Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1940

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
BK-17/00003
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:15927, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1695, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de auto van belanghebbende voor de BPM als nieuw moet worden aangemerkt. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1596
FutD 2017-1729
Viditax (FutD), 21-09-2018
NTFR 2017/1960 met annotatie van mr. P.A.M. Breekpot
NLF 2017/1737 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00003

Uitspraak van 18 mei 2017

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Breda, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2016, nr. SGR 16/6544.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn ter zake van de registratie van de personenauto met kenteken [Y] een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen van € 11.687 en bij beschikking een boete van € 5.843 opgelegd.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. Bij afzonderlijk besluit heeft de Inspecteur ter zake van het bezwaar aan belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 492 toegekend.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur die ziet op de naheffingsaanslag beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 334 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 501 is geheven.

1.6.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.7.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 april 2017 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Met inachtneming van de vaststelling door de rechtbank gaat het Hof uit van de volgende feiten:

2.1.

Op 21 januari 2016 heeft belanghebbende bij een dealer in Duitsland een personenauto, een Mercedes […] , gekocht. De auto is gefabriceerd in het jaar 2015. Bij aflevering van de auto staat de teller op circa 30 kilometer.

2.2.

Op 1 februari 2016 heeft belanghebbende met betrekking tot de registratie van de auto in het Nederlandse kentekenregister € 18.027 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) op aangifte voldaan. Ten tijde van de registratie van de auto staat de teller op 3195 kilometer.

2.3.

Bij het doen van de aangifte voor de BPM is belanghebbende uitgegaan van een gebruikte auto in de zin van artikel 9, lid 6, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM).

2.4.

Bij de berekening van de aangegeven BPM heeft belanghebbende de inkoopwaarde van de auto bepaald door de waarde op basis van de koerslijst Autotelex te verminderen met een schadebedrag. Bij de aangifte is een taxatierapport van 31 januari 2016 overgelegd dat is opgemaakt door [A] VRT Registertaxateur, verbonden aan [B] Expertise- Taxatiebureau te [C] . In het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 72.885. Voorts is rekening gehouden met € 2.320,33 aan reparatiekosten voor schade.

2.5.

Aan de naheffingsaanslag ligt de opvatting ten grondslag dat sprake is van een nieuwe personenauto als bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet BPM.

De rechtbank

3. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

5. In geschil is of de auto is aan te merken als een gebruikte personenauto in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Wet op de BPM 1992, hetgeen [belanghebbende] bepleit en [de Inspecteur] betwist.

6. De rechtbank is van oordeel dat de auto als een nieuw motorrijtuig dient te worden aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat [belanghebbende] - in de persoon van haar directeur-aandeelhouder - de auto zelf bij een dealer in Duitsland heeft besteld en afgehaald. Niet in geschil is dat de auto op het moment van aflevering een kilometerstand had van 30 kilometer. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de auto op het moment van aflevering reeds schade had en/of gebruikssporen aanwezig waren. De rechtbank overweegt daarbij dat [belanghebbende] het zelf in de hand had wanneer zij na aankoop de auto in Nederland zou registreren. Dit kan zijn direct na aankoop of, zoals in het onderhavige geval, op een later moment.

7. De omstandigheid dat de auto in Duitsland geregistreerd is geweest acht de rechtbank in het onderhavige geval niet van belang. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:145, weliswaar geoordeeld dat het bepaalde in paragraaf 7.5.2 van de Leidraad BPM 2006 aldus moet worden uitgelegd dat een eerdere toekenning van een kenteken volstaat om een personenauto als gebruikt aan te merken in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Wet op de BPM 1992. De rechtbank stelt echter vast dat aan [belanghebbende] in Duitsland een zogenoemd exportkenteken is afgegeven. Nu met het verlenen van een dergelijk exportkenteken een duurzaam gebruik van de Duitse autowegen niet is toegestaan - er kan slechts kortstondig gebruik worden gemaakt van die wegen ten behoeve van de export van de auto -, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een eerste registratie van de auto in het buitenland.

8. [ Belanghebbende] heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 16a Wet BPM in samenhang met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) het BPM tarief zoals dat in 2015 gold, ook in dit geval dient te worden toegepast. [Belanghebbende] heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid dat soortgelijke referentievoertuigen wel onder het 2015 tarief zijn belast waardoor dit strijd met artikel 110 VWEU oplevert. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [belanghebbende] op dit artikel moet worden afgewezen, nu [belanghebbende] niet aan de in daarin genoemde voorwaarden voldoet; de afgifte van het kenteken heeft immers niet in 2015 plaatsgevonden, zodat niet kan worden gesteld dat tussentijds een verhoging van het tarief heeft plaatsgevonden. Verder is de rechtbank van oordeel dat in dit verband niet, zoals [belanghebbende] betoogt, dient te worden aangesloten bij voertuigen waarvoor het kenteken reeds in 2015 is afgegeven maar moet worden uitgegaan van voertuigen die evenals het voertuig van [belanghebbende], eerste in 2016 in het kentekenregister zijn ingeschreven. Het standpunt van [belanghebbende] dat het niet toepassen van artikel 16a, van de Wet op de BPM 1992 strijdig is met artikel 110 van het VWEU, treft daarom geen doel.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Geschil en standpunten

4.1.

In hoger beroep is in geschil, net als voor de rechtbank, of de naheffingsaanslag terecht en, zo dat het geval is, tot het juiste bedrag is opgelegd. In het bijzonder houdt partijen het antwoord op de vraag verdeeld of de auto voor de heffing van BPM als een nieuwe personenauto is aan te merken, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.3.

Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat, wanneer het Hof oordeelt dat sprake is van een gebruikte personenauto, de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

Beoordeling

5.1.

De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden geoordeeld dat de auto voor de heffing van BPM is aan te merken als een nieuwe personenauto en dat het voor de BPM in 2016 geldende tarief moet worden toegepast. Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep niets aangevoerd dat een andere conclusie rechtvaardigt.

5.2.

Het Hof neemt in aanmerking dat de beschikbare gegevens uitwijzen dat het belanghebbende is die de auto, die de Duitse dealer ontegenzeggelijk als nieuw - toen was sprake van een auto die na de vervaardiging niet of nauwelijks is gebruikt - aan haar heeft afgeleverd, in termen van de BPM voor het eerst, en wel in 2016, in gebruik heeft genomen en dat de auto in 2016 in Nederland is geregistreerd.

5.3.

Belanghebbendes stelling dat het BPM-tarief van 2015 moet worden toegepast faalt. De omstandigheid dat (nagenoeg) identieke personenauto’s, dat wil zeggen auto’s vergelijkbaar met die van belanghebbende, die in 2015 zijn gefabriceerd en in hetzelfde jaar in het Nederlandse kentekenregister zijn geregistreerd maar eerst in 2016 zijn tenaamgesteld (ook wel systeem van "pre-registratie" genoemd), op de voet van artikel 16a van de Wet BPM het BPM-tarief van 2015 kunnen toepassen, biedt niet een grond anders te oordelen. Er is geen sprake, de overwegingen van de rechtbank overnemend, van voor de heffing van BPM gelijke gevallen: de auto is niet in 2015 tot de openbare weg toegelaten, terwijl de vergelijkbare personenauto’s waar belanghebbende op doelt in 2015 voor het eerst in Nederland zijn toegelaten tot de openbare weg en ook in dat jaar op kenteken zijn gezet, zij het nog zonder tenaamstelling.

5.4.

Ook faalt belanghebbendes stelling dat de BPM (in alle gevallen) moet worden geheven al naar gelang de duur van het gebruik van een personenauto in Nederland, onder andere wijzend op het door brand volledig tenietgaan van de auto op 18 januari 2017. Het is niet aan de rechter de innerlijke waarde van de wet te toetsen.

5.5.

In geen van de stellingen die belanghebbende in beroep en in hoger beroep over nationale en Unierechtelijke rechtsregels, waaronder artikel 110 VWEU, heeft aangevoerd, noch anderszins ziet het Hof een grond de naheffingsaanslag te verminderen, laat staan te vernietigen.

5.6.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Kosten

Het Hof heeft geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten of andere kosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 18 mei 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.