Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1787

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
BK-16/00521
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8152, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:279
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag is vastgesteld. In het bijzonder verschillen partijen van mening over het antwoord op de volgende vragen: de waarderingsuitzondering van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ (hierna: URUOW) en artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Gemeentewet (hierna: de kerkenuitzondering) dient te worden toegepast; en de waarderingsuitzondering van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de URUOW en artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet (hierna: de waterstaatswerkenuitzondering) dient te worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1496
FutD 2017-1648
Viditax (FutD), 23-02-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00521

Uitspraak d.d. 21 juni 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Molenwaard, de heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: de Rechtbank) van 26 oktober 2016, nummer ROT 15/8183, betreffende de onder 1.1 vermelde beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2014 (hierna: de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [Y] te [Z] (hierna: de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op € 236.000 (hierna: de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Molenwaard (hierna: de aanslagen).

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 331.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking gewijzigd in die zin dat de waarde nader wordt vastgesteld op € 212.900, bepaald dat de heffingsambtenaar de aanslagen dienovereenkomstig verlaagt, bepaald dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 990.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Er is een griffierecht geheven van € 503. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft haar zienswijze omtrent het incidenteel ingestelde hoger beroep naar voren gebracht.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 maart 2017. De heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende heeft bij brief van 31 januari 2017 meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.3.

Ter zitting is tevens behandeld de zaak met kenmerk BK-16/00520. Voor zover in die zaak stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaak voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak bestaat uit een gebouwde eigendom (hierna: het gebouw) met bijbehorende grond (hierna: de bijbehorende grond). Belanghebbende is eveneens eigenaar en gebruiker van het naast de onroerende zaak gelegen kerkgebouw met bijbehorende grond, plaatselijk bekend als [A] te [Z] (hierna: het kerkgebouw).

3.2.

Het gebouw, dat dateert uit 1979, heeft een vloeroppervlakte van 270 m². De bijbehorende grond maakt deel uit van een aan belanghebbende in eigendom toebehorend en door haar gebruikt kadastraal perceel met een oppervlakte van 1.150 m2.

3.3.

De heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatierapport overgelegd, opgemaakt door [B] , WOZ-taxateur en gedateerd 18 januari 2016 (hierna: het Taxatierapport). In het Taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum bepaald op € 236.000. Aan het Taxatierapport ontleent het Hof het volgende:

Kadastrale objecten betrokken in deze taxatie

Kad.gem.

Sectie

Perceelnr.

Letter

Index nr.

Kadastrale opp.

Toegerekende

opp.

[…]

[…]

[…]

G

0

1.150 m2

500 m2

(…)

Omschrijving van het object

Het object betreft een jeugdgebouw ( [C] ) van de [D] Kerk. Het object is gelegen achter de woning [E] en tegenover de kerk [A] .

Het object bestaat uit twee aan elkaar gebouwde stenen opstallen met een met pannen bedekt zadeldak, bouwjaar 1979. Aan de oostzijde is de entree van het gebouw. Het gebouw heeft in 2012 een inpandige renovatie ondergaan.

Het totale object is 270 m2 groot.

Het object is getaxeerd middels de gecorrigeerde vervangingswaarde inclusief BTW, (…).

Waardedefinitie

De waarde is bepaald op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde. (…). Bij de bepaling van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met de aard en de bestemming van de zaak en met de technische en functionele veroudering die sedert de stichting is opgetreden.

Bij de berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt de waarde van de grond en de waarde van de opstallen afzonderlijk bepaald. Het begrip vervangingswaarde geeft aan dat wordt uitgegaan van de noodzakelijke investeringen voor de vervanging of nieuwbouw van het betreffende object. Voor deze vervanging is het noodzakelijk dat wordt gekeken naar de investeringen om grond op de betreffende locatie met de betreffende bestemming te verwerven en naar de kosten voor de bouw van de betreffende opstal.

(...)

Voor het bepalen van een gecorrigeerde vervangingswaarde moeten vier elementen worden

berekend:

- vervangingswaarde grond; uitgangspunt van de vervangingswaarde van de grond is de reële uitgifteprijs die door de gemeente wordt gehanteerd bij uitgifte van grond met de betreffende bestemming op een vergelijkbare locatie en rekening houdend met de grootte van de kavel.

- vervangingswaarde opstallen; (…)

- correctie technische veroudering opstallen; (…)

- correctie functionele veroudering opstallen; (…)

(…)

Getaxeerde waarde

Ondergetekende heeft hieraan een waarde in het economische verkeer per waardepeildatum 01-01-2014 toegekend van: € 236.000,-."

3.4.

Bij het Taxatierapport is een kadastrale kaart gevoegd, waaruit blijkt dat het in de taxatie betrokken kadastrale object van 1.150 m2 binnendijks is gelegen en dat tussen het in de taxatie betrokken kadastrale object en de kruin van de [F] het kadastrale object met perceelnummer […] is gelegen.

3.5.

Bij het Taxatierapport is een “Rekenblad getaxeerde waarde waardepeildatum 1 januari 2014” gevoegd. Daaraan ontleent het Hof het volgende:

Onderdeels-omschrijving

Driedeling

Opp.

Restwaarde

Vervangingskosten

Jaarlijkse

afschrijving

Technische

veroudering

Functionele veroudering

1

grond bij niet-

woning

500 m2

€ 70

2

club-

verenigingsgebouw

ruwbouw

270 m2

35%

€ 1.251

1,30%

54,50%

100%

3

club-

verenigingsgebouw

afbouw

270 m2

25%

€ 1.251

1,88%

34,38%

100%

4

club-

verenigingsgebouw

installaties

270 m2

15%

€ 1.251

2,13%

25,63%

100%

ongecorrigeerde

vervangings-

waarde

gecorrigeerde

vervangings-

waarde

gecorrigeerde

vervangingswaarde

inclusief BTW

1

€ 35.000

€ 42.350

2

€ 174.188

€ 94.932

€ 114.868

3

€ 127.738

€ 43.910

€ 53.131

4

€ 85.1590

€ 21.822

€ 26.402

€ 236.754

3.6.

Bij het Taxatierapport is voorts een fotokopie van blz. 62 van de Taxatiewijzer Overheidsgebouwen, versie 1.0, 15 april 2014, gevoegd. Daarin zijn voor het archetype Dorpshuis, ouder dan 1990, de volgende kengetallen per waardepeildatum 1 januari 2014 opgenomen.

Percentage BTW 21% Bandbreedte 20%

Actuele bouwkosten oorspronkelijke Actuele bouwkosten

bouwwijze huidige bouwwijze

Vervangingswaarde € 1.251 € 1.287

exclusief btw per m2

Vervangingswaarde € 1.514 ruwbouw afbouw installaties

inclusief btw per m2 € 579 € 425 € 283

Onderver-

deling

%

verdeling

Vervangings-

waarde

excl. btw

minimum

Vervangings-

waarde

excl. btw

gemiddeld

Vervangings-

waarde

excl. btw

maximum

Levens-

duur

minimum

1

Ruwbouw

45%

€ 507

€ 553

€ 619

40

2

Afbouw

33%

€ 372

€ 413

€ 454

20

3

Installaties

22%

€ 248

€ 275

€ 303

20

4

Totalen

100%

€ 1.126

€ 1.251

€ 1.376

Levens-

duur

maximum

Restwaarde

minimum

Restwaarde

maximum

Vervangings-waarde

per m2

1

60

30%

40%

2

30

20%

30%

3

30

10%

20%

4

€ 357

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

"1. [Belanghebbende] is eigenares van de onroerende zaak. Het betreft een jeugdgebouw ( [C] ) van de [D] Kerk tegenover het kerkgebouw van de [D] Kerk ( [A] te [Z] ). De onroerende zaak heeft een totale oppervlakte van 500 m². In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2014.

2. [Belanghebbende] stelt zich primair op het standpunt dat op de onroerende zaak de vrijstelling van artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet (de kerkenvrijstelling) van toepassing is.

2.1

In de uitspraken van deze rechtbank van 8 augustus 2014, ECLI:NL:RBROT: 2014:8760, en 25 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8598, is geoordeeld dat de kerkenvrijstelling niet op de onroerende zaak van toepassing is. Het Hof Den Haag heeft dit in zijn arrest van 28 oktober 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2997, bevestigd. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1919, ongegrond verklaard. [Belanghebbende] voert op dezelfde gronden als in de eerdere zaken aan dat kerkenvrijstelling volgens haar op de onroerende zaak van toepassing is. De rechtbank volgt [belanghebbende] hierin niet en verwijst daarvoor naar haar overwegingen in de eerdere uitspraken.

3. [Belanghebbende] voert subsidiair aan dat op de onroerende zaak de vrijstelling voor waterverdedigings- en waterbeheersingswerken van toepassing is.

3.1

Op grond van artikel 18 vierde lid van de Wet WOZ in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken wordt bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten: de waarde van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning.

Voor de onroerendezaakbelastingen is een gelijkluidende bepaling opgenomen in artikel 220d, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet.

3.2

Op grond van uitspraken van het Hof Den Haag, die de rechtbank volgt, is voor de toepassing van de waarderingsuitzondering op een (deel van een) perceel niet voldoende dat (een deel van) het perceel een waterverdedigingswerk is of daarvan deel uitmaakt (kwalitatief criterium). Daarnaast is vereist dat (een deel van) het perceel wordt beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen (beheercriterium). Het beheercriterium vormt een begrenzing van het kwalitatieve criterium en de waarderingsuitzondering strekt zich uit tot dat deel van het werk waaraan de publiekrechtelijke rechtspersoon zorg besteedt in de zin van regelgeving, handhaving, onderhoud en verbetering (vergelijk bijvoorbeeld Hof Den Haag 14 januari 2015, 25 mei 2016 en 31 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2015:36, ECLI:NL:GHDHA:2016:1607 en ECLI:NL:GHDHA:2016:2110). Het arrest van 14 januari 2015 is door de Hoge Raad in zijn arrest van 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:364, bevestigd. Op [belanghebbende] rust de bewijslast aannemelijk te maken dat het beheer van een perceel of een gedeelte daarvan bij de publiekrechtelijke rechtspersoon ligt.

3.3

Voor de vraag of sprake is van beheer van een perceel door het Waterschap, beriepen partijen zich aanvankelijk op de Keur van het Waterschap Rivierenland 2014. Deze Keur is echter op 1 januari 2015 in werking getreden, terwijl de waardepeildatum in geding 1 januari 2014 is. Nadat de rechtbank dit in de heropeningsbeslissing aan partijen heeft voorgelegd, stelt [de heffingsambtenaar] zich op het standpunt dat voor dit geschil de Keur van het Waterschap Rivierenland 2009 van toepassing is, terwijl [belanghebbende] van mening is dat gelet op artikel 18, derde lid en onder c van de Wet WOZ, de Keur van het Waterschap Rivierenland 2014 van toepassing is. De rechtbank volgt [belanghebbende] hierin niet. Dit geding heeft betrekking op het belastingjaar 2015, zodat reeds hierom geen sprake kan zijn van een (eventuele) verandering in waarde voorafgaand aan het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld, gelijk [de heffingsambtenaar] stelt. De Keur van het Waterschap Rivierenland 2014 is immers pas op 1 januari 2015 in werking is getreden. De rechtbank past daarom toe de op 1 januari 2014 geldende Keur van het Waterschap Rivierenland 2009 (de Keur).

3.4

Op grond van artikel 1.1 van de Keur en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk, die als zodanig in de legger zijn aangegeven;

waterkering: kunstmatige hoogte, (gedeelten van) natuurlijke hoogten, of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben;

kernzone, beschermingszone, en buitenbeschermingszone (keurzones): de zone behorend tot en langs waterstaatswerken, die als zodanig in de legger is aangegeven, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens deze keur van toepassing zijn.

Op grond van artikel 1.2, eerste lid, van de Keur, rusten de verplichtingen ingevolge de keur op de eigenaar van de gronden.

Artikel 2.5 van de Keur luidt als volgt:

Gewoon onderhoud aan waterkeringen

De onderhoudsplichtigen zorgen voor een goede toestand van de waterkeringen door het bestrijden van schadelijk wild, het herstellen van beschadigingen, het verwijderen van drijfvuil en het in stand houden van begroeiingen en materialen, dienstig aan de waterkering. Onderhoudsplichtigen moeten begroeiingen die schadelijk zijn voor de instandhouding van de waterkering verwijderen.

Artikel 2.6 van de Keur luidt als volgt:

Buitengewoon onderhoud aan waterkeringen

1. De onderhoudsplichtigen van waterkeringen zijn verplicht tot instandhouding

overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en

constructie.

2. Buitengewoon onderhoud mag niet worden uitgevoerd in de periode van 15 oktober tot 1 april.

Artikel 3.1 van de Keur luidt als volgt:

Watervergunning waterstaatswerken

1. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden gebruik te maken van de kern- en beschermingszones van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder

a. werkzaamheden te verrichten;

b. werken of (opgaande hout-) beplantingen aan te brengen, of te hebben, dan wel aanwezige werken te slopen of te verwijderen en (hout)beplantingen te verwijderen;

c. vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben, of te (be)houden;

d. activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen;

e. buiten openbare verharde wegen met rij- of voertuigen, dan wel met een lastdier te rijden of vee te drijven;

f. zich anders dan als rechthebbende te bevinden als dat is aangegeven op een voor het publiek kenbare wijze.

3. Zonder vergunning van het bestuur is het verboden om in de kernzone van een

waterkering;

a. bemesting toe te passen;

b. dijkbekledingen te beschadigen.

Artikel 3.2 van de Keur luidt als volgt:

Watervergunning nieuwe waterstaatswerken

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) aan te leggen of te graven met als oogmerk deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken.

Artikel 3.3 van de Keur luidt als volgt:

Watervergunning afmeren of ligplaats nemen/hebben binnen de kernzone van waterstaatswerken

Zonder vergunning van het bestuur is het verboden binnen de kernzone van

waterstaatswerken, anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen, vaartuigen of vlotten af te meren, te laden of te lossen, of daarmee ligplaats te nemen of te hebben, tenzij in verband met door het bestuur toegestane recreatieve activiteiten.

Verder vermeldt de website van het Waterschap Rivierenland (ten tijde van belang) het volgende:

“Er zijn drie zones:

de kernzone: biedt maximale bescherming voor de waterkering volgens de keur;

de beschermingszone: biedt zware bescherming voor de waterkering volgens de keur;

de buitenbeschermingszone: biedt een lichte bescherming voor de waterkering volgens de keur, maar is voldoende om bijvoorbeeld aanvullende eisen aan ontgrondingen te stellen.”

3.5

Niet in geschil is dat het perceel van de onroerende zaak in zijn geheel gelegen is in de beschermingszone binnenkant. [Belanghebbende] maakt aannemelijk dat deze beschermingszone tot het waterverdedigingswerk behoort in de zin van de waarderingsuitzondering. Uit de Keur en het verhandelde ter zitting volgt dat in dit geval sprake is van een waterstaatswerk bestaande uit een waterkering in de vorm van een dijk (de kernzone) met een daarnaast gelegen beschermingszone binnenkant. Anders dan [de heffingsambtenaar] meent bestaat een waterstaatswerk dus niet enkel uit een waterkering (vergelijk artikel 3.1, eerste lid van de Keur). Zonder de verschillende keurzones – de kernzone en de beschermingszone binnen- en buitenkant – kan een dijklichaam ook niet (blijven) bestaan of functioneren. In de voorschriften die ter bescherming en instandhouding van het waterstaatswerk krachtens de Keur worden gesteld, komt dit dan ook tot uitdrukking (vergelijk Hof Den Haag 25 en 31 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1607 en ECLI:NL:GHDHA:2016:2110).

Weliswaar is op de kernzone en op de beschermingszone binnenkant niet hetzelfde beheerregime van toepassing en gelden de ver- en geboden uit de artikelen 2.5, 2.6, 3.1, derde lid, 3.2 en 3.3 van de Keur enkel voor de waterkering (de kernzone) en niet voor de beschermingszone, maar dat laat onverlet dat op de beschermingszone sprake is van beheer door het Waterschap. Het Waterschap voert er buitengewoon onderhoud uit, draagt zorg voor de bestrijding van bever- en muskusratten en uit de Keur volgt, zoals uit artikel 3.1, eerste lid, dat ook voor de beschermingszone binnenkant diverse (strenge) ver- en geboden gelden. Mede gezien de voormelde arresten van het Hof Den Haag van 25 en 31 mei 2016 is dus sprake van een deel van het waterverdedigingswerk waaraan het Waterschap zorg besteedt in de zin van regelgeving, handhaving, onderhoud en verbetering.

3.6 [

De heffingsambtenaar] stelt zich terecht op het standpunt dat indien de waarderingsuitzondering op het perceel van toepassing is, de opstal niet onder de uitzondering valt. In dit geval betreft de opstal een niet-woning. Hoewel een dergelijk object niet expliciet is uitgezonderd van de waarderingsuitzondering heeft de opstal geen waterkerende functie en maakt daarom geen deel uit van een waterverdedigingswerk in de zin van de vrijstelling (vergelijk Hoge Raad 3 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2293). Hier komt bij dat het beheer zich niet uitstrekt tot de opstal. Het Waterschap kan hieraan geen onderhoud en verbetering uitvoeren en is evenmin bevoegd om in de opstal bever- en muskusratten te bestrijden. Het enkele feit dat enkele ver- en geboden ook van toepassing zijn op de opstal, is onvoldoende om te spreken van beheer door het Waterschap. Derhalve valt de opstal en de ondergrond daarvan niet onder de waarderingsuitzondering. Nu de oppervlakte van de opstal 270 m² is van het totale perceel van 500 m², is de waarderingsuitzondering van toepassing op 230 m².

4. Gezien het voorgaande heeft [de heffingsambtenaar] bij de waardebepaling ten onrechte 230 m² grond in de waardering betrokken, waardoor hij de door hem voorgestane waarde niet aannemelijk maakt. [Belanghebbende] maakt de door haar voorgestane waarde van nihil evenmin aannemelijk, omdat de opstal en de ondergrond daarvan van 270 m² niet onder de waarderingsuitzondering vallen.

5. Omdat geen van beide partijen de door hen voorgestane waarde aannemelijk maken, stelt de rechtbank deze schattenderwijs vast op € 212.900,-. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [belanghebbende] geen gronden aanvoert tegen de door [de heffingsambtenaar] vastgestelde waarde van de opstal en het de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat deze waardering onjuist is. De waarde van de opstal stelt de rechtbank derhalve (afgerond) vast op € 194.000,-. Voor de waardering van de ondergrond van de opstal geldt dat de door [de heffingsambtenaar] aangehouden waarde van € 70,- per m² de rechtbank niet te hoog voorkomt en dat gelet op de geringe omvang van de oppervlakte, geen aanleiding bestaat om een grondstaffel toe te passen. Derhalve stelt de rechtbank de waarde van ondergrond vast op € 18.900,- (270*70).

6. Het beroep is gegrond. [De heffingsambtenaar] dient het door [belanghebbende] betaalde griffierecht te vergoeden.

7. De rechtbank veroordeelt [de heffingsambtenaar] voorts in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,-. Voor de bezwaarfase: € 246,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 246,- en wegingsfactor 1). Voor de beroepsfase: € 744,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de nadere reactie van 6 juli 2016, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1). Gelet op het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:697 en het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:420, is geen sprake van samenhang in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit met zaaknummer ROT 15/8221. Beide objecten zijn in verschillende plaatsen gelegen, met verschillende objectkenmerken en in beide zaken zijn naast de vraag of de kerkenvrijstelling en de waarderingsuitzondering voor waterverdedigingswerken van toepassing is, nog andere kwesties in geschil. Het beroepschrift is ook niet gelijkluidend. De werkzaamheden van de gemachtigde betreffen daarom in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden van de twee verschillende objecten."

Geschil en standpunten van partijen

5.1.

In geschil is of de waarde van de onroerende zaak op een te hoog bedrag is vastgesteld. In het bijzonder verschillen partijen van mening over het antwoord op de volgende vragen:

  1. de waarderingsuitzondering van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ (hierna: URUOW) en artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Gemeentewet (hierna: de kerkenuitzondering) dient te worden toegepast; en

  2. de waarderingsuitzondering van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de URUOW en artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet (hierna: de waterstaatswerkenuitzondering) dient te worden toegepast.

5.2.

Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend, de heffingsambtenaar daarentegen ontkennend.

5.3.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

6.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, de beschikking en de aanslagen.

6.2.

De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep.

Beoordeling van het geschil

Toetsingsvolgorde

7.1.

De eerste stap in de bepaling van waarde van de onroerende zaak is de afbakening van de onroerende zaak op de voet van artikel 16 van de Wet WOZ. De objectafbakening gaat vooraf aan de toetsing van de vastgestelde waarde aan artikel 17 van de Wet WOZ en

– in het onderhavige geval – de beantwoording van de vraag of de kerkenuitzondering en/of de waterstaatswerkenuitzondering van toepassing is (zijn).

Objectafbakening

7.2.

Bij de toepassing van artikel 16 van de Wet WOZ komt de heffingsambtenaar geen door de rechter te respecteren beoordelingsvrijheid toe (HR 9 mei 2003 nr. 35987, ECLI:NL:HR:2003:AD6058). De rechter mag zich van een eigen oordeel over de objectafbakening niet laten weerhouden door de omstandigheid dat partijen in de gedingstukken van een andere opvatting uitgaan (HR 18 januari 1984, nr. 22165, BNB 1984/100).

7.3.1.

Niet in geschil is dat het gebouw tot de onroerende zaak behoort. Het Hof sluit zich aan bij dit gezamenlijke en naar zijn oordeel juiste standpunt van partijen. Met betrekking tot de bijbehorende grond overweegt het Hof het volgende.

7.3.2.

In de beschikking is de onroerende zaak aangeduid als “ [Y] [Z] ”; de beschikking bevat geen informatie over (de oppervlakte van) de bijbehorende grond. Naar volgt uit het taxatierapport (zie onder 3.3 tot en met 3.6) is in de taxatie van de onroerende zaak het binnendijks gelegen kadastraal object met perceelnummer […] van 1.150 m2 betrokken. Op dit kadastrale object is het gebouw gesitueerd. In het bij Taxatierapport gevoegde “Rekenblad getaxeerde waarde waardepeildatum 1 januari 2014”, waarin de taxateur de door hem bepaalde gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak specificeert (zie onder 3.5), is 500 m2 “grond bij niet-woning” betrokken alsmede het op die grond gelegen “Club-/verenigingsgebouw” met een vloeroppervlakte van 270 m2. Het na aftrek van 500 m2 “grond bij niet-woning” resterende deel van het kadastrale object met perceelnummer […] van 650 m2 is niet in de taxatie betrokken.

7.4.

Uit hetgeen onder 7.3 is overwogen volgt dat de door de heffingsambtenaar afgebakende onroerende zaak bestaat uit het gebouw met een vloeroppervlak van 270 m2 de ondergrond van het gebouw met een oppervlak van eveneens 270 m2 en de bijbehorende grond met een oppervlak van 500 m2 -/- 270 m2 (de ondergrond van het gebouw) oftewel 230 m2. Naar ’s Hofs oordeel is de aldus afgebakende onroerende zaak, gelet op het bepaalde in artikel 16 van de Wet WOZ en hetgeen partijen over en weer over de omvang en de samenstelling van de onroerende zaak hebben aangevoerd, zeker niet te groot. Mitsdien zal het Hof bij de toetsing van de vastgestelde waarde aan artikel 17 van de Wet WOZ en de beantwoording van de vraag of de kerkenuitzondering en/of de waterstaatswerkenuitzondering van toepassing is (zijn), uitgaan van de in de eerste volzin van deze overweging beschreven afbakening van de onroerende zaak.

Toetsing van de vastgestelde waarde van de onroerende zaak aan – uitsluitend – artikel 17 van de Wet WOZ

7.5.

Aangezien belanghebbende stelt dat de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde moet worden verminderd, rust op de heffingsambtenaar de last te bewijzen dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Slechts indien de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast voldoet, komt de vraag aan de orde of de belanghebbende de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan het Hof zelf tot een vaststelling van de waarde komen (HR 14 oktober 2005, nr. 40299, ECLI:NL:HR:2005:AU4300).

7.6.

Gelet op hetgeen onder 7.1 is overwogen, zal het Hof de vraag of de heffingsambtenaar de waarde te hoog heeft vastgesteld eerst beantwoorden, zonder rekening te houden met de onder 5.1 genoemde waarderingsuitzonderingen. In rechtsoverwegingen 7.12 tot en met 7.23 komt vervolgens de vraag aan de orde of toepassing van de kerkenuitzondering en/of de waterstaatwerkenuitzondering tot een vermindering van de uitsluitend op de voet van artikel 17 van de Wet WOZ bepaalde waarde dient te leiden.

7.7.

Niet in geschil is dat de waarde van de onroerende zaak (voor toepassing van waarderingsuitzonderingen) dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het Hof sluit zich aan bij deze gezamenlijke, naar zijn oordeel juiste, opvatting van partijen.

7.8.1.

Naar volgt uit het Taxatierapport is de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak bepaald door bij de (deel)waarde van de grond de (deel)waarde van het gebouw op te tellen.

7.8.2.

De (deel)waarde van de grond heeft de taxateur gesteld op € 84,70 per m2 (inclusief BTW). In het Taxatierapport wordt gesteld dat deze m2-prijs is bepaald op basis van “de reële uitgifteprijs die door de gemeente wordt gehanteerd bij uitgifte van grond met de betreffende bestemming op een vergelijkbare locatie en rekening houdend met de grootte van de kavel” (zie onder 3.3). De taxateur heeft deze stelling niet onderbouwd met daadwerkelijk bij uitgifte van grond aan niet met de gemeente gelieerde verkrijgers gerealiseerde uitgifteprijzen. Evenmin heeft de heffingsambtenaar andere objectieve, voor het Hof controleerbare feiten gesteld die – indien aannemelijk – kunnen leiden tot het oordeel dat de m2-prijs van € 84,70 (inclusief BTW) niet te hoog is.

7.8.3.

De (deel)waarde van het gebouw heeft de taxateur bepaald op de in het “Rekenblad getaxeerde waarde waardepeildatum 1 januari 2014” (zie onder 3.5) weergegeven wijze. De in dit rekenblad gebruikte waardegegevens – “kengetallen”– heeft de taxateur ontleend aan de Taxatiewijzer Overheidsgebouwen, versie 1.0, 15 april 2014 en meer in het bijzonder aan het daarin opgenomen archetype Dorpshuis, ouder dan 1990. De heffingsambtenaar heeft de marktgegevens en/of andere objectieve, voor het Hof toetsbare informatie die aan deze “kengetallen” ten grondslag liggen (ligt) niet overgelegd of toegankelijk gemaakt. Evenmin heeft de heffingsambtenaar andere objectieve, voor het Hof controleerbare feiten gesteld die – indien aannemelijk – kunnen leiden tot het oordeel dat de in het taxatierapport genoemde (deel)waarde van het gebouw van in totaal € 194.404 (inclusief BTW) niet te hoog is.

7.9.

Gelet op hetgeen onder 7.8 is overwogen is de heffingsambtenaar niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem vastgestelde waarde (vóór toepassing van waarderingsuitzonderingen) niet te hoog is. Nu belanghebbende geen bedrag heeft genoemd waarop de waarde van de onroerende zaak (vóór toepassing van waarderingsuitzonderingen) dient te worden bepaald en evenmin feiten heeft gesteld waaruit, indien deze feiten aannemelijk worden bevonden, kan worden afgeleid tot welk bedrag de vastgestelde waarde (vóór toepassing van waarderingsuitzonderingen) dient te worden verminderd, kan het Hof in het kader van de toetsing van de vastgestelde waarde van de onroerende zaak aan – uitsluitend – artikel 17 van de Wet WOZ niet toekomen aan de onder 7.5 genoemde vraag of belanghebbende de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt.

7.10.

Gelet op het vorenoverwogene stelt het Hof de waarde van de onroerende zaak (voor toepassing van waarderingsuitzonderingen), gelet op de stukken van het geding en hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, zelf schattenderwijs vast op € 212.900. Deze waarde is gelijk aan de eveneens schattenderwijs door de Rechtbank bepaalde waarde. Weliswaar heeft de Rechtbank bij haar schatting van de waarde van de onroerende zaak uitgangspunten gebruikt die afwijken van de uitgangspunten van het Hof, maar hierin ziet het Hof geen reden om zijn ex aequo et bono gegeven schatting van de waarde van de onroerende zaak bij te stellen.

7.11.

Vervolgens komt het Hof toe aan de vraag of de toepassing van de onder 5.1 genoemde waarderingsuitzonderingen tot vermindering van de vastgestelde waarde dient te leiden.

Kerkenuitzondering

7.12.

In zijn uitspraak van 28 oktober 2015, nr. BK-14/01400, ECLI:NL:GHDHA:2015:2996, betreffende de ter zake van de onroerende zaak voor het jaar 2012 gegeven WOZ-beschikking en opgelegde OZB-aanslagen heeft het Hof beslist dat kerkenuitzondering met betrekking tot de onroerende zaak geen toepassing vindt. In zijn arrest van 12 augustus 2016, nr. 15/05553, ECLI:NL:HR:2016:1918, heeft de Hoge Raad het door belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 28 februari 2015 ingestelde beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond verklaard. Hetgeen belanghebbende in de onderhavige procedure heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een andere beslissing dan die waartoe hij in zijn uitspraak van 28 februari 2015 is gekomen.

7.13.

Het Hof beantwoordt de vraag onder 5.1, tweede volzin, aanhef en sub a, ontkennend.

Waterstaatswerkenuitzondering

7.14.

Waar het Hof hierna de term “waterstaatswerk” of “waterstaatswerken” gebruikt, bedoelt het (een) waterverdedigings- of waterbeheersingswerk(en) in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de URUOW en artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Gemeentewet.

7.15.

In zijn uitspraak van 14 januari 2015, nr. BK-14/00449, ECLI:NL:GHDHA:2015:36 heeft het Hof het volgende overwogen:

"Voor de toepassing van de uitzondering van [waterstaatswerken] op een (deel van een) onroerende zaak is niet voldoende dat (het deel van) de onroerende zaak een [waterstaatswerk] is of daarvan deel uitmaakt (kwalitatief criterium). Daarnaast is vereist dat het deel van de onroerende zaak wordt beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen (beheerscriterium). Het beheerscriterium brengt mee dat de waarderingsuitzondering zich uitstrekt tot dat deel van (het deel van) de onroerende zaak dat een [waterstaatswerk] is of daarvan deel uitmaakt, waaraan de publiekrechtelijke rechtspersoon zorg besteedt in de zin van regelgeving, handhaving, onderhoud en verbetering."

7.16.

De Hoge Raad heeft in het arrest waarin hij heeft beslist op het tegen de onder 7.15 vermelde uitspraak door de belanghebbende ingestelde (incidenteel) cassatieberoep onder meer overwogen:

"Uit [artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel f van de URUOW en artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ], in onderlinge samenhang beschouwd, volgt dat indien een onderdeel van een onroerende zaak behoort tot een waterverdedigingswerk als bedoeld in voormeld artikel 2, eerste lid, letter f, de aan dat onderdeel toe te rekenen waarde buiten beschouwing moet worden gelaten, dit met uitzondering van de tot dat verdedigingswerk behorende delen van de onroerende zaak die dienen als woning. Anders dan de middelen betogen mag in een zodanig geval niet buiten aanmerking worden gelaten de waarde van de onderdelen van een onroerende zaak die niet tot het waterverdedigingswerk behoren. Met zijn door de middelen bestreden oordeel heeft het Hof het vorenoverwogene niet miskend (HR 14 maart 2016, nr. 15/00518, ECLI:NL:HR:2016:364)."

7.17.

Gelet op het onder het onder 7.16 genoemde arrest, gelezen in samenhang met de onder 7.15 vermelde uitspraak, dient het Hof te beslissen welke onderdelen van de onroerende zaak tot het waterstaatswerk behoren. Slechts indien het Hof oordeelt dat (delen van) de onroerende zaak tot het waterverdedigingswerk (behoren) behoort, komt het toe aan de vraag of de (desbetreffende delen van de) onroerende zaak (worden) wordt beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen.

7.18.

Niet tussen partijen in geschil is dat de [F] , waarachter de onroerende zaak is gelegen, een waterkering is die als een waterstaatswerk dient te worden aangemerkt alsmede dat de onroerende zaak is gelegen in de beschermingszone aan de binnenzijde van deze waterkering. Het Hof sluit zich aan bij deze gemeenschappelijke, naar zijn oordeel juiste, opvattingen van partijen. Partijen verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of de beschermingszone behoort tot een waterstaatswerk waarvoor de waterstaatswerkenuitzondering geldt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar daarentegen ontkennend. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

7.19.

In artikel 1.1 van de Waterwet wordt een onderscheid gemaakt tussen het waterstaatswerk en de beschermingszone. Volgens dit wetsartikel wordt onder “waterstaatswerk” verstaan: “oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk” en is een beschermingszone een aan een waterstaatswerk grenzende zone waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden (cursivering Hof). Deze wettekst laat naar het oordeel van het Hof geen ruimte voor de opvatting dat een beschermingszone tot het waterstaatswerk (hier: de waterkering) behoort. De beschermingszone is in de wet genoemd als aanduiding van het buiten het waterstaatswerk gelegen gebied waarin beschermende voorschriften mede van toepassing kunnen zijn (vergelijk de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), Kamerstukken II, 2006/07, 30 818, nr. 3, blz. 87).

7.20.

In artikel 1.1 van de Keur van het Waterschap Rivierenland 2014 (hierna: de Keur 2014) is bepaald dat onder “beschermingszone” wordt verstaan: “aan een waterstaatswerk grenzende zone die als zodanig in de legger is aangegeven, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden”. Deze definitie van het begrip “beschermingszone” wijkt inhoudelijk niet af van de definitie in artikel 1.1 van de Waterwet. In artikel 1.1 van de voor inwerkingtreding van de Keur 2014 geldende Keur van het Waterschap Rivierenland 2009 (hierna: de Keur 2009) is bepaald dat onder (onder meer) “beschermingszone” wordt verstaan “de zone behorend tot en langs waterstaatswerken, die als zodanig in de legger is aangegeven, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens deze keur van toepassing zijn” (cursivering Hof). Deze definitie van het begrip “beschermingszone” wijkt inhoudelijk wél af van de definitie in artikel 1.1 van de Waterwet doordat daaraan de woorden “behorend tot” zijn toegevoegd. Zoals het Hof onder 7.19 heeft overwogen, laat de definitie van het begrip “beschermingszone” in artikel 1.1 van de Waterwet geen ruimte voor de opvatting dat een beschermingszone tot het waterstaatswerk (hier: de waterkering) behoort. Mitsdien had het Algemeen Bestuur van het Waterschap Rivierenland dat de Keur 2009 heeft vastgesteld, niet de bevoegdheid om de woorden “behorend tot” aan de definitie van het begrip “beschermingszone” toe te voegen. Derhalve missen de woorden “behorend tot” in de definitie van het begrip “beschermingszone” in de Keur 2009 verbindende kracht.

7.21.

Uit hetgeen onder 7.18 tot en met 7.20 is overwogen volgt dat de beschermingszone niet tot het waterstaatswerk behoort. Naar het oordeel van het Hof geldt het in de Waterwet gemaakte onderscheid tussen het waterstaatswerk en de beschermingszone (zie onder 7.19), welk onderscheid ook in de Keur 2014 en de Keur 2009 wordt gemaakt (zie onder 7.20), evenzeer bij de toepassing van waterstaatswerkenuitzondering. In de Waterwet, de Wet WOZ en de Gemeentewet zijn geen aanwijzingen voor het tegendeel te vinden. Derhalve is de waterstaatswerkenuitzondering niet van toepassing op de onroerende zaak die, naar niet in geschil is, geheel in een beschermingszone is gelegen.

7.22.

Het Hof komt, gelet op het voorgaande, niet meer toe aan de vraag of (delen van) de onroerende zaak worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen.

7.23.

Het Hof beantwoordt de vraag onder 5.1, tweede volzin, aanhef en sub b, ontkennend.

Slotsom

7.24.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

8.1.

Aangezien het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft gemaakt en/of op te dragen belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

8.2.

Wel komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de kosten die zij in verband met het incidenteel hoger beroep van de heffingsambtenaar heeft moeten maken. Het Hof stelt de proceskostenvergoeding vast op € 495 (1 punt voor de schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep; bedrag per punt van € 495; wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1).

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 495.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. W.M.G. Visser en mr. S.T.M. Beelen in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 21 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.