Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1758

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
200.154.573/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brandverzekering; brandstichting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3587
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.154.573/02

Zaaknummer rechtbank : C/09/445483 / HA ZA 13-712

arrest van 4 juli 2017

inzake

1 [appellant],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellant], respectievelijk [appellante], en gezamenlijk [appellant] c.s.,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

1 Aegon Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Den Haag,

3. ASR Verzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

4. Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

5. Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

6. London Verzekeringen N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

7. Reaal Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

geïntimeerden,

hierna te noemen: verzekeraars,

advocaat: mr. C. Blanken te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 21 mei 2014 is [appellant] c.s. in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 19 maart 2014. Bij memorie van grieven tevens akte houdende eiswijziging, met producties, heeft [appellant] c.s. zeventien grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord tevens akte eisvermeerdering in reconventie, met producties, hebben verzekeraars de grieven bestreden. [appellant] c.s. heeft vervolgens een akte uitlatingen tevens akte indiening producties genomen, waarna verzekeraars een antwoordakte, met producties, hebben genomen.

Ten slotte heeft het hof de dag voor arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[appellant] c.s. is eigenaar van de woonboerderij aan de [adres] te [plaats], inclusief erf en tuin (hierna: de woning).

2.2.

[appellant] c.s. heeft via Meeus Assuradeuren B.V. te [plaats] de woning en ook de inboedel verzekerd bij verzekeraars middels een Accedent Pakket verzekering (hierna: de verzekeringsovereenkomst).

2.3

Op donderdag 3 mei 2012, omstreeks 9.15 uur, is brand uitgebroken in de woning. De woning is vrijwel volledig uitgebrand. [appellant] heeft, nadat hij de brand heeft ontdekt, 112 gebeld. De melding is binnengekomen om 9.31:04 uur. Nadat [appellante], die door [appellant] achter de woning gewond werd aangetroffen, met de ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd, is zij kort na de middag op de Acute Opname Afdeling in het ziekenhuis opgenomen. Aldaar zijn een forse bloeduitstorting boven het rechter oog, een licht schedeltrauma, meerdere kneuzingen en twee snijwonden in de linker onderarm geconstateerd.

2.4

In het ziekenhuis heeft [appellante] op 3 mei 2012 aangifte gedaan van diefstal met geweld en brandstichting. Van 3 mei tot 7 mei 2012 is [appellante] opgenomen op de afdeling neurologie van het ziekenhuis en daarna is zij overgeplaatst naar de afdeling psychiatrie alwaar zij ongeveer één maand heeft verbleven.

2.5

Verzekeraars hebben I-Tek ingeschakeld om onderzoek te doen naar de oorzaak van het ontstaan van de brand en de omstandigheden waaronder de brand is ontstaan. I-Tek is tot de conclusie gekomen dat de brand is ontstaan door brandstichting op diverse plaatsen in de woning en dat van brandstichting door derden geen sprake kan zijn.

2.6

De schade aan de inboedel is in opdracht van verzekeraars door EMN Expertise op 29 juni 2012 vastgesteld op € 111.530,05 en de schade aan de woning op basis van herbouwwaarde op 3 oktober 2012 op € 289.128,.

2.7

Het Openbaar Ministerie is naar aanleiding van de 112-meldingen een onderzoek gestart. Op 4 oktober 2012 heeft I-Tek namens verzekeraars aangifte gedaan van verzekeringsfraude. [appellante] is op 17 oktober 2012 aangehouden, in verzekering gesteld en op 18 oktober 2012 heengezonden. Uiteindelijk is niet tot strafvervolging van [appellante] overgegaan wegens onvoldoende bewijs.

2.8

Bij brief van 5 november 2012 hebben verzekeraars [appellant] c.s. bericht dat door schending van artikel 7.1 (d, e en f) van de verzekeringsvoorwaarden het recht op schadevergoeding op grond van artikel 7.3 (a, b, c en d) van de verzekeringsvoorwaarden is vervallen. Tevens hebben verzekeraars aanspraak gemaakt op vergoeding van de onderzoekskosten. De gegevens van [appellante] zijn opgenomen in het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister van de Stichting CIS. Verder is melding gedaan bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude. Tot slot hebben verzekeraars de verzekering met ingang van 5 november 2012 beëindigd.

3. Voor beter begrip van de indeling van de woning neemt het hof hierna de (schetsmatige) plattegrond met legenda over uit het door [appellant] c.s. bij memorie van grieven als productie 19a overgelegde rapport van Brand Technisch Bureau (hierna: BTB), p. 5. Opmerking verdient dat de niet van een letter voorziene ruimte tussen de met J, H, E en D aangeduide ruimten in werkelijkheid uit twee afzonderlijke ruimten bestaat: links een kantoor met een deur naar de garage/werkplaats (J) en rechts een kamer met een deur naar de bijkeuken (H). De (rode) pijlen vanuit ruimte C via D, E, G en H naar J geven de route weer die (zeer) hete rookgassen volgens BTB tijdens de brand hebben afgelegd, terwijl de overige (blauwe) pijlen ventilatieluchtstromen weergeven zoals die zich volgens BTB toen hebben voorgedaan.

4. [appellant] c.s. heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. een verklaring voor recht dat verzekeraars gehouden zijn tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst en dat ten behoeve van de schadeberekening herbouw het uitgangspunt zal zijn;

b. veroordeling van verzekeraars tot betaling van € 1.998,83 per maand vanaf mei 2012 tot aan de dag dat verzekeraars daadwerkelijk tot uitkering van de herbouwschade zullen zijn overgegaan (ten titel van huurderving), van € 111.530,05 (ter zake van de inboedel) en € 136.564,00 (ter zake van 50% van de schade op basis van herbouw), met de wettelijke rente vanaf 5 november 2012, alsmede tot ongedaanmaking van de beëindiging van de polis en voortzetting van de polis op basis van gelijkluidende (polis)voorwaarden, op straffe van een dwangsom;

c. veroordeling van verzekeraars, althans Aegon, om de registratie in het Incidentenregister (IVR) van Aegon en de externe registraties bij de Stichting CIS te Zeist en bij het Verbond van Verzekeraars ongedaan te (laten) maken, op straffe van een dwangsom;

d. veroordeling van verzekeraars tot betaling van € 5.160, aan buitengerechtelijke kosten, met wettelijke (handels)rente vanaf 27 december 2012 en de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.

5. Verzekeraars hebben in reconventie gevorderd – samengevat – dat [appellant] c.s. wordt veroordeeld, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 10.038,96 met rente en kosten ter zake van door verzekeraars gemaakte onderzoekskosten.

6. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat op basis van het beschikbare bewijs de door [appellant] c.s. gestelde brandstichting door overvallers ongeloofwaardig is en dat [appellante] de brand heeft gesticht. [appellant] c.s. is niet toegelaten tot tegenbewijs. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] merkelijke schuld heeft aan het ontstaan van de brand en dat [appellant] c.s. opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt aan verzekeraars. Op deze gronden zijn in conventie de vorderingen van [appellant] c.s. afgewezen en is hij in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de rechtbank [appellant] c.s. veroordeeld tot betaling van € 10.038,96 met wettelijke rente en proceskosten. Verder heeft de rechtbank [appellant] c.s. veroordeeld in de nakosten.

7. In hoger beroep heeft [appellant] c.s. gevorderd dat het bestreden vonnis wordt vernietigd, dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en de vordering in reconventie alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van verzekeraars in de proceskosten, inclusief de nakosten, met wettelijke rente. Tevens heeft [appellant] c.s. ter gelegenheid van de memorie van grieven zijn eis vermeerderd, in die zin dat hij tevens veroordeling van verzekeraars vordert tot voldoening van de extra opruimingskosten van de inboedel van € 3.416,78, de kosten van de contra-expertise van € 7.776,65 en de onderzoekskosten van € 12.870,52, alles met wettelijke (handels)rente. Tegen deze vermeerdering van eis als zodanig hebben verzekeraars zich niet verzet. Het hof zal van de gewijzigde eis uitgaan.

8. Verzekeraars hebben in hoger beroep in conventie geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, al dan niet met wijziging en/of aanvulling van gronden. In reconventie hebben verzekeraars – in verband met de noodzaak aanvullende onderzoekskosten te maken – de eis aldus vermeerderd, dat (tevens) gevorderd wordt [appellant] c.s. te veroordelen tot betaling van € 2.758,80 met wettelijke rente vanaf de datum van de eiswijziging (7 juni 2016). Verzekeraars maken aanspraak op vergoeding van proceskosten. Tegen de vermeerdering van eis als zodanig heeft [appellant] c.s. zich niet verzet. Het hof zal van de gewijzigde eis uitgaan.

9. In deze zaak beroepen verzekeraars zich onder verwijzing naar de van toepassing zijnde verzekeringsvoorwaarden erop dat zij niet zijn gehouden tot vergoeding van de door [appellant] c.s. als gevolg van de brand geleden schade, omdat sprake zou zijn van ‘negatieve betrokkenheid’ van [appellante] bij het ontstaan van de brand en omdat [appellant] c.s. onware verklaringen heeft afgelegd. Met negatieve betrokkenheid van [appellante] doelen verzekeraars kennelijk op haar opzet, al dan niet bewuste roekeloosheid of al dan niet bewuste merkelijke schuld als bedoeld in artikel 7.3 onder a van de verzekeringsvoorwaarden. De stelplicht, de bewijslast en het bewijsrisico van deze negatieve betrokkenheid van [appellante] rusten, gelet op van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op verzekeraars.

10. Verzekeraars beroepen zich op onderzoek, in hun opdracht uitgevoerd door I-Tek, en onderzoek door de politie, waaruit zou blijken dat de brand is veroorzaakt door brandstichting op verschillende plekken in de woning: in de slaapkamer, in de bijkeuken en in de deel/schuur achter de bijkeuken (in de afbeelding in r.o. 3 achtereenvolgens aangeduid met C, H en J, toevoeging hof). Verzekeraars betogen voorts dat op grond van bijkomende omstandigheden is uitgesloten dat derden betrokken zijn geweest bij de brandstichting en dat, nu alleen [appellante] in de woning is geweest ten tijde van het ontstaan van de brand, dit voldoende bewijs oplevert voor haar betrokkenheid.

11. In eerste aanleg heeft [appellant] c.s. niet betwist dat van brandstichting sprake is, maar wel bestreden dat [appellante] daarbij enige negatieve betrokkenheid heeft gehad. Die betwisting heeft hij, samengevat, als volgt onderbouwd.

Omstreeks 09.15 uur, toen [appellante], die zich op dat moment buiten achter de woning bevond, via de achterdeur de woning binnenging, werd er aangebeld. [appellante] heeft de voordeur open gedaan. Er stonden twee mannen aan de deur die om werk vroegen. Toen [appellante] liet weten geen werk voor hen te hebben, vroegen de mannen om geld. [appellante] werd bang en liet weten haar man te zullen halen en is daarop de gang van de woning ingelopen (ruimte A, toevoeging hof). De twee mannen liepen plotseling eveneens de gang van de woning binnen, achter [appellante] aan. Op de begane grond van de woning bevond zich één slaapkamer (ruimte C, toevoeging hof), gelegen naast de entree aan de voorzijde van de woning. [appellante] zag dat de deur van deze slaapkamer openstond en zij zag dat in die slaapkamer de kasten en laden open stonden. [appellante] bevond zich in een dreigende situatie. Omdat de mannen geld wilden zien en om hen snel buiten de deur te werken en de dreigende situatie af te wenden, besloot [appellante] haar portemonnee uit haar tas te pakken, om deze af te geven. Deze tas bevond zich naast het bed in de hiervoor genoemde slaapkamer. Op het moment dat zij haar portemonnee aan de twee voor haar staande mannen had afgegeven, werd zij door een derde persoon van achteren stevig vastgepakt. Kort daarna kreeg zij van achteren een klap in haar nek en tegen haar hoofd, waardoor zij buiten bewustzijn raakte. Volgens [appellant] c.s. was er in ieder geval nog een derde persoon aanwezig in de woning, die via de achterzijde van de woning moet zijn binnengekomen op het moment dat [appellante] de voordeur opendeed.

[appellant], die op dat moment achter de woning werkzaam was, zag op enig moment rook uit de achterzijde van de woning komen. Hij is direct naar de openstaande achterdeur van de woning (bij G, toevoeging hof) gerend en heeft diverse malen naar binnen naar zijn vrouw geroepen. Hij heeft haar vervolgens, naar aanleiding van haar geroep, achterin de tuin tussen de heg en de trampoline (K, toevoeging hof) gevonden, liggend op de grond, gewond en verdwaasd.

In de inleidende dagvaarding, onder 33, heeft [appellant] c.s. met zoveel woorden gesteld dat door de overvallers brand is gesticht.

12. In hoger beroep strijden partijen in de eerste plaats over de vraag (1) of de brand is veroorzaakt door brandstichting, en – zo ja – (2) of de brand is gesticht door overvallers dan wel door [appellante]. In het navolgende zal het hof deze vragen achtereenvolgens bespreken.

1. Brandstichting?

13. In hoger beroep houdt [appellant] c.s. staande dat [appellante] op 3 mei 2012 is overvallen en beroofd. Volgens [appellant] c.s. hebben de overvallers vermoedelijk de brand gesticht, maar hij betwist dat brandstichting vaststaat (grief 2). Deze betwisting onderbouwt [appellant] c.s. met bevindingen van door hem ingeschakelde onderzoekers, neergelegd in twee rapporten van Brand Technisch Bureau (hierna: rapport BTB I en rapport BTB II). De belangrijkste conclusie van BTB is, aldus [appellant] c.s., dat er sprake is van één primaire brandhaard, te weten in de slaapkamer. Verder concludeert BTB dat elders in de woning onder invloed van de afgegeven (stralings)warmte van (zeer) hete rookgassen, die zich door de woning hebben verspreid als hiervoor in r.o. 3 weergegeven, secundaire brandhaarden zijn ontstaan, die derhalve niet kunnen worden toegeschreven aan brandstichting (BTB II, p. 22). Dit scenario kan volgens BTB II, p. 11, ‘objectief worden geverifieerd’ aan de hand van de waarnemingen van twee politiesurveillanten, die 12 minuten na de 112-melding van 09.31 uur bij de woning arriveerden en die enige tijd hierna zagen dat de brand zich uitbreidde naar de inpandige garage. Indien sprake was geweest van brandstichting in de garage, hadden de beide surveillanten volgens BTB, gezien het tijdsverloop, een inmiddels volledig ontwikkelde brand moeten hebben waargenomen. In dit verband is volgens BTB voorts van belang dat de deur tussen de tussenruimte (E) en de achter-entree (G), die volgens I-Tek ten tijde van de brand gesloten zou zijn geweest zodat branduitbreiding vanuit de slaapkamer naar de deel (J) en bijkeuken (H) kan worden uitgesloten, in werkelijkheid open heeft gestaan. Ook de deur tussen de achter-entree (G) en de bijkeuken (H) heeft volgens I-Tek ten tijde van de brand opengestaan.

14. Verzekeraars hebben onder verwijzing naar een reactie van I-Tek van 30 maart 2016 (productie 7 bij memorie van antwoord) bestreden dat de brandhaarden in de bijkeuken en de garage secundaire brandhaarden waren, ontstaan door afgegeven stralingswarmte van (zeer) hete rookgassen die zich via openstaande binnendeuren door de woning hebben verspreid. Zij hebben daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.

  • -

    De door [appellant] c.s. gestelde route van de rookgassen betreft slechts een aanname. Deze aanname houdt er geen rekening mee dat eventuele hete rookgassen in ruimte G door de openstaande achterdeur naar buiten zouden ontsnappen.

  • -

    Verder is door [appellant] c.s. geen rekening ermee gehouden dat de deur (G/H) tussen de achter-entree en de bijkeuken gesloten was, zodat rookgassen zich niet door die deur kunnen hebben verspreid. Dat deze deur gesloten was, blijkt uit de mate en wijze van aantasting door rook/roet en de opgelopen brandschade waarbij verf van het kozijn aan de zijde van de bijkeuken was afgebladderd, terwijl daarvan aan de zijde van de achter-entree geen sprake was. In de achter-entree was de aantasting door de brand/vuur nagenoeg te verwaarlozen.

  • -

    Omdat de deur van de achter-entree naar de bijkeuken gesloten was, vormde de aangetroffen plaats van ontstaan van brand in de bijkeuken een tweede primaire ontstaansplaats en was deze brand geen gevolg van de brand in de slaapkamer.

  • -

    Hoewel de deur (J/H) tussen de bijkeuken en de garage/werkplaats tijdens de brand (deels) heeft opengestaan, kan worden uitgesloten dat de brand in de garage is veroorzaakt door hete rookgassen vanuit de bijkeuken. Er was namelijk geen sprake van afbladderen van verf van zowel de deur als het kozijn tussen de bijkeuken en de garage. Aan de sluitzijde van deze deur hing in de garage op het kozijn een riem. Op foto’s is zichtbaar dat die riem en de verf op het kozijn achter de riem niet of nauwelijks door vuur zijn aangetast, hetgeen wel het geval zou zijn geweest als zeer hete luchtstromen het kozijn hadden gepasseerd. Verder is ook een plank met kledinghaken aan die zijde van de deur deels niet door vuur aangetast, terwijl ook dit deel van de plank door vuur zou zijn aangetast wanneer sprake was geweest van hete luchtstromen.

  • -

    Het feit dat surveillanten (pas) 12 minuten nadat de hulpdiensten zijn gewaarschuwd, de brand hebben waargenomen in de inpandige garage, vormt geen onderbouwing voor de stelling van [appellant] c.s. dat de brand in de garage een secundaire brandhaard is. Een zich ontwikkelende brand hoeft niet ineens over te gaan in een uitgebreide vlammende brand. Er kan sprake zijn van een eerst smeulende brand, die zich pas na enkele minuten tot tientallen minuten ontwikkelt tot een vlammende brand.

  • -

    [appellante] heeft verklaard geen brand in de slaapkamer te hebben gezien. Dit strookt niet met het scenario van [appellant] c.s. dat de brand in de slaapkamer als gevolg van een technische oorzaak is begonnen en vandaar de brand in de bijkeuken en de garage heeft veroorzaakt. In dat scenario zou [appellante] – gelet op het feit dat [appellant] al rook en vuur door de achterdeur waarnam voordat hij om 9.31 uur (15 minuten nadat hij [appellante] nog buiten had gesproken) – de brand al hebben moeten waarnemen op het moment dat zij, naar eigen zeggen, haar tas en portemonnee in de slaapkamer ging pakken.

15. Op deze gemotiveerde betwisting door verzekeraars dat brandstichting niet vaststaat, heeft [appellant] c.s. bij akte uitlatingen tevens akte indiening producties gereageerd door overlegging van een reactie van BTB van 7 juli 2016. Deze reactie houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Volgens I.Tek was de deur van de “kamer met de trap” (E, toevoeging hof) naar de “hal” (G, toevoeging hof) ten tijde van de brand gesloten. BTB heeft onweerlegbaar aangetoond dat deze deur niet was gesloten. In het rapport (...) beweert I.Tek thans dat een tweede deur – bijkeuken/achter entree – eveneens gesloten zou zijn geweest.

Dit laatste is opmerkelijk: in het eerste I.Tek rapport van 3 augustus 2012 vermeldt niets over de stand van deze deur. Niettemin heeft BTB vastgesteld dat deze deur ten tijde van de brand niet was gesloten hetgeen heeft bijgedragen aan de verspreiding van – zeer – hete rookgassen en het ontstaan van separate brandhaarden.

Dit brandverloop is waargenomen door twee onafhankelijke politiemensen. Zij hebben gezien dat de brand zich uitbreidde naar de inpandige garage en vervolgens uitslaand werd via het dakraam. Deze waarnemingen duiden erop dat – zeer – hete rookgassen zich in de woning hebben kunnen verspreiden hetgeen betekent dat de deuren in de woning hebben opengestaan.”

De desbetreffende waarneming door twee politiemensen luidt als volgt (proces-verbaal van bevindingen PL2213 2012064330-7, bijlage achter BTB II):

“Op donderdag 3 mei 2012, omstreeks 9.43 uur, waren wij, verbalisanten, ter plaatse op het genoemde adres (van de woning, toevoeging Hof). (…). Wij, verbalisanten, zagen vervolgens dat er op de begane grond aan de achterzijde van de woning vlammen ontstonden. Dit was vermoedelijk het schuurgedeelte. Er bevonden zich hier vier kleine ruiten, waarbij de vlammen bij de tweede ruit van rechts omhoog kwamen. (…) Wij, verbalisanten, zagen dat er bij de schuur welke haaks tegen de woning aan staat flinke rookontwikkeling ontstond. Vervolgens zagen wij, verbalisanten, dat er een grote rookontwikkeling onder de dakpannen van de woning vandaan kwamen. hierop zagen en horden wij een harde knal waarbij de ruit van het dakraam brak en er vlammen vanuit het dakraam naar buiten sloegen”.

16. Het hof is van oordeel dat [appellant] c.s. aldus zijn stelling dat de brandhaarden in de bijkeuken en de garage secundaire brandhaarden zijn geweest, ontstaan als gevolg van de verspreiding van rookgassen door openstaande deuren, in het licht van de gemotiveerde betwisting door verzekeraars onvoldoende (nader) heeft onderbouwd. Welbeschouwd stelt [appellant] c.s. met betrekking tot de deur (G/H) tussen de achter-entree en de bijkeuken slechts dat deze deur niet was gesloten en dat rookgassen zich door deze deur hebben kunnen verspreiden en dat dit ook daadwerkelijk is waargenomen door twee onafhankelijke politiemensen. [appellant] c.s. heeft evenwel niet de in r.o. 14 weergegeven stellingen van verzekeraars met betrekking tot de openstaande achterdeur en de wijze en mate van aantasting aan de deur tussen de achter-entree en de bijkeuken weersproken en hij heeft evenmin uiteengezet dat en waarom daaruit niet kan worden afgeleid dat deze laatste deur gesloten moet zijn geweest. Voorts laat [appellant] c.s. onbesproken de mogelijkheid dat het in de bijkeuken en/of garage ging om een eerst smeulende brand, die pas na verloop van tijd uitgroeide tot een vlammende brand, en valt uit de verklaring van de politiemensen niet af te leiden dat (zij hebben waargenomen dat) de deur tussen achter-entree en bijkeuken heeft opengestaan. Op wat verzekeraars hebben gesteld met betrekking tot de deur tussen de bijkeuken en de garage, is door [appellant] c.s. in het geheel niet ingegaan. Bij gebreke van voldoende gemotiveerde betwisting door [appellant] c.s. moet dan ook als vaststaand ervan worden uitgegaan dat de deur tussen achter-entree en bijkeuken ten tijde van de brand gesloten is geweest en dat zowel de brand in de bijkeuken als die in de garage geen secundaire brandhaard is geweest.

17. Nu de brandhaarden in de slaapkamer, de bijkeuken en de garage als primaire brandhaarden moeten worden beschouwd, terwijl gesteld noch gebleken is dat aan het ontstaan daarvan een technische oorzaak of een ongeluk ten grondslag kan hebben gelegen, moet ervan worden uitgegaan dat de brandhaarden het gevolg zijn van brandstichting.

2. Betrokkenheid van derden?

18. Vervolgens komt het hof toe aan de vraag of, zoals verzekeraars betogen, op grond van bijkomende omstandigheden is uitgesloten dat derden betrokken zijn bij de brandstichting. Zoals hiervoor reeds overwogen, rusten stelplicht, bewijslast en bewijsrisico van de negatieve betrokkenheid van [appellante] op verzekeraars. Hetzelfde geldt voor de stelling dat betrokkenheid van derden uitgesloten is.

19. De rechtbank heeft overwogen dat uit niets blijkt dat sprake is geweest van een overval (r.o. 4.17). [appellant] c.s. voert daartegen in het kader van grief 8 aan dat er wel degelijk specifieke aanwijzingen zijn voor een overval (MvG, nr. 166 e.v.):

  • -

    verschillende kasten en laden waren geopend, wat erop wijst dat deze doorzocht zijn;

  • -

    er is geld meegenomen uit het geldkistje;

  • -

    twee getuigen hebben verklaard dat een auto met hoge snelheid wegreed vanuit de richting van de brandende boerderij met daarin 4 of 5 mensen, mogelijk de overvallers;

  • -

    [naam] (broer en buurman van [appellant]) heeft een onbekende auto zien staan op de [[...]weg];

  • -

    gezien is dat een onbekend gebleven fietser hard voorbijreed vanuit de richting van de brand zonder zich iets aan te trekken van de brand;

  • -

    [appellant] heeft zelf een auto op de oprit van de overbuurvrouw zien wegrijden toen deze buurvrouw thuiskwam.

In het kader van de grieven 5, 6 en 10 wijst [appellant] c.s. voorts op de volgende omstandigheden:

  • -

    de aard van de verwondingen van [appellante]; het letsel toont onder meer aan dat zij een klap in haar nek en/of op haar hoofd heeft gehad en voorts had zij vingerafdrukken op haar linker bovenarm staan (MvG, nr. 132-133);

  • -

    de plotselinge (kortstondige) herinnering van [appellante] een week na het voorval dat zij in het kantoortje is geweest (MvG, nr. 141);

  • -

    de omstandigheid dat [appellante] de voordeur, die normaliter met een nachtslot en twee hulpgrendels was afgesloten, heeft geopend (MvG, nr. 206-207).

20. Verzekeraars houden staande dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat een overval heeft plaatsgevonden. Volgens verzekeraars is betrokkenheid van derden bij de brandstichting juist uitgesloten te achten op grond van de volgende (samengevat weergegeven) omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien:

  1. er is brand gesticht op verschillende plaatsen in de woning: in de slaapkamer (C), in de bijkeuken (H) en in de garage (J); op de plaatsen van de primaire brandhaarden zijn noch door de politie noch door I-Tek brandversnellers aangetroffen;

  2. in de slaapkamer is brand ontstaan onder het bed, waar resten van kaarsen werden aangetroffen; naar alle waarschijnlijkheid is met de kaarsen brand gesticht; hoogst onaannemelijk is dat derden door middel van kaarsen onder een bed brand hebben gesticht;

  3. eventueel bij de woning aanwezige derden hadden door getuigen waargenomen moeten worden;

  4. de verklaringen van [appellant] en van zijn vader dat zij na het ontdekken van de brand de voordeur hebben zien openstaan, waardoor eventuele derden langs die weg de woning hebben kunnen verlaten, zijn onaannemelijk; uit het onderzoek door politie en I-Tek is gebleken dat de voordeur tijdens de brand gesloten is geweest; de brandweer heeft zich met geweld toegang moeten verschaffen door de voordeur en kon in verband met de aanwezigheid van een kast achter de deur de woning maar moeilijk betreden;

  5. in de woonkamer en het kantoor werden wel open laden aangetroffen, maar deze waren netjes geordend, zonder sporen van doorzoeking door derden; onduidelijk is op welke ‘uit laden en kasten getrokken spullen’ [appellante] doelt in haar verklaring ten overstaan van I-Tek (prod. 5 bij inleidende dagvaarding, bijlage 3, p. 5);

  6. er is inconsistent verklaard over hetgeen zou zijn afgegeven aan de overvallers; aanvankelijk verklaarde [appellante] tegenover de politie dat zij een zwarte portemonnee met drukknop uit haar handtas had afgegeven, maar die bleek nog aanwezig in de handtas bij [appellante] op de plaats waar zij na het voorval is aangetroffen; later verklaarde zij tegenover I-Tek dat zij alleen biljetten (een briefje van € 20 en een briefje van € 10) aan de mannen heeft gegeven; het is weinig aannemelijk dat overvallers de handtas met portemonnee, de portemonnee in haar zak en de in de slaapkamer aanwezige andere portemonnee niet zouden hebben meegenomen;

  7. [appellante] heeft onwaar en inconsistent verklaard over haar bezigheden direct voorafgaand aan het beweerdelijke aanbellen door overvallers; eerst verklaarde ze dat ze achter de was aan het ophangen was, later verklaarde ze dat ze aan het telefoneren was met zorginstelling […] en dat zij toen er werd aangebeld tegen haar gewoonte naar de voordeur liep in plaats van buitenom, omdat het telefoongesprek wat langer duurde; weer later bleek dat zij helemaal niet heeft gebeld; beantwoording van nadere vragen daarover aan [appellante] is belet door [appellant], die toen verklaarde dat zijn echtgenote van plan was om te gaan bellen toen er werd aangebeld;

  8. Het tijdsverloop tussen het laatste contact tussen [appellant] en [appellante] en het waarnemen van forse rook uit de woning was slechts ongeveer 10 minuten; dat is te kort voor de gebeurtenissen zoals geschetst door [appellante]: aanbellen, naar de voordeur lopen, een gesprek met de mannen aan de deur, naar de slaapkamer lopen om een tas/geld te pakken, naar het kantoor lopen voor de geldkist, lades openen en brand stichten op verschillende plaatsen zonder brandversnellers en het zich ontwikkelen van een op die wijze gestichte brand tot een brand zoals door [appellant] waargenomen.

21. Voor het hof valt thans nog niet goed te beoordelen of verzekeraars – mede gelet op de stellingen van [appellant] c.s. – zijn geslaagd in het bewijs van hun stelling dat sprake is van brandstichting door [appellante]. Overigens is het hof ook nog niet overtuigd van de juistheid van de stelling van [appellant] c.s. dat de brand is gesticht door overvallers.

22. Over de verwondingen van [appellante] – een forse bloeduitstorting boven het rechter oog, een licht schedeltrauma, meerdere kneuzingen en twee snijwonden in de linker onderarm – heeft [appellant] c.s. gesteld, en te bewijzen aangeboden, dat deze slechts door mishandeling door overvallers kunnen zijn veroorzaakt. Verzekeraars hebben dit bestreden. In het scenario dat de brand niet is gesticht door overvallers maar door [appellante], is evenwel niet duidelijk hoe zij dan aan de geconstateerde verwondingen (op verschillende plaatsen) is gekomen. Op dit punt heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. Hetzelfde geldt ten aanzien van andere over en weer aangevoerde omstandigheden, waaronder de ontsluiting van het nachtslot en de hulpgrendels van de voordeur, het openstaan van kasten, laden en het geldkistje, en het voorval waarbij [appellante] een week na de brand in het kantoortje in een vlaag een herinnering leek te hebben aan de (gestelde) overval. Verder wil het hof met partijen spreken over de betekenis van de auto’s waarover door getuigen is verklaard en over inconsistenties in het relaas van [appellante] met betrekking tot het al dan niet telefoneren en het openen van de voordeur. Tot slot wil het hof met partijen bespreken hoe de beide voorliggende scenario’s – brandstichting door overvallers en brandstichting door [appellante] – passen in het tijdsverloop vanaf het moment dat [appellant] voor het laatst met [appellante] heeft gesproken tot aan het moment van de ontdekking van de brand door [appellant]. Daartoe zal het hof een comparitie gelasten. Ter gelegenheid van de comparitie kunnen ook de eventuele mogelijkheden van bewijslevering worden besproken.

23. In het door verzekeraars gepresenteerde scenario van brandstichting door [appellante] dringt zich bij het hof de vraag op wat [appellante] tot haar daad kan hebben bewogen. Een duidelijk motief voor brandstichting, bijvoorbeeld van financiële aard, is gesteld noch gebleken. Uit hetgeen verzekeraars hebben aangevoerd over de geestelijke toestand van [appellante] ten tijde van de brand, krijgt het hof vooralsnog de indruk dat verzekeraars rekening houden met de mogelijkheid dat [appellante] de brand heeft gesticht onder invloed van een psychische stoornis. Ook dit onderwerp zou het hof met partijen willen bespreken. Duidelijkheid hieromtrent zou wellicht verkregen kunnen worden als [appellante] bereid is medische informatie, zoals gegevens van haar huisartsenkaart van de periode van twee jaar voorafgaand en een jaar na de brand en eventuele andere relevante medische informatie, in het geding te brengen. Op de comparitie wil het hof ook dit met partijen bespreken.

24. Het hof ziet derhalve aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Het doel is het inwinnen van inlichtingen. Het hof geeft partijen in overweging om met het oog op een goed verloop van de comparitie hun gedachten over hetgeen het hof hiervoor in r.o. 22 en 23 heeft overwogen, uiterlijk twee weken voor de comparitie schriftelijk aan het hof kenbaar te maken. Indien [appellante] bereid is medische informatie in het geding te brengen, dan zou dat bij voorkeur ook voorafgaand aan de comparitie kunnen geschieden. De comparitie kan eveneens worden benut om een schikking te beproeven en de mogelijkheden van mediation te bezien. De comparitie zal verder kunnen worden benut om procedureafspraken te maken, zoals afspraken over eventuele bewijslevering.

Beslissing

Het hof:

- beveelt partijen, [appellant] c.s. in persoon en verzekeraars deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. F.R. Salomons in het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te Den Haag, en wel op vrijdag 8 september 2017, om 9.30 uur;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de maanden september tot en met november van 2017, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de comparitie zal vaststellen;

- bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij een beroep zouden willen doen, waaronder de in r.o. 23 en 24 bedoelde medische gegevens, zullen overleggen door deze uiterlijk twee weken vóór de comparitie in kopie aan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, P.M. Verbeek en C.A. Joustra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017 in aanwezigheid van de griffier.