Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:2

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
200.159.593/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad (art. 351 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.159.593/02

Zaaknummer rechtbank : 105991 \ CV EXPL 95-23697

arrest van 10 januari 2017

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in de hoofdzaak,

tevens eiser in het incident

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.A.J. Werner te Rotterdam,

tegen

National Bank of Greece,

statutair gevestigd te Athene, Griekenland,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

tevens verweerder in het incident,

hierna te noemen: NBG,

advocaat: mr. A. van der Kolk te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 13 oktober 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam, tussen partijen gewezen vonnis van 11 juli 2014. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] acht grieven aangevoerd tegen het vonnis van 11 juli 2014 en twee daaraan voorafgegane tussenvonnissen en in het incident gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juli 2014 wordt geschorst. NBG heeft geantwoord op de vordering in het incident.

Vervolgens is de dag voor arrest in het incident bepaald.

Beoordeling in het incident

1. Het gaat in deze zaak, voor zover relevant voor de beoordeling van het incident, om het volgende.

1.1

[appellant] is in 1972 bij NBG in dienst getreden in de functie van [functienaam]. Hij heeft zijn werkzaamheden uitgeoefend in het filiaal van NBG te Rotterdam. In de periode van 1993 tot en met juli 1995 heeft [appellant] met gelden van de bank valutatermijntransacties gedaan in vreemde valuta, met de bedoeling de daarmee te behalen winsten zelf te behouden. Op 12 oktober 1995 is [appellant] geschorst in de uitoefening van zijn functie. Op 10 november 1995 heeft NBG ten laste van [appellant] conservatoire beslagen doen leggen onder drie banken. Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 27 december 1995 is de arbeidsovereenkomst per 27 december 1995 ontbonden.

1.2

NBG heeft in eerste aanleg gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen tot betaling aan haar van:

- USD 7,6 miljoen aan hoofdsom, met wettelijke rente,

- de overige aan haar toegebrachte schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met wettelijke rente,

- de proceskosten.

Bij conclusie van repliek heeft NBG haar eis verminderd tot in hoofdsom USD 6.512.810,53, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

1.3

[appellant] heeft zich tegen de vordering verweerd. De kantonrechter heeft [appellant] bij vonnis van 11 juli 2014 veroordeeld tot betaling aan NBG van USD 740.620,18 met wettelijke rente en proceskosten, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

2. In dit incident vordert [appellant] op de voet van artikel 351 Rv dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juli 2014 wordt geschorst, met veroordeling van NBG in de kosten van het incident. Hieraan legt hij, samengevat, het volgende ten grondslag.
In eerste aanleg heeft [appellant] verweer gevoerde tegen de gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad (conclusie van dupliek, nr. 62). Op dit verweer is de kantonrechter niet ingegaan. Evident is dat de kantonrechter bij een deugdelijke afweging van het belang van NBG bij executie van het vonnis en het belang van [appellant] bij onthouding van uitvoerbaarverklaring bij voorraad zijn vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zou hebben verklaard. Immers, enerzijds zijn de gevolgen van executie voor [appellant] (die sinds 1996 in de bijstand zat en nu een AOW-uitkering ter hoogte van 72% ontvangt) immens en anderzijds heeft NBG als staatsbank geen enkel rechtens te respecteren belang bij onmiddellijke executie, hetgeen ook wordt onderstreept door het feit dat NBG dertien jaar heeft gewacht met het nemen van de conclusie van repliek.

3. NBG bestrijdt de vordering in het incident op de grond dat daaraan geen feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die bij de gegeven beslissing van de kantonrechter niet in aanmerking konden worden genomen.

4. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. De wet staat evenwel in hoger beroep de appelrechter toe op vordering van een partij de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis te schorsen (artikel 351 Rv).

5. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen rechtvaardigen dat thans wordt afgeweken van de beslissing van de kantonrechter om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Evenmin is gebleken dat het vonnis van 11 juli 2014 berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag. In beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Voor zover dat in dit geval anders is omdat [appellant] op dit punt verweer heeft gevoerd – hij heeft in eerste aanleg gesteld dat zijn belang daarbij immens is en dat NBG geen rechtens te respecteren belang heeft – en de kantonrechter zonder motivering aan het verweer voorbij is gegaan en de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft toegewezen, kan dat niet tot een ander oordeel leiden. Indien immers alsnog een belangenafweging moet plaatsvinden, valt deze uit in het nadeel van [appellant]. Immers valt niet (zonder meer) in te zien waarom aan het belang van NBG bij tenuitvoerlegging van het vonnis minder gewicht zou moeten worden gehecht dan aan het belang van [appellant] om daaraan niet te hoeven voldoen zolang op het hoger beroep niet is beslist. Dat wordt niet anders doordat [appellant] al sinds 1996 een gering inkomen heeft en tussen de conclusie van antwoord en de conclusie van repliek lange tijd is verstreken.

7. Het voorgaande brengt mee dat de vordering in het incident zal worden afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.

Beslissing

Het hof:

in het incident ex artikel 351 Rv

- wijst de incidentele vordering af;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van NBG begroot op € 894, aan salaris van de advocaat;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 21 februari 2017 voor memorie van antwoord.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, C.J. Verduyn en A.A. Rijperman en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.