Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1773

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
200.200.894/01
Formele relaties
Oorspronkelijk arrest: ECLI:NL:GHDHA:2018:1435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederindienstredingsvoorwaarde. Incident ex 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.200.894/01

Zaaknummer rechtbank : 4804822 CV EXPL 16-5622

arrest van 27 juni 2017

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M. Kokx te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.M.Y. Sørensen te Rotterdam.

Het geding

Bij arrest van 6 december 2016 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017. Van de comparitie is proces verbaal gemaakt.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd en een incidentele vordering ingevolge artikel 843a Rv ingesteld. Bij antwoordmemorie in het incident heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat de incidente vordering dient te worden afgewezen. Vervolgens heeft [appellant] de stukken overgelegd en arrest in het incident gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De door de rechtbank in het vonnis van 22 juli 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. [appellant] is op 25 augustus 2009 bij [geïntimeerde] in dienst getreden en werkte laatstelijk als kandidaat gerechtsdeurwaarder tegen een bruto salaris van € 4.818,68 per maand, exclusief emolumenten.

b. [geïntimeerde] heeft bij brief van 27 februari 2015, na een verkregen ontslagvergunning bij het UWV, de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 april 2015.

c. In de beslissing van het UWV van 27 januari 2015 is de volgende wederindiensttredingsvoorwaarde opgenomen:

“Aan deze toestemming verbinden wij de voorwaarde dat u binnen 26 weken na bekendmaking van deze beschikking geen werknemer in dienst neemt voor werkzaamheden van dezelfde aard, als u niet eerst werknemer in de gelegenheid heeft gesteld die werkzaamheden op de bij u gebruikelijke voorwaarden te hervatten.”

d. Per 20 april 2015 heeft [appellant] elders werk gevonden een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tegen een bruto salaris van € 3.250,- per maand, exclusief vakantietoeslag.

e. Op 1 juli 2015 is mevrouw [naam] (hierna: [A]) en per 1 augustus 2015 is mevrouw [naam] (hierna: [B]) bij [geïntimeerde] in dienst getreden.

Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de hierboven genoemde wederindiensttredings-voorwaarde geschonden door [A] en [B] in dienst te nemen als kandidaat gerechtsdeurwaarder binnen de door het UWV gestelde termijn van 26 weken. Hij heeft daarom – samengevat – de nietigheid van het ontslag ingeroepen en aanspraak gemaakt op doorbetaling van zijn salaris onder aftrek van het door hem elders verdiende salaris.

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen. De kantonrechter achtte bij de beoordeling van de vordering leidend dat het verrichten van ambtshandelingen voor [appellant] als kerntaak van zijn functie van kandidaat gerechtsdeurwaarder bij [geïntimeerde] moet worden beschouwd, zodat voor het vergelijken van de functies van kandidaat gerechtsdeurwaarders [A] en [B] met die van [appellant] de omvang van de ambtshandelingen van belang is. De kantonrechter is vervolgens tot de conclusie gekomen dat het aantal ambtshandelingen dat door [A] en [B] is verricht teveel afwijkt van de werkzaamheden die [appellant] pleegde te verrichten, zodat geen sprake was van ‘werkzaamheden van dezelfde aard’ en derhalve geen schending van de door het UWV gestelde voorwaarde.

In zijn memorie van grieven komt [appellant] op tegen dit oordeel. Hij stelt in dit verband dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het vergelijken van de functies die [A] en [B] vervullen ten opzichte van de functie die [appellant] bij [geïntimeerde] vervulde, de omvang van de ambtelijke handelingen die worden verricht van belang is. Daarom vordert hij ingevolge artikel 843a Rv over de periode van 1 april 2014 tot en met 31 december 2016 inzage in of afschrift van het zogenaamde repertorium van [geïntimeerde] waaruit het aantal ambtelijke handelingen per medewerker blijkt, alsmede de weekoverzichten die door [geïntimeerde] aan de medewerkers zijn verstrekt met daarin de planning van het werk.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat [appellant] daarbij geen rechtmatig belang heeft, dan wel dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg al de gegevens verstrekt van het aantal verrichte ambtshandelingen over de periode van 3 februari 2016 tot en met 31 maart 2016. In aanvulling op die gegevens heeft [geïntimeerde] bij antwoordmemorie in het incident een overzicht overgelegd van het aantal ambtshandelingen verricht door [appellant], [A] en [B] in de periode 1 januari 2013 tot 31 december 2015. Het genoemde repertorium betreft een chronologische lijst van ambtshandelingen met daarop onder andere de partijnamen en de plaats van betekening, die in deze zaak volgens [geïntimeerde] niet relevant zijn. De genoemde planning via de weekoverzichten is niet iedere week gemaakt en is daardoor incompleet, terwijl ook deze planning tal van gegevens bevat, bijvoorbeeld omtrent werkzaamheden van andere medewerkers, die in deze zaak niet relevant zijn. Bovendien geeft de planning geen precieze weergave van het aantal verrichte ambtshandelingen. Tot slot wijst [geïntimeerde] erop dat de wederindiensttredingsvoorwaarde gold tot 27 augustus 2015, zodat [appellant] in ieder geval geen belang heeft bij gegevens over de periode gelegen na die datum.

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 843a Rv kan hij die daar rechtmatig belang bij heeft, op zijn kosten, inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden (gegevensdragers daaronder begrepen) aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking heeft, tenzij een behoorlijke rechtspleging ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. De rechter bepaalt zo nodig de wijze waarop.

In dit geschil heeft [appellant], gelet op het hiervoor weergegeven debat tussen partijen, een rechtmatig belang bij een overzicht van (a) de door hemzelf in de tijd voor zijn ontslag en (b) de door [A] en [B] na hun indiensttreding bij [geïntimeerde] verrichte ambtshandelingen. Daarmee heeft [appellant] rechtmatig belang bij het door hem gevorderde afschrift van het repertorium. De reeds door [geïntimeerde] overgelegde informatie kan daarvoor niet in de plaats treden, omdat dit een door [geïntimeerde] zelf opgesteld overzicht betreft, met een selectie van gegevens door [geïntimeerde]. De juistheid van dit overzicht is aldus niet controleerbaar voor [appellant]. Het gevorderde afschrift is in beginsel toewijsbaar. Echter, om de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van derden te waarborgen dient [geïntimeerde] de tot derden herleidbare data uit het repertorium te verwijderen, althans onleesbaar te maken. Dat neemt niet weg dat het afschrift wel inzicht dient te geven over de (aantallen) verrichte ambtshandelingen en door wie deze zijn verricht.

De periode waarover [geïntimeerde] het afschrift dient te verstrekken zal worden beperkt tot de periode gelegen een half jaar voor de uitdiensttreding van [appellant] en een half jaar na de indiensttreding van [B], dus van 1 oktober 2014 tot 31 december 2015. Daarbij heeft het hof enerzijds de belasting voor [geïntimeerde] bij het anonimiseren van het repertorium meegewogen en anderzijds het belang van [appellant] bij een voldoende representatief beeld van de (mogelijke) uitwisselbaarheid van zijn functie met de functies van [A] en [B]. Voor een beperking van de periode tot de datum waarop de wederindiensttredingsvoorwaarde is verstreken (27 augustus 2015) ziet het hof geen aanleiding. [A] en [appellant] waren toen nog maar kort in dienst en denkbaar is dat zij tijdens hun inwerkperiode minder ambtshandelingen hebben verricht, dan passend is bij de met hen overeengekomen werkzaamheden. De periode tot 31 december 2015 zal daarom een meer representatief beeld kunnen geven.

Daarnaast acht het hof het verschaffen van de weekoverzichten voor een goede rechtsbedeling niet noodzakelijk, nog daargelaten dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat deze overzichten niet compleet zijn en dus geen inzicht bieden in de voor deze procedure relevante gegevens.

Het hof ziet geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.

De vordering in het incident van [appellant] wordt gelet op het voorgaande als volgt toegewezen. De beslissing omtrent de proceskosten wordt aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

[geïntimeerde] zal op de rol bij akte voornoemd afschrift in het geding dienen te brengen. [appellant] zal zich daarover dan bij akte kunnen uitlaten. Vervolgens zal [geïntimeerde] in de gelegenheid worden gesteld om een memorie van antwoord te nemen.

Beslissing

Het hof,

in het incident:

- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] een afschrift te geven van het repertorium van [geïntimeerde] waaruit blijkt het aantal ambtelijke handelingen van [appellant], [A] en [B], uitgesplitst naar deze medewerkers in de periode van 1 oktober 2014 tot 31 december 2015, waarbij [geïntimeerde] de tot derden herleidbare data uit het repertorium te verwijdert, althans onleesbaar te maakt, zoals hierboven vermeld;

- houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot de beslissing in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 25 juli 2017 voor akte tot overlegging van voornoemd afschrift door [geïntimeerde].

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, C.J. Frikkee en R.S. van Coevorden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.