Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1723

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
BK-16/00546 t/m BK-16/00557 BK-16/00596
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:14343, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen en aanslagen terecht dan wel tot het juiste bedrag zijn opgelegd en of de beschikkingen terecht dan wel tot de juiste bedragen zijn gegeven. Meer in het bijzonder is in geschil: Zijn de beroepen tegen de definitieve aanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2010 ontvankelijk ondanks dat geen bezwaar is ingediend? Heeft de wetgever, door het voordeel uit sparen en beleggen te bepalen op 4 percent van de rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen (hierna: het forfaitaire stelsel), mede gelet op het toepasselijke tarief, artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM) geschonden? Is het forfaitaire stelsel, mede gelet op het toepasselijke tarief, in het individuele geval van belanghebbende in strijd met artikel 1 EP EVRM omdat het voor belanghebbende in vergelijking tot andere belastingplichtigen leidt tot een buitensporige last? Moet hierbij rekening worden gehouden met de inkomsten die belanghebbende in andere boxen geniet? Heeft belanghebbende recht op vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente? Dient de ingehouden bronbelasting te worden terugbetaald? Is sprake van rechtsongelijkheid? Heeft de Inspecteur vertrouwen gewekt dat hij het vermogensverlies op Argentijnse staatsobligaties in aanmerking zou nemen? Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding en een integrale proceskostenvergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/41.1.2
V-N Vandaag 2017/1454
FutD 2017-1562
NTFR 2017/1750
NLF 2017/1506 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-16/00546 tot en met BK-16/00557 en BK-16/00596

Uitspraak van 7 juni 2017

in het geding tussen:

mr. drs. [X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank

Den Haag van 24 november 2016, nummers SGR 16/2141 tot en met SGR 16/2143, SGR 2145 tot en met SGR 16/2153 en SGR 16/2159, betreffende de onder 1.1 vermelde navorderingsaanslagen, aanslagen en beschikkingen heffingsrente en belastingrente.

Navorderingsaanslagen, aanslagen, beschikkingen heffingsrente, beschikking belastingrente, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2001 tot en met 2006 en 2008 tot en met 2010 opgelegd. Voorts heeft de Inspecteur aan belanghebbende aanslagen IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 opgelegd. Bij de navorderingsaanslagen en de aanslag voor het jaar 2011 is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. Bij de aanslag voor het jaar 2012 is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen, aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak het volgende beslist, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2007, gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de navorderingsaanslag over het jaar 2007;

- verklaart het bezwaar tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2007 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak;

- verklaart de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de aanslagen over de jaren 2001 tot en met 2010, niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 14,40;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden. ”

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Het Hof heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling nadere stukken ontvangen van belanghebbende en van de Inspecteur waarvan een afschrift is gezonden aan de wederpartij. De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 april 2017, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2.3.

Ter zitting zijn de zaken van belanghebbende en de zaken van mevrouw drs. [Y] met de kenmerknummers BK-16/00558 tot en met BK-16/00570 gezamenlijk behandeld. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in een van deze zaken geldt eveneens als te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“1. Eiser was rekeninghouder van een aantal buitenlandse bankrekeningen, welke hij

- behoudens over het jaar 2013 - niet in zijn aangiften heeft aangegeven. Bij brief van 9 april 2013 hebben eiser en [Y] een inkeerverklaring ter zake van de door hen aangehouden buitenlandse bankrekeningen aan verweerder verzonden, waarna zij nadere gegevens omtrent hun buitenlandse bankrekeningen aan verweerder hebben verstrekt. Verweerder heeft naar aanleiding van die gegevens de onderhavige (navorderings)aanslagen opgelegd.

2. Het vermogen van eiser bestond in de onderhavige periode uit spaartegoeden uit binnen- en buitenland en uit effecten. Het vermogen van eiser bedroeg in die periode op 31 december minimaal € 501.310 (ultimo 2002: € 427.226 binnenlands vermogen + € 74.084 buitenlands vermogen) en maximaal € 974.241 (ultimo 2012: € 868.289 binnenlands vermogen + € 105.450 buitenlands vermogen).”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen en aanslagen terecht dan wel tot het juiste bedrag zijn opgelegd en of de beschikkingen terecht dan wel tot de juiste bedragen zijn gegeven, welke vragen belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend. Meer in het bijzonder is in geschil:

1. Zijn de beroepen tegen de definitieve aanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2010 ontvankelijk ondanks dat geen bezwaar is ingediend?

2. Heeft de wetgever, door het voordeel uit sparen en beleggen te bepalen op 4 percent van de rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen (hierna: het forfaitaire stelsel), mede gelet op het toepasselijke tarief, artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM) geschonden?

3. Is het forfaitaire stelsel, mede gelet op het toepasselijke tarief, in het individuele geval van belanghebbende in strijd met artikel 1 EP EVRM omdat het voor belanghebbende in vergelijking tot andere belastingplichtigen leidt tot een buitensporige last? Moet hierbij rekening worden gehouden met de inkomsten die belanghebbende in andere boxen geniet?

4. Heeft belanghebbende recht op vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente?

5. Dient de ingehouden bronbelasting te worden terugbetaald?

6. Is sprake van rechtsongelijkheid?

7. Heeft de Inspecteur vertrouwen gewekt dat hij het vermogensverlies op Argentijnse staatsobligaties in aanmerking zou nemen?

8. Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding en een integrale proceskostenvergoeding?

4.2.

Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend en de Inspecteur in tegenovergestelde zin.

4.3.

Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, primair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de aanslagen, de beschikkingen heffingsrente en beschikking belastingrente en subsidiair tot vermindering daarvan. Voorts strekt het hoger beroep tot het toekennen van een proceskostenvergoeding en een schadevergoeding.

5.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank. Voorts heeft de Inspecteur geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

Ontvankelijkheid

4. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de beroepschriften tegen de navorderingsaanslagen tevens zien op de definitieve aanslagen over de jaren 2001 tot en met 2010.

5. Op grond van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in samenhang met de artikelen 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit, alvorens hiertegen beroep kan worden ingesteld, bezwaar te worden gemaakt.

6. Niet in geschil is dat eiser tegen voormelde definitieve aanslagen geen bezwaar heeft gemaakt. De definitieve aanslagen zijn dan ook onherroepelijk geworden en in rechte komen vast te staan. Tegen deze aanslagen staan voor eiser dan ook geen rechtsmiddelen meer open. Dit betekent dat de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de definitieve aanslagen over de jaren 2001 tot en met 2010, niet-ontvankelijk zijn.

7. Voor wat betreft het jaar 2007 staat vast dat aan eiser voor dat jaar geen navorderingsaanslag is opgelegd. Gelet hierop had verweerder het bezwaar tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2007 niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van ongegrond. Het beroep is in zoverre gegrond. De rechtbank zal het bezwaar van eiser tegen de navorderingsaanslag over het jaar 2007 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Artikel 1 van het EP

8. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2016, ECLI:2016:1129, geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van box 3 op het niveau van de regelgeving voor het jaar 2011 niet in strijd is met artikel 1 van het EP. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van box 3 slechts dan in strijd zou komen met artikel 1 van het EP, indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (vgl. Hoge Raad 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

9. Naar het oordeel van de rechtbank is de vermogensrendementsheffing van box 3 op het niveau van de regelgeving ook voor de jaren 2012 en 2013 niet in strijd met artikel 1 van het EP. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit voormelde arresten volgt dat voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 van het EP niet voldoende is dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel beneden vier procent van de waarde van het daarin geïnvesteerde bedrag blijft, zoals voor het rendement op spaartegoeden sinds enige tijd het geval is, maar dat bepalend is of voor de belastingplichtigen het forfaitaire rendement van vier procent van het totale box 3-vermogen over een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is. Daarnaast valt uit het onderzoek, dat in het kader van de per 1 januari 2017 ingaande herziening van de box 3-heffing is gedaan naar de rendementen op spaartegoeden, aandelen, obligaties en onroerende zaken over een lange reeks van jaren, op te maken dat het gemiddelde rendement op het totale box 3-vermogen weinig afwijkt van het tot dan toe gehanteerde forfaitaire rendement van 4 procent (vgl. Memorie van Toelichting Belastingplan 2016, Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz. 9 e.v.). Eiser heeft onvoldoende gesteld om het tegendeel aannemelijk te kunnen achten. De verwijzing door eiser naar het rapport van de Commissie Van Dijkhuizen is daarvoor onvoldoende, nu in dat rapport voor de berekening van het feitelijke rendement het rendement op onroerende zaken niet is meegenomen. Ook de overige grieven van eiser op dit punt, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

10. Voorts heeft eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat de vermogensrendementsheffing van box 3 in zijn geval tot een individuele, buitensporige last leidt. De rechtbank kan de door eiser jaarlijkse berekende rendementen, gelet op het verloop van het totale vermogen van eiser in relatie tot de door hem gestelde koerswinsten, rente-inkomsten en dividenden, niet herleiden. Zonder nadere onderbouwende stukken valt een aansluiting met de door eiser berekende rendementen namelijk niet te maken.

Vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel

11. Van enige gedraging of uitlating van verweerder, waaraan eiser het in rechte te beschermen vertrouwen zou hebben kunnen ontlenen dat verweerder de box 3-heffing over de buitenlandse bankrekeningen achterwege zou laten, een vergoeding wegens het vermogensverlies op de Argentijnse obligaties zou betalen en/of geen heffings- en belastingrente in rekening zou brengen, is niet gebleken. Het enkele uitblijven van een inhoudelijke schriftelijke reactie van verweerder op de in de brief van 1 april 2014 gedane verzoeken van eiser op dit punt, brengt, anders dan eiser heeft betoogd, niet mee dat van de zijde van verweerder sprake was van een bewuste standpuntbepaling. Van schending van het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake.

12. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel treft evenmin doel. De door eiser met elkaar vergeleken gevallen - belastingplichtigen voor de box 3-heffing enerzijds ten opzichte van pensioenfondsen, drugscrimineel Cees H. en bedrijven die via schijnconstructies belastingheffing ontwijken anderzijds - zijn feitelijk noch rechtens gelijke gevallen.

Heffings- en belastingrente

13. Voor vernietiging dan wel matiging van de in rekening gebrachte heffingsrenten en belastingrente ziet de rechtbank geen aanleiding. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op de hoogte van de in rekening gebrachte heffings- dan wel belastingrente, anders dan eiser heeft betoogd, de duur van bezwaarfase niet van invloed is, aangezien het tijdvak waarover heffings- dan wel belastingrente wordt berekend uiterlijk op de dag voorafgaand aan de dagtekening van de (navorderings)aanslag eindigt. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat de renten onnodig zijn opgelopen doordat de (navorderings)aanslagen pas in november 2014 en maart 2015 zijn opgelegd, faalt dit eveneens, aangezien dit mede een gevolg is van de omstandigheid dat eiser onjuiste aangiften heeft gedaan. Alsdan kan niet worden gezegd dat verweerder onzorgvuldig handelt doordat hij overeenkomstig de wettelijke bepalingen heffings- en belastingrente in rekening brengt in geval van correcties van onjuistheden in de aangiftes (vgl. Hoge Raad 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5536).

14. Eiser heeft voorts gesteld dat de hoogte van de heffings- en belastingrente, gelet op de hoogte van de spaarrente, niet marktconform meer is en dat daarom sprake is van een onrechtmatige wetgeving. De rechtbank kan zich echter niet over dit standpunt uitlaten, aangezien het de rechtbank ingevolge artikel 11 van de Wet Algemene bepalingen niet is toegestaan de innerlijke waarde en billijkheid van de wet te toetsen.

Bronbelasting

15. Eiser heeft gesteld dat, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat hij in de onderhavige jaren ten onrechte in de box 3-heffing is betrokken, verweerder de ingehouden bronbelasting dient terug te betalen. Nu uit hetgeen hiervoor onder 8. tot en met 12. is overwogen, volgt dat de onderhavige (navorderings)aanslagen terecht zijn opgelegd en daarbij de bronbelasting is verrekend, behoeft eisers stelling, wat daar overigens ook van zij, op dit punt geen bespreking meer.

Vermogensverlies Argentijnse staatsobligaties

16. Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het door hem geleden vermogensverlies op Argentijnse staatsobligaties in mindering moet worden gebracht op de door hem verschuldigde box 3-heffing dan wel dat verweerder hem voor dat verlies een vergoeding dient te betalen. De Wet IB 2001 voorziet niet in de mogelijkheid om dit verlies op de verschuldigde box 3- heffing in mindering te brengen. Evenmin bestaat er voor verweerder een wettelijke verplichting om het door eiser geleden vermogensverlies te vergoeden.

Slotsom

17. Gelet op het vorenstaande, is het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de navorderingsaanslag over het jaar 2007, gegrond, en zijn de beroepen, voor zover die betrekking hebben op de aanslagen over de jaren 2001 tot en met 2010, niet-ontvankelijk. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

Schadevergoeding en proceskosten

18. Eiser heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige wetgeving met betrekking tot de box 3-heffing. Artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (oud), dat gelet op artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten op dit geding nog van toepassing is, geeft de rechtbank alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid een partij te veroordelen tot betaling van een (materiële) schadevergoeding. Weliswaar is hier het beroep betreffende de niet-bestaande navorderingsaanslag over het jaar 2007 gegrond, maar dit houdt slechts verband met de onjuiste ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De door eiser gestelde schade houdt daarmee geen verband. Nu voorts de overige beroepen niet-ontvankelijk dan wel ongegrond zijn, wijst de rechtbank het verzoek van eiser om een vergoeding van schade af. Ook is, gelet op het tijdsverloop in de onderhavige procedures, geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087) zodat evenmin aanleiding bestaat voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 14,40 wegens reiskosten.”

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid bezwaar tegen primitieve aanslagen 2001 tot en met 2010

7.1.

Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de primitieve aanslagen. Dat heeft tot gevolg dat hij het bij die aanslagen vastgestelde inkomen uit werk en woning en inkomen uit sparen en beleggen niet meer in rechte kan bestrijden. Voor zover bij de navorderingsaanslagen de inkomsten uit sparen en beleggen zijn gecorrigeerd kan belanghebbende tegen die correcties opkomen en vormen die correcties het onderwerp van dit geding.

Verzoeken om ambtshalve herziening zijn niet aan het Hof ter beoordeling.

Vermogensrendementsheffing

7.2.

Voor zover van belang heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 3 april 2015, 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174, V-N 2015/19.33. overwogen:

“2.3. Bij de beoordeling van de daartegen gerichte klachten moet het volgende worden vooropgesteld.

2.3.1.

De heffing van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen vindt met ingang van 2001 op forfaitaire wijze plaats in box 3. Bij de bepaling van die inkomsten wordt uitgegaan van een forfaitair rendement van vier percent, berekend over de waarde in het economische verkeer van het positieve saldo van de bezittingen en de schulden. Aanvankelijk werd dit saldo berekend naar het gemiddelde aan het begin en het einde van het kalenderjaar, vanaf 2011 naar het saldo aan het begin van het kalenderjaar. Dit forfaitaire stelsel is naar de opzet van de wetgever ‘robuust’ en daardoor enigszins ruw, aangezien het niet afhankelijk is gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat uitgangspunt gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.” (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.3.2.

Van dit forfaitaire stelsel kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het EP) (vgl. HR 28 oktober 2012, nr. 10/03727, ECLI:NL:HR:2011:BR0664, BNB 2011/297). Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Dit een en ander is in dit geding niet gesteld of gebleken.(…)”

7.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de wetgever, door invoering van het forfaitaire stelsel, mede gelet op het toepasselijke tarief, aan de belastingplichtigen een buitensporige last heeft opgelegd, in het bijzonder in gevallen waarin de tot de rendementsgrondslag behorende bezittingen geheel of grotendeels bestaan uit bank- en spaartegoeden en geldmarktfondsen. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

7.4.

Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat is voldaan aan de twee in het onder 7.2 genoemde arrest door de Hoge Raad geformuleerde, cumulatieve criteria, te weten dat het destijds door de wetgever voor langere tijd veronderstelde rendement van 4 percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en dat deze beleggers daarom, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Weliswaar blijkt uit het door de Commissie Van Dijkhuijzen in 2013 uitgebrachte rapport dat in de periode 2001 tot en met 2012 zowel de nominale als de reële rendementen op aandelen, termijndeposito’s, spaarrekeningen en betaalrekeningen achterbleven bij het veronderstelde rendement van gemiddeld 4 percent per jaar, dat alleen de kapitaalmarktrente (‘lange rente’) over die periode in de buurt kwam van het veronderstelde rendement van 4 percent nominaal per jaar en dat op spaarrekeningen een reëel rendement van gemiddeld slechts 0,5 percent per jaar werd behaald, doch hieruit kan niet de conclusie worden getrokken dat de belastingplichtigen het veronderstelde rendement van gemiddeld 4 percent per jaar in de genoemde periode niet hebben behaald en in latere jaren niet zullen behalen. Dit zou slechts anders zijn indien zou komen vast te staan dat een rendement van 4 percent nominaal per jaar over de gehele breedte van de mogelijke beleggingsvormen structureel onhaalbaar is. Dat zulks het geval is, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

7.5.

Belanghebbende heeft voorts met betrekking tot zijn eigen situatie niet aannemelijk gemaakt dat de vermogensrendementsheffing voor hem een, in vergelijking met andere belastingplichtigen, buitensporige last vormt in die zin dat deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan bij andere belastingplichtigen. Het Hof merkt hierbij op dat de door belanghebbende verstrekte gegevens geen inzicht geven in het behaalde rendement over een reeks van jaren omdat de stortingen en afboekingen en aankopen niet zichtbaar zijn gemaakt in de overzichten. Ook overigens heeft het Hof dat inzicht niet gekregen.

Beroep op vertrouwensbeginsel

7.6.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van de Inspecteur sprake is van enige toezegging of uitlating op grond waarvan redelijkerwijs bij belanghebbende de indruk kan zijn ontstaan dat door de Inspecteur bezittingen als de Argentijnse obligaties niet zouden meetellen ter berekening van het inkomen uit sparen en beleggen, dat een ander percentage aan heffing zou gelden voor inkomen uit sparen en beleggen dan wel dat anderszins sprake zou zijn van enige tegemoetkoming.

De enkele omstandigheid dat de Inspecteur het verzoek om ambtshalve herziening nog niet heeft beantwoord kan bij belanghebbende niet een gerechtvaardigde verwachting wekken dat de aanslagen zullen worden vernietigd.

Vergelijking met belastingplicht anderen

7.7.

Voor zover belanghebbende in algemene zin een vergelijking maakt met de heffing van andere belastingen en andere belastingplichtigen merkt het Hof op dat het invoeren van een belasting een aangelegenheid is van de wetgever. De rechter mag de innerlijke waarde van de wetten niet beoordelen. In het kader van een toetsing aan de voorgenoemde bepalingen van het EVRM worden de bij de invoering van andere belastingwetten gemaakte keuzes van de wetgever niet getoetst.

Heffingsrente en belastingrente

7.8.

Belanghebbende stelt dat hij geen heffingsrente en belastingrente is verschuldigd over de periode dat de Inspecteur langer over de uitspraak op bezwaar heeft gedaan dan zes maanden. Het Hof verwerpt die stelling, omdat aan belanghebbende overeenkomstig de artikelen 30f en 30 fc van de Awr geen heffingsrente en belastingrente in rekening wordt en is gebracht over die periode.

Bronbelasting

7.9.

Belanghebbende heeft niet bestreden dat verrekening van bronbelasting heeft plaatsgevonden. Van teruggave van bronbelasting, de terugbetaling van de voorheffing, kan pas sprake zijn in het geval de aanslagen op nihil worden vastgesteld. Dat is hier niet het geval.

Schadevergoeding

7.10.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding. Het Hof ziet daarvoor met de rechtbank geen reden en verwijst naar het oordeel van de rechtbank hierover in onderdeel 17 van de uitspraak en maakt dat oordeel tot het zijne.

Voor een schadevergoeding wegens spanning en frustratie die belanghebbende zou hebben ondervonden door overschrijding van de redelijke termijn in de procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep (vergelijk HR 10 juni 2011, (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011 BO5046, BO5080 en BO5087)) is geen plaats, nu de redelijke termijn die gesteld wordt op twee jaar voor de procesfase van bezwaar en beroep te samen en twee jaar voor de procesfase hoger beroep niet is overschreden en het Hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een verkorting van deze termijn zou kunnen rechtvaardigen.

Slot

7.11.

Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een vergoeding van de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Evenmin is er aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, U.E. Tromp en S.T.M. Beelen in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 7 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.