Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1693

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
17/00295
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:360
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de boetebeschikking dient te worden vernietigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1384
FutD 2017-1511
Viditax (FutD), 16-03-2018
NTFR 2017/1924
NLF 2017/1525 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00295

Uitspraak d.d. 6 juni 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 december 2016, nummer SGR 16/5905, betreffende na te vermelden naheffingsaanslag en beschikking.

Naheffingsaanslag en beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het tijdvak 27 november 2015 tot en met 26 februari 2016 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 181 (de naheffingsaanslag). Voorts heeft de Inspecteur bij beschikking op de voet van artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 158 (de boetebeschikking).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd voor zover het de boetebeschikking betreft, de boete verminderd tot op € 52, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 257,40 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 april 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende was tot 16 oktober 2015 houder van de personenauto met

kenteken [A] . Sindsdien is hij houder van de personenauto met kenteken [B] .

3.2.

Met dagtekening 23 maart 2015 is aan belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 20 maart 2015 tot en met 19 juni 2015 gezonden ter zake van het houderschap van de personenauto met kenteken [A] . Als uiterste betaaldatum is op de rekening vermeld 22 april 2015. De betaling van het verschuldigde bedrag is eerst op 12 mei 2015 op de bankrekening van de Belastingdienst ontvangen.

3.3.

Met dagtekening 22 mei 2015 is aan belanghebbende een mededeling gezonden, waarin de te late betaling van de onder 3.2 vermelde rekening is aangemerkt als eerste verzuim en belanghebbende is gewezen op de gevolgen van het (in de toekomst eventueel) niet tijdig voldoen van rekeningen motorrijtuigenbelasting.

3.4.

Met dagtekening 21 september 2015 is aan belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 20 september 2015 tot en met 19 december 2015 gezonden ter zake van het houderschap van de personenauto met kenteken [A] ten bedrage van

€ 181. Dit bedrag is op 26 oktober 2015 op de bankrekening van de Belastingdienst ontvangen.

3.5.

Met dagtekening 20 oktober 2015 is, in verband met de verkoop per 16 oktober 2015 van de personenauto met het kenteken [A] , aan belanghebbende een creditnota motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 16 oktober 2015 tot en met 19 december 2015 gezonden voor een bedrag van € 130. Genoemd bedrag is belanghebbende niet langer verschuldigd in verband met de verkoop van deze personenauto.

3.6.

Met dagtekening 30 oktober 2015 is aan belanghebbende een verrekeningsnota motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 16 oktober 2015 tot en met 26 november 2015 gezonden ten bedrage van € 51. Dit betreft het door belanghebbende verschuldigde bedrag aan motorrijtuigenbelasting voor de personenauto met het kenteken [A] tot op de datum van verkoop van deze personenauto.

3.7.

Eveneens met dagtekening 30 oktober 2015 is aan belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 16 oktober 2015 tot en met 26 november 2015 (het restant van het tijdvak dat gold voor de verkochte personenauto na de verkoopdatum) gezonden ter zake van het houderschap van de personenauto met kenteken [B] ten bedrage van € 82.

3.8.

Met dagtekening 4 november 2015 heeft belanghebbende een brief aan de Inspecteur gezonden met daarin de volgende tekst:

“Van u ontvangen twee rekeningen met respectievelijk de nummers […] en […] . Beide rekeningen zijn gedateerd op 30 oktober 2015.

Het spijt mij maar ik kan uw zienswijze van deze rekeningen niet volgen.

Volgens rekening 1 moet ik 51 euro betalen voor 22 oktober 2015 voor de verkochte auto [A] over de periode 16 oktober 2015 - tot en met 19 december 2015. Een rekening betalen voor 22 oktober 2015 terwijl de nota is gedateerd op 30 oktober 2015 kan dus niet.

Maar op 26 oktober 2015 is een bedrag van 181 euro op uw rekening gezet ten behoeve van de [A] .

Dan nota 2: die handelt over de periode 16 oktober 2015 tot en met 26 november 2015. Waarom een zogenoemde verkorte periode en waarom moet ik ook nog 82 euro daarvoor betalen en dat voor een verkort tijdvak.

Volgens mij is de wegenbelasting voor beide voertuigen gelijk en heb ik genoeg betaald.

Gaarne op korte termijn uw reactie.”

3.9.

Op 5 november 2015 is een bedrag van € 51 (oorspronkelijk verschuldigd bedrag van € 181 (zie onder 3.4) -/- niet langer verschuldigde bedrag van € 130 (zie onder 3.5)) door de Belastingdienst teruggestort op de bankrekening van belanghebbende.

3.10.

In november is aan belanghebbende, met dagtekening 30 november 2015, een rekening motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 27 november 2015 tot en met 26 februari 2016 gezonden ter zake van het houderschap van de personenauto met kenteken [B] . De rekening bedroeg € 181. Als uiterste betaaldatum was op de rekening vermeld 30 december 2015.

3.11.

Met dagtekening 27 november 2015 heeft belanghebbende een brief aan de Inspecteur gezonden met daarin de volgende tekst:

“Op 4 november 2015 heb ik u middels een schrijven onderstaande casus voorgelegd. Het enige antwoord, dat ik zojuist mocht ontvangen is een rekening van 181 euro met als datum 30 november 2015 en gaande over de periode 27 november 2015 tot en met 26 februari 2016. Dus tot op heden geen antwoord op mijn brief van 4 november 2015. Ik vind dat onjuist en niet kunnen.

Nu wil gaarne belasting betalen, maar wil wel gewoon een antwoord verkrijgen op mijn vraag. Dus gewoon van uw kant een uitleg.

Ik teken aan, dat ik geen boetes zal accepteren voor eventuele te late betalingen.”

3.12.

Met dagtekening 12 februari 2016 is aan belanghebbende, vanwege het uitblijven van betaling van de onder 3.10 vermelde rekening, de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 181 en is gelijktijdig daarmee aan belanghebbende een boete opgelegd ten bedrage van € 158 (verzuimboete) nu sprake was van een tweede verzuim.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

Naheffingsaanslag

5. Op grond van artikel 15 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB), en in afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), moet de verschuldigde motorrijtuigenbelasting zijn betaald bij aanvang van het tijdvak. [Belanghebbende] is verantwoordelijk voor een tijdige betaling van de belasting en dient de verschuldigde belasting uit eigen beweging te voldoen. In dit verband verwijst de rechtbank naar artikel 14 van de Wet MRB waarin is bepaald dat de motorrijtuigenbelasting op aangifte dient te worden voldaan. Als service zendt de Belastingdienst een rekening en een acceptgirokaart. Op de rekening vermeldt [de Inspecteur] een uiterste betaaldatum. Deze datum kan liggen na de datum van aanvang van het tijdvak. Deze rekening vormt slechts een mededeling aan [belanghebbende] van de omvang van de verschuldigde belasting volgens de door [belanghebbende] gedane aangifte.

6. Het doen van aangifte bestaat, voor zover hier van belang, uit de aanvraag om afgifte van het kentekenbewijs, welke aangifte geldt zolang het motorrijtuig niet van eigenaar wisselt, voor alle tijdvakken waarin het motorrijtuig wordt gehouden. De hiervoor vermelde heffingswijze brengt mee dat [belanghebbende] zelf verantwoordelijk blijft voor de tijdige voldoening van de op aangifte verschuldigde belasting, ook indien hij geen rekening ontvangt.

7. Vast staat dat [belanghebbende] de verschuldigde MRB over het tijdvak 27 november 2015 tot en met 26 februari 2016 niet tijdig heeft betaald. Anders dan [belanghebbende] stelt is [de Inspecteur], gelet op de hiervoor weergegeven heffingssystematiek, niet gehouden eerst op [belanghebbendes] brieven van 4 november 2015 en 27 november 2015 te reageren (een rekening, aanmaning of herinnering) alvorens een naheffingsaanslag op te leggen. Er bestaat geen rechtsregel die de betalingsplicht opschort in afwachting van een reactie op [belanghebbendes] brieven.

Verzuimboete

8. [De Inspecteur] heeft de verzuimboete gebaseerd op artikel 67c, eerste lid, van de AWR. Hierin is bepaald dat indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan verweerder een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen.

9. Vaststaat dat [belanghebbende] in een eerder tijdvak ook te laat heeft betaald en dat hij daarvoor een verzuimmededeling heeft ontvangen. In deze procedure gaat het derhalve om een tweede verzuim. De rechtbank acht het opleggen van een boete voor dit verzuim geboden. De Inspecteur heeft de boete met inachtneming van paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vastgesteld op € 158, zijnde 3% van het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR.

10. In het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 1 september 2016 (BLKB 2016-139338), gepubliceerd in de Staatscourant op 9 september 2016, is echter het volgende bepaald: ‘Paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) bepaalde tot
1 januari 2014 dat in geval van een tweede betalingsverzuim bij de Motorrijtuigenbelasting (MRB) binnen één jaar de inspecteur een boete oplegt van 1 procent van het wettelijke maximum van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Sindsdien bedraagt de boete 3 procent van dit wettelijk maximum (thans € 158). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 7 juni 2016 dat in het voorliggende geval deze boete niet in een evenredige verhouding stond tot de ernst van de verwijtbare gedraging, zijnde het te laat betalen van een bedrag van € 29 aan MRB. Het Gerechtshof achtte een boete van € 60 passend en geboden. (Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4544). Deze uitspraak, die inmiddels navolging heeft gevonden in een aantal andere gevallen, is aanleiding om het beleid voor het opleggen van betaalverzuimboeten voor de MRB opnieuw te bezien. Mede gelet op de massaliteit van de opgelegde boeten wegens het niet (tijdig) betalen van de MRB, zie ik reden om, vooruitlopend op een definitieve regeling, het desbetreffende beleid tijdelijk aan te passen. De betaalverzuimboete, genoemd in paragraaf 33, tweede lid, van het BBBB wordt, vooruitlopend op een nieuwe regeling, verlaagd tot 1 procent van het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR.’

11. Bij het opleggen van een verzuimboete wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld (avas) het opleggen van de boete achterwege behoort te blijven. [Belanghebbende] heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van avas. De brieven van [belanghebbende] van 4 november 2015 en 27 november 2015 gaan over de verrekening van de betaling van de vorige auto van [belanghebbende] en [de Inspecteur] heeft onweergesproken gesteld dat een bedrag van € 130 aan te veel betaalde motorrijtuigenbelasting van de vorige auto van [belanghebbende] op 5 november 2015 is teruggestort op de rekening van [belanghebbende]. Zo er al sprake is van verwarring aan de zijde van [belanghebbende] rond de toegezonden nota’s, dan zag die naar de rechtbank begrijpt op de betaalplicht rond de oude auto en niet rond de nieuwe auto. Voorts merkt de rechtbank op dat een eventuele verwarring ter zake de betaalplicht die kennelijk is opgetreden niet gezien kan worden als afwezigheid van alle schuld, zodat ook dan de boete in stand dient te blijven.

12. De rechtbank is – in navolging van de uitspraak van gerechtshof Arnhem-

Leeuwarden van 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4544 en gelet op de inhoud van de onder 9 genoemde besluit - van oordeel dat de verzuimboete verminderd dient te worden tot € 52. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot een verdere matiging van deze boete. De rechtbank acht de boete van € 52 onder de gegeven omstandigheden passend en uit een oogpunt van normhandhaving ook geboden.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.

14. De rechtbank veroordeelt de [Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 257,40 zijnde verletkosten € 243 (3 uur tegen € 81 per uur ) en reiskosten € 14,40 (openbaar vervoer 2e klasse). Voor een hogere reiskostenvergoeding ziet de rechtbank geen grond.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de boetebeschikking dient te worden vernietigd, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

5.2.

Niet in geschil is dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

5.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede van de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikking, tot vernietiging van de boetebeschikking, alsmede tot veroordeling van de Inspecteur in de kosten van het hoger beroep en vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht.

6.2.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Belanghebbende heeft ter zitting zijn hoger beroep aldus gepreciseerd dat het dictum van de Rechtbank onbegrijpelijk is en dat de boetebeschikking dient te worden vernietigd omdat de Rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard. Dienaangaande geldt het volgende. Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) strekt de uitspraak, voor zover hier van belang tot: ongegrondverklaring van het beroep of tot gegrondverklaring van het beroep. Deze dicta zijn niet deelbaar: een beroep is gegrond of ongegrond en kan niet gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard. Ingevolge artikel 8:72, eerste lid, van de Awb vernietigt de bestuursrechter, indien hij het beroep gegrond verklaart, het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk. Gelet op het voormelde wordt ook indien de aangevoerde beroepsgronden slechts gedeeltelijk slagen het beroep gegrond verklaard. Dit is niet anders indien het een door de Inspecteur ambtshalve bijgebrachte beroepsgrond betreft, zoals het genoemde beleidsbesluit. De omstandigheid dat het beroep door de Rechtbank gegrond is verklaard brengt dus niet mee dat de boetebeschikking geheel dient te worden vernietigd.

7.2.

Vaststaat dat belanghebbende de onder 3.10 vermelde rekening niet voor de daarop vermelde uiterste betaaldatum heeft betaald. Dit verzuim komt voor rekening en risico van belanghebbende. Dat, zoals belanghebbende stelt, hij niet te laat heeft betaald, nu hij voor de uiterste betaaldatum reeds de onder 3.8 en 3.11 vermelde brieven aan de Inspecteur had gezonden waarin hij opheldering van de diverse rekeningen en verrekeningsnota verzoekt, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Deze brieven hebben, anders dan belanghebbende kennelijk meent, geen opschortende werking van zijn betalingsverplichting.

7.3.

Er is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR en paragraaf 33, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

7.4.

Bij het opleggen van verzuimboeten wordt geen onderscheid gemaakt in de mate van schuld of nalatigheid, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld (avas) het opleggen ervan achterwege behoort te blijven. Van avas is naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval echter geen sprake, te minder nu belanghebbende blijkens zijn onder 3.11 aangehaalde brief er van op de hoogte was dat op hem een betalingsverplichting rustte en dat hij bij niet tijdige betaling een boete zou belopen. Het Hof acht, evenals de Rechtbank, met het oog op voornoemde regelgeving, het opleggen van een boete van € 52, tot welk bedrag deze door de Rechtbank is verminderd, voor dit verzuim uit het oogpunt van norminscherping passend en geboden.

7.5.

Dat belanghebbende hetgeen ter mondelinge behandeling in eerste aanleg is besproken anders heeft geïnterpreteerd maakt dit niet anders. Belanghebbende heeft uit het besprokene ter mondelinge behandeling in eerste aanleg begrepen dat de boetebeschikking zou worden vernietigd. De Inspecteur heeft dit ter zitting voor het Hof gemotiveerd en geloofwaardig bestreden en evenmin blijkt vorenbedoelde uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Voor het op dit punt onder ede horen van de Inspecteur, zoals belanghebbende voorstelt, ziet het Hof geen aanleiding. Er bestaat geen wettelijke bepaling die het horen van een partij als getuige mogelijk maakt (vgl. HR 9 augustus 2013, nr. 13/00078, ECLI:NL:HR:2013:196, BNB 2013/224).

7.6.

Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot een verdere matiging van de boete.

7.7.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, Chr.Th.P.M.Zandhuis en B.A. van Brummelen in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.J. Nederveen. De beslissing is op 6 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.