifestaties, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau te Gouda, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig:

- te verstarren en/of

- zijn spieren aan te spannen en/of

- te rukken en/of trekken, in elk geval zijn lichaam in een tegengestelde richting te bewegen dan die waarin die opsporingsambtenaar hem, verdachte, trachtten te bewegen en/of

- een of meerdere schoppende en/of slaande bewegingen te maken en/of

- (met kracht) in het been (net onder de lies) van die opsporingsambtenaar te knijpenten gevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel (te weten bloeduitstorting op voornoemd been en/of een overbelaste en/of ontstoken en/of gezwollen pols) bekwam.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat de bij de aanhouding van de verdachte betrokken opsporingsambtenaren niet handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft de raadsman het volgende – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd:

- het optreden van de politie was in strijd met de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), respectievelijk de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering en vereniging;

  • -

    niet is onderzocht of komen vast te staan of de aanhouding van de verdachte, die toen demonstreerde, op dat specifieke moment daadwerkelijk noodzakelijk was voor de bescherming van een van de in de artikelen 10 en 11 van het EVRM genoemde belangen. Op het moment van de demonstratie zal, zo stelt de raadsman, moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke redenen om de demonstratie te verbieden nog steeds gelden, waarbij opnieuw moet worden gekeken naar de risico’s die de demonstratie meebrengt;

  • -

    uit de stukken blijkt niet dat de burgemeester opdracht had gegeven tot beëindiging van de demonstratie, zoals is voorgeschreven in artikel 7 van de Wet op de openbare manifestaties (hierna: WOM);

  • -

    het is niet toegestaan om demonstranten op grond van artikel 11 van de WOM aan te houden als die aanhouding het einde van de demonstratie tot gevolg heeft;

  • -

    waarom juist de verdachte uit de groep werd gehaald, is volstrekt onduidelijk;

  • -

    voor de verdachte was niet duidelijk dat hij was aangehouden en op grond waarvan hij was aangehouden;

  • -

    het optreden van de opsporingsambtenaren ten tijde van de aanhouding van de verdachte was disproportioneel; het gebruikte geweld was onaangekondigd en disproportioneel en dus in strijd met artikel 7 lid 1 Politiewet, omdat dit geweld in verhouding tot het beoogde doel niet redelijk was.

  • -

    de aanhouding was ook in strijd met het beginsel van subsidiariteit, omdat ook op een andere manier een einde aan de situatie had kunnen worden gemaakt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vaststaande feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, het volgende vast.

Op 11 november 2014 vond er een overleg plaats tussen de actiegroep “Kick Out Zwarte Piet” en de burgemeester van Gouda. Tijdens dat overleg heeft de actiegroep kenbaar gemaakt dat zij gebruik wilde maken van haar recht om tijdens de landelijke intocht van Sinterklaas op

15 november 2014 te Gouda te demonstreren op de Markt in Gouda. Er zouden ongeveer honderd demonstranten aanwezig zijn.

Bij besluit d.d. 12 november 2014 bepaalde de burgemeester dat de demonstratie diende plaats te vinden op het Burgemeester Jamesplein, voor het Huis van de Stad.

De verdachte is op 15 november 2014 in een bus met andere betogers in de richting van Gouda gereisd. In de bus bevonden zich ongeveer vijftig personen. De verdachte heeft deze personen in de bus toegesproken.

De bedoeling was dat vreedzaam, in stilte, individueel zou worden gedemonstreerd. In de bus waren mensen aanwezig die een T-shirt droegen met teksten gericht tegen Zwarte Piet. De verdachte was er zo doende van op de hoogte dat deze tijdens de demonstratie zouden worden gedragen.

Op 15 november 2014 zagen opsporingsambtenaren die deel uitmaakten van de Anti Conflict Eenheid van de politie Den Haag dat groepjes demonstranten zich op de Markt in Gouda hadden verzameld. Er waren demonstranten die een spandoek met zich meedroegen. Andere demonstranten waren herkenbaar aan kleding met daarop de tekst: “Zwarte Piet Niet”. De groepjes werden steeds groter.

In opdracht van een commandant van de Anti Conflict Eenheid werden leden van de verschillende groepjes door opsporingsambtenaren van de Anti Conflict Eenheid aangesproken, waarbij hun te verstaan werd gegeven dat zij zich van de Markt moesten verwijderen en zich moesten begeven naar de voor de demonstratie aangewezen locatie. Ook wezen de opsporingsambtenaren de demonstranten op het risico te worden aangehouden als zij zich niet van de Markt zouden verwijderen. In ieder geval is dat vanaf 11.30 uur gebeurd. Toen geen gehoor werd gegeven aan een vordering zich te begeven naar de aangewezen plek hebben, vanaf 11.44 uur, aanhoudingen plaatsgevonden.

Omstreeks 13.00 uur zag opsporingsambtenaar Y een groep mensen met hun armen in elkaar gehaakt staan. In die groep bevonden zich zwartepiet-niet demonstranten die eerder door leden van de Anti Conflict Eenheid waren aangesproken. Voor Y was duidelijk dat de groep bezig was met een vorm van protest.

Y hoorde van ouders met kleine kinderen dat zij zich door de aanwezigheid van deze groep demonstranten niet veilig voelden. Bovendien bleken leden van de groep pro-zwartepieten de confrontatie te zoeken.

Op aanwijzing van de Anti Conflict Eenheid ging de politie rond 13.05 uur over tot aanhouding van veertien personen, onder wie de verdachte. De politie heeft daarbij geweld gebruikt tegen de verdachte.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij bij het overleg met de burgemeester aanwezig is geweest en dat hij de dag vóór de intocht heeft vernomen dat er niet mocht worden gedemonstreerd op de Markt maar wel op een andere plaats. De verdachte heeft toen geen verweer gevoerd tegen dit besluit, laat staan dat hij een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter heeft gevraagd naar aanleiding van het besluit van de burgemeester.

Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij deel uitmaakte van de groep waarin de leden met hun armen in elkaar gehaakt stonden.

Beoordelingskader

Bij de beoordeling van het gevoerde verweer stelt het hof voorop dat de vrijheid om te demonstreren een fundamenteel recht is. Dat recht wordt gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM.

Uit genoemde bepalingen volgt dat de vrijheid om te demonstreren mag worden onderworpen aan beperkingen of sancties die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van (onder meer) de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten.

De WOM, een wet in formele zin, behelst de wettelijke bepalingen betreffende het recht tot vergadering en betoging. In artikel 2 van de WOM is bepaald in welke gevallen dat recht kan worden beperkt. De bevoegdheid tot beperking kan slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5 van de WOM kan de burgemeester – naar aanleiding van een kennisgeving – voorschriften en beperkingen stellen.

In artikel 7 van de WOM is bepaald dat de burgemeester de opdracht kan geven een demonstratie terstond te beëindigen onder meer indien in strijd wordt gehandeld met een voorschrift of beperking.

Artikel 11 WOM behelst de strafbepaling. In het eerste lid, aanhef en onder b, is onder meer bepaald dat handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5 wordt gestraft met hechtenis of een geldboete.

Oordeel hof

Om te komen tot de beantwoording van de vraag of de opsporingsambtenaren, waaronder de opsporingsambtenaar X, in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening waren/was, zal het hof eerst bezien of het recht om te demonstreren op de in de wet voorziene wijze was beperkt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de beschikking gekregen over het op 12 november 2014 genomen besluit van de burgemeester. Het besluit is gevoegd als bijlage bij het op schrift gestelde requisitoir van de advocaat-generaal, dat zich in het dossier bevindt.

Uit genoemd besluit blijkt dat de betoging waarop de kennisgeving van actiegroep “Kick Out Zwarte Piet” betrekking had als volgt is beoordeeld:

“De vrees van wanordelijkheden bij het plaats vinden van de door u voorgenomen demonstratie op de Markt is reëel te noemen vanwege de volgende omstandigheden:

  • -

    Er is sprake van een steeds meer polariserende samenleving en ook op dit thema verhardt de discussie;

  • -

    Zowel op social media als op andere plaatsen in het publieke debat is deze polarisatie en verharding zichtbaar;

  • -

    Op de Markt in Gouda zal het publiek vooral bestaan uit mensen die in ieder geval niets tegen Zwarte Piet hebben maar die zich wel gemakkelijk tegen het anti zwartepiet protest kunnen keren;

  • -

    Op diezelfde Markt, waar de ruimte beperkt is, is geen ruimte om groepen gescheiden van elkaar te houden. Capaciteit is niet het probleem maar massale politie-inzet heeft over het algemeen geen de-escalerend effect;

  • -

    Verstoring van de openbare orde heeft direct effect op de veiligheid van toeschouwers en in het bijzonder de kinderen. Hierbij is het onder de voet lopen van kinderen met alle gevolgen van dien reëel aanwezig”.

Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden heeft de burgemeester een demonstratie op de Markt in Gouda op 15 november 2014 onverantwoord geacht.

Om de veiligheid van de verschillende demonstranten en het reguliere publiek in de directe omgeving te kunnen waarborgen en het risico op wanordelijkheden en verkeersproblemen te kunnen inperken, is de burgemeester tot de conclusie gekomen dat de verschillende demonstraties slechts statisch konden plaatsvinden op locaties die (fysiek) van elkaar waren gescheiden en die goed te overzien waren. Daarbij is gekozen voor het Burgemeester Jamesplein voor het Huis van de Stad.

Het hof concludeert op grond van de hierboven weergegeven inhoud van het Besluit dat het recht om te demonstreren op de bij de wet voorgeschreven wijze, te weten artikel

5 van de WOM, was beperkt en dat deze beperking noodzakelijk werd geacht in verband met de belangen genoemd in artikel 2 van de WOM.

Het hof is van oordeel dat door het stellen van de beperking de demonstratie anti Zwarte Piet niet onmogelijk is gemaakt. Dat de demonstratie op de aangewezen plek minder aandacht zou trekken doet daaraan niet af. Dat de actiegroep niet op een andere plaats dan de Markt wenste te demonstreren doet daaraan evenmin af.

De verdachte maakte vlak voor zijn aanhouding deel uit van een groep mensen die met de armen in elkaar gehaakt stonden. In deze groep bevonden zich ook mensen die een T-shirt met de tekst “Zwarte Piet Niet” droegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte uiterlijk op het moment van inhaken bij deze groep is gaan deelnemen aan een demonstratie.

De demonstratie waaraan de verdachte deelnam was in strijd met de beperking die de burgemeester aan het recht om te demonstreren had gesteld. Dit leverde de verdenking op dat de verdachte artikel 11 van de WOM had overtreden en was een grond voor aanhouding van de verdachte. Dat de politie daarbij de verdachte uit de groep heeft getrokken, doet - gegeven de aannemelijkheid van de noodzaak om de aanhouding van de immers nog ingehaakte verdachte aldus te realiseren - geen afbreuk aan de rechtmatigheid van haar optreden.

De suggestie van de verdediging dat de politie het vooral op de verdachte gemunt had, door juist hem uit de groep te halen, vindt geen steun in het onderzoek ter terechtzitting. In dat verband wijst het hof op de verklaring van verdachte dat ook anderen uit de groep zijn aangehouden. Verder heeft de getuige A op

6 januari 2015 bij de rechter-commissaris, eveneens verklaard dat ook anderen werden vastgegrepen en dat de indruk die sommige getuigen hebben gehad, het beeld dat zij hebben geschetst dat agenten alleen op de verdachte afgingen, onjuist is.

Uit de stukken volgt dat, op het moment van de aanhouding van de verdachte, zich – verspreid over de Markt te Gouda - diverse (groepjes) personen bevonden, zoals o.a. die welke behoorden tot de die ochtend in de bus door de verdachte toegesproken personen. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat de aanhouding van de verdachte (met diens groep) feitelijk een beëindiging van de demonstratie was. Reeds hierom gaat het daarop gerichte verweer niet op.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was omdat deze niet noodzakelijk was voor de bescherming van een van de in artikelen 10 en 11 van het EVRM genoemde belangen, zoals de bescherming van de openbare orde of het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten.

Het hof verwerpt dit verweer. Voor de aanhouding bestond voldoende rechtmatige grondslag in de verdenking van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit. Naar het oordeel van het hof werd met de aanhouding geen inbreuk gemaakt op een fundamenteel recht van de verdachte, nu daartoe werd overgegaan op een moment dat juist die omstandigheden acuut dreigden, met het oog waarop de daartoe bevoegde Burgemeester een demonstratie daar ter plaatse enige dagen tevoren besloot te voorkomen. Voor de opvatting dat ook bij een dergelijke acute dreiging een aanhouding waartoe op zichzelf grond bestaat alsnog een afweging van de Burgemeester zou vergen, biedt het recht geen steun.

Ten aanzien van het punt dat voor de verdachte niet duidelijk was dat hij was aangehouden en op grond waarvan hij was aangehouden overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt vast dat uit de stukken niet blijkt dat de verdachte is medegedeeld dat hij werd aangehouden en op grond waarvan hij werd aangehouden. Dat levert een onherstelbaar vormverzuim op, waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet blijkt. Het hof ziet echter geen aanleiding aan dat vormverzuim een van de in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde consequenties te verbinden en zal volstaan met een constatering daarvan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet gesteld, noch gebleken is, dat de verdachte nadeel van dit vormverzuim heeft ondervonden. Gelet op hetgeen aan zijn aanhouding vooraf is gegaan heeft de verdachte kunnen en moeten begrijpen dat hij werd aangehouden omdat hij demonstreerde op een plek waar dat niet was toegestaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de agenten die naar de groep toe kwamen, hebben gezegd: “Jullie mogen hier niet demonstreren.”

De verdediging heeft aangevoerd dat het geweld dat de politie bij de aanhouding van de verdachte heeft gebruikt disproportioneel was.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de zich in het dossier bevindende camerabeelden van de aanhouding gezien. Op die beelden heeft het hof waargenomen dat opsporingsambtenaren de verdachte hebben gevraagd door te lopen. In plaats van aan het verzoek van de opsporingsambtenaren gehoor te geven, is de verdachte blijven staan.

De getuige A heeft daaromtrent op 6 januari 2016 bij de rechter-commissaris over de verdachte verklaard:

“(…)Hij probeerde, zoals van te voren afgesproken, zijn handen in zijn zij te houden. (…) [de verdachte] bleef stil staan. Hij probeerde zoveel mogelijk zijn dood gewicht in de schaal te werpen, hij maakte zich zo zwaar mogelijk.(…)De agenten probeerden hem steeds vast te pakken en zijn armen recht te krijgen, maar elke keer probeerde hij weer de armen terug te brengen naar zijn zij. Hij veerde dan zijn armen terug”.

Volgens de getuige C heeft de verdachte voordat hij naar de grond werd gewerkt zijn spieren aangespannen.

Op 6 januari 2016 heeft de getuige B bij de rechter-commissaris verklaard:

“(…)Drie of vier agenten trokken [de verdachte] uit de groep. Agenten probeerden hem onder controle te krijgen. Het leek alsof hij aan het dansen was. Hij bewoog met zijn armen en benen”.

Het hof komt op grond van zijn eigen waarnemingen, in samenhang bezien met de verklaringen van bovengenoemde getuigen, tot het oordeel dat de verdachte zijn aanhouding tegenwerkte.

Uit de verklaringen van opsporingsambtenaar X blijkt dat de verdachte zich in zijn ogen zodanig verzette dat het niet lukte hem onder controle te brengen. Voor X was dit aanleiding zijn collega’s te hulp te schieten. Uit de verklaringen van met name de getuige A blijkt voorts van een doelbewust verzet.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de politie geweld mocht gebruiken om de aanhouding te voltooien. Uit het dossier blijkt niet dat dit geweld disproportioneel is geweest. Het daarop gerichte verweer wordt derhalve verworpen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat bij de aanhouding niet is voldaan aan het beginsel van subsidiariteit.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij denkt dat hij laat in de ochtend op de Markt aanwezig was. Hoewel uit het dossier niet blijkt dat de verdachte persoonlijk is aangesproken door de opsporingsambtenaren, acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte niet heeft gemerkt dat de politie aanwijzingen gaf dat demonstranten naar de aangewezen plek moesten gaan en dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat het risico bestond dat hij zou worden aangehouden als hij toch zou demonstreren op de Markt. Door onder deze omstandigheden op de Markt te blijven staan en op enig moment in te haken bij een groep die anti Zwarte Piet was, heeft de verdachte laten blijken niet van plan te zijn weg te gaan van de Markt. Nadat de politie tegen de groep had gezegd: “Jullie mogen hier niet demonstreren”, zou de politie volgens de verdachte gezegd hebben: “lopen”, hetgeen de groep gedaan zou hebben. Gelet op de wijze waarop de groep op dat moment ingehaakt stond en hetgeen de getuige A heeft verklaard over de vooraf gemaakte afspraak, acht het hof niet aannemelijk dat de groep gevolg gaf aan die aanwijzing en/of zich vrijwillig van de Markt zou (laten) verwijderen. De verdachte heeft daarover zelf ter terechtzitting in eerste aanleg ook verklaard dat de agenten zeiden dat ze weg moesten gaan, dat de groep vroeg: “waarom” en in gesprek wilde gaan. Daaruit blijkt reeds dat de groep niet voornemens was (onmiddellijk) gevolg te geven aan de aanwijzingen van de politie.

Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat van de politie niet kon werden gevergd om van een minder zwaar middel gebruik te maken, zodat met de beslissing om tot aanhouding over te gaan op het beginsel van subsidiariteit geen inbreuk is gemaakt. Het betreffende verweer wordt derhalve verworpen.

Samengevat komt het hof tot het oordeel dat de opsporingsambtenaren, en derhalve ook de opsporingsambtenaar X, verkeerde(n) in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening en dat het hierboven besproken verweer van de verdediging op alle onderdelen dient te worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1

wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op (psychische) overmacht toekomt. In dat verband heeft de verdediging aangevoerd dat het handelen van de verdachte uitsluitend is veroorzaakt door een van buiten komende (psychische) drang, nu er een nekklem op hem bij de aanhouding werd toegepast.

De verdediging heeft dit beroep op (psychische) overmacht nader onderbouwd met de stelling dat de verdachte geen adem meer kon halen en in paniek raakte omdat hij dacht te zullen stikken.

Het hof stelt voorop dat van een schulduitsluitingsgrond in de vorm van psychische overmacht sprake kan zijn indien zich een van buiten komende drang voordoet, waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en behoeft te bieden.

Aangenomen dat de verdachte op enig door hem niet nader aangeduid moment gedurende zijn aanhouding ademnood ervoer en daarvan in paniek raakte is dat onvoldoende voor de stelling dat de bewezenverklaarde wederspannigheid, bestaande in een aantal gedragingen die zich los van elkaar voordeden, hem in het geheel niet kan worden toegerekend.

Het beroep op (psychische) overmacht wordt dan ook als onvoldoende gemotiveerd verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof neemt hierbij vooral in aanmerking dat de verdachte zich, zonder bekommernis om de lichamelijke integriteit van een dienaar van het openbaar gezag volhardend, fysiek heeft verzet tegen de daadwerkelijke handhaving van een hem bekend maar kennelijk onwelgevallig besluit van de burgemeester van Gouda, waardoor hij zich in zijn demonstratievrijheid zag aangetast.

Anderzijds neemt het hof in overweging dat de verdachte de frustratie van het openbaar gezag kennelijk niet als doel op zichzelf beschouwt, maar handelt vanuit een oprecht beleven van zijn opvattingen en idealen. Het hof acht het echter gewenst dat de verdachte wordt ingescherpt dat in een democratische en pluriforme samenleving idealen geen vrijbrief vormen voor gedrag zoals het bewezenverklaarde.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Het hof zal die geldboete geheel voorwaardelijk opleggen teneinde te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten en in het bijzonder opdat de verdachte zich door het vooruitzicht van een behoorlijke financiële aderlating ervan laat weerhouden om opnieuw het recht in eigen hand te nemen indien hij daarvoor in zijn ideaal rechtvaardiging meent te vinden.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft X zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een bedrag van € 1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In eerste aanleg is de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.250,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof is evenwel van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De gedeeltelijke toewijzing brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer X.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f en 181 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij X ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd X, ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels,

mr. R.M. Bouritius en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2017.