Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1789

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
BK-17/00248
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:15781, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur de extra uitgaven voor kleding en beddengoed ten bedrage van € 310 en de kosten van een ooglidcorrectie ten bedrage van € 2.225 terecht niet als specifieke zorgkosten in aftrek heeft toegelaten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1459
V-N 2017/43.18.9
FutD 2017-1639
NTFR 2017/1746
NLF 2017/1584 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00248

Uitspraak d.d. 7 juni 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 7 december 2016, nummer SGR 16/6117, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft op 12 februari 2016 aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2014 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.246 (hierna: de aanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente vergoed ten bedrage van € 19 (hierna: de beschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag en beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 27 mei 2016 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 12 april 2017. Een afschrift hiervan is aan de Inspecteur verstrekt.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 april 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Voor het jaar 2014 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.358. In de aangifte heeft belanghebbende specifieke zorgkosten ten bedrage van € 4.920 opgevoerd. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Uitgaven voor hulpmiddelen € 220

Uitgaven voor vervoer i.v.m ziekte of invaliditeit € 150

Dieetkosten € 850

Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 310

Genees- en heelkundige hulp € 3.112 +

Totaal van de specifieke zorgkosten € 4.642

Verhoging specifieke zorgkosten € 612 +

Totaal € 5.254

Af: de drempel voor aftrek € 334 -/-

Totaal aftrekbaar bedrag € 4.920

3.2.

Het door belanghebbende in aftrek gebrachte bedrag aan kosten van genees- en heelkundige hulp omvat onder meer de kosten van een pedicurebehandeling ten bedrage van € 175 en de kosten van een ooglidcorrectie van € 2.225 .

3.3.

Bij de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten gecorrigeerd met € 2.888 en vastgesteld op € 2.032.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur de extra uitgaven voor kleding en beddengoed ten bedrage van € 310 en de kosten van een ooglidcorrectie ten bedrage van € 2.225 terecht niet als specifieke zorgkosten in aftrek heeft toegelaten.

4.2.

In hoger beroep is niet langer in geschil dat de kosten van de pedicurebehandeling niet voor aftrek in aanmerking komen.

4.3.

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

"3. In geschil is of [de Inspecteur] terecht de uitgaven voor extra kleding en beddengoed, de pedicurekosten en de kosten van een ooglidcorrectie, niet in aftrek heeft toegestaan.

4. Nu het geschil ziet op uitgaven die bij aftrek tot een vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning leiden, en [de Inspecteur] heeft weersproken dat uitgaven zijn gedaan die voor aftrek in aanmerking komen, rust op [belanghebbende] de bewijslast om aannemelijk te maken dat uitgaven zijn gedaan voor specifieke zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen.

5. De rechtbank overweegt dat de door [belanghebbende] gestelde uitgaven voor een pedicure alleen in aftrek kunnen worden toegelaten, indien deze kosten medisch geïndiceerd zijn. Nu [belanghebbende] niet door het overleggen van een medisch voorschrift of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten zijn gemaakt op medische indicatie, heeft [de Inspecteur] deze uitgaven terecht niet in aftrek toegelaten.

6. Ter onderbouwing voor het recht op aftrek van de kosten van de ooglidcorrecte heeft [belanghebbende] een schrijven van haar huisarts overgelegd. Uit dit stuk kan worden opgemaakt dat de ooglidcorrectie op verzoek van [belanghebbende] is aangevraagd. De rechtbank acht de inhoud het schrijven voorts onvoldoende om te kunnen concluderen dat een arts heeft vastgesteld dat bij [belanghebbende] sprake was van een ernstige psychische stoornis of psychisch lijden als gevolg van een aandoening aan haar oogleden. [Belanghebbende] heeft op vragen van de rechtbank wel verklaard gedurende twee jaar te zijn behandeld door een psycholoog, maar daarbij aangegeven dat zij een en ander niet met schriftelijke stukken kan onderbouwen. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de ooglidcorrectie is gedaan vanuit een medische noodzaak.

7. Ter zake van de kosten voor extra beddengoed en kleding is de blote stelling van [belanghebbende] dat zij een huidallergie heeft en last heeft van een extreem droge huid, onvoldoende om aannemelijk te achten dat sprake is van specifieke zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen. Gelet hierop heeft [de Inspecteur] terecht ook die aftrek geweigerd.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

De Inspecteur heeft zich ter zitting van het Hof aangesloten bij het standpunt van belanghebbende dat de kosten van extra kleding en beddengoed ten bedrage van € 310 als uitgaven wegens specifieke zorgkosten dienen te worden aangemerkt. Niet tussen partijen in geschil is dat dit bedrag op de voet van artikel 6.19, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (tekst 2014) met 40 percent dient te worden verhoogd tot € 434. Het Hof sluit zich aan bij deze gezamenlijke standpunten van partijen.

7.2.

De Rechtbank heeft terecht beslist dat de kosten van de ooglidcorrectie ten bedrage van € 2.225 niet als uitgaven wegens specifieke zorgkosten in aftrek kunnen worden gebracht. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep tegen deze beslissing heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof maakt de beslissing van de Rechtbank en de gronden waarop zij berust tot de zijne.

7.3.

Gelet op hetgeen onder 7.1 is overwogen is het hoger beroep gegrond en dient het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.246 met € 434 te worden verlaagd tot

€ 17.812.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.980 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank en voor het Hof (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Rechtbank, 1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof à € 495 per punt x 1 (gewicht van de zaak)) en € 492 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor deelnemen aan een (telefonische) hoorzitting à € 246 per punt x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 2.472. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.812 ;

  • -

    wijzigt de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.472;

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 170 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.J.J. Engel, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 7 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

Wegens verhindering van de voorzitter en de griffier is de uitspraak alleen ondertekend door mr. Van Leijenhorst.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.