Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2009

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
200.193.418/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:565, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbitrale beslissingen op grond van handelsverdrag tussen de Verenigde Staten en Ecuador (BIT) vernietigbaar wegens ontbreken van een arbitrage-overeenkomst of wegens strijd met openbare orde (art. 1065 Rv)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2017/62
NTHR 2017, afl. 5, p. 305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.193.418/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/477457 / HA ZA 14-1291

arrest d.d. 18 juli 2017

inzake

Republiek Ecuador,

zetelend te Quito, Ecuador,

appellante,

hierna te noemen: Ecuador,

advocaat: mr. G.W. van der Bend te Amsterdam,

tegen

1. Chevron Corporation (USA),

2. Texaco Petroleum Company,

beide gevestigd te San Ramon, Verenigde Staten van Amerika,

geïntimeerden,

hierna tezamen te noemen: Chevron c.s. en ieder afzonderlijk Chevron en TexPet,

advocaat: mr. G.J. Meijer te Rotterdam.

Het verloop van het geding

1.1

Bij exploot van 13 april 2016 is Ecuador in beroep gekomen van het op 20 januari 2016 door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis.

1.2

Bij memorie van grieven, voorzien van de producties 35 tot en met 221, heeft Ecuador 23 grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep die door Chevron c.s. bij memorie van antwoord, met producties G-40 tot en met G-213, zijn bestreden.

1.3

Vervolgens hebben partijen op 9 mei 2017 de zaak doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities. Voor Chevron c.s. is daarnaast het woord gevoerd door mr. J. van der Beek, advocaat te Amsterdam en mr. J.M.K.P. Cornegoor, advocaat te Haarlem. Bij pleidooi is aan beide partijen akte verleend van het overleggen van nieuwe producties. Ecuador heeft de producties 222 tot en met 262 ingediend en Chevron de producties G 214 tot en met G 227.

1.4

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op het voor het pleidooi ingediende kopiedossier.

De beoordeling van het hoger beroep

2. De rechtbank heeft in haar vonnis onder 2.1. tot en met 2.14 een aantal feiten vastgesteld. Tegen de vaststelling van die feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Hierna worden zij kort samengevat.

i. Chevron is sinds 2001 indirect aandeelhoudster van TexPet.

ii. In 1964 en 1965 heeft Ecuador een concessie voor oliewinning in het Amazonegebied verleend aan een consortium waarvan TexPet deel uitmaakte (hierna: het Consortium) en waarin zij tot 1990 als ‘Operator’ fungeerde. Op 16 augustus 1973 is er een Concessieovereenkomst gesloten tussen het Consortium en Ecuador. De overeenkomst liep tot 6 juni 1992. Geleidelijk aan heeft het staatsbedrijf PetroEcuador een meerderheidsbelang gekregen in het Consortium. Na afloop van de Concessieovereenkomst heeft TexPet haar oliewinningswerkzaamheden in Ecuador gestaakt.

iii. In 1993 hebben de VS en Ecuador een bilateraal investeringsverdrag (hierna: het BIT) gesloten. Het BIT is op 11 mei 1997 in werking getreden.

iv. In november 1993 heeft een groep Ecuadoraanse burgers een procedure aanhangig gemaakt tegen Texaco (de voormalige moedervennootschap van TexPet) bij het U.S. District Court for the Southern District of New York (hierna: het New York District Court) wegens door Texaco veroorzaakte milieuvervuiling (hierna: de Aguinda-procedure) waardoor de eisers schade zouden hebben geleden. Texaco voerde onder meer als verweer dat de procedure in Ecuador moest worden gevoerd. De ambassadeur van Ecuador ondersteunde dit standpunt.

v. In december 1994 hebben Ecuador, PetroEcuador en TexPet een Memorandum of Understanding (hierna: MOU) ondertekend waarvan het doel onder meer was:

To establish the mechanisms by which Texpet is to be released from any claims that the Ministry (van Energie en Mijnen, toevoeging hof) and PETROECUADOR may have against Texpet concerning the environmental impact caused as a consequence of the operations of the former PETROECUADOR-TEXACO Consortium.

vi. Op 4 mei 1995 hebben Ecuador, PetroEcuador en TexPet een overeenkomst (hierna: de 1995 Settlement Agreement) gesloten waarbij TexPet heeft toegezegd bepaalde milieusaneringsmaatregelen uit te voeren en waarbij de twee andere partijen hebben verklaard (in artikel 5.1) dat zij:

“shall hereby release, acquit and forever discharge Texpet (…) and all their (…) successors, predecessors, principals and subsidiaries (hereinafter referred to as “The Releasees”) of all the Government’s and Petroecuador’s claims against the Releasees for Environmental Impact arising from the Operations of the Consortium (…)”.

vii. In 1996 heeft het New York District Court zich in de Aguinda-procedure onbevoegd verklaard op grond van forum non conveniens en ‘international comity’. De Court of Appeals heeft de uitspraak in 1998 vernietigd en de zaak teruggewezen, omdat Texaco niet had ingestemd met de bevoegdheid van de Ecuadoraanse rechter. Texaco heeft vervolgens toegezegd de bevoegdheid van de Ecuadoraanse rechter niet te betwisten, ook niet in een eventuele executieprocedure, en zich alleen te zullen beroepen op de New York’s Recognition of Foreign Country Money Judgments Act. Daarop heeft het New York District Court zich in augustus 2002 wederom onbevoegd verklaard op grond van forum non conveniens.

viii. Op 30 september 1998 hebben Ecuador, PetroEcuador en TexPet een tweede overeenkomst gesloten (hierna: de 1998 Final Release) waarbij TexPet en de overige ‘Releasees’ voor altijd zijn bevrijd van en ontslagen uit alle aansprakelijkheid jegens Ecuador.

ix. In 1999 is in Ecuador de Environmental Management Act ingevoerd, die voorziet in de mogelijkheid van een class action wegens, kort gezegd, milieuvervuiling (volgens Ecuador was ook onder eerdere wetgeving een dergelijke actie reeds mogelijk).

x. In mei 2003 heeft een aantal Ecuadoraanse burgers, grotendeels dezelfde personen als de eisers in de Aguinda-procedure, in Ecuador bij het gerecht van de stad Nueva Loja, in de wandeling Lago Agrio genoemd, een procedure aanhangig gemaakt tegen Chevron op grond van milieuvervuiling veroorzaakt door TexPet (hierna: Lago Agrio-procedure).

xi. In 2004 hebben Chevron en TexPet een arbitrageaanvraag tegen PetroEcuador ingediend bij de American Arbitration Assiociation (AAA) te New York teneinde (onder meer) PetroEcuador te verplichten om Chevron en TexPet te vrijwaren tegen claims in die procedure. PetroEcuador en Ecuador zijn in New York een procedure gestart om de arbitrage te verbieden. Op 19 juni 2007 heeft het New York District Court de AAA-arbitrage definitief verboden.

xii. Op 21 december 2006 hebben Chevron en TexPet op grond van het BIT een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt tegen Ecuador, stellende dat Ecuador aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden wegens ontoelaatbare vertraging in de afdoening van 7 gerechtelijke procedures die TexPet uit hoofde van de Concessieovereenkomst tegen Ecuador aanhangig had gemaakt (hierna: het Commercial Cases Dispute). Het Scheidsgerecht heeft Chevron en TexPet in het gelijk gesteld. De vordering tot vernietiging van de arbitrale uitspraak is in drie instanties afgewezen (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837).

xiii. Op 23 september 2009 hebben Chevron en TexPet op grond van het BIT de arbitrageprocedure waarover deze vernietigingsprocedure gaat aanhangig gemaakt. In die arbitrage hebben zij onder meer gevorderd (in de “Claimants’ Memorial on the Merits” van 6 september 2010, par. 547, geciteerd door het Scheidsgerecht in de Third Interim Award, blz. 9):

1. Declaring that under the 1995, 1996 and 1998 Settlement and Release Agreements, [Chevron and Texpet] have no liability or responsibility for environmental impact, including but not limited to any alleged liability for impact to human health, the ecosystem, indigenous cultures, the infrastructure, or any liability for unlawful profits, or for performing any further environmental remediation arising out of the former Consortium that was jointly owned by TexPet and Ecuador, or under the expired Concession Contract between TexPet and Ecuador.

2. Declaring that Ecuador has breached the 1995, 1996, and 1998 Settlement and Release Agreements and the U.S.-Ecuador BIT (…).

3. Declaring that under the Treaty and applicable international law, Chevron is not liable for any judgment rendered in the Lago Agrio Litigation.

4. Declaring that any judgment rendered against Chevron in the Lago Agrio Litigation is not final, conclusive or enforceable.

5. Declaring that Ecuador or Petroecuador (or Ecuador and Petroecuador jointly) are exclusively liable for any judgment rendered in the Lago Agrio Litigation.

6. Ordering Ecuador to use all measures necessary to prevent any judgment against Chevron in the Lago Agrio Litigation from becoming final, conclusive or enforceable.

7. Ordering Ecuador to use all measures necessary to enjoin enforcement of any judgment against Chevron rendered in the Lago Agrio Litigation, including enjoining the nominal Plaintiffs from obtaining any related attachments, levies or other enforcement devices.

8. Ordering Ecuador to make a written representation to any court in which the nominal Plaintiffs attempt to enforce a judgment from the Lago Agrio Litigation, stating that the judgment is not final, enforceable or conclusive[.]

(…)

11. Awarding [Chevron and Texpet] indemnification against Ecuador in connection with a Lago Agrio judgment, including a specific obligation by Ecuador to pay [Chevron and Texpet] the sum of money awarded in to the Lago Agrio judgment.

12. Awarding [Chevron and Texpet] any sums that the nominal Lago Agrio Plaintiffs collect against [Chevron and Texpet] or their affiliates in connection with enforcing a Lago Agrio judgment.

13. Awarding all costs and attorneys’ fees incurred by [Chevron and Texpet] in (1) defending the Lago Agrio Litigation and the Criminal Proceedings, (2) pursuing this Arbitration, (3) uncovering the collusive fraud through investigation and discovery proceedings in the United States, (4) opposing the efforts by Ecuador and the Lago Agrio Plaintiffs to stay this Arbitration through litigation in the United States, (5) as well as all costs associated with responding to the relentless public relations campaign by which the Lago Agrio Plaintiffs’ lawyers (in collusion with Ecuador) attacked Chevron with false and fraudulent accusations concerning this case. (…)

14. Awarding moral damages to compensate [Chevron and Texpet] for the non-pecuniary harm that they have suffered due to Ecuador’s outrageous and illegal conduct.

(…)”

xiv. Ecuador heeft op 3 december 2009 bij het New York District Court een verzoek ingediend tot aanhouding van de arbitrage. Dit verzoek is bij vonnis van 16 maart 2010 afgewezen. Het Court of Appeals heeft dit vonnis op 17 maart 2011 bekrachtigd.

xv. In de arbitrageprocedure hebben Chevron en TexPet om voorlopige voorzieningen gevraagd. Het scheidsgerecht heeft op 9 februari 2011 en op 16 maart 2011 Procedural Orders gegeven teneinde de erkenning en executie van het (aanstaande) Lago Agrio-vonnis te verhinderen.

xvi. In februari 2011 heeft Chevron in New York een vordering aanhangig gemaakt tegen de Lago Agrio-eisers, hun advocaat (Donzinger) en hun milieudeskundigen teneinde vastgesteld te zien dat de Lago Agrio-procedure frauduleus is en dat tenuitvoerlegging van een vonnis van de Ecuadoraanse rechter bij voorbaat verboden dient te worden. Het New York District Court (Judge Kaplan) heeft deze vordering op 7 maart 2011 bij wijze van voorlopige voorziening toegewezen, maar het Court of Appeals heeft de vordering op 26 januari 2012 afgewezen.

xvii. In de Lago Agrio-procedure is Chevron door de Superior Court van Nueva Loja bij vonnis van 14 februari 2011 veroordeeld tot betaling van US$ 8,6 miljard, (voorwaardelijk) vermeerderd met US$ 8,6 miljard aan punitive damages en proceskosten van 10%, welk vonnis door de appelrechter (het Provincial Court of Sucumbíos) op 3 januari 2012 is bekrachtigd. Bij arrest van 12 november 2013 heeft het Ecuadoraanse Hooggerechtshof de veroordeling tot vergoeding van punitive damages vernietigd en het vonnis voor het overige bekrachtigd.

xviii. Naar aanleiding van de uitspraak van de Ecuadoraanse appelrechter heeft Chevron het Scheidsgerecht verzocht de eerdere procedural orders om te zetten in een tussenvonnis. Daarop heeft het scheidsgerecht op verzoek van Chevron in de First Interim Award on Interim Measures van 25 januari 2012 (hierna: First Interim Award) onder meer geoordeeld dat Ecuador dient te nemen:

“all measures at its disposal to suspend or cause to be suspended the enforcement or recognition within and without Ecuador of any judgment against [Chevron] in the Lago Agrio Case.”

xix. In de Second Interim Award on Interim Measures van 16 februari 2012 heeft het Scheidsgerecht (wederom) geoordeeld :

“3. (…) the Tribunal hereby orders:

(i) [Ecuador] (whether by its judicial, legislative or executive branches) to take all measures necessary to suspend or cause to be suspended the enforcement and recognition within and without Ecuador of the judgments by the Provincial Court of Sucumbíos (…) of 3 January 2012 (…) (and (…) of the judgment by Judge Nicolás Zambrano Lozada of 14 February 2011) against [Chevron] in the Ecuadorian legal proceedings known as “the Lago Agrio Case”;

(ii) in particular, without prejudice to the generality of the foregoing, such measures to preclude any certification by [Ecuador] that would cause the said judgments to be enforceable against [Chevron]; (…)

until any further order or award made by the Tribunal in these arbitration proceedings;

4. The Tribunal determines that [Chevron and TexPet] shall be legally responsible, jointly and severally, to the Respondent for any costs or losses which [Ecuador]

may suffer in performing its legal obligations under this Second Interim Award, as

may be decided by the Tribunal within these arbitration proceedings (to the

exclusion of any other jurisdiction); and further that, as security for such

contingent responsibility [Chevron and TexPet] shall deposit within thirty days of the date of this Second Interim Award the amount of US$ 50,000,000.00 (United States Dollars Fifty Million) with the Permanent Court of Arbitration in a manner to be designated separately, to the order of this Tribunal;(…)”

xx. Na het wijzen van het First Interim Award heeft Chevron de Provincial Court van Sucumbíos verzocht de tenuitvoerlegging van het Lago Agrio Vonnis te weigeren of te schorsen. De rechter heeft op 1 maart 2012 dit verzoek afgewezen wegens strijd met het “recht op toegang tot de rechter”.

xxi. Op 9 februari 2012 hebben de Lago Agrio-eisers een verzoek voor “precautionary measures” ingediend bij de Inter-American Commission (voor de mensenrechten) om te verhinderen dat Ecuador zou voldoen aan de Interim Awards. De Commission heeft de eisers gevraagd om onderliggend bewijs van de gevolgen voor hun gezondheid in verband met hun beschuldigingen. Daarop hebben de eisers hun verzoek op 2 maart 2012 ingetrokken.

xxii. In de Third Interim Award on Jurisdiction and Admissibility van 27 februari 2012 (hierna: Third Interim Award) heeft het Scheidsgerecht zich uitgelaten over zijn bevoegdheid.

xxiii. De eisers in de Lago Agrio-procedure hebben in 2012 geprobeerd het Lago Agrio-vonnis (nadat dit in appel was bekrachtigd) ten uitvoer te leggen in Canada, Brazilië en Argentinië. Deze pogingen zijn (nog) niet succesvol geweest.

xxiv. In de Fourth Interim Award on Interim Measures van 7 februari 2013 (hierna: Fourth Interim Award) heeft het Scheidsgerecht onder meer beslist:

“The Tribunal declares that [Ecuador] has violated the First and Second Interim Awards under the Treaty, the UNCITRAL Rules and international law in regard to the finalisation and enforcement subject to execution of the Lago Agrio Judgment within and outside Ecuador, including (but not limited to) Canada, Brazil and Argentina.”

xxv. In de First Partial Award on Track I van 17 september 2013 (hierna: First Partial Award) heeft het Scheidsgerecht onder meer geoordeeld:

“(1) [Chevron] and [TexPet] are both “Releasees” under Article 5.1 of the 1995 Settlement Agreement and Article IV of the 1998 Final Release

(2) As such a Releasee, a party to and also part of the 1995 Settlement Agreement, [Chevron] can invoke its contractual rights thereunder in regard to the release in Article 5.1 of the 1995 Settlement Agreement and Article IV of the 1998 Final Release as fully as [TexPet] as a signatory party and named Releasee;

(3) The scope of the releases in Article 5 of the 1995 Settlement Agreement and Article IV of the 1998 Final Release made by [Ecuador] to [Chevron and TexPet] does not extend to any environmental claim made by an individual for personal harm in respect of that individual’s rights separate and different from [Ecuador]; but it does have legal effect under Ecuadorian law precluding any “diffuse” claim against [Chevron and TexPet] under Article 19-2 of the Constitution made by [Ecuador]and also made by any individual not claiming personal harm (actual or threatened);

xxvi. De New York District Court (Judge Kaplan) heeft op 4 maart 2014 in een procedure die Chevron op grond van de Racketeering Influenced Corrupt Organization Act (RICO) had aangespannen tegen Donziger en twee Lago Agrio-eisers geoordeeld dat het Lago Agrio-vonnis door middel van fraude tot stand was gekomen. Dit vonnis is op 8 augustus 2016 door het Court of Appeals bekrachtigd.

xxvii. Op 12 maart 2015 heeft het Scheidsgerecht zijn Decision on Track 1B gegeven. Daarin beslist het arbitraal college dat:

“the (…) Lago Agrio Complaint, as originally filed, does include individual claims and cannot be read (…) as pleading “exclusively” or “only diffuse claims”. To this extent, the reliance [of Chevron and TexPet] on the 1995 Settlement Agreement as a complete bar to the Lago Agrio Complaint at inception must fail in limine, as a matter of Ecuadorian law (being the law applicable to the 1995 Settlement Agreement). At this point, however, the Tribunal must suspend its further analysis for the reasons already described above, given that the Tribunal does not think it right by this decision in Track 1B of this arbitration to consider the subsequent conduct of the Lago Agrio Court, the Appellate Court of Lago Agrio and the Cassation Court in regard to their actual treatment of the Lago Agrio Complaint, being all matters scheduled for Track 2.”

3. In deze procedure vordert Ecuador de vernietiging van de First Interim Award, de Second Interim Award, de Third Interim Award, de Fourth Interim Award en de First Partial Award. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

Toepasselijk recht en bevoegdheid

4.1

De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van art. 1073 lid 1 Rv de art. 1020-1073 Rv op de onderhavige procedure van toepassing zijn.

4.2

Het hof voegt daaraan toe dat op deze procedure de art. 1020-1073 Rv zullen worden toegepast zoals zij luidden vóór 1 januari 2015. De arbitrage waarop de procedure betrekking heeft, was immers aanhangig vóór 1 januari 2015 zodat op de arbitrage zelf het oude arbitragerecht van toepassing is. Voor dat geval bepaalt artikel IV lid 4 Wijzigingswet Boek 3 BW enz. (modernisering Arbritragerecht) dat ook op een rechterlijke procedure de vóór 1 januari 2015 geldende bepalingen van Boek 4 Rv van toepassing blijven.

Daarnaast zijn op grond van art. VII lid 1, slot, van het BIT op de arbitrage de Arbitration Rules of the United Nations Commission on International Trade Law (hierna: UAR), versie van 1976, van toepassing.

4.3

De plaats van arbitrage is Den Haag. De First Partial Award is een gedeeltelijk eindvonnis, waarvan volgens beide partijen geen hoger arbitraal beroep mogelijk is. Derhalve is op grond van art. 1064 lid 2 (oud) Rv in eerste aanleg de rechtbank Den Haag en in hoger beroep dit hof bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot vernietiging van het gedeeltelijke arbitrale eindvonnis en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen.

Toetsingskader

5.1

Ecuador vorderde in eerste aanleg op grond van art. 1065 lid 1 Rv vernietiging van de arbitrale vonnissen op drie gronden:

a. omdat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt;

b. omdat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden;

c. omdat het vonnis strijdt met de openbare orde.

5.2

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de mogelijkheid van aantasting van arbitrale beslissingen beperkt is en dat de rechter daarbij terughoudendheid dient te betrachten, in het bijzonder wanneer het gaat om de vraag of het vonnis in strijd is met de openbare orde.

Een uitzondering geldt voor de beoordeling of een geldige arbitrage-overeenkomst is gesloten. Het beginsel van vrije toegang tot de rechter brengt mee dat het uiteindelijk aan de rechter is om te toetsen of het scheidsgerecht bevoegd is en daarbij past geen terughoudende bejegening.

5.3

In beginsel mag een partij niet voor het eerst in hoger beroep gronden voor vernietiging van het arbitraal vonnis aandragen die niet bij dagvaarding in eerste aanleg aan het beroep op vernietiging ten grondslag zijn gelegd (art. 1065 lid 4 oud Rv).

5.4

Wat betreft de onder a. genoemde vernietigingsgrond geldt nog in het bijzonder dat niet steeds toelaatbaar is dat een partij zich in een vernietigingsprocedure beroept op gronden voor onbevoegdheid van het scheidsgerecht die zij niet in de arbitrale procedure heeft aangevoerd (art. 1065 lid 2 jo. art. 1052 lid 2 Rv).

De grieven

6. De grieven van Ecuador vallen in een aantal categorieën uiteen. In de grieven I tot en met IV wordt aangevoerd dat er geen geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat. De grieven V tot en met XIX strekken ten betoge dat de arbitrale vonnissen in strijd zijn met de openbare orde. In de grieven XX tot en met XXII stelt Ecuador zich op het standpunt dat de arbitrale vonnissen niet dan wel onvoldoende zijn gemotiveerd. Grief XXIII betreft de kostenveroordeling.

Geen geldige arbitrage-overeenkomst

7.1

Grief I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen Ecuador en TexPet een investeringsgeschil bestaat. Ecuador betoogt dat TexPet geen verweerder is in de Lago Agrio-procedure die gevoerd wordt tegen Chevron, en dus geen vordering heeft met betrekking tot een recht uit de 1995 Settlement Agreement. Met grief II bestrijdt Ecuador het oordeel van de rechtbank dat er een geldige arbitrage-overeenkomst bestaat tussen Chevron en Ecuador op de grond dat Chevron noch de 1973 Concession Agreement noch de 1995 Settlement Agreement heeft ondertekend. In grief III wordt betoogd dat de 1995 Settlement Agreement geen investeringsovereenkomst is. Grief IV betreft de vraag of Chevron een “Releasee” is, welke vraag door Ecuador, anders dan door de rechtbank, ontkennend wordt beantwoord. Bovendien wordt aangevoerd dat zelfs als Chevron een “Releasee” is de aan haar verleende finale kwijting geen betrekking heeft op de door de Lago Agrio Eisers ingestelde vorderingen, aangezien deze alle individuele vorderingen zijn. De grieven stellen aan de orde of er een geldige arbitrageovereenkomst tussen Ecuador en Chevron en tussen Ecuador en TexPet bestaat en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

7.2

De bevoegdheid van het Scheidsgerecht is geregeld in art.VI van het BIT. Tussen partijen is niet in geschil dat het artikel geldt als een open aanbod van de ene verdragsstaat aan ondernemingen van de andere verdragsstaat om een “investment dispute” door arbitrage te laten beslechten. Evenmin is in geschil dat Ecuador een verdragsstaat is als bedoeld in deze bepaling en dat Chevron en TexPet tot de in het artikel genoemde ondernemingen behoren. Het Scheidsgerecht is bevoegd als het geschil tussen Ecuador enerzijds en Chevron en TexPet anderzijds als een “investment dispute” moet worden aangemerkt.

7.3

Een “investment dispute” in de zin van artikel VI lid 1 van het BIT, dat kan worden voorgelegd aan een scheidsgerecht, is:

a dispute between a Party and a national or company of the other Party arising out of or relating to

(a) an investment agreement between that Party and such national or company;

(b) (…); or

(c) an alleged breach of any right conferred or created by this Treaty with respect to an investment.’

Het Scheidsgerecht heeft onderzocht of het bevoegd is op de grondslagen genoemd in artikel VI lid 1 onder (a) en onder (c). Dit zijn geen cumulatieve, maar – gelet op het woord “or” – alternatieve gronden voor bevoegdheid: voldoende is dat er een investeringsgeschil bestaat dat voldoet aan één van de genoemde omschrijvingen.

7.4

De bepaling moet volgens de Hoge Raad (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837) worden uitgelegd op de wijze als is omschreven in art. 31 en 32 van het Weens Verdragenverdrag 1969 (hierna: WVV). Dat betekent dat de tekst van het BIT moet worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die de bewoordingen in het normale spraakgebruik hebben, met inachtneming van hun context, en in het licht van voorwerp en doel van het BIT (art. 31 lid 1 WVV). Voorts dient aan een term in het BIT een bijzondere betekenis te worden toegekend indien wordt vastgesteld dat dit de bedoeling van partijen is geweest (art. 31 lid 4 WVV). De context omvat niet alleen de tekst, maar ook de preambule van en de bijlagen bij het BIT (art. 31 lid 2 WVV).

7.5

Geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de onder 2.2 opgenomen preambule van het BIT blijkt dat het doel van dit verdrag is om investeringen door onderdanen van de ene verdragsstaat in de andere verdragsstaat te beschermen en te stimuleren door een eerlijke en billijke behandeling daarvan. Evenmin wordt het oordeel van de rechtbank bestreden dat uit de ruime definitie van het begrip “investment” in artikel I, eerste lid onder a van het BIT(“investment means every kind of investment”) en de niet-limitatieve opsomming van investeringen, moet worden afgeleid dat het begrip “investment” niet samenvalt met de betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt gegeven. Daarvan uitgaande, wordt met de rechtbank geoordeeld dat onder het begrip “investment” ook de afwikkeling van de investering moet worden begrepen.

TexPet

8.1

Zoals hiervoor is overwogen is voldoende dat er een investeringsgeschil bestaat dat voldoet aan de omschrijving van ofwel artikel VI lid 1 onder (a), ofwel artikel VI lid 1 onder (c). Hierna zal allereerst worden beoordeeld of het Scheidsgerecht zich bevoegd heeft mogen verklaren in de procedure tussen TexPet en Ecuador op grond van art. VI lid 1 onder (a) van het BIT.

8.2

De in 1973 tussen Ecuador en onder meer TexPet gesloten Concessieovereenkomst is een “investment agreement” in de zin van artikel VI lid 1 onder a van het BIT. Ook de in 1995 tussen deze partijen gesloten Settlement Agreement en de in 1998 gesloten Final Release dienen als een “investment agreement” te worden aangemerkt. Dit volgt in de eerste plaats uit de omstandigheid dat, zoals hiervoor overwogen, het begrip “investment” ruim moet worden uitgelegd, zodat daaronder ook overeenkomsten vallen die beogen na beëindiging van de investering de gevolgen daarvan te regelen. Verder is van belang dat de overeenkomsten van 1995 en 1998 zijn gesloten ter afwikkeling van de Concessieovereenkomst en zonder deze Concessieovereenkomst geen zin zouden hebben. Dat blijkt uit het feit dat in de 1995 Settlement Agreement herhaaldelijk naar de Concessieovereenkomst wordt verwezen: in de preambule wordt eerst overwogen dat verschillende concessies aan het Consortium (waarvan ook TexPet deel uitmaakte) zijn verleend, dat deze concessies in 1973 zijn verenigd in de Concessieovereenkomst, die wordt aangeduid als het “1973 Contract” en dat na het beëindigen van het “1973 Contract” TexPet en Ecuador onderhandelingen zijn gestart om de milieuschade vast te stellen die voortvloeit uit de werkzaamheden van het Consortium in de Oriente-regio – het deel van het Amazonegebied waarop de concessies betrekking hadden – en dat het doel van de milieuherstelwerkzaamheden van TexPet is dat zij vervolgens zal worden ontslagen uit haar verplichtingen en aansprakelijkheden voortvloeiend uit de werkzaamheden van het Consortium. Zoals het Scheidsgerecht in het Third Interim Award met juistheid heeft overwogen zou er geen enkele aarzeling bestaan om een overeenkomst waarin de feitelijke gevolgen van een concessieovereenkomst (milieuvervuiling) worden geregeld als een “investment agreement” aan te merken, als zij was gesloten tijdens de looptijd van de concessieovereenkomst. Dan is er ook geen reden om daarover anders te gaan denken als de looptijd van de concessieovereenkomst is verstreken (4.34). Grief III is dan ook tevergeefs voorgesteld.

8.3

De volgende vraag die dient te worden beantwoord is of er sprake is van een “dispute arising out of or relating to” de 1995 Settlement Agreement en de 1998 Final Release. TexPet vordert onder meer (zie hiervoor onder xiii):

1. Declaring that under the 1995, 1996 and 1998 Settlement and Release Agreements, [Chevron and Texpet] have no liability or responsibility for environmental impact, including but not limited to any alleged liability for impact to human health, the ecosystem, indigenous cultures, the infrastructure, or any liability for unlawful profits, or for performing any further environmental remediation arising out of the former Consortium that was jointly owned by TexPet and Ecuador, or under the expired Concession Contract between TexPet and Ecuador.

2. Declaring that Ecuador has breached the 1995, 1996, and 1998 Settlement and Release Agreements and the U.S.-Ecuador BIT (…).

Deze twee vorderingen hangen samen met de 1995 Settlement Agreement, zoals uit de tekst reeds blijkt. Zij zien op de in die overeenkomst in artikel 5.1 neergelegde afspraak dat:

the Government and Petroecuador shall hereby release, acquit and forever discharge Texpet (…) and all their (…) principals and subsidiaries (hereinafter referred to as “The Releasees”) of all the Government’s and Petroecuador’s claims against the Releasees for Environmental Impact arising from the Operations of the Consortium”,

waarbij TexPet en de overige “Releasees” worden ontslagen van alle aanspraken van Ecuador voor milieuverontreiniging (de algehele kwijting). Als deze verklaringen voor recht worden toegewezen, dient Ecuador TexPet te vrijwaren voor aanspraken tegen haar wegens milieuschade en de financiële consequenties daarvan voor haar rekening te nemen.

8.4

De overige vorderingen betreffen de Lago Agrio-procedure. Als vast komt te staan dat de Lago Agrio-eisers vorderingen hebben ingesteld die in wezen alleen door Ecuador (of PetroEcuador) kunnen worden ingesteld en waarvoor dus algehele kwijting is verleend (door het Scheidsgerecht “diffuse claims” genoemd) dan dient Ecuador ingevolge de algehele kwijting deze vorderingen van de Lago Agrio-eisers voor haar rekening moet nemen.

Ecuador klaagt erover dat de rechtbank niet onder ogen heeft gezien dat TexPet in de Lago Agrio-procedure geen risico loopt omdat zij geen partij is in die procedure. Het betreft immers een procedure tegen Chevron die is gebaseerd op het Ecuadoraanse burgerlijk recht. Tex Pet heeft dan ook geen enkele denkbare vordering op Ecuador uit hoofde van de 1995 Settlement Agreement, aldus Ecuador. Het hof verwerpt deze stellingen. De vervuiling waarvoor Chevron is aangesproken door de Lago Agrio-eisers, ziet rechtstreeks op de “operations of the Consortium”, waartoe TexPet behoort en die zijn uitgevoerd op grond van de Concessieovereenkomst. Anders dan Ecuador aanvoert, moet worden aangenomen dat ook TexPet (direct of indirect) belang heeft bij de onderhavige vorderingen. Daarmee is ook tussen TexPet en Ecuador sprake van een “dispute arising out of or relating to an investment agreement.” Of de vorderingen ook daadwerkelijk toewijsbaar zijn, is voor het bepalen van de bevoegdheid in beginsel niet van belang.

8.5

De conclusie is dat het Scheidsgerecht bevoegd is om te oordelen over het investeringsgeschil tussen Ecuador en TexPet op grond van artikel VI lid 1 onder (a). Derhalve behoeft niet meer te worden onderzocht of het Scheidsgerecht (ook) bevoegd is op grond van artikel VI lid 1 onder (c). Grief I is dan ook vergeefs voorgesteld.

Chevron

9.1

Vervolgens moet worden beoordeeld of het Scheidsgerecht ook bevoegd is met betrekking tot het geschil tussen Chevron en Ecuador. Het hof zal eerst bespreken wat het Scheidsgerecht precies heeft beslist met betrekking tot zijn bevoegdheid ten aanzien van Chevron.

9.2

In het kader van de beoordeling van zijn bevoegdheid op grond van art. VI lid 1 onder (c) van het BIT heeft het Scheidsgerecht voorop gesteld dat Chevron zelf in het kader van de door TexPet gesloten concessieovereenkomsten nooit in Ecuador heeft geïnvesteerd en dat Chevron geen onderdeel vormde van het Consortium en geen partij was bij de 1995 Settlement Agreement. Voort heeft het geoordeeld dat Chevron als moedermaatschappij van TexPet wel is aan te merken als een indirecte investeerder in de zin van art. I lid 1 onder a van het BIT, omdat zij indirect een investering in Ecuador “owns or controls” in de zin van art. I lid 1 onder (a) van het BIT (Third Interim Award onder 4.24). Tussen partijen is niet in geschil dat het Scheidsgerecht bevoegd is om een vordering van Chevron als indirecte investeerder (in TexPet) te beoordelen.

9.3

Het Scheidsgerecht is vervolgens ingegaan op de kwestie van de aansprakelijkstelling van Chevron door de Lago Agrio-eisers. Het Scheidsgerecht overweegt dat het erop lijkt dat Chevron en TexPet in de Lago Agrio-procedure volledig worden vereenzelvigd, hoewel zij juridisch twee zelfstandige rechtspersonen zijn. Chevron heeft in de arbitrageprocedure naar voren gebracht dat het Scheidsgerecht in het kader van de beslissing over de bevoegdheid Chevron en TexPet ook zou moeten vereenzelvigen. Het Scheidsgerecht heeft de beslissing of Chevron zelf rechten heeft als een “direct investor” op grond van art. VI lid 1 onder c van het BIT aangehouden omdat het meer informatie nodig heeft over (onder meer) de vraag waarom Chevron in de Lago Agrio-procedure is aangemerkt als een rechtsopvolger van Texaco ter zake van de aansprakelijkheden van laatstgenoemde (ov. 4.26 en 4.27); het heeft de beoordeling doorgeschoven naar de hoofdzaak (the merits). Deze bevoegdheid had het Scheidsgerecht op grond van artikel 21 lid 4 van de Uncitral Arbitration Rules. Art. 1052 lid 1 Rv, dat bepaalt dat het Scheidsgerecht zelf over zijn eigen bevoegdheid beslist, brengt mee dat de rechter dient te wachten tot die beslissing is gevallen voordat hij mag en kan beoordelen of het Scheidsgerecht terecht bevoegdheid heeft aangenomen. Over de vraag of het Scheidsgerecht bevoegd is op grond van art. VI lid 1 onder (c) van het BIT kan in deze procedure dus nog niet worden geoordeeld (art. 1052 lid 1 Rv oud).

9.4

Met betrekking tot de vraag of Chevron in de arbitrale procedure eigen vorderingen kan geldend maken op grond van art. VI lid 1 onder (a) van het BIT heeft het Scheidsgerecht geoordeeld dat daartoe in de eerste plaats (“first issue”, ov. 4.39 van het Third Interim Award) moet worden vastgesteld of Chevron een “Releasee” is in de zin van art. 5.1 van het 1995 Settlement Agreement. Het Scheidsgerecht heeft in het Third Interim Award (ov. 4.53) geoordeeld dat het, hoewel het de door Chevron en TexPet gegeven uitleg van de 1995 Settlement Agreement als “serieus” bestempelt, het hier nog geen beslissing over die uitleg geeft maar zijn uiteindelijke oordeel hierover aanhoudt tot de hoofdzaak, aangezien dit van belang is voor zowel zijn jurisdictie op grond van art. VI lid 1 onder a van het BIT als de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van Chevron en TexPet in verband met de 1995 Settlement Agreement. Dit oordeel wordt in het First Partial Award herhaald (onder 3).

9.5

Vervolgens heeft het Scheidsgerecht in de Procedural Order No. 10 beslist dat de procedure over “the merits” zal worden opgedeeld in twee sporen. In de First Track zullen de uitleg en de rechtsgevolgen van de 1995 Settlement Agreement worden behandeld, waaronder het geschilpunt of Chevron wel of geen “Releasee” is onder het 1995 Settlement Agreement (zie de weergave in de First Partial Award onder 4). Daarop heeft het Scheidsgerecht in de First Partial Award on Track I geoordeeld dat Chevron inderdaad een “Releasee” is en rechten uit de 1995 Settlement Agreement kan geldend maken. Een antwoord op de vraag of dat betekent dat het Scheidsgerecht bevoegd is om een geschil tussen Chevron en Ecuador over die rechten te beoordelen op grond van art. VI lid 1 onder a van het BIT heeft het Scheidsgerecht niet gegeven. Uit het feit dat de kwalificatie als “Releasee” voor het Scheidsgerecht een “first issue” was, moet worden afgeleid dat voor de bevoegdheidsvraag nog meerdere stappen moeten worden genomen. Gedacht kan worden aan de in art. VI lid 1 onder (a) van het BIT opgenomen voorwaarden dat het geschil is “arising out of or relating to” een investment agreement en of het gaat om een investment agreement “between” Ecuador en Chevron. Daarbij komt dat het Scheidsgerecht in ov. 36 van de First Partial Award nog benadrukt dat uit het feit dat een bepaalde vraag hier niet wordt besproken niet mag worden afgeleid dat deze vraag op de een of andere wijze impliciet is beslist. Uit dit alles moet worden afgeleid dat het Scheidsgerecht nog geen definitief oordeel heeft gegeven over zijn bevoegdheid op grond van art. VI lid 1 onder a van het BIT. Art. 1052 lid 1 Rv, dat bepaalt dat het Scheidsgerecht zelf over zijn eigen bevoegdheid beslist, brengt mee dat de rechter dient af te wachten tot die beslissing is gevallen voordat hij mag en kan beoordelen of het Scheidsgerecht terecht bevoegdheid heeft aangenomen. Hetzelfde oordeel volgt uit art. 1064 lid 1 oud Rv omdat het First Partial Award op dit punt als een tussenvonnis moet worden aangemerkt.

9.6

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven II en IV niet verder worden beoordeeld. Grief IV zou zo kunnen worden gelezen, dat een “losse” beoordeling wordt verlangd van de bestempeling van Chevron als “Releasee”. Daartoe zal niet worden overgegaan, omdat dit raakt aan de inhoudelijke behandeling van de zaak, die nog gaande is.

10. De slotsom van het voorgaande is dat de grieven I tot en met IV die betrekking hebben op de geldigheid van de arbitrage-overeenkomst falen.

De vonnissen zijn in strijd met de openbare orde

11.1

De grieven V-XIX betreffen de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen wegens strijd met de openbare orde.

11.2

Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling of de arbitrale vonnissen strijdig zijn met de openbare orde terughoudendheid moet worden betracht. Vernietiging op deze grondslag is alleen geboden wanneer de vonnissen in strijd zijn met dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd.

12.1.

Ecuador is van mening dat de door het scheidsgerecht getroffen voorlopige voorzieningen in strijd zijn met de openbare orde. Deze maatregelen betreffen, samengevat, een bevel aan Ecuador om (via haar uitvoerende, wetgevende of rechtsprekende macht) maatregelen te nemen om de tenuitvoerlegging en erkenning van de Lago Agrio-vonnissen (inclusief hoger beroep en cassatie) te (doen) opschorten. Ecuador kan hooguit aansprakelijk worden gehouden in het geval sprake is van een schending van het BIT door haar rechterlijke macht, maar de bevoegdheid van het Scheidsgerecht gaat niet zo ver dat het kan ingrijpen in de onafhankelijkheid en soevereiniteit van de Ecuadoraanse rechter of dat het de uitvoerende en/of wetgevende macht kan opdragen in te grijpen in een civiele procedure. Dit zou een doorkruising van de scheiding der machten opleveren. Het Scheidsgerecht heeft zich bovendien ten onrechte als “wereldrechter” opgesteld door de erkenning en tenuitvoerlegging van het Ecuadoraanse vonnis in het buitenland te willen verhinderen, aldus Ecuador.

12.2

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat Ecuador zich heeft onderworpen aan het BIT en de daarin opgenomen bepalingen omtrent de arbitrage, waaronder de UAR. Art. 26 van de UAR geeft het Scheidsgerecht de bevoegdheid om voorlopige voorzieningen te treffen die verband houden met de hoofdzaak. Art. 32 lid 2 van de UAR en art. VI lid 6 van het BIT bepalen dat elk arbitraal vonnis partijen bindt en zo snel mogelijk moet worden uitgevoerd. Door toe te stemmen in de arbitrage en de daarop van toepassing zijnde bepalingen heeft Ecuador de rechtsmacht van het Scheidsgerecht aanvaard en heeft zij onderschreven dat zij zonder uitstel de door het Scheidsgerecht getroffen voorzieningen zal uitvoeren en de maatregelen zal treffen die in haar machtssfeer liggen voor de handhaving daarvan. Dat brengt mee dat Ecuador zich er niet over kan beklagen dat de door het Scheidsgerecht opgelegde maatregelen haar onafhankelijkheid en soevereiniteit schenden zolang het Scheidsgerecht beslissingen neemt die op grond van de toepasselijke regelingen binnen zijn bevoegdheid vallen.

Anders dan Ecuador lijkt te veronderstellen, volgt uit het BIT en/of de UAR niet dat het Scheidsgerecht enkel kan oordelen of Ecuador gehouden is tot het vergoeden van schade op de grond dat zij aansprakelijk is voor de schending van het BIT, ook niet als de beweerdelijke schending heeft plaatsgevonden door haar rechterlijke macht. Voorts is het hof van oordeel dat, anders dan Ecuador aanvoert, het Scheidsgerecht Ecuador niet heeft bevolen om met haar uitvoerende macht in te grijpen in de aan de rechterlijke macht voorbehouden taken en daarmee de machtenscheiding te doorbreken. Ecuador is kort gezegd bevolen de tenuitvoerlegging van het Lago Agrio vonnis in en buiten Ecuador te (doen) opschorten. Dit gebod strekt zich uit tot alle overheidsorganen wier medewerking nodig is om het vonnis ten uitvoer te leggen. Het is aan de republiek Ecuador om te bepalen door wie en op welke wijze de door het Scheidsgerecht opgelegde maatregelen worden uitgevoerd, haar uitvoerende macht, haar wetgevende macht of haar rechterlijke macht dan wel een combinatie daarvan, bijvoorbeeld door het voorlopig niet verlenen van een apostille of het opschorten van legalisatie. Ecuador is dus niet bevolen om invloed uit te oefenen op de inhoud of de uitkomst van een door een Ecuadoraanse rechter te wijzen vonnis en evenmin om een buitenlandse rechter te gebieden de erkenning van het Lago Agrio-vonnis te weigeren, maar (slechts) om de tenuitvoerlegging daarvan te (doen) opschorten. De maatregel is ook niet definitief: Ecuador wordt niet bevolen om de tenuitvoerlegging voor altijd tegen te houden, maar alleen om de tenuitvoerlegging te doen uitstellen, totdat de arbiters in de arbitrage een eindvonnis hebben gewezen waarin definitief over de algehele kwijting (Track 1) en de ‘denial of justice’ (Track 2) is beslist, teneinde te voorkomen dat er een onomkeerbare situatie ontstaat. Daarbij is nog van belang dat het Scheidsgerecht Chevron en TexPet aansprakelijk houdt voor de schade die Ecuador kan leiden door het nakomen van de door het Scheidsgerecht aan haar opgelegde verplichtingen en Chevron en TexPet heeft bevolen om een bedrag van US$ 50 miljoen te storten als zekerheid voor die eventuele aansprakelijkheid.

12.3

Op grond van het voorgaande falen de grieven V tot en met VIII. Grief IX is tevergeefs voorgesteld. De enkele omstandigheid dat de maatregel niet noodzakelijk zou zijn, betekent, indien al juist, nog niet dat zo’n maatregel in strijd is met de openbare orde.

12.4

Speciale aandacht verdient de omstandigheid dat met de voorlopige maatregelen van het Scheidsgerecht ook de belangen van derden worden geraakt, te weten de Ecuadoraanse burgers die als eisers in de Lago Agrio-procedure optreden. Deze eisers kunnen het vonnis immers niet (laten) executeren indien Ecuador zou voldoen aan de voorlopige maatregelen die het Scheidsgerecht heeft opgelegd.

12.5

Het hof overweegt als volgt. Door de voorlopige maatregelen worden niet rechtstreeks de rechten van de Lago Agrio-eisers aangetast. Wel heeft het Scheidsgerecht Ecuador opgedragen ervoor te zorgen dat het Lago Agrio-vonnis voorlopig niet ten uitvoer wordt gelegd. Dit brengt mee dat de Lago Agrio-eisers hun (door de Ecuadoraanse rechter vastgestelde) rechten jegens Chevron voorlopig niet geldend kunnen maken, zodat deze Ecuadoraanse burgers door het voorlopig schorsen van de tenuitvoerlegging van het vonnis in hun belangen worden geraakt en zij hierdoor schade zullen kunnen leiden. In zoverre bestaat er spanning tussen de voorlopige voorzieningen die het Scheidsgerecht heeft gegeven en het vonnis in de Lago Agrio-procedure dat op grond van het Ecuadoraanse recht in beginsel voor tenuitvoerlegging in aanmerking komt. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit echter niet dat het Scheidsgerecht zich had moeten onthouden van de omstreden voorlopige voorzieningen. Naar het hof begrijpt heeft het Scheidsgerecht – na afweging van de betrokken belangen – (vooralsnog) op Ecuador de (impliciete) verplichting gelegd om bij de uitvoering van voorlopige maatregelen (kort gezegd: het onthouden van de benodigde medewerking aan de tenuitvoerlegging van het Lago Agrio-vonnis) rekening te houden met de rechten en belangen van de betrokken Ecuadoraanse burgers die voortvloeien uit datzelfde vonnis. Ecuador heeft in deze vernietigingsprocedure onvoldoende concreet toegelicht waarom het Scheidsgerecht in de gegeven omstandigheden een dergelijke afweging niet had kunnen en mogen maken.

12.6

Ecuador betoogt dat zelfs als de Interim Awards van tijdelijke aard zijn, zij niettemin aan de Lago Agrio-eisers het recht op schadevergoeding ontnemen, zodat zij worden gedwongen om lange tijd in een vervuilde omgeving te leven en het risico te lopen dat zij als gevolg hiervan ziek worden. Volgens Ecuador heeft het Scheidsgerecht aldus geoordeeld over de rechten van de Lago Agrio-eisers. Dit betoog ziet eraan voorbij dat de inzet van de arbitrale procedure juist is om vast te stellen wie aansprakelijk is voor de milieuvervuiling in de Oriente-regio en daarmee verplicht is tot opruiming of tot het betalen van de kosten daarvan. Chevron en TexPet stellen dat dit Ecuador is, die hun in de 1995 Settlement Agreement algehele kwijting juist voor de milieuvervuiling heeft verleend, die zelf aansprakelijkheid hiervoor heeft aanvaard en die Chevron en TexPet dus moet vrijwaren. In de arbitrale procedure moet dus juist worden vastgesteld wie de vervuilde omgeving van de Lago Agrio-eisers moet (laten)schoonmaken of in elk geval de kosten daarvoor moet voldoen, Ecuador of Chevron en TexPet. Als de laatsten nu door de tenuitvoerlegging van het Lago Agrio-vonnis worden gedwongen om de grote som gelds te betalen waartoe zij daarbij zijn veroordeeld en in de arbitrage uiteindelijk wordt vastgesteld dat niet zij, maar Ecuador aansprakelijk voor de schade is, moeten Chevron en TexPet dit bedrag zien te verhalen. Ecuador stelt weliswaar dat Chevron dan op haar regres kan nemen, maar ziet eraan voorbij dat Chevron, mede gelet op de grootte van het bedrag, het risico loopt dat zij dit bedrag niet (in zijn geheel) kan verhalen. Daarbij merkt het hof op dat evengoed de vraag kan worden gesteld of het niet in ieder geval aan Ecuador was ervoor te zorgen dat de Lago Agrio-eisers niet (langer) in een vervuilde omgeving behoeven te wonen.

12.7

Het standpunt van Ecuador dat de arbitrage in wezen de vaststelling van de rechtsverhouding tussen de Lago Agrio-eisers en Chevron betreft, wordt verworpen. Zoals uit het voorgaande reeds blijkt, wordt ervan uitgegaan dat Chevron en TexPet in de arbitrageprocedure vastgesteld wensen te zien dat zij door het 1995 Settlement Agreement algeheel, dat wil zeggen tegenover een ieder, zijn gekweten voor enige schuld met betrekking tot milieuvervuiling in Ecuador en dat Ecuador hen zal vrijwaren voor aanspraken van derden die zien op deze milieuvervuiling. Om de beoordeling van deze aanspraken mogelijk te maken zonder dat deze door onomkeerbare gevolgen wordt doorkruist, heeft het Scheidsgerecht de voorlopige maatregelen genomen.

12.8

Bij pleidooi in hoger beroep heeft Ecuador nog aangestipt dat het niet ten uitvoer kunnen leggen van het vonnis voor de Lago Agrio-eisers tot gevolg zou kunnen hebben dat het recht van tenuitvoerlegging in bepaalde staten zal verjaren. Deze stelling heeft zij echter niet alleen in een zeer laat stadium opgebracht, maar heeft zij bovendien onvoldoende onderbouwd zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

12.9

Ook Grief XII is tevergeefs voorgesteld voor zover Ecuador daarin betoogt dat de vorderingen van Chevron in de arbitrageprocedure (mede) beogen de rechtsverhouding tussen Chevron en de Lago Agrio-eisers vast te stellen. Ecuador ziet eraan voorbij dat het Scheidsgerecht nog niet heeft geoordeeld over de in de toelichting op grief XII genoemde vorderingen van Chevron. Het enkele feit dat Chevron met haar vorderingen (wellicht) beoogt het Scheidsgerecht – in de woorden van Ecuador – “de rechtsverhouding tussen Chevron en de Lago Agrio-eisers te doen laten vaststellen”, is dan ook onvoldoende om te oordelen dat de getroffen voorlopige maatregelen wegens strijd met de openbare orde terzijde moeten worden gesteld.

12.10

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de grieven X tot en met XIII geen doel treffen.

13.1

De grieven XIV-XIX zijn gericht tegen de rov. 4.30 tot en met 4.32 waarin de rechtbank overweegt dat de Interim Awards zich niet anders laten verklaren dan doordat het Scheidsgerecht ten tijde van het uitvaardigen ervan serieuze aanwijzingen had dat het Lago Agrio-vonnis frauduleus was.

13.2

Grief XIV waarin Ecuador betoogt dat de beschuldigingen van Chevron over de bij het Lago Agrio-vonnis gepleegde fraude niet relevant zijn, slaagt. Ecuador voert met juistheid aan dat het Scheidsgerecht de gestelde fraude niet aan zijn beslissing over de jurisdictie of aan de Interim Awards waarin de voorlopige maatregelen zijn genomen ten grondslag heeft gelegd. Het heeft, in het kader van de vraag of Chevron en TexPet “prima facie” een serieuze zaak hebben, overwogen dat de aantijgingen van Chevron en TexPet tot de zwaarste beschuldigingen behoren die aan een staat kunnen worden gedaan op het gebied van zijn rechtssysteem. Daaraan is toegevoegd dat de beweringen compleet onwaar of compleet waar kunnen zijn en dat het Scheidsgerecht daarover nog geen definitief oordeel heeft (ov. 4.58 van het Third Interim Award). Daarna is dit deel van het inhoudelijke geding verplaatst naar Track 2. In zijn First Partial Award heeft het Scheidsgerecht nog gewaarschuwd dat niet mag worden aangenomen dat enig onderwerp impliciet is beslist. De grief is dus terecht voorgesteld, evenals de grieven XVI en XVII, maar het slagen van deze grieven kan niet tot vernietiging van het vonnis en alsnog toewijzing van de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen leiden. Zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, vormen de fraudebeschuldigingen geen onderdeel van ’s hofs beslissing dat het Scheidsgerecht bevoegd was om over het geschil te oordelen en evenmin van het oordeel dat de arbitrale vonnissen niet in strijd zijn met de openbare orde.

13.3

Aangezien grief XIV slaagt behoeft grief XV, waarin een bewijsaanbod wordt gedaan voor het geval de fraudebeschuldiging relevant zouden zijn voor enig oordeel, geen behandeling. Grief XVIII, waarin wordt betoogd dat de vaststellingen in het vonnis van het New York District Court onjuist zijn, behoeft om dezelfde reden niet te worden beoordeeld. Grief XIX faalt op grond van het hiervoor onder 12 overwogene.

Onvoldoende motivering

14.1

Met de grieven XX tot en met XXII keert Ecuador zich tegen de beslissing van de rechtbank dat aan de motiveringsplicht van het scheidsgerecht minder zware eisen mogen worden gesteld.

14.2

Het hof stelt voorop dat Ecuador zich in de dagvaarding niet op de vernietigingsgrond bedoeld in art. 1065 lid 1 onder d heeft beroepen, dat meer bepaald de ondertekening en de motivering van het vonnis betreft (zie de samenvatting van de vernietigingsgronden in ov. 4.1 van het rechtbankvonnis). Artikel 1065 lid 4 Rv (oud) belet dat Ecuador in hoger beroep voor het eerst een gebrekkige motivering van de arbitrale vonnissen in de zin van de genoemde bepaling onder d als grond voor vernietiging aandraagt.

14.3

De enige mogelijkheid is dan dat Ecuador de door haar gewraakte motivering in het kader van de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1 onder e (strijd met de openbare orde) beoordeeld wil zien en zo heeft de rechtbank het betoog van Ecuador kennelijk ook opgevat. Maar binnen dat kader is vernietiging hoogstens mogelijk indien geen enkele motivering is gegeven of de wel gegeven motivering met een ontbrekende motivering op één lijn moet worden gesteld, omdat zij geen verklaring bevat voor de beslissing. Dat heeft Ecuador echter niet aangevoerd. Haar betoog komt erop neer dat het scheidsgerecht in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten, dan wel evident onvoldoende heeft gemotiveerd. Die lichtere vormen van schending van de motiveringsplicht vormen, indien al aanwezig, onvoldoende aanleiding voor vernietiging op grond van strijd met de openbare orde, nu daarmee niet aan de eis van het ontbreken van een motivering of daarmee gelijk te stellen motivering is voldaan. Daarmee falen de grieven XX en XXI. Grief XXII faalt op de onder 13 ontvouwde gronden.

Slotsom

15. De slotsom is dat de meeste grieven falen. De grieven die terecht zijn voorgesteld leiden niet tot een ander oordeel. Daarmee faalt ook grief XXIII. Het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd met verbetering van gronden en Ecuador zal in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 januari 2016 met verbetering van gronden;

- veroordeelt Ecuador in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Chevron en TexPet begroot op € 718,- voor griffierecht en € 2.682,- aan salaris van de advocaat;

- verklaart dit arrest wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Olthof, C.J. Verduyn en C.A. Joustra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.