Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1667

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
200.213.552/01 en 200.214.109/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Spoedmachtiging uithuisplaatsing gesloten voor vier weken, gevolgd door machtiging uithuisplaatsing gesloten. Is, voorafgaande aan het horen van de minderjarige naar aanleiding van de spoedmachtiging gesloten ingevolge artikel 800 lid 3 Rv., een aanvullende instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper vereist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/123
PFR-Updates.nl 2017-0179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 14 juni 2017

Zaaknummers : 200.213.552/01 en 200.214.109/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 17-693

Zaaknummer rechtbank : C/10/522120

In de zaak met zaaknummer 200.213.552/01:

[appellant (200.213.552/01) en belanghebbende (200.214.109/01)] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans zonder bekende woon- en verblijfplaats,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat: mr. R. Tetteroo te Schiedam,

tegen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[appellante (200.214.109/01) en belanghebbende (200.213552/01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.

In de zaak met zaaknummer 200.214.109/01:

[appellante (200.214.109/01) en belanghebbende (200.213552/01)] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

tegen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[appellant (200.213.552/01) en belanghebbende (200.214.109/01)] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans zonder bekende woon- en verblijfplaats,

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat: mr. R. Tetteroo te Schiedam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in beide procedures gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De minderjarige is op 6 april 2017 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 maart 2017 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, uitgesproken onder voormeld zaak- en rekestnummer (hierna: de bestreden beschikking).

De moeder is op 14 april 2017 in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de kinderrechter van 6 maart 2017 en van de bestreden beschikking.

De gecertificeerde instelling heeft op 4 mei 2017 een in één geschrift vervat verweerschrift voor beide zaken ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

 op 24 april 2017 van de zijde van de minderjarige een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

 op 1 mei 2017 van de zijde van de moeder een V-formulier van 26 april 2017 met bijlage.

De zaken zijn op 10 mei 2017 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

 de advocaat van de minderjarige;

 de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam] , tolk in de Bosnische taal;

 [naam] namens de gecertificeerde instelling;

 [naam] namens de raad.

De minderjarige is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Ter terechtzitting zijn voorts de volgende stukken overgelegd:

 van de zijde van de minderjarige een brief, gedateerd 9 mei 2017;

 van de zijde van de moeder een e-mail van Mozaik, gedateerd 10 mei 2017.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 2 maart 2017 van de rechtbank Rotterdam en de bestreden beschikking.

Bij de beschikking van 2 maart 2017 heeft de kinderrechter, voor zover thans van belang, een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp betreffende de minderjarige verleend met ingang van 2 maart 2017 voor de duur van vier weken. Daarbij is bepaald dat de gecertificeerde instelling, de minderjarige en de moeder zullen worden gehoord ter zitting van 6 maart 2017 in het gerechtsgebouw te Rotterdam. Verder is bepaald, alvorens verder te beslissen, dat het verzoek van de gecertificeerde instelling om een machtiging te verlenen voor verblijf in een gesloten accommodatie zal plaatsvinden op 27 maart 2017.

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, voor zover thans van belang, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 30 maart 2017 tot uiterlijk 30 mei 2017 betreffende de minderjarige. De kinderrechter heeft het verzoek voor het overige aangehouden en bepaald dat het verhoor van de minderjarige, zijn advocaat, de belanghebbenden en de gecertificeerde instelling zal plaatsvinden op 18 mei 2017, waarbij de kinderrechter de gecertificeerde instelling heeft verzocht om één week voor voornoemde datum, de kinderrechter schriftelijk te informeren onder gelijke verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaat van de minderjarige en de moeder.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- de minderjarige staat onder toezicht van de gecertificeerde instelling;

- het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt uitgeoefend door de moeder.

In hoger beroep is voorts vast komen te staan dat de minderjarige is weggelopen uit de gesloten instelling en verblijft op een voor de gecertificeerde instelling onbekend adres.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de (spoed)uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp.

2. De minderjarige verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp alsnog af te wijzen.

3. De moeder verzoekt het hof de uitspraak van de kinderrechter van 6 maart 2017 en de bestreden beschikking te vernietigen, alsnog het spoedverzoek tot een machtiging gesloten jeugdhulp af te wijzen c.q. te oordelen dat de bekrachtiging daarvan ter zitting van 6 maart 2017 onjuist en onrechtmatig is geweest, alsmede om het verzoek tot verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp alsnog af te wijzen, dan wel deze per direct te beëindigen.

4. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en verzoekt het hof de door de minderjarige en de moeder ingestelde hoger beroepen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en mitsdien de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De minderjarige voert, kort samengevat, aan dat de rechtbank ten onrechte de machtiging gesloten jeugdhulp heeft verleend. De minderjarige is al geruime tijd uit huis geplaatst. Eén van de redenen voor de uithuisplaatsing was, aldus de minderjarige, dat de moeder geen vaste woon- en verblijfplaats had. De minderjarige heeft sindsdien op meerdere groepen verbleven, waarbij de minderjarige meerdere malen is weggelopen. De minderjarige is recent weggelopen uit de gesloten instelling Schakenbosch omdat hij werd getreiterd door groepsgenoten en omdat hij zijn moeder miste. De minderjarige heeft toen bij zijn moeder verbleven, waar hij vervolgens op hardhandige wijze door de politie is opgepakt. Daarna heeft de minderjarige een paar dagen in een instelling van Horizon in Den Haag verbleven, waarna de minderjarige wederom is weggelopen. De minderjarige is niet naar de zitting gekomen, omdat hij bang is dat hij dan wordt opgepakt en terug moet naar de instelling. Toen de minderjarige bij zijn moeder verbleef, heeft hij zich naar eigen zeggen ingeschreven voor een school en heeft hij geen strafbare feiten gepleegd. Volgens de minderjarige is door de gecertificeerde instelling niet naar voren gebracht dat het in de tijd dat de minderjarige bij de moeder woonde, niet goed met hem ging. De minderjarige zou dan ook graag bij zijn moeder gaan wonen. Voorts hebben de minderjarige en de moeder, aldus de minderjarige, meerdere malen geprobeerd contact te zoeken met verschillende hulpverleningsinstanties, hetgeen onvoldoende is gelukt. Zowel de minderjarige als de moeder zijn dan ook bereid mee te werken aan hulpverlening door middel van bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling, zolang de minderjarige maar bij de moeder kan wonen. De minderjarige stelt tot slot dat de vele uithuisplaatsingen en het minimale contact met zijn moeder, tot zijn gedrag hebben geleid. De uithuisplaatsingen lijken daarmee een averechts effect op de minderjarige te hebben, waardoor het niet in zijn belang is om (langer) in een instelling te verblijven.

6. De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan. Om te beginnen heeft de rechtbank ten onrechte ter zitting van 6 maart 2017 overwogen dat de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 17 januari 2017 recent genoeg was om de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te bekrachtigen. De gedragswetenschapper heeft de minderjarige bij het opstellen van de instemmingsverklaring niet gesproken, omdat de minderjarige toen weggelopen was. De gedragswetenschapper heeft de instemmingsverklaring derhalve afgegeven op basis van de stukken. Dit terwijl de minderjarige voor de zitting van 6 maart 2017 alweer vier dagen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp verbleef. De gedragswetenschapper had derhalve een actuele instemmingsverklaring kunnen opstellen en de minderjarige voorafgaand aan de zitting kunnen horen. Daarnaast stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte ter zitting van 27 maart 2017 de machtiging gesloten jeugdhulp heeft verleend tot 30 mei 2017. De moeder heeft bij de rechtbank aangegeven dat zij, na jarenlang een zwervend bestaan te hebben geleid, eindelijk een woning heeft betrokken waar de minderjarige een eigen kamer heeft. Daarnaast heeft de minderjarige zichzelf aangemeld voor een school in de buurt van de woning van de moeder en heeft de moeder een verklaring van de huisarts overgelegd, waarin volgens de moeder staat dat de huisarts haar een capabele moeder acht. Gezien deze recente positieve ontwikkelingen, stelt de moeder dat het opportuun was geweest om de machtiging gesloten jeugdhulp niet te verlenen, maar om de moeder en de minderjarige hulp te bieden bij de schoolgang van de minderjarige en de opvoedvaardigheden van de moeder. Een eventuele voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp zou hierbij als stok achter de deur kunnen gelden. De moeder voert tot slot ter terechtzitting aan dat de minderjarige momenteel bij een vriendin van de moeder verblijft, op een voor de gecertificeerde instelling onbekend adres. Volgens de moeder werkt de machtiging gesloten jeugdhulp contraproductief, waardoor de minderjarige telkens wegloopt en deze machtiging niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht.

7. De gecertificeerde instelling verweert zich en voert, kort samengevat, aan dat de machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt of wordt onttrokken aan de behandeling die hij nodig heeft. Ten tijde van het verzoek tot de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp, was onderzoek door de gedragswetenschapper feitelijk onmogelijk omdat onbekend was waar de minderjarige zich bevond. Vervolgens heeft binnen twee weken een gesprek plaatsgevonden tussen de gedragswetenschapper en de minderjarige ten behoeve van het opstellen van een nieuwe instemmingsverklaring. Bij de zitting van 27 maart 2017 is vervolgens de instemmingsverklaring van 26 maart 2017 overgelegd, waardoor er volgens de gecertificeerde instelling is voldaan aan de vereisten uit de Jeugdwet. Uit de instemmingsverklaring komt, aldus de gecertificeerde instelling, naar voren dat er grote zorgen zijn over het gedrag van de minderjarige en zijn ontwikkeling. De minderjarige is momenteel wederom weggelopen uit de gesloten instelling. De gecertificeerde instelling heeft grote zorgen omtrent het gedrag van de minderjarige en de moeder ten opzichte van de behandeling en de hulpverleners. Gebleken is dat de moeder pedagogisch onmachtig is en zich onvoldoende realiseert dat haar handelen de ontwikkeling van de minderjarige stagneert. Het ontkennen van de eigen problematiek door de minderjarige en de moeder en het aangaan van de strijd met de hulpverleners, zorgen ervoor dat de behandeling van de minderjarige moeilijk van de grond komt. Door de persoonlijke problematiek van de moeder, waaronder gezondheidsproblemen en pedagogische onmacht, is het de moeder niet gelukt de minderjarige de opvoedingssituatie te bieden die hij nodig heeft. De minderjarige onttrekt zich daarnaast aan de behandeling door weg te lopen en weigert openheid te geven over waar hij zich bevindt. Op dit moment is een uiterste middel als een gesloten plaatsing volgens de gecertificeerde instelling het enige middel waarmee de veiligheid van de minderjarige kan worden gegarandeerd. Vanuit deze geslotenheid kan er dan door de gecertificeerde instelling verder gekeken worden naar welke vervolgstappen er in het belang van de minderjarige genomen kunnen worden. De gecertificeerde instelling is dit momenteel, samen met het Centrum voor Consultatie en Expertise (hierna: CCE), aan het onderzoeken.

8. De raad voert ter terechtzitting, kort samengevat, het volgende aan. De negatieve spiraal waarin de minderjarige al jaren verkeert, moet doorbroken worden. In de opvoedingssituatie van de moeder zijn forse veiligheidsrisico’s voor de minderjarige, waardoor de minderjarige, hoe graag hij dit zelf ook wil, op dit moment niet bij de moeder kan wonen. Er zou volgens de raad, bijvoorbeeld in samenwerking met het CCE, bekeken moeten worden wat in het belang van de minderjarige is, zodat hij weer wat perspectief krijgt. Op dit moment stagneert de hulpverlening omdat de minderjarige zich aan de behandeling onttrekt of door zijn moeder onttrokken wordt. De raad onderschrijft de machtiging gesloten jeugdhulp, maar is van mening dat er gekeken moet worden naar de vervolgstappen die zouden kunnen worden gezet. Het zoeken naar alternatieven voor de minderjarige zou vanuit geslotenheid moeten plaatsvinden, zodat de veiligheid van de minderjarige gewaarborgd is.

Spoedmachtiging gesloten jeugdhulp

9. Het hof oordeelt als volgt. De moeder heeft verzocht de beschikking van 6 maart 2017 van de rechtbank Rotterdam te vernietigen, omdat de gedragswetenschapper de minderjarige niet kort voor de zitting van 6 maart 2017 heeft onderzocht.

10. Het hof stelt voorop dat de kinderrechter bij beschikking van 2 maart 2017 een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp betreffende de minderjarige heeft verleend met ingang van 2 maart 2017 voor de duur van 4 weken. Deze beschikking verliest ingevolge het bepaalde in artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering haar kracht na verloop van 2 weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken. De kinderrechter heeft binnen twee weken na afgifte van de spoedmachtiging partijen op de zitting van 6 maart 2017 gehoord. Het hof begrijpt dat dit verhoor niet heeft geleid tot een andere beslissing en dat de kinderrechter de spoedmachtiging voor vier weken in stand heeft gelaten.

11. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de moeder in hoger beroep kan opkomen tegen de uitspraak van de kinderrechter op 6 maart 2017. De moeder stelt dat kinderrechter op die datum de spoedmachtiging van 2 maart 2017 ten onrechte heeft bekrachtigd. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van een separate beslissing waartegen kan worden opgekomen. De juridische grondslag voor de gesloten (spoed)plaatsing van de minderjarige voor de periode vanaf 2 maart 2017 tot 30 maart 2017 vormt de spoedmachtiging van 2 maart 2017, zodat die beschikking ter beoordeling voorligt. Het hof begrijpt de stelling van de moeder aldus dat zij van mening is dat de spoedmachtiging van 2 maart 2017 voor wat betreft de periode na 6 maart 2017 moet worden vernietigd, omdat de gedragswetenschapper de minderjarige voor de hoorzitting van 6 maart 2017 in persoon had kunnen en moeten onderzoeken.

12. Op grond van artikel 6.1.3 lid 1 van de Jeugdwet kan de kinderrechter, indien een machtiging niet kan worden afgewacht, op verzoek een spoedmachtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 6.1.2 lid 3 van de Jeugdwet, in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Ingevolge artikel 6.1.3 lid 3 van de Jeugdwet behoeft een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is.

13. Uitgangspunt is derhalve dat voor het verlenen van een spoedmachtiging de instemming van een gedragswetenschapper vereist is. De vraag wanneer zich een uitzondering voordoet dat die instemming achterwege kan blijven omdat onderzoek feitelijk onmogelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Niet in geschil is dat de minderjarige in de periode voorafgaande aan de afgifte van de spoedmachtiging weggelopen was zodat een gesprek tussen de gedragswetenschapper en de minderjarige op dat moment niet mogelijk was. Niet bestreden is echter dat de minderjarige voor de hoorzitting van 6 maart 2017 al vier dagen in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp verbleef, zodat niets eraan in de weg stond om de minderjarige vóór de hoorzitting in persoon te bezoeken en de vrijheidsbenemende maatregel met de minderjarige te bespreken. Gelet op het ingrijpende karakter van de gesloten plaatsing is het hof van oordeel dat nu op de hoorzitting de minderjarige al weer enkele dagen in beeld was, een persoonlijk onderzoek van de minderjarige door de gedragswetenschapper had moeten plaatsvinden. Dat later alsnog een gesprek tussen de gedragswetenschapper en de minderjarige heeft plaatsgevonden hetgeen heeft geresulteerd in de instemmingsverklaring van 26 maart 2017 die voor de zitting van 27 maart 2017 is overgelegd, doet hier niet aan af.

14. Dit brengt mee dat het hof de spoedmachtiging van 2 maart 2017 zal vernietigen voor wat betreft de duur. Het hof zal bepalen dat die beschikking met ingang van 6 maart 2017 is vervallen. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat het beroep van de moeder in zoverre slaagt.

Machtiging gesloten jeugdhulp

15. Ten aanzien van de grieven die zijn gericht tegen de beschikking van 27 maart 2017, overweegt het hof het volgende. Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 2 van de Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien moet de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden betreffende de minderjarige een machtiging gesloten jeugdhulp heeft verleend. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat in hoger beroep is gebleken dat er nog steeds veel zorgen zijn omtrent de ontwikkeling en het gedrag van de minderjarige. Dit beeld wordt onderschreven door de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 26 maart 2017, waarin de gedragswetenschapper concludeert dat er grote zorgen zijn omtrent de minderjarige en zijn algehele ontwikkeling waardoor een machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk is. Ter terechtzitting is gebleken dat de minderjarige wederom is weggelopen en bij een vriendin van de moeder verblijft, op een voor de gecertificeerde instelling onbekend adres. Door het wegloopgedrag van de minderjarige, komt de behandeling voor de minderjarige nauwelijks van de grond en onttrekt de minderjarige zich aan de jeugdhulp. Het hof acht het zeer zorgelijk dat de moeder de minderjarige in dit gedrag stimuleert en actief de minderjarige aan de jeugdhulp onttrekt door hem op een voor de gecertificeerde instelling onbekend adres bij een vriendin te laten verblijven. Het hof raadt de moeder dan ook met klem aan, in het belang van de minderjarige, de samenwerking op te zoeken met de gecertificeerde instelling, zodat het negatieve patroon van de afgelopen jaren kan worden doorbroken en gezocht kan worden naar mogelijkheden voor de minderjarige om zich verder te ontwikkelen. Zoals door de gecertificeerde instelling ter terechtzitting aangegeven, kan daarbij gebruik worden gemaakt van de expertise van het CCE om het perspectief van de minderjarige te onderzoeken. Het hof acht het in het belang van de minderjarige dat deze vervolgstappen onderzocht worden.

16. Uit het voorgaande volgt dat plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen en om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd.

17. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de beschikking van 2 maart 2017, houdende een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 2 maart 2017 voor de duur van vier weken betreffende de minderjarige, doch alleen wat betreft de duur van de gesloten plaatsing en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de voornoemde beschikking van 2 maart 2017 op 6 maart 2017 is vervallen;

bekrachtigt de beschikking van 2 maart 2017 voor het overige;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij een machtiging gesloten jeugdhulp is verleend met ingang van 30 maart 2017 tot uiterlijk 30 mei 2017 betreffende de minderjarige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van Baardewijk, I. Obbink-Reijngoud en N.P.C. van Wijk, bijgestaan door mr. E.T.P. Merkx als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2017.