Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:175

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
02-02-2017
Zaaknummer
2200258115
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is ter zake van doodslag en poging doodslag (meermalen gepleegd) van twee medepatiënten in GGZ Delfland ontslagen van alle rechtsvervolging nu de verdachte ten tijde van het plegen van die feiten volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. De verdachte is vrijgesproken van de ten laste gelegde moord en poging moord. De verdachte is voorts vrijgesproken van een mishandeling van een penitentiair inrichtingsmedewerker, wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. Het hof heeft net als de rechtbank aan de verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden opgelegd. Voorts moet de verdachte aan één van de slachtoffers een schadevergoeding ter hoogte van € 1.500,- betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002581-15

Parketnummers: 09-827091-14 en 09-852238-14

Datum uitspraak: 2 februari 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

thans gedetineerd in de [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 25 februari 2016 en 19 januari 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09-852238-14 ten laste gelegde (mishandeling) vrijgesproken en is aan de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-827091-14 onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en onder 2 primair impliciet subsidiair (poging doodslag) ten laste gelegde de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden opgelegd, ten aanzien van welke maatregel is bepaald dat deze dadelijk uitvoerbaar is. Voorts is aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 09-827091-14:

1:
hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met kracht) met een of meer hand(en) en/of een arm de hals en/of keel van deze [slachtoffer 1] dichtgeknepen, althans samendrukkend geweld gebruikt op de hals van deze [slachtoffer 1] en/of (daarbij) de neus van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2 primair:
hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, een persoon [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) naar die [slachtoffer 2] is gelopen en/of (vervolgens) (meermalen) met zijn hand(en) en/of arm de keel en/of hals van voornoemde [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (daarbij) de neus van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) naar die [slachtoffer 2] is gelopen en/of (vervolgens) (meermalen) met zijn hand(en) en/of arm de keel en/of hals van voornoemde [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (daarbij) de neus van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 09-852238-14 (gevoegd):

hij op of omstreeks 03 september 2014 te 's-Gravenhage, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening (als zorg- en behandel inrichtingswerker in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum), onverhoeds en/of agressief en/of met grote kracht heeft geduwd, waardoor er een worsteling is ontstaan waarbij voornoemde [slachtoffer 3] met zijn hoofd tegen de deurpost is gevallen, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-827091-14 onder 1 impliciet subsidiair (doodslag), onder 2 primair impliciet subsidiair (poging doodslag) en bij dagvaarding met parketnummer 09-852238-14 (mishandeling) ten laste gelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en dat aan de verdachte TBS met dwangverpleging zal worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewijsoverweging ten aanzien van het bij dagvaarding met parketnummer 09-827091-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities – naar voren gebracht dat de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09-827091-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu de verdachte geen opzet had op de ten laste gelegde feiten, aangezien hij door een ernstige psychische stoornis geen enkel inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft gehad.

Het hof verwerpt dit verweer. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat een psychische stoornis slechts dan aan een bewezenverklaring van het opzet in de weg, indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

Anders dan de verdediging is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat geen sprake is van een dergelijke uitzondering. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

De handelingen van de verdachte waren naar hun aard kennelijk gericht op het verwurgen van de slachtoffers. Blijkens de uiterlijke verschijningsvorm van die gedragingen ging het immers om een samenstel van gecoördineerde, effectieve en in zekere zin rationele handelingen, die ten doel hadden om de slachtoffers om het leven te brengen middels verstikking. Het hof wijst hierbij in het bijzonder op de combinatie van het dichtknijpen van de hals/keel en het dichtknijpen van de neus. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat de verdachte zijn verwurgingshandelingen bij [slachtoffer 1] heeft gestaakt toen deze stil op de grond bleef liggen en - toen [slachtoffer 1] nog geluid maakte - zijn handelingen weer voortzette, totdat [slachtoffer 1], definitief stil bleef, overleden was.

Ten aanzien van het [slachtoffer 2] gelden soortgelijke feiten en omstandigheden. De verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij toen de duivel in [slachtoffer 2] wilde verdrijven. Hij heeft daartoe ook bij [slachtoffer 2] de neus gedurende enige tijd dichtgeknepen, waardoor het slachtoffer niet kon ademen, dit, terwijl hij op diens rug zat en zijn nek omkneld hield. Nadat [slachtoffer 2] zijn duim had opgestoken, is verdachte hiermee gestopt, waarna beiden vervolgens worstelend op de gang van de afdeling terecht zijn gekomen. Daar heeft de verdachte [slachtoffer 2] tegen de muur gedrukt, hem nogmaals bij de keel gegrepen en zijn neus dichtgehouden, waardoor [slachtoffer 2] wederom geen lucht kreeg.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte op zijn minst genomen enig inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. Dat het handelen van de verdachte, en het motief daarvoor, verklaard moet worden in het kader van diens geestelijke stoornis, kan daaraan niet afdoen, net zomin als de omstandigheid dat de verdachte zich naar eigen zeggen niet herinnert dat hij [slachtoffer 1] daadwerkelijk heeft gewurgd.

Nu de verdachte naar het oordeel van het hof enig inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan acht het hof opzet ten aanzien van de jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten laste gelegde feiten bewezen.

Voor zover de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities – nog heeft bedoeld aan te voeren dat de poging(en) doodslag op [slachtoffer 2] ondeugdelijk was/waren, omdat het dichtknijpen van de neus en keel van [slachtoffer 2] telkens slechts te kort heeft geduurd om de dood te laten intreden, overweegt het hof als volgt.

Het tegelijkertijd dichtdrukken van de neus en keel kan in beginsel wel degelijk leiden tot de dood. Reeds hierom gaat het gestelde niet op. Dat – met name - het ten tweede male dichtknijpen van de neus en keel van [slachtoffer 2] maar kort duurde en verdachte hem heeft losgelaten en zijn handelingen heeft gestaakt, zodat het ook toen slechts bij een poging is gebleven, is louter te danken aan de omstandigheid dat er een verpleegkundige op de afdeling verscheen, die hem toeschreeuwde daarmee te stoppen.

Vrijspraak van het bestanddeel ‘na kalm beraad en rustig overleg’ ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-827091-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde

Met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat ten aanzien van het bij dagvaarding met parketnummer 09-827091-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde sprake is geweest van voorbedachte raad, zodat de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09-827091-14 onder 1 impliciet primair (moord) en onder 2 primair impliciet primair (poging moord) ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

Vrijspraak van het bij dagvaarding met parketnummer 09-852238-14 (mishandeling) ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding met parketnummer 09-852238-14 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van pijn en/of letsel bij de aangever [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3])

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities - naar voren gebracht dat de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09-852238-14 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat de verdachte geen handeling heeft verricht waaruit het (voorwaardelijk) opzet kan worden afgeleid dat gericht was op het toebrengen van pijn en/of letsel bij [slachtoffer 3].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft op grond van het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en op grond van de stukken in het dossier vastgesteld, dat de verdachte, na opening van de celdeur door [slachtoffer 3], richting de uitgang van zijn cel is gelopen, waarbij hij [slachtoffer 3] een duw heeft gegeven. Vervolgens is er een worsteling ontstaan tussen enerzijds de verdachte, en anderzijds [slachtoffer 3] en de getuige [getuige 1]. Tijdens die worsteling is het drietal ten val gekomen, waarbij [slachtoffer 3] zijn hoofd fors tegen de deurpost heeft gestoten.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn enige doel was om uit zijn cel weg te komen en dat hij niet de bedoeling heeft gehad iemand pijn en/of letsel toe te brengen. Gelet hierop en op de stukken in het dossier – in onderling verband en samenhang bezien - hecht het hof geloof aan deze verklaring, zodat het hof ervan uitgaat dat geen sprake was van opzet van de verdachte, dat gericht was op het toebrengen van pijn en/of letsel bij [slachtoffer 3].

Gelet op de psychotische toestand waarin de verdachte zich bevond ten tijde van het begaan van dit feit, is het hof van oordeel dat de verdachte zich niet bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat zijn handelen pijn en/of letsel bij [slachtoffer 3] tot gevolg had kunnen hebben, laat staan dat hij deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. Van opzet in voorwaardelijke zin was derhalve evenmin sprake.

Derhalve is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding met parketnummer 09-852238-14 (mishandeling) is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-827091-14 onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en 2 primair impliciet subsidiair (poging doodslag) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 09-827091-14:

1:
hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met kracht) met een of meer hand(en) en/of een arm de hals en/of keel van deze [slachtoffer 1] dichtgeknepen, althans samendrukkend geweld gebruikt op de hals van deze [slachtoffer 1] en/of (daarbij) de neus van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2 primair:
hij op of omstreeks 31 juli 2014 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, een persoon [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) naar die [slachtoffer 2] is gelopen en/of (vervolgens) (meermalen) met zijn hand(en) en/of arm de keel en/of hals van voornoemde [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (daarbij) de neus van voornoemde [slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 09-827091-14 onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het in de zaak met parketnummer 09-827091-14 onder 2 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat de verdachte ten tijde van het plegen van die feiten volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Het hof baseert zijn oordeel op de dienovereenkomstige bevindingen en adviezen van de psychiaters dr. J. Marx (d.d. 25 oktober 2016), dr. J.M.J.F. Offermans (d.d. 3 oktober 2016) en psycholoog drs. F.G. Schilder (d.d. 14 oktober 2016).

De verdachte is derhalve ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827091-14 onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en 2 primair impliciet subsidiair (poging doodslag, meermalen gepleegd) bewezen verklaarde niet strafbaar en moet dus worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De op te leggen maatregel

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven gericht tegen, dan wel gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Het hof zal, zoals ook gevorderd door het Openbaar Ministerie en verzocht door de verdediging, op grond van de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting, aan de verdachte de maatregel van ter beschikkingstelling (TBS) opleggen.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Omstandigheden

Op 29 juli 2014 werd de verdachte opgenomen op de locatie van GGZ Delfland te Delft en geplaatst op de afdeling Ridder 9, een high intensive care crisisafdeling voor patiënten met psychotische beelden en stoornissen, die professionele zorg en aandacht behoeven.

In de avond van 30 juli 2014 heeft de verantwoordelijk verpleegkundige kort contact gehad met de verdachte. De verdachte zat toen met zijn medepatiënten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de woonkamer van deze afdeling. De verpleegkundige heeft vervolgens de afdeling verlaten. Vanaf dat moment, te weten omstreeks 23.19 uur, bleef de verdachte samen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] achter in de woonkamer en is er gedurende een aantal uren op deze high intensive care crisisafdeling geen enkel toezicht op het drietal geweest. Mede door deze betreurenswaardige nalatigheid hebben de onderhavige delicten in die tijd kunnen plaatsvinden.

De verdachte heeft op de bewezenverklaarde wijze [slachtoffer 1] van zijn kostbaarste bezit – het leven – beroofd en zijn nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Voorts heeft de verdachte geprobeerd [slachtoffer 2] op dezelfde wijze van het leven te beroven. De verdachte heeft [slachtoffer 2] daardoor onbeschrijfelijke angst aangejaagd en doen vrezen voor zijn leven. Dit heeft een enorme impact gehad op [slachtoffer 2].

Dwang of voorwaarden?

Het hof stelt voorop dat, zoals hiervoor reeds overwogen, de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de algemene veiligheid van personen zonder meer rechtvaardigen dat er aan de verdachte een maatregel van TBS wordt opgelegd. Het hof ziet zich dan gesteld voor de keuze tussen TBS met voorwaarden, zoals in eerste aanleg door de rechtbank opgelegd en zoals thans wederom bepleit door de verdediging of TBS met dwangverpleging, zoals in eerste aanleg en in hoger beroep gevorderd door het Openbaar Ministerie. Hierbij zal enerzijds het belang van de maatschappij om beveiligd te zijn tegen de verdachte, moeten worden afgewogen tegen anderzijds het belang van de verdachte.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen – conform het advies van psychiater Marx – TBS met dwangverpleging vereist. De advocaat-generaal overweegt daarbij dat zij ervanuit gaat dat ook in het kader van TBS met dwangverpleging de verdachte binnen niet al te lange tijd zijn vrijheden gaat opbouwen en uitbouwen.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zijn voorkeur uitgaat naar TBS met voorwaarden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook aangegeven dat hij (nog steeds) bereid is om de door de reclassering geadviseerde en door de rechtbank opgelegde voorwaarden na te leven. De raadsman van de verdachte heeft er op gewezen dat de ontwikkeling en vooruitgang van de verdachte opmerkelijk goed zijn, mede door de beschermende factoren in het leven van de verdachte. Ook is er volgens hem niet of nauwelijks risico op gevaar.

Het hof komt tot het oordeel dat volstaan kan worden met TBS met voorwaarden nu die maatregel naar zijn oordeel thans passend en geboden is. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Persoon van de verdachte

Documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële documentatie d.d. 30 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Deskundigen

Het hof heeft (onder meer) acht geslagen op de navolgende gedragsrapportages waaraan de verdachte heeft meegewerkt. De overwegingen en conclusies van de gedragsdeskundigen zijn zakelijk samengevat weergegeven.

De rapportage Pro Justitia d.d. 3 oktober 2016, opgemaakt en ondertekend door J.M.J.F. Offermans, psychiater:

Bij betrokkene is sprake geweest van een psychotische stoornis nao. Hij heeft duidelijk baat gehad bij de therapieën die hij bij [instelling] heeft doorlopen, waarbij ziektebesef en met name ziekte-inzicht zijn toegenomen. Betrokkene heeft de overtuiging dat hij medicatie (wellicht levenslang) nodig zal hebben. Er is zowel volgens betrokkene, [instelling] als toezichthouder (reclassering Palier) sprake van medicatietrouw. Uitgaande van betrokkenes toestand ten tijde en kort na het ten laste gelegde is er na consistent gebruik van medicatie een duidelijke verbetering opgetreden. Betrokkene heeft een behoorlijk steunsysteem, bestaande uit familie en vrienden. Ook is de lijdensdruk en motivatie voldoende. Onderzoeker kan zich vinden in een laag recidiverisico. Na de ten laste gelegde feiten – toen betrokkene nog niet was ingesteld op medicatie – is er geen sprake meer geweest van snelle ontregeling. Betrokkene heeft het gehele therapieaanbod van [instelling] op positieve wijze doorlopen en heeft zich coöperatief opgesteld. Betrokkene heeft op adequate wijze gebruik gemaakt van zijn verloven en er hebben zich geen incidenten voorgedaan. Dit bevestigt het positieve verloop van de behandeling. Als betrokkene eenmaal goed is ingesteld op medicatie hoeft er geen sprake meer te zijn van een langdurige behandeling in een zwaar beveiligde setting. Betrokkene is niet agressief. De nadruk van de behandeling zal vooral moeten liggen op resocialisatie. Overplaatsing op dit moment naar een TBS-kliniek (in het kader van TBS met dwangverpleging) is zeer onwenselijk voor betrokkene. Onderzoeker adviseert om TBS met voorwaarden aan betrokkene op te leggen. Er zijn ruim voldoende argumenten dat betrokkene zich aan de voorwaarden en afspraken zal houden.

De rapportage Pro Justitia d.d. 14 oktober 2016, opgemaakt en ondertekend door drs. F.G. Schilder, ggz-psycholoog:

Bij betrokkene is sprake van schizofrenie. Er is sprake van remissie van de positieve symptomen (wanen, hallucinaties) en cognitief verval blijft uit. Dit kan als prognostisch gunstig worden gezien. In oktober 2016 is betrokkene 2 jaar vrij van psychotische symptomen. Betrokkene heeft te kennen gegeven een leven voor ogen te zien met medicijnen en zonder alcohol en/of drugs. De medicamenteuze en psychosociale behandeling van betrokkene, in PPC Vught ingezet en voortgezet in FPK [instelling], heeft (uitzonderlijk snel) goede resultaten afgeworpen. Betrokkene is medicatietrouw en er zijn geen aanwijzingen dat betrokkene nu of in de toekomst zijn medicatie zal weigeren. Betrokkene ziet de belangen in psychosevrij te blijven. Buiten de FPK zal betrokkene, zonder de structuur van de kliniek, de medicatietrouw lange tijd moeten zien voort te zetten en een aantal jaren onder medische controle blijven. Betrokkene heeft zich zowel gemotiveerd als meewerkend laten zien met betrekking tot zijn behandeling. Ziektebesef was reeds aanwezig, het ziekte-inzicht is aanzienlijk uitgebouwd. Betrokkene heeft meer inzicht gekregen in de factoren die een rol hebben gespeeld in de aanloop naar zijn psychose. Hij heeft ook meer inzicht gekregen in wat hij kan doen om te voorkomen dat stress bij hem hoog gaat oplopen en hij het contact met zijn omgeving verliest. Van belang is dat betrokkene een goed en actief steunsysteem heeft. Negatieve symptomen, prognostisch van belang, zijn aanwezig maar in lichte mate. Voorts is er geen comorbiditeit aangetroffen met drugs/alcoholproblemen en/of persoonlijkheidsproblematiek. Mochten de verloven weer worden opgestart zou wellicht over een jaar transmuraal verlof, buiten de kliniek wonen onder begeleiding van de kliniek, tot de mogelijkheden kunnen gaan horen. Benadrukt moet worden dat betrokkene nog jarenlang gevolgd zal moeten worden om te bezien hoe hij buiten de kliniek reageert op stressvolle situaties en hoe het is gesteld met zijn medicatietrouw op lange termijn. Gezien het voorspoedige verloop van de behandeling en het uitblijven van psychotische terugval wordt het recidiverisico naar beneden bijgesteld: laag op de korte termijn, gemiddeld op de lange termijn. Een overplaatsing op dit moment naar een TBS-kliniek (in het kader van TBS met dwangverpleging) zou zeer onwenselijk zijn. Gezien het huidige toestandsbeeld, na een voorspoedig verloop van de behandeling, het succesvol verlopen van de verloven en het uitblijven van een psychotische terugval, lijkt betrokkene niet langer het huidige beveiligingsniveau te behoeven. Zelfs met de stress die betrokkene ervaart met het huidige hoger beroep is betrokkene niet teruggevallen. Onderzoeker adviseert om TBS met voorwaarden aan betrokkene op te leggen.

De rapportage Pro Justitia d.d. 25 oktober 2016, opgemaakt en ondertekend door J. Marx, psychiater:

Bij betrokkene is sprake van een psychotische stoornis, in alle waarschijnlijkheid in het kader van schizofrenie. Er lijkt geen sprake te zijn van een persoonlijkheidsstoornis. Betrokkene heeft vooralsnog feitelijk weinig openheid van zaken (kunnen) (ge)geven over zijn beweegredenen ten tijde van het ten laste gelegde. Er is bij betrokkene sprake van een psychiatrisch toestandsbeeld. Als bij betrokkene een psychose ontstaat, kan deze zeer snel ontstaan en gepaard gaan met hevige agressie. Onderzoeker schat het risico op recidive hoog in. Gelet hierop worden vrijheden door FPK [instelling] te snel toegekend aan betrokkene en lijkt dit weinig rekenschap te geven aan het hoge risico van ernstige recidive. Dat er zich langere tijd geen nieuwe ernstige psychotische ontregeling heeft voorgedaan kan worden gezien als een prognostisch gunstige factor. Uit de informatie van [instelling] is naar voren gekomen dat wel degelijk sprake is geweest van tenminste enige ontregeling en mogelijk van een beginnende psychotische decompensatie, zodat de anti psychotische medicatie is aangepast. Doordat betrokkene zich in een gecontroleerde omgeving bevond is het mogelijk gebleven gedragsveranderingen tijdig te onderkennen. Naar de mening van onderzoeker wordt dan ook ten onrechte aangenomen dat betrokkene in de FPK [instelling] extreem vooruit is gegaan. Wel heeft betrokkene zich gedurende zijn verblijf bij [instelling] gehouden aan de medicatievoorschriften. Ten aanzien van de medicatietrouw vormt de onderhavige lopende strafzaak een belangrijke (externe) motivator. Uit de weekevaluaties blijkt dat sprake is van (enige) ambivalentie ten aanzien van de anti psychotische medicatie bij betrokkene. Wel ziet onderzoeker de medicatietrouw van de afgelopen 2 jaar als een prognostisch gunstige factor. Betrokkene laat weten dat hij zich bewust is van de implicaties van zijn ziekte. Onderzoeker kan niet met zekerheid vaststellen of bij betrokkene sprake is van een volledig doorgedrongen besef of dat de uitspraken van betrokkene voortkomen uit procesbelangen. Als bij betrokkene opnieuw sprake zou zijn van een ernstige psychotische ontregeling is een setting nodig waarbij forse maatregelen ten aanzien van de veiligheid kunnen worden genomen. De verloven blijken zonder noemenswaardige problemen te zijn verlopen. Het is positief dat er een netwerk is, dat betrokkene een opleiding heeft waar hij op terug kan vallen en het ontbreken van criminogene factoren. Ook zet betrokkene zich over het algemeen in. Onderzoeker adviseert betrokkene TBS met dwangverpleging op te leggen. Onderzoeker heeft gerede twijfel of betrokkene voldoende in staat kan worden geacht tot het nakomen van afspraken/voorwaarden, ondanks dat er zich tot dusver geen (grove) schendingen van de gestelde voorwaarden hebben voorgedaan in de periode dat deze voor betrokkene van toepassing waren. Naar de mening van de onderzoeker kan niet worden volstaan met TBS met voorwaarden gezien de heftigheid, de ernst en snelheid waarmee de ontregeling van betrokkene ontstaat.

Het hof kan zich vinden in de hierboven weergegeven opvattingen en conclusies van de deskundigen Offermans en Schilder, en maakt deze tot de zijne.

De deskundige Marx die, zoals hierboven weergegeven, meent dat TBS met voorwaarden niet afdoende is, baseert zich met name op de mogelijkheid van een snelle psychotische ontregeling bij de verdachte, waarbij hij zich vooral laat leiden door het ten laste gelegde, en kennelijk geen, althans onvoldoende, gewicht toekent aan (de positieve ontwikkelingen in) het gedrag en de omstandigheden van verdachte in de periode van ruim 2 jaar nadien. Het hof wil die ontwikkeling uitdrukkelijk wél in zijn oordeel betrekken.

Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de deskundige (psycholoog) S. Bogaard-Klinkien, die als hoofdbehandelaar van de verdachte bij [instelling] nauw betrokken is geweest bij zijn behandeling, deze positieve ontwikkelingen en factoren onderschrijft.

Voorts acht het hof van belang dat de verdachte nadat zijn vrijheden in februari 2016 werden ingetrokken – voor de verdachte een grote tegenslag - niet is teruggevallen of psychotisch is gedecompenseerd.

Het recidiverisico wordt zowel door de gedragsdeskundigen Offermans en Schilder als door FPK [instelling] (psycholoog S. Boogaard-Klinkien) en reclassering Palier (de heer W.B. Bouwman) in hun meest recente rapportages cq. in hun nader verhoor door de raadsheer-commissaris bij dit hof (welke verhoren plaatshadden in de periode augustus 2016 – januari 2017), ingeschat als laag. TBS met voorwaarden is derhalve naar het oordeel van het hof op dit moment een afdoende maatregel om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen te waarborgen.

De verdachte heeft zich – in ieder geval tot aan de dag van de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep - aan de gestelde voorwaarden gehouden. Ook gelet hierop en op het gunstige verloop van de prognose van de verdachte – hij had er, om met de verdediging te spreken, inderdaad niet beter voor kunnen staan op dit moment - is het hof van oordeel dat het niet in de rede ligt om na een tijdsverloop van 2 jaren nu terug te grijpen op het zwaardere middel van TBS met dwangverpleging, immers zijnde het ‘ultimum remedium.’

Een overgang naar behandeling in een ander kader zou bovendien voor de verdachte onwenselijk zijn volgens de deskundigen Offermans en Schilder, en de deskundige Marx spreekt dat niet tegen.

Ten aanzien van de op te leggen voorwaarden sluit het hof zich aan bij en neemt over de voorwaarden zoals deze – overeenkomstig het advies van de reclassering – zijn opgesteld door de rechtbank, met uitzondering van het door de rechtbank in voorwaarde 2 genoemde opstellen van een delictanalyse en het door de verdachte meewerken aan een eventuele overbruggingsplaatsing, nu dit niet meer aan de orde is.

Het hof bepaalt daarnaast op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht dat de tenuitvoerlegging van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, nu termen aanwezig zijn onmiddellijk voort te gaan met de behandeling onder de bijbehorende voorwaarden.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 juli 2014 tot aan de dag van algehele voldoening. Dit bedrag ziet op de immateriële schade die [slachtoffer 2] heeft geleden en lijdt als gevolg van het bij dagvaarding 09-827091-14 onder 2 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde.

Het hof overweegt dat [slachtoffer 2] door toedoen van de verdachte gedurende een aantal uren enorme angsten heeft doorstaan en vreesde voor zijn leven. Gelet hierop en de gevolgen die het handelen van de verdachte voor [slachtoffer 2] hebben gehad acht het hof het bedrag van € 1.500,00 als vergoeding voor
immateriële schade – naar maatstaven van billijkheid – toewijsbaar. Het hof zal aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 juli 2014 tot aan de dag van algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-852238-14 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-827091-14 onder 1 impliciet subsidiair en 2 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-827091-14 onder 1 impliciet subsidiair en 2 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de na te noemen voorwaarden.

Bijzondere voorwaarden:

1. De verdachte houdt zich aan de voorschriften en aanwijzingen die zijn en worden gegeven door GGZ Reclassering Palier en moet zich gedurende de door het hof bepaalde perioden melden, zo frequent als GGZ Reclassering Palier nodig acht. Daarnaast werkt de verdachte mee aan huisbezoeken door de reclassering;

2. de verdachte verblijft in de [adres] of een soortgelijke instelling. Hij zal zich houden aan de daar geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die daar aan hem gesteld worden, stelt zich hier begeleidbaar op en conformeert zich aan de geboden behandeling; ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie;

3. de verdachte werkt, indien geïndiceerd, mee aan een plaatsing in een vervolgsetting, zoals een beschermd/begeleid wonen en zal zich aldaar houden aan de geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die aan hem gesteld worden;

4. de verdachte conformeert zich aan een ambulante vervolgbehandeling bij een forensische polikliniek of een soortgelijke instelling, na het afronden van klinische opname, ook als dit inhoudt inname van voorgeschreven medicatie;

5. de verdacht werkt, na afronding van de klinische behandeling, mee aan het opstellen van de 3-partijenovereenkomst in het kader van ambulant FPT, met een time out-procedure van tweemaal zeven weken bij een nader te bepalen instelling. Daarnaast worden er binnen het ambulant FPT afspraken gemaakt inzake onder andere tijdelijke crisisopvang;

6. de verdachte zal niet van verblijfplaats veranderen dan na overleg met zijn behandelaren en de reclassering;

7. de verdachte zal niet zonder toestemming van zijn begeleiders en/of de reclassering zijn werkuren bij het dagbestedingstraject veranderen;

8. de verdachte zal geen omgang hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en stelt zich open op, inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft geen bezwaar dat deze op 'gepaste en discrete' wijze door de reclassering worden gescreend;

9. de verdachte zal zich onthouden van alcohol- en drugsgebruik en zich niet onttrekken aan controles hierop;

10. de verdachte geeft inzicht in zijn financiën als daarom verzocht wordt en accepteert hiervoor begeleiding van de MJD van Palier of een soortgelijke instelling;

11. de verdachte zorgt ervoor dat hij altijd bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren;

12. de verdachte werkt, in het geval een door de reclassering en behandelaren geïndiceerde crisissituatie, in het kader van ambulant FPT mee aan een tijdelijke terugplaatsing in de gesloten unit van de FPK of een soortgelijke instelling;

Algemene voorwaarden:

13. de verdachte pleegt geen strafbare feiten;

14. de verdachte geeft toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die zij relevant achten en die van belang zijn voor een goede behandeling c.q. begeleiding in het kader. Tevens verleent hij zijn medewerking aan het maken van een digitale foto ten behoeve van zijn dossier en verleent hij ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken, of biedt ter inzage een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht aan;

15. de verdachte geeft toestemming aan de reclassering en aan zijn begeleiders, dat in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovengenoemde voorwaarden, deze informatie aan alle betrokken partijen gemeld wordt;

16. tijdens de gehele TBS maatregel is het voor de verdachte niet toegestaan om zich buiten het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden te begeven;

geeft GGZ Reclassering Palier de opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-827091-14 onder 2 primair impliciet subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J.G. Göbbels, mr R.C. Schlingemann en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier mr. M.V. Lievers-Roza.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 februari 2017.

Mr. R.C. Schlingemann is buiten staat dit arrest te ondertekenen.