Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1804

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
200.192.948/02
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:733, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Vraag of OM in de strafzaak onderzoeksmateriaal ter beschikking van de verdediging moet stellen. (ic: nee)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4184
NJ 2018/338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.192.948/02

Rolnummer rechtbank : C/09/507167 / KG ZA 16/319

arrest in kort geding van 28 februari 2017

inzake

[naam] ,

thans gedetineerd in [naam P.I.] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. W.J. Ausma te Utrecht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 31 mei 2016 heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2014 (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven heeft [appellante] één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd. De Staat heeft de grief bij memorie van antwoord (met productie) bestreden. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

De door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Met inachtneming van die feiten alsmede van hetgeen voorts is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.2

[appellante] is bij vonnis van 26 juni 2013 van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien jaar wegens moord op haar echtgenoot. Bij arrest van 11 april 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (hierna: het gerechtshof), het vonnis van de rechtbank Gelderland ten aanzien van de strafoplegging vernietigd en voor het overige bekrachtigd. Het gerechtshof heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar opgelegd. Bij arrest van 20 januari 2015 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof vernietigd, kort gezegd omdat het gerechtshof zijn oordeel dat de voorbedachte raad bewezen kan worden verklaard, niet toereikend had gemotiveerd. De zaak is terugverwezen naar het gerechtshof.

Ter zake van de procedure bij het gerechtshof na terugverwijzing is het volgende van belang.

1.3

Op 31 augustus 2015 heeft in laatstbedoelde strafzaak een regiezitting bij het gerechtshof plaatsgevonden en op 14 september 2015 heeft het gerechtshof een tussenarrest gewezen. In dit tussenarrest heeft het gerechtshof beslist op door [appellante] ingediende onderzoekswensen. Een aantal onderzoekswensen is toegewezen en de rest is afgewezen.

1.4

Vervolgens heeft [appellante] besloten dat zij een nader onderzoek in eigen beheer (hierna: het onderzoek) wil laten verrichten door patholoog-anatoom dr. F.R.W. van de Goot (hierna: Van de Goot), gericht op:

- letseldatering,

- een analyse van bloedsporen op het lichaam van het slachtoffer aan de hand van sectiefoto’s,

- reconstrueren van de geweldshandelingen, met name wat betreft de kracht, wijze en volgorde waarop deze zijn toegebracht.

In verband met het onderzoek wil [appellante] de beschikking krijgen over:

- weefselstukjes,

- een stukje borstbeen,

- een stukje schedeldak, en

- de sectiefoto’s op dvd

(hierna tezamen te noemen: het onderzoeksmateriaal). Het onderzoeksmateriaal is opgeslagen bij het Nederlands Forensisch Instituut en in beheer van het openbaar ministerie.

1.5

Op 2 oktober 2015 heeft [appellante] de advocaat-generaal per e-mail verzocht het onderzoeksmateriaal aan Van de Goot beschikbaar te stellen. De advocaat-generaal heeft hierop bij e-mail van 8 oktober 2015 afwijzend gereageerd en er daarbij onder meer op gewezen dat de regiezitting inmiddels achter de rug is.

1.6

[appellante] heeft het gerechtshof bij e-mail van 19 oktober 2015 verzocht om middels een voorzittersbeslissing de advocaat-generaal alsnog te bewegen het onderzoeksmateriaal aan Van de Goot af te geven. Per e-mail van 17 november 2015 is namens de voorzitter als volgt aan [appellante] bericht:

“(…)

Naar aanleiding van uw e-mail d.d. 19 oktober jl. kan ik u namens de voorzitter het volgende mededelen.

Uw verzoek strekt ertoe om bij voorzittersbeslissing de advocaat-generaal opdracht te geven het door u verzochte onderzoeksmateriaal beschikbaar te stellen aan de verdediging. De wet voorziet niet een dergelijke bevoegdheid, voor zover u bedoelt bij voorzittersbeslissing een opdracht tot contra-expertise op verzoek van de verdediging toe te wijzen. De voorzitter ziet vooralsnog geen aanleiding om in dit verzoek te bewilligen, mede in aanmerking genomen het ontbreken van gronden en de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan. Desgewenst kunt u uw verzoek ter zitting herhalen.

(…)”

1.7

Op 16 februari 2016 heeft – in verband met het door [appellante] gewenste onderzoek in eigen beheer – wederom een regiezitting plaatsgevonden, waarna op 1 maart 2016 een tussenarrest is gewezen door het gerechtshof. In dit tussenarrest heeft het gerechtshof onder meer overwogen:

“(…)

Verzoek raadsman

(…)

Desgevraagd heeft de raadsman ter terechtzitting van 16 februari 2016 het verzoek [toevoeging hof: het verzoek om de advocaat-generaal opdracht te geven het onderzoeksmateriaal af te geven aan [appellante] om alsnog op eigen kosten nader onderzoek te laten verrichten door Van de Goot] nader toegelicht. Het onderzoek zou zich met name moeten richten op nader onderzoek naar het borstbeen, te weten of een messteek door het borstbeen is gegaan en welke kracht daarvoor nodig is, zodat kan worden beoordeeld of verdachte daartoe in staat is geweest. Daarnaast kan Van de Goot wellicht ook iets zeggen over met welk voorwerp er op het hoofd van het slachtoffer is geslagen en over de volgorde waarin zou zijn geslagen en wanneer de dood zou zijn ingetreden, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman dit verzoek geformuleerd als een verzoek aan het hof opdracht te geven tot nader onderzoek door een deskundige in de vorm van een contra-expertise.

(…)

Oordeel hof

Het verzoek van de verdediging strekt tot het uitvoeren van nader onderzoek aan in beslag genomen lichaamsmateriaal. Naar het oordeel van het hof kan een dergelijk onderzoek, wanneer geen medewerking wordt verleend door het openbaar ministerie, slechts plaatsvinden door een deskundige in opdracht van het gerechtshof.

Het is juist, zoals de verdediging heeft betoogd, dat het de verdediging in beginsel vrijstaat stukken aan het dossier toe te laten voegen die kunnen dienen tot de verdediging, waaronder in opdracht van de verdediging uitgevoerde deskundigenonderzoeken. Voor zover dit onderzoek echter de medewerking van de rechter of het openbaar ministerie vereist, zoals in dit geval door de terbeschikkingstelling van lichaamsmateriaal, dient te worden gehandeld volgens de regeling voor het uitvoeren van deskundigenonderzoek in het Wetboek van Strafvordering.

De wet bevat in artikel 150c Sv een regeling voor de toegang tot onderzoeksmateriaal voor een tegenonderzoek gericht op onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de officier van justitie. Kenmerk van deze regeling is dat het tegenonderzoek plaatsvindt door een deskundige in opdracht van de officier van justitie of de rechter-commissaris. Het gerechtshof ziet noch in de wet, noch in artikel 6 EVRM reden ruimere mogelijkheden voor de beschikbaarstelling van onderzoeksmateriaal aan te nemen in andere fasen van het geding of in het geval het niet gaat om tegenonderzoek maar om nieuw onderzoek. In de beoordeling of dergelijk onderzoek noodzakelijk is, worden de belangen van de verdediging en van de waarheidsvinding immers meegewogen.

Het voorgaande laat onverlet dat het de officier van justitie vrijstaat onverplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek in eigen beheer van de verdachte.

De verdediging heeft gesteld dat het gevraagde onderzoek mogelijk iets kan zeggen over het voorwerp waarmee op het hoofd van het slachtoffer is geslagen, over de volgorde waarin letsel zou zijn toegebracht en over het moment waarop de dood zou zijn ingetreden. Over deze aspecten is in deze zaak eerder door deskundigen gerapporteerd, zodat in zoverre sprake is van een verzoek tot het uitvoeren van een tegenonderzoek. Of een tegenonderzoek is aangewezen, dient te worden beoordeeld aan de hand van vier factoren, te weten a) de gronden waarop het verzoek steunt, b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van – bijvoorbeeld – de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is en d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan.

Naar het oordeel van het gerechtshof is hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de gronden en het belang van het gevraagde onderzoek onvoldoende voor toewijzing van het tegenonderzoek. Aan deze onderbouwing mogen de nodige eisen worden gesteld, zeker gelet op het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan, namelijk na de regiezitting in de tweede feitelijke aanleg. De onderbouwing betwist echter niet expliciet de uitkomsten van de oorspronkelijke onderzoeken en maakt ook niet inzichtelijk hoe een andere uitkomst zou kunnen bijdragen aan het standpunt van de verdediging.

Het letsel aan het borstbeen is niet eerder onderzocht op de aspecten die de verdediging noemt. In zoverre is sprake van een nieuw onderzoek. De verdediging heeft weliswaar gemotiveerd dat zij daarmee wellicht de stelling kan onderbouwen dat verdachte niet fysiek in staat was het letsel toe te brengen, maar heeft onvoldoende duidelijk gemaakt hoe het gevraagde onderzoek hieraan kan bijdragen, mede gelet op het feit dat geen objectieve gegevens beschikbaar zijn van de beperkingen die verdachte zou hebben gehad ten tijde van het tenlastegelegde feit.

Naar het oordeel van het hof zijn de gevraagde onderzoeken daarom niet noodzakelijk en dienen de verzoeken daarom te worden afgewezen.

(…)”

1.8

Bij arrest van 14 juli 2016 heeft het gerechtshof [appellante] veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 jaar wegens doodslag op haar echtgenoot. [appellante] heeft daartegen cassatieberoep ingesteld. Daarop is nog niet beslist.

2.1

[appellante] vordert, samengevat weergegeven, de Staat te bevelen het onderzoeksmateriaal te verstrekken aan Van de Goot om de verrichting van het onderzoek mogelijk te maken, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat de Staat nalatig blijft, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.

[appellante] legt hieraan kort gezegd het volgende ten grondslag:

Het gerechtshof heeft niet inhoudelijk beslist op het primaire verzoek van de verdediging om het openbaar ministerie ertoe te verplichten het onderzoeksmateriaal ter beschikking van de verdediging te stellen, omdat het die bevoegdheid niet heeft. Er staat geen andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open. [appellante] kan in beginsel een recht op het verrichten van tegenonderzoek (in eigen beheer) niet worden ontzegd. Zij heeft een zwaarwegend belang bij het verzoek gelet op de veroordeling tot een gevangenisstraf van 14 jaar. Dit is de laatste kans voor [appellante] om haar visie op de feiten naar voren te brengen en haar onschuld aan te tonen. Daarnaast speelt het belang van waarheidsvinding, het belang van de nabestaanden en het belang van een eerlijk proces (artikel 6 EVRM).

2.2

De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. Hij heeft daartoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen:

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] voor hetgeen zij wil bereiken geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ten dienste staat. De strafrechtelijke procedure kan, zo staat tussen partijen vast, niet als zodanig worden aangemerkt, omdat in die procedure de Staat niet kan worden veroordeeld om de onderzoeksmaterialen beschikbaar te stellen voor een onderzoek in eigen beheer. In de strafprocedure is zo’n beschikbaarstelling slechts mogelijk in het kader van onderzoek in opdracht van de strafrechter of van het openbaar ministerie. [appellante] is dus ontvankelijk in haar vordering.

In strafzaken wordt bij verzoeken van de verdediging tot het doen van (tegen)onderzoek of het horen van getuigen ten behoeve van het toetsingskader onderscheid gemaakt tussen het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium, waarbij het verdedigingsbelang een ruimer criterium is. De toepassing van het ene of het andere criterium hangt af van het moment waarop een verzoek wordt gedaan. [appellante] heeft haar verzoek om het onderzoek, althans de afgifte van het onderzoeksmateriaal voor het onderzoek, voor het eerst na de eerste behandeling ter terechtzitting bij het gerechtshof gedaan, zodat het gerechtshof het verzoek van [appellante] heeft getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium. Het gerechtshof heeft ten aanzien van alle onderdelen van het door [appellante] gewenste onderzoek in eigen beheer geoordeeld dat het onderzoek niet noodzakelijk is. Aldus valt niet in te zien dat de Staat in civielrechtelijke zin onrechtmatig handelt door het onderzoeksmateriaal niet ten behoeve van het onderzoek in eigen beheer af te staan. De door [appellante] naar voren gebrachte belangen bij het onderzoek (verdedigingsbelang, waarheidsvinding, belang van een eerlijk proces) leiden niet tot een ander oordeel nu die belangen ook bij de beoordeling van het gerechtshof zijn betrokken. De door [appellante] aangehaalde jurisprudentie kan haar evenmin baten omdat in de betreffende zaken, anders dan in dit geval, geen sprake was van een beoordeling van de onderzoekswensen door de rechter.

3.1

De enige grief richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat, nu het gerechtshof het onderzoek als niet noodzakelijk heeft beoordeeld, niet valt in te zien dat de Staat onrechtmatig handelt door het onderzoeksmateriaal niet ten behoeve van het onderzoek in eigen beheer af te staan, en dat de door [appellante] naar voren gebrachte belangen niet tot een ander oordeel leiden. [appellante] voert kort gezegd aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat hij, anders dan de strafrechter die aan het noodzakelijkheidscriterium toetst, gehouden is tot een volle toetsing van de beslissing van het openbaar ministerie op grond van het criterium van de redelijkheid.

3.2

Bij de beantwoording van de vraag of de weigering van de Staat (het openbaar ministerie) om het onderzoeksmateriaal aan [appellante] ter beschikking te stellen onrechtmatig is, dient te worden uitgegaan van het onder 1.7 weergegeven oordeel van het gerechtshof. Dit oordeel houdt samengevat weergegeven in dat het door [appellante] gewenste onderzoek – waarvoor het onderzoeksmateriaal is benodigd – niet noodzakelijk is omdat:

(i) [appellante] de uitkomsten van de oorspronkelijke onderzoeken niet expliciet betwist;

(ii) zij ook niet inzichtelijk maakt hoe een andere uitkomst zou kunnen bijdragen aan het standpunt van de verdediging, en

(iii) onvoldoende duidelijk is gemaakt hoe het gevraagde onderzoek kan bijdragen aan de stelling dat [appellante] fysiek niet in staat was het letsel toe te brengen, mede gelet op het feit dat geen objectieve gegevens beschikbaar zijn van de beperkingen die zij zou hebben gehad ten tijde van het tenlastegelegde feit.

Op zichzelf is juist dat het gerechtshof bij zijn oordeel het noodzaakcriterium heeft gehanteerd en dat het openbaar ministerie desgewenst een ruimer criterium kan aanleggen. Dat kan [appellante] echter niet baten omdat het openbaar ministerie daartoe niet verplicht is en de weigering van het openbaar ministerie om het onderzoeksmateriaal ter beschikking te stellen ook niet onredelijk is. Vast staat immers dat het door [appellante] gewenste onderzoek volgens de strafrechter niet noodzakelijk is en voorts heeft het openbaar ministerie in aanmerking mogen nemen dat [appellante] het verzoek eerst in een zeer laat stadium heeft gedaan, namelijk na de regiezitting in de tweede feitelijke aanleg (na terug verwijzing in cassatie), terwijl gesteld noch gebleken is dat het verzoek niet (veel) eerder kon worden gedaan. De weigering van de Staat (het openbaar ministerie) om - in dit stadium van de strafprocedure - het onderzoeksmateriaal niet aan [appellante] ter beschikking te stellen, is dan ook niet onrechtmatig. De door [appellante] genoemde jurisprudentie leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie

3.3

De conclusie dat de grief faalt. Voor een bewijsopdracht is in dit kort geding geen plaats. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis van 4 mei 2016,

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 68,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 68,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

-verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Honée, M.A.F. Tan-de Sonnaville en E.M. Dousma-Valk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2017, in aanwezigheid van de griffier.