Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1669

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2017
Datum publicatie
13-06-2017
Zaaknummer
200.198.907/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil erfgenamen. Zaak na verwijzing Hoge Raad. Regeling getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer: 200.198.907/01

Zaak-rolnummer rechtbank Noord Holland: C/09/509277/KG ZA 16-482

Zaak-rolnummer Hof Amsterdam: 200.142.155/01

Zaak-rolnummer Hoge Raad der Nederlanden: 15/01426

arrest d.d. 11 april 2017

inzake

[dochter een] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [dochter een] ,

mr. P.J.M. Ros te Schagen,

tegen

1. [dochter twee]

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: [dochter twee]

2. [dochter drie]

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [dochter drie] ,

geïntimeerden,

mr. M. Dekker te Purmerend.

Het geding

[dochter een] heeft bij exploot van 16 augustus 2016 aan (thans) geïntimeerden betekend de in executoriale vorm uitgegeven grosse van een arrest, op 22 april 2016 gewezen door de Hoge Raad der Nederlanden, bij welk arrest het tussen partijen gewezen arrest van 2 december 2014 van het gerechtshof Amsterdam werd vernietigd en het geding is verwezen naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing. Daarbij zijn (thans) geïntimeerden opgeroepen te verschijnen voor dit hof teneinde voort te procederen.

Het hof heeft bij arrest van 11 oktober 2016 een comparitie na aanbrengen gelast. De comparitie is gehouden op 19 januari 2017. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

Nadien is het hof van de zijde van mr. Ros bij brief van 2 februari 2017 bericht dat partijen alsnog tot een onderling akkoord zijn gekomen. Verzocht is de afspraken in een proces-verbaal van een schikking dan wel in een eindarrest op te nemen, uit te geven als grosse.

Beoordeling

1. Onderhavige zaak is aangevangen als procedure tussen [de vader] , de vader van partijen, en [dochter een] . In geschil was of [dochter een] van de bankrekening van haar vader bedragen heeft opgenomen of overgemaakt voor eigen doeleinden. Gevorderd werd – voor zover thans nog van belang- € 12.466,36 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 december 2009 over een bedrag van € 11.514,36. De vader van partijen is gedurende de procedure bij de rechtbank overleden. De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 16 oktober 2013, uitvoerbaar bij voorraad, [dochter een] veroordeeld tot betaling van € 6.679,12, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 5 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

2. Beide partijen zijn in hoger beroep gegaan. Het gerechtshof Amsterdam heeft – voor zover na verwijzing nog van belang – [dochter een] in haar (principale) hoger beroep niet- ontvankelijk verklaard. In genoemd arrest van de Hoge Raad is daaromtrent overwogen:

“3.3.1. Het middel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [dochter een] in haar (principale) hoger beroep. Onderdeel 2 van het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat alle procespartijen mede de formele hoedanigheid van erfgenamen en vereffenaars in zich verenigen en dat er geen andere erfgenamen en vereffenaars zijn.

3.3.2 Vooropgesteld wordt dat [dochter een] het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank in deze procedure, die was aangespannen door de in de loop van het geding in eerste aanleg overleden [de vader] , had dienen in te stellen tegen diens gezamenlijke erfgenamen (vgl. HR 13 november 1987, ECLI NL:HR:1987:AC3826, NJ 1988/941). Nu in het onderhavige geval de erfgenamen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard, moest ingevolge art. 4:198 BW het hoger beroep van [dochter een] worden ingesteld tegen de gezamenlijke vereffenaars, aangezien niet is aangevoerd dat de kantonrechter op de voet van die bepaling anders heeft bepaald, noch dat met toepassing van art. 4:203 BW een vereffenaar is benoemd.

3.3.3 Terecht echter keert het onderdeel zich tegen het oordeel dat [dochter een] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Nu [dochter een] als appellante ook zelf in het appel betrokken was – en het gezag van gewijsde van de door het hof te geven beslissing zich dus ook tot alle erfgenamen, tevens vereffenaars, zou uitstrekken – zou het zonder enige zin zijn te eisen dat zij ook zichzelf, als mede-vereffenaar, in hoger beroep zou dagvaarden.”

4. Met deze beslissing van de Hoge Raad ligt thans na verwijzing (enkel) nog het principaal appel van [dochter een] tegen eerdergenoemd vonnis voor. Zij heeft daarin – voor zover thans nog van belang – bij het hof Amsterdam geconcludeerd het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 oktober 2013 te vernietigen voor zover de vorderingen van wijlen de vader zijn toegewezen en opnieuw rechtdoende deze vorderingen integraal af te wijzen. Het beroep van [dochter een] richt zich derhalve tegen de toewijzing door de rechtbank van een bedrag van € 6.679,12, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3. Nu partijen na verwijzing een regeling hebben getroffen, zal het hof gezien de strekking daarvan het bestreden vonnis vernietigen voor wat betreft het toegewezen deel van de vordering van (wijlen) de vader en beslissen als overeengekomen is.

4. Dit voert tot het volgende.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 november 2013, gewezen tussen (wijlen) [de vader] en [dochter een] , doch enkel voor zover [dochter een] daarbij is veroordeeld om aan (wijlen) de vader te betalen het bedrag van € 6.679,12, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 5 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, en in zoverre opnieuw beslissend;

bepaalt dat:

  1. Partij [dochter een] zal € 1.500, - aan wederpartijen [dochter twee en drie] betalen, dus in totaal een bedrag van (2 x 1.500) € 3.000, -.

  2. Titel: aflossing op de lening van wijlen de vader van partijen, in verband met aanschaf van een auto.

  3. Betaling: in maandelijkse termijnen van ten minste € 50,- aan wederpartijen [dochter twee en drie] , dus totaal ten minste (2 x 50) € 100, - per maand, telkens uiterlijk op de 10e van de maand te voldoen.

  4. Eerste termijn: te voldoen binnen 10 dagen na afgifte eindarrest en vervolgens iedere 10e van de daaropvolgende maand.

  5. Bankrekening: alle betalingen geschieden op de derdenrekening bij de Stichting Beheer Derdengelden Abma Schreurs Advocaten [nummer] o.v.v. dossiernummer [nummer] .

  6. Partijen hebben na uitvoering van het bovenstaande niets meer van elkaar te vorderen en verlenen elkaar alsdan algehele en onherroepelijke finale kwijting in het kader van de kwestie 200.198.907/01 bij het gerechtshof te Den Haag.

  7. Royement van de voornoemde zaak bij het hof zal plaatsvinden na afgifte van het eindarrest of proces-verbaal.

  8. Niet nakoming: bij niet tijdige en volledige aflossing herleeft het eindvonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 oktober 2013, tenzij er sprake is van overmacht van de zijde van partij [dochter een] . Bij herleving van genoemd eindvonnis, worden betaalde bedragen in mindering gebracht.

  9. Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst, waarbij partijen afstand doen van hun recht om deze overeenkomst te ontbinden. Nakoming zal evenwel steeds kunnen worden gevorderd, al dan niet met schadevergoeding.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.B. Kamminga, E.A. Mink en C.M. Warnaar, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.