Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1931

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
200.215.340-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:3222, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1806, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

gesloten stelsel van rechtsmiddelen; anonieme verdachten in strafdossier; 6 EVRM; eerlijk proces; civiele vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/152
PS-Updates.nl 2017-0566
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.215.340/01
Rolnummer rechtbank : C/09/528803 / KG ZA 17/335

Arrest van 4 juli 2017

inzake

[appellante 1] ,

wonende te [woonplaats] ([land]),

[appellante 2] ,

wonende te [woonplaats] ([land]),

[appellante 3] ,

wonende te [woonplaats] ([land]),

[appellant 4] ,

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna tezamen te noemen: de nabestaanden,

advocaat: mr. R.A. Korver te Amsterdam,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: W. Heemskerk te Den Haag.

Het geding

Bij spoedappeldagvaarding van 26 april 2017 (hersteld bij exploot van 1 mei 2017) zijn de nabestaanden in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 31 maart 2017. Zij hebben zes grieven tegen het vonnis gericht en producties overgelegd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de Staat de grieven bestreden. Op 6 juni 2017 hebben partijen gepleit bij monde van hun advocaat aan de hand van pleitnota’s. Vervolgens hebben zij arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Tegen de uitgangspunten van de voorzieningenrechter zijn geen grieven gericht. Gelet daarop en op hetgeen partijen in hoger beroep onbestreden hebben aangevoerd, gaat het hof van het volgende uit.

1.2

Op 27 juni 2015 is de heer [A] (hierna: [A] ) op een muziekfestival te Den Haag door vijf politieagenten aangehouden en overmeesterd. Op enig moment na die aanhouding is geconstateerd dat [A] geen hartslag meer had. Na reanimatiepogingen en overbrenging naar een ziekenhuis, is hij op zondag 28 juni 2015 overleden.

1.3

Naar het handelen van de vijf betrokken politieagenten heeft de Rijksrecherche onderzoek verricht. Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding daarvan besloten twee agenten, die in het strafdossier worden aangeduid als DH01 en DH02, strafvorderlijk te vervolgen en de zaak tegen de andere drie agenten, die in het strafdossier worden aangeduid als DH03, DH04 en DH05, te seponeren.

1.4

Op 20 februari 2017 heeft in de strafzaken tegen DH01 en DH02 een regiezitting plaatsgevonden. Daarvan zijn processen-verbaal opgemaakt. Ten aanzien van de behandeling van de zaak is in beide processen-verbaal onder meer opgenomen:

“De rechtbank heeft in deze zaak stukken gezien waaruit voldoende blijkt dat de veiligheid van de verdachte het noodzakelijk maakt dat hij in dit proces anoniem optreedt. Daarom is daarvoor gekozen. De verdachte bevindt zich, zoals reeds eerder vermeld, in een afgeschermde ruimte, die alleen voor de rechtbank en de officier van justitie zichtbaar is. Voorts is de stem van de verdachte vervormd. Zijn naam komt in geen enkel stuk in het dossier voor. De rechtbank weet dat de persoon die zij nu in de afgeschermde ruimte ziet zitten de verdachte is waar het in deze zaak om gaat, omdat de voorzitter en de griffier voor de aanvang van de zitting zijn identiteit hebben vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsdocument.”

Ten aanzien van het kenbaar maken van de namen van de verdachten wordt in de processen-verbaal melding gemaakt van, kort gezegd:

- het voor de zitting ontvangen verzoek van de raadsman van de nabestaanden, alsmede van de raadsman van andere nabestaanden, ieder voor zich, om “te bepalen dat aan hun cliënten, in elk geval aan de raadslieden, de personalia van de verdachten in deze zaak zullen worden bekend gemaakt.”;

- de toelichting die voormelde raadslieden hebben gegeven op dat verzoek en de reactie daarop van de advocaat van de verdachten en van de officier van justitie, die zich beiden daartegen hebben verzet;

- de beslissing die de rechtbank, na zich in raadkamer te hebben teruggetrokken voor beraad op het verzoek, heeft genomen, te weten:

“Het desbetreffende verzoek is gebaseerd op artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering dat gaat over het recht van het slachtoffer op inzage in en afgifte van processtukken.

In de processtukken van deze zaak komt de naam van de verdachte niet voor. De naam op zich valt niet aan te merken als een processtuk dat in aanmerking zou kunnen komen voor inzage of afgifte. Het verzoek vindt dus geen grondslag in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering. Een andere grond is genoemd noch gebleken. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.”

1.5

De nabestaanden hebben eerder bij dit hof klaagschriften als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend, waarin zij zich beklagen over de niet-vervolging van DH03, DH04 en DH05 en over de niet-vervolging ter zake van bepaalde feiten van DH01 en DH02. Bij beschikking van 30 maart 2017 heeft het hof het beklag afgewezen.

1.6

Op 6 april 2017 heeft opnieuw een regiezitting plaatsgevonden in de strafzaken tegen DH01 en DH02. Namens de nabestaanden is toen wederom verzocht de namen van de geanonimiseerde verdachten kenbaar te maken. De strafrechter heeft daarover op 20 april 2017 de volgende beslissing genomen:

Openbaar maken van de namen van de verdachten.

De rechtbank stelt voorop dat zij reeds op de regiezitting van 20 februari 2017 te kennen heeft gegeven dat zij van oordeel is dat er voor het anoniem optreden van de verdachten in deze zaak aanleiding is, gelet op stukken waarvan de rechtbank kennis heeft genomen en waaruit voldoende blijkt dat de veiligheid van de verdachten een dergelijk anoniem optreden noodzakelijk maakt. Op diezelfde zitting heeft de rechtbank een verzoek van de raadslieden van de nabestaanden tot het verstrekken van de namen van de verdachten afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in de processtukken van deze zaak (die reeds zijn afgegeven) de namen van de verdachten niet voorkomen en dat die namen op zich niet vallen aan te merken als processtukken die in aanmerking zouden kunnen komen voor inzage of afgifte. (…) De rechtbank (…) ziet geen reden om van dat oordeel af te wijken en handhaaft haar op de zitting van 22 februari 2017 gegeven beslissing.

Voorts heeft mr. Korver het verzoek om afgifte uitgebreid tot stukken op basis waarvan de rechtbank de identiteit van de verdachten heeft vastgesteld. Dat verzoek is gegrond op de stelling dat dergelijke stukken zijn aan te merken als processtukken, (…).

Zoals reeds herhaaldelijk door de rechtbank is overwogen, komen de namen van verdachten niet in de processtukken voor. Naar aanleiding van het verzoek van mr. Korver heeft de voorzitter ter zitting van 6 april 2017 medegedeeld op welke wijze de rechtbank van de namen van de verdachten op de hoogte is geraakt. Dat is aldus geschied, dat door de officier van justitie aan de voorzitter een exemplaar van de dagvaarding ter hand is gesteld, waarop de naam van de respectieve verdachte staat vermeld.

Anders dan door mr. Korver is aangevoerd, kan een dergelijk stuk niet gelden als een processtuk. De geanonimiseerde dagvaarding is dat wel, en die is dan ook aan de raadslieden afgegeven. Het aan de voorzitter ter hand gestelde stuk betreft een intern stuk, uitsluitend bedoeld om de rechtbank in staat te stellen de verdachten te identificeren, hetgeen voorafgaand aan de zitting van 20 februari 2017 ook is gebeurd. Hetzelfde geldt voor het op naam gestelde uittreksel uit het justitieel documentatieregister dat, zoals door de voorzitter ter zitting van 6 april 2017 is medegedeeld, door de officier van justitie aan hem is getoond. Ook dat is – anders dan het geanonimiseerde uittreksel – geen processtuk, maar een stuk, bedoeld om de rechtbank zekerheid te verschaffen omtrent de tenaamstelling van het uittreksel. (…)

2.1

In de onderhavige procedure hebben de nabestaanden de Staat gedagvaard voor de civiele rechter in kort geding en gevorderd – zakelijk weergegeven – de Staat te bevelen de namen van de vijf betrokken agenten aan hen te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten. Aan hun vordering hebben zij ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hen handelt. Daartoe hebben zij aangevoerd, kort gezegd, dat de gang van zaken in het strafproces in strijd is met artikel 1 Sv omdat de wet geen mogelijkheid biedt om een verdachte anoniem te laten zijn, en ook met artikel 6 EVRM, artikel 121 Grondwet en artikel 4 Wet op de Rechterlijke Organisatie, omdat een anonieme verdachte in strijd is met het beginsel van een goede procesorde en met de openbaarheid. Voorts wordt het slachtofferrecht illusoir bij anonieme verdachten en wordt in strijd met de artikelen 51b, 51e, 149a en 273 lid 1 Sv gehandeld. De nabestaanden willen zelf onderzoek kunnen (laten) doen naar de achtergrond van de verdachten, onder meer in het kader van hun recht om stukken te doen voegen in de strafzaak en ten behoeve van hun spreekrecht. Verder vinden de nabestaanden het niet‑verstrekken van de personalia een schending van de verplichting van de Staat om secundaire victimisatie te voorkomen.

2.2

De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3

De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen, omdat (zeer kort gezegd) de strafrechter op het verzoek om de personalia van de verdachten bekend te maken, kon beslissen. De strafrechter heeft dat ook gedaan in de strafzaak waar het in dit geding om gaat. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat eraan in de weg dat de beslissing van de strafrechter in dit civiele kort geding wordt aangevochten. Er is in dit geding geen grond voor een uitzondering op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

2.4

De nabestaanden hebben in dit hoger beroep gevorderd het kort geding vonnis te vernietigen en hun vordering alsnog toe te wijzen. Zij hebben thans, naast het onder 2.1 genoemde, ook aan hun vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd: de Staat handelt onrechtmatig omdat hij de namen moet verstrekken zodat de nabestaanden een civiele rechtsvordering tot vergoeding van de door hen geleden schade kunnen instellen tegen de twee strafrechtelijk vervolgde en de drie niet strafrechtelijk vervolgde agenten. Wanneer de agenten anoniem blijven, wordt artikel 13 EVRM geschonden.

4. Alvorens de grieven te bespreken, stelt het hof het volgende voorop.

Het is aan de strafrechter om beslissingen te nemen op verzoeken die procesdeelnemers met betrekking tot (het voeren van) de strafzaak aan de rechter doen. In dat verband hebben de nabestaanden bij de strafrechter, ten behoeve van hun deelname aan de strafzaak, het verzoek kunnen doen (onder meer) tot het verstrekken van de namen, en daarmee het opheffen van de anonimiteit van de bij de strafzaak betrokken agenten. De strafrechter heeft hiertoe voldoende gelegenheid geboden en hij heeft ook tijdig een beslissing genomen, namelijk op een regiezitting (ruim) voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Het is onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat de juistheid van de beslissing van de strafrechter of de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot die beslissing heeft geleid, aan de burgerlijke rechter ter toetsing wordt voorgelegd.

De Hoge Raad heeft aanvaard dat een uitzondering wordt aangenomen op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in geval een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening had kunnen houden, noopt tot de slotsom dat die beslissing is tot stand gekomen op zodanige wijze dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van artikel 6 lid 1, eerste zin, EVRM (Hoge Raad 1 februari 1991; ECLI:NL:HR:1991:ZC0130; NJ 1991, 413 en Hoge Raad 31 oktober 2003; ECLI:NL:HR:2003:AI0351; NJ 2005, 196).
Het hof is van oordeel dat, in aanmerking genomen de uit de artikelen 1 (https://www.navigator.nl/document/id902ff2405d68df611c55c0c4c43a4d84) en 13 (https://www.navigator.nl/document/id1fd29fe16792e41250e60423dc61aa28) EVRM voortvloeiende verplichtingen tot het verzekeren van de in artikel 6 (https://www.navigator.nl/document/id6fdf6a41a3ac399a5c6ed7572e814ef9) EVRM neergelegde rechten en tot het voorzien in een 'recours effectif'/'effective remedy' in geval van schending van die rechten, de burgerlijke rechter in kort geding het gesloten stelsel van rechtsmiddelen moet, maar ook slechts kan, doorbreken indien niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat bij de strafrechter zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling als bedoeld in artikel 6 EVRM niet kan worden gesproken. Met in achtneming hiervan, zal het hof de grieven beoordelen.

5. De eerste grief van de nabestaanden is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij een met voldoende waarborgen omklede (snelle) rechtsgang bij de strafrechter hebben gehad. De strafrechter heeft volgens de nabestaanden niet op hun verzoek beslist, maar slechts op een verzoek tot inzage in en afgifte van processtukken, terwijl de nabestaanden willen dat de namen van de agenten aan hen, althans aan hun advocaten in de strafzaak, bekend worden gemaakt. Bovendien is van een kennelijke misslag sprake nu de stukken, in het bijzonder de niet geanonimiseerde dagvaarding, wel processtukken zijn. Daarop ziet de tweede grief. Met de derde grief hebben de nabestaanden betoogd dat het niet toewijzen van de vordering tot verstrekken van de namen bij hen leidt tot een (acute) noodtoestand. Het hof zal deze grieven thans tezamen behandelen.

6.1

Het hof overweegt dat in de beslissing van 20 april 2017 van de strafrechter expliciet is vermeld dat een verzoek is gedaan tot “Verstrekken naam verdachte” en dat op dit verzoek, en niet op een meer algemener verzoek tot openbaarmaking van de namen van de verdachten, is beslist. In de beslissing is weliswaar als tussenkop opgenomen “Openbaar maken van de namen van de verdachten” maar blijkens de daaronder opgenomen beslissing heeft de rechtbank, anders dan de nabestaanden aanvoeren, ook toen geoordeeld over het “verstrekken van de namen van de verdachten”. Voorts heeft de strafrechter uitdrukkelijk overwogen dat hij van oordeel is dat er voor het anoniem optreden van de verdachten in de strafzaak aanleiding is, gelet op stukken waarvan de rechtbank kennis heeft genomen en waaruit voldoende blijkt dat de veiligheid van de verdachten het noodzakelijk maakt dat zij in het strafproces anoniem optreden. Bij mail-bericht van 20 april 2017 (productie 19, waarnaar de nabestaanden verwijzen) is te kennen gegeven dat de rechtbank alle strafprocesstukken in zijn bezit heeft. Tot deze stukken behoort in elk geval (zo is het hof ook ter zitting in hoger beroep gebleken) het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de Rijksrecherche van 9 november 2016 dat de aanleiding voor het anonimiseren van de agenten beschrijft. In dit proces-verbaal worden verschillende bedreigingen tegen het leven van politieagenten weergegeven naar aanleiding van het overlijden van [A] . Deze bedreigingen komen uit verschillende bronnen. Ook maakt het melding van hevige protesten en rellen bij verschillende politiebureaus door veel mensen (243 verdachten zijn aangehouden) onder meer met openlijke geweldpleging, brandstichting, bedreiging en mishandeling. Voorts wordt beschreven dat rond 25 oktober 2016 – meer dan een jaar later – in de buurt waar [A] werd aangehouden, posters zijn opgehangen met de tekst ‘Fuck the police it’s time to fight back’ en een tekening van een man die door de politie tegen de grond wordt geduwd. De Rijksrecherche concludeert dat het ‘gezien bovenstaande’ zeer wenselijk is dat de identiteit van de betrokken vijf politieambtenaren onbekend blijft. Andere stukken zijn onder meer een “Proces-verbaal Sfeer Schilderswijk 29, 30 juni en 1, 2 en 3 juli 2015”, waarin staat dat politieagenten die in gesprek waren met demonstranten, zwaar werden belaagd door een grote, woedende menigte, en een proces-verbaal van aangifte waarin gewag wordt gemaakt van berichten op internet (onder andere Facebook) inhoudend “Simpel, wij nemen wraak op de familie van de politieagenten die er bij betrokken waren. Ga naar de scholen en dood hun kinderen of ga naar het werk van hun vrouw en dood die kk”.

Aldus benoemen de stukken waarvan de rechtbank kennis heeft genomen bedreigingen tegen het leven van agenten en hun gezinnen door een groot aantal (onbekende) mensen, en mensen die mogelijk zijn op te ruien tot gewelddadige rellen.

6.2

De nabestaanden hebben niet aangevoerd dat aan de strafrechter relevante informatie is onthouden. Niets wijst er op – en de nabestaanden hebben dat ook niet gesteld – dat bepaalde informatie waaruit had kunnen blijken dat de dreiging niet serieus is of (inmiddels) is opgehouden te bestaan, voor de rechtbank verborgen is gehouden. Noch hebben de nabestaanden (anderszins) iets aangevoerd waardoor geoordeeld zou kunnen worden dat de procesvoering aangaande hun verzoek om de namen bekend te maken, niet een eerlijk proces is geweest. De stelling dat er wel vaker mensen op sociale media bedreigd worden, zonder dat zij allemaal bescherming krijgen (wat daar verder van zij), is daartoe niet voldoende, reeds omdat niets er op wijst dat de onderhavige bedreiging daaraan zodanig gelijk is dat aan de bedreiging voorbij gegaan kan worden zonder levens in gevaar te brengen.

6.3

De rechtbank heeft niet alleen beslist dat er geen grond is de namen te verstrekken omdat deze niet in de processtukken voorkomen (art. 51b Sr), maar heeft ook overwogen dat de veiligheid van de verdachten anoniem optreden in de strafzaak noodzakelijk maakt. Daarmee is, anders dan de nabestaanden nu aanvoeren, niet alleen beslist op een verzoek tot verstrekking van de namen, maar ook op een verzoek tot verstrekking van een ongeschoond dossier en van de stukken waaraan de rechtbank de identiteit van de verdachten heeft vastgesteld. De schoning ziet immers op de namen van de agenten; de betreffende stukken zijn slechts verschillend van de processtukken vanwege de identiteiten. Ook het verzoek om de namen uitsluitend aan de advocaten te geven (verstrekking onder voorwaarden; onder meer aangegeven onder nr. 20 e.v. van het ‘verzoek verstrekken namen verdachten’ voor de pro forma zitting van 4 maart 2017) is met de beslissing van de strafrechter afgewezen.

6.4

Gelet op het voorgaande zijn bij de behandeling van het verzoek geen fundamentele rechtsbeginselen veronachtzaamd, zodanig dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling als bedoeld in artikel 6 EVRM niet kan worden gesproken.

6.5

Ook de inhoud van de beslissing van de strafrechter vormt geen grond om in dit civiele kort geding aan te kunnen nemen dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Daartoe overweegt het hof het volgende.

6.6

De procesdossiers van de verdachten zijn (kennelijk) zo samengesteld dat zich daarin geen namen maar nummers van de betrokken agenten bevinden. Elk van de vijf geanonimiseerde agenten heeft een eigen, eenvoudig, nummer (DH01 t/m DH05). Alle voor de strafrechtelijke vervolging en berechting relevant geachte stukken, waaronder de dagvaardingen met daarin de tenlasteleggingen op grond waarvan de berechting plaats zal vinden, bevinden zich in de procesdossiers (met vijf nummers in plaats van vijf namen). De nabestaanden mogen deze dossiers inzien. De terechtzitting zal plaatsvinden aan de hand van deze dossiers (met de nummers). Een en ander brengt jegens de nabestaanden geen handelen anders dan op de wijze bij de wet voorzien, met zich.

6.7

De verdediging (verdachten) en het Openbaar Ministerie kennen de identiteiten die bij de vijf nummers horen. De voorzitter van de strafkamer heeft deze geverifieerd. De vervanging van de namen door nummers in het meer openbare deel van het strafproces, is volgens de strafrechter noodzakelijk vanwege de veiligheid, die, zo is (onbetwist) naar voren gekomen, ziet op het leven – dus het hoogste goed – van de verdachten. Dat de nabestaanden door dit handelen niet alle informatie hebben die de verdachten, het Openbaar Ministerie en de strafrechter wel hebben, is door de wetgever voorzien. De Minister heeft immers over de fundamentele rechten van het slachtoffer in de Tweede Kamer gezegd: “Het is van belang om daarbij de goede verbinding te leggen, waarbij ik doel op het evenwicht ten opzichte van de schending van privacyrechten van de verdachte. Het is niet de bedoeling dat klakkeloos het gehele procesdossier aan de slachtoffers en hun advocaten wordt verstrekt.” (handelingen Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30143, nr. 28 p. 21).

6.8

De nabestaanden worden in het strafproces niet ‘buiten spel gezet’ zoals zij zelf aanvoeren. Het strafproces kan plaatsvinden en zij kunnen daarbij aanwezig zijn en spreken, zoals geregeld in de wet. Eveneens hebben zij via de procedure van artikel 12 Sv het niet vervolgen aan de (straf)rechter kunnen voorleggen. Zij hebben toegang tot de Nederlandse rechter en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens behouden. Het Openbaar Ministerie en ook de verdediging verrichten onderzoek naar (de oorzaak van) de dood van [A] . Uit niets blijkt dat de onderzoeksresultaten daarvan niet aan de (straf)rechter zullen worden voorgelegd waarbij ook de nabestaanden de doodsoorzaak van [A] , zo deze bekend kan zijn, kunnen vernemen. Ook kunnen zij hun vordering benadeelde partij indienen en ter terechtzitting ter sprake (laten) brengen. De in de strafzaak reeds door de agenten afgelegde verklaringen bevinden zich in het strafdossier en kunnen door de nabestaanden worden ingezien. De terechtzitting vindt in het openbaar plaats, in het bijzijn van de nabestaanden en ook in aanwezigheid van pers en andere belangstellenden. Wanneer de agenten ter terechtzitting verschijnen, kunnen zij aldaar aan de hand van de nummers DH01 t/m DH05 worden onderscheiden van andere personen en (anoniem) in ieders bijzijn verklaringen afleggen en vragen beantwoorden.

Het feit dat de nabestaanden niet zelf onderzoek kunnen doen naar achtergronden van de geanonimiseerde agenten, dat zij niet goed kunnen controleren of er anonimiseringsfouten in het dossier voorkomen of dat zij worden gehinderd doordat zij de namen van de vijf betrokken agenten niet kennen, brengt hen niet in een (acute) noodtoestand, nog daargelaten of dit een grondslag voor deze vordering bij de civiele rechter zou kunnen zijn. Een concretisering van die toestand hebben zij niet gegeven. Evenmin vormt dit een belang dat zwaarder moet wegen dan het recht op leven (in veiligheid) van de agenten en hun gezinnen.

6.9

Gelet op een en ander is niet voldoende gesteld, noch gebleken, dat er door de beslissing van de strafrechter sprake is van veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM of art. 1 Sv.

6.10

Artikel 13 EVRM is niet geschonden, reeds omdat de nabestaanden hun verzoek de namen van verdachten bekend te maken (aan hen danwel aan hun advocaten) aan de strafrechter konden voorleggen en ook hebben voorgelegd. Daarmee hadden zij een daadwerkelijk rechtsmiddel voor de Nederlandse rechter. Voorts kunnen zij hun civiele schadeclaims aan de rechter voorleggen, zoals hierna in 8.2 wordt overwogen.

7.1

De vierde grief richt zich tegen het oordeel dat de nabestaanden geen spoedeisend belang bij hun vordering hebben voor zover die ziet op de drie niet strafrechtelijk vervolgde agenten.

7.2

De nabestaanden hebben reeds klaagschriften als bedoeld in artikel 12 Sv ingediend en de raadkamer beklagzaken van het gerechtshof Den Haag heeft daarop beslist. Deze procedure is gevoerd aan de hand van de stukken van (onder meer) het onderzoek naar de toedracht van de aanhouding en het overlijden van [A] . Er is niet gesteld, noch is aannemelijk, dat de toedracht door het benoemen van de vijf agenten met nummers DH01 tot en met DH05 in plaats van met hun namen, minder duidelijk gekend kan worden. Ook anderszins is onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de nabestaanden een belang hebben dat zwaarder weegt dan het recht op leven (dus het hoogste goed) van de agenten en hun gezinnen. De wens om over namen te beschikken teneinde voorafgaand aan een beroep bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens onderzoek naar de achtergronden van de agenten te doen, is tegenover het recht van de agenten en hun gezinnen om (in veiligheid) te leven, onvoldoende.

8.1

De nabestaanden hebben in hoger beroep ook aangevoerd dat zij een (spoedeisend) belang hebben bij het kennen van de namen van de betrokken vijf agenten, omdat zij in een civiele procedure de agenten aansprakelijk willen stellen voor de door hen geleden schade, of althans de mogelijkheden daartoe willen onderzoeken. Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

8.2

De Staat heeft onbetwist aangevoerd dat de nabestaanden hun schadeclaim kunnen indienen bij de politie, zodat zij langs die weg – en langs de weg van benadeelde partij in de strafzaak – hun schades vergoed kunnen krijgen. Indien er geschillen rijzen over de aansprakelijkheid of de schade, kunnen zij die aan de civiele rechter voorleggen in een procedure tegen de politie.

Bovendien heeft de Staat een brief overgelegd van de verzekeraar van de politie d.d. 22 maart 2017, waarin staat dat de politie verzekerd is voor schade door handelen of nalaten van ondergeschikten, dat de aansprakelijkheid van politiemedewerkers wegens onrechtmatige daad en/of toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis is verzekerd – zowel voor personenschade als voor zaakschade – en dat de uitsluitingsclausule voor opzet niet van toepassing is. Ter zitting in hoger beroep heeft de Staat onbetwist naar voren gebracht dat de nabestaanden, hoewel daartoe door de verzekeraar uitgenodigd, nog geen claim bij (de verzekeraar van) de politie hebben ingediend.

8.3

Gelet op een en ander vormt de wens van de nabestaanden om langs de civielrechtelijke weg een schadevergoeding van de betrokken agenten te krijgen, onvoldoende spoedeisend belang om thans de anonimiteit van de agenten op te heffen. Hierbij weegt het hof mee dat uit het ter gelegenheid van het pleidooi door de Staat overgelegde mutatierapport van 29 mei 2017 volgt dat de (eerdere) bedreiging van de agenten nog steeds actueel is. De nabestaanden hebben niet voldoende onderbouwd dat het voor het verhaal van hun civiele vordering noodzakelijk is dat zij reeds op dit moment over de namen van de betrokken agenten beschikken. Hun stelling dat zij afhankelijk zijn van de welwillendheid van de verzekeraar van de politie is onjuist aangezien zij hun stelling dat er onrechtmatig is gehandeld in ieder geval in een procedure tegen de (rechtspersoonlijkheid bezittende) politie aan de rechter kunnen voorleggen. De eventuele aansprakelijkheid van de politie jegens de nabestaanden wordt niet bepaald door de polisvoorwaarden van de verzekering van de politie (die de verhouding verzekeraar-politie regelt), zodat niet relevant is dat de nabestaanden stellen die niet te kennen. Onder al die omstandigheden is er in dit kort geding, mede met het oog op de hierboven beschreven veiligheidsbelangen van de betrokken agenten, geen ruimte om de Staat thans te veroordelen de namen aan de nabestaanden te verstrekken.

8.4

De nabestaanden hebben er ook op gewezen hoe belangrijk het voor hen is om te weten “door wie [A] om het leven is gebracht” (pleitnota nr. 38). Dit belang vormt naar het oordeel van het hof geen voldoende spoedeisend belang, reeds omdat jegens de agenten op dit moment nog slechts een verdenking geldt. Bovendien is onvoldoende gesteld dat aan dit belang niet op andere wijze tegemoet kan worden gekomen dan door opheffing van de anonimiteit tijdens de openbare strafzaak en dat dit belang zwaarder moet wegen dan de veiligheid van de agenten en hun gezinnen. Voor toewijzing van de vordering op grond van een meer algemene belangenafweging is gelet op het bovenstaande, geen plaats.

8.4

Gelet op het voorgaande faalt ook de vierde grief.

9. De vijfde en zesde grief betreffen de afwijzing van de vordering en de proceskostenveroordeling. Zij bouwen voort op de eerdere grieven en delen hun lot.

10. De conclusie is dat geen van de grieven slaagt. Voor bewijslevering in dit kort geding is geen aanleiding. Het vonnis moet worden bekrachtigd. Bij die uitkomst past het dat de nabestaanden (als de in het ongelijk gestelde partij) worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 31 maart 2017;

- veroordeelt de nabestaanden in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, J.J. van der Helm en H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.