Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1660

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
200.186.605-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

tussentijdse beëindiging van een overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd door opdrachtgever is mogelijk; art. 7:408 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3169
NJF 2017/315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.186.605/01
Rolnummer rechtbank : C/10/471066 HA ZA 15-212

arrest van 20 juni 2017

inzake

CLUBGOLF B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: ClubGolf,

advocaat: mr. A.M. Heiner te Amersfoort,

tegen

GOLFLINK B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Golflink,

advocaat: mr. L.H. Hordijk te Rotterdam.

Het geding

Bij dagvaarding van 10 februari 2016 is Clubgolf in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2015, gewezen tussen partijen. Genoemd vonnis betrof de gevoegde zaken van Golflink en GCN tegen ClubGolf en Nederland Golft BV en van Nederland Golft BV tegen GCN. Het onderhavige hoger beroep ziet alleen op het in het vonnis berechte geschil tussen ClubGolf en Golflink. Bij memorie van grieven heeft ClubGolf zes grieven tegen het vonnis gericht. Bij memorie van antwoord heeft Golflink de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen kopieën van het procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1

Tegen de door de rechtbank tussen partijen vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht. Gelet daarop en op hetgeen partijen verder onbestreden hebben aangevoerd staat voor het hof het volgende vast (voor zover tussen partijen in hoger beroep van belang).

1.2

ClubGolf drijft een golfclub. Golflink verzorgt de ledenadministratie voor verschillende golfclubs.

1.3

Naar aanleiding van een eerdere samenwerking inzake de golfclub Blue Orange hebben Nederland Golft BV, ClubGolf, Golflink en GCN gesprekken gevoerd over de mogelijkheden van verdere samenwerking op het gebied van ledenadministratie en -registratie. Vervolgens zijn op 4 februari 2014 twee samenwerkingsovereenkomsten gesloten, te weten:
-a- een overeenkomst tussen Nederland Golft BV en GCN die tot doel had om het voor de klanten van Nederland Golft BV mogelijk te maken om via een lidmaatschap bij GCN geregistreerd te worden bij de Nederlandse Golf Federatie. Voorts zou GCN ook zorgdragen voor het incasseren van de contributie en voor de ledenadministratie. Deze overeenkomt vormt geen geschil in dit hoger beroep.

-b- een overeenkomst tussen Golflink en ClubGolf die zich beperkte tot het verzorgen door Golflink van de ledenadministratie voor de leden van ClubGolf en een derde partij, de Stichting voor Onafhankelijk ClubGolf (hierna: VOC). De verantwoordelijkheid voor het incasseren van de contributie bleef bij ClubGolf. Deze overeenkomst is in dit hoger beroep in geschil.

1.4

In laatstgenoemde overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Overwegende:

Dat Golflink BV de administratie voert voor meerdere bij de NGF aangesloten golfverenigingen;

Dat ClubGolf BV handelt namens Stichting voor Onafhankelijk ClubGolf (hierna VOC),

een zelfstandig bij de NGF aangesloten golfvereniging (clubnummer 719);

Dat ClubGolf BV de (leden-)administratie van VOC wil laten verzorgen door Golflink BV;

Dat VOC haar leden per 1 januari 2014 juridisch overdraagt aan GolfClub Nederland, een zelfstandig

bij de NGF aangesloten golfvereniging (clubnummer 753).

Komen overeen als volgt:

1. Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 2 jaar en start op 1 januari 2014. Derhalve

eindigt de overeenkomst van rechtswege op 31 december 2015. Indien partijen van mening zijn dat

de samenwerking naar tevredenheid is verlopen, dan wordt de overeenkomst stilzwijgend verlengd

voor onbepaalde tijd, tenzij een der partijen drie maanden voor het verstrijken van de periode

schriftelijk mededeelt de samenwerking te willen beëindigen.

2. VOC neemt vanaf 1 januari 2014 geen nieuwe leden meer aan. De ledenadministratie van VOC wordt door Golflink BV overgezet naar het beheersysteem SoGolf, waarna de leden gebruik kunnen maken van de nieuwe ledenwebsite van VOC.

3. Golflink BV draagt vanaf 1 maart 2014 zorg voor het complete ledenbeheer van VOC, inclusief

wekelijkse uitwisseling van gegevens met de NGF-handicap database, toesturen van NGF-pasjes aan

individuele leden en afhandeling van vragen m.b.t. lidmaatschappen, handicap en andere NGF

gerelateerde zaken.

4. Golfclub Nederland neemt alle leden van VOC over. De bestaande leden blijven ten minste tot en

met 1 juli 2014 in de administratie van VOC. VOC is en blijft derhalve verantwoordelijk voor tijdige

afdracht van de NGF-bijdrage 2014 voor haar leden. De formele overdracht van de leden aan

Golfclub Nederland zal met inachtneming van de in deze overeenkomst vastgelegde afspraken

plaatsvinden direct na 1 juli 2014, tenzij partijen een eerdere datum overeenkomen.

5. Zolang de formele overdracht van de leden niet heeft plaatsgevonden, treedt VOC als NGF vereniging op als handicapautoriteit en is daarmee voor leden die bij de NGF zijn aangemeld de zgn.

'homeclub'.

6. Voor de werkzaamheden genoemd in punt 3 berekent Golflink BV in het jaar 2014 een vaste

vergoeding van € 45.000,- (ex. BTW) aan ClubGolf BV. De vergoeding wordt gefactureerd in 10

gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op 31 maart 2014 en daarna maandelijks.

7. Vanaf het jaar 2015 berekent Golflink BV voor de werkzaamheden genoemd in punt 3 een

jaarlijkse vergoeding van € 25,- (ex. BTW) per (voormalig) lid van VOC aan ClubGolf BV. Deze

vergoeding is inclusief de jaarlijkse NGF-bijdrage. Indien de NGF deze bijdrage wijzigt, wordt de

vergoeding die Golflink BV in rekening brengt aan ClubGolf BV navenant aangepast.

Peildatum voor het aantal leden is 1 januari van het betreffende jaar. De vergoeding wordt bij

aanvang van het jaar in rekening gebracht. Golflink BV is vanaf 2015 voor de betreffende leden

verantwoordelijk voor tijdige afdracht van de NGF-bijdrage.

(...)

11. Indien deze overeenkomst niet wordt verlengd, worden de voormalige leden van VOC per 1 januari 2016 door GolfClub Nederland overgedragen aan ClubGolf BV.

(...)"

1.4

Bij e-mail van 14 oktober 2014 heeft Golflink aan ClubGolf ten aanzien van de

overdracht van de leden, genoemd in artikel 4 van hun overeenkomst, medegedeeld:

“Die overdracht heeft nog niet plaatsgevonden en ik weet ook niet of je dat nog wilt doen. Zo niet, dan klopt ook artikel 7 niet meer. Daarin staat namelijk dat Golflink begin 2015 een vergoeding van 25,- per lid berekent en vervolgens de NGF-afdracht doet. Dit zou dan 9,- per lid worden en ClubGolf doet zelf de NGF-afdracht. (…)"

1.5

Op 24 november 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen (onder meer) partijen. In dat gesprek is ontevredenheid over de samenwerking en wantrouwen uitgesproken. Daarbij is gezegd dat de samenwerking zo niet door kan gaan en dat een financiële afwikkeling moet plaatsvinden.

1.6

Bij e-mail d.d. 27 november 2014 heeft ClubGolf de overeenkomsten met Golflink ontbonden, althans opgezegd per 1 december 2014. Bij e-mail van 1 december 2014 heeft zij die opzegging herhaald met de vermelding: “Ik ben bereid jullie de werkzaamheden tegen betaling nog een maand voort te zetten in het belang van mijn leden en de tijd die een overdracht kost. (…) Ik hoor graag binnen een paar dagen hoe de overdracht gerealiseerd gaat worden.”

1.7

Op 22 januari 2015 heeft Golflink conservatoir derdenbeslag doen leggen op de bankrekening van ClubGolf.

1.8

Bij brief van 3 februari 2015 heeft ClubGolf medegedeeld de samenwerkingsovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden.

2.1

Golflink heeft ClubGolf gedagvaard en, na eiswijziging, gevorderd ClubGolf te veroordelen (naast betaling van de proceskosten inclusief beslagkosten) primair tot betaling aan Golflink van € 97.029,90 aan hoofdsom met wettelijke handelsrente (de hoofdsom is opgebouwd uit twee facturen van 1 en 22 december 2014 van € 5.445,- plus een jaarlijkse vergoeding van 2015 van € 9,- per lid ad € 86.139,90) en € 1.745,29 aan buitengerechtelijke kosten en tot nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst van 4 februari 2014, op straffe van een dwangsom, subsidiair – indien de samenwerkingsovereenkomst was geëindigd – tot betaling van € 10.890,- met rente en kosten en € 71.190,- aan schadevergoeding.

2.2

ClubGolf heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft zij primair aangevoerd dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd, dat zij de overeenkomst heeft opgezegd en subsidiair dat die overeenkomst is ontbonden.

2.3

De rechtbank heeft geoordeeld dat de samenwerkingsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd (omdat er geen sprake was van wederzijds goedvinden), dat deze ook niet tussentijds kon worden opgezegd (nu de overeenkomst niet voorziet in die mogelijkheid) en dat zij evenmin rechtsgeldig is ontbonden. De rechtbank heeft ClubGolf veroordeeld tot nakoming van de overeenkomst door betaling van de facturen met wettelijke handelsrente zoals gevorderd en zij heeft ClubGolf als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten en de beslagkosten.

3.1

De eerste grief heeft ClubGolf onder meer gericht tegen de oordelen dat de overeenkomst niet met wederzijds goedvinden is geëindigd (grief 1.1) en niet rechtsgeldig tussentijds is opgezegd (grief 1.2). Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

3.2

Uit de door partijen overgelegde correspondentie blijkt niet van een beëindiging met goedvinden van Golflink, nu Golflink zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat er gewoon verder gegaan moet worden met de samenwerkingsovereenkomsten, in elk geval zolang er geen overeenstemming is over een financiële afwikkeling. Ook in het gesprek van 24 november 2014, waarop ClubGolf een beroep heeft gedaan om de beëindiging te onderbouwen, is aangegeven dat de beëindiging slechts plaats kan vinden onder voorbehoud van een financiële afronding (daargelaten of dat gesprek tussen partijen is gevoerd). Voor zover de grief de beëindiging met wederzijds goedvinden betreft, is zij daarom ongegrond.

3.3

Ter zake van de opzegging oordeelt het hof, anders dan de rechtbank, dat de overeenkomst wel door ClubGolf kon worden en is opgezegd. Daartoe overweegt het hof het volgende (3.4 – 3.6).

3.4

Partijen zijn overeengekomen dat Golflink de ledenadministratie overzet naar het beheerssysteem SoGolf (art. 2) en vanaf 1 maart 2014 zorg draagt voor het complete ledenbeheer (art. 3), waarvoor ClubGolf haar in 2014 een vaste vergoeding (art. 6) en in 2015 een vergoeding per lid (art. 7) zal betalen. Dit is een overeenkomst van opdracht zoals gedefinieerd in artikel 7:400 BW met ClubGolf als opdrachtgever en Golflink als opdrachtnemer. Dat partijen het een ‘samenwerkingsovereenkomst’ hebben genoemd maakt dat niet anders.

3.5

Ingevolge artikel 7:408 lid 1 BW kan de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst van opdracht opzeggen. Ingevolge artikel 7:408 lid 2 BW kan de opdrachtnemer dat in beginsel slechts in bepaalde gevallen. Artikel 7:408 lid 1 BW geldt ook voor een overeenkomst die is aangegaan voor bepaalde tijd en aan het eind van die tijd van rechtswege eindigt, tenzij (in het geval van professionele partijen) partijen anders zijn overeengekomen. Dat laatste is niet gebeurd. Partijen hebben wel een termijn afgesproken waarna de overeenkomst eindigt en stilzwijgend verlengd kan worden, maar zij hebben nergens afgesproken dat de opdrachtgever haar niet tussentijds kan beëindigen. Een dergelijke afspraak kan niet gelezen worden in de bepaling in artikel 1 inhoudend dat de overeenkomst stilzwijgend wordt verlengd tenzij een der partijen drie maanden voor het verstrijken van de periode schriftelijk mededeelt de samenwerking te willen beëindigen. Dit artikelonderdeel regelt immers slechts wat er gebeurt aan het einde van de overeengekomen periode; op dat moment kunnen beide partijen (dus ook de opdrachtnemer) de overeenkomst opzeggen danwel stilzwijgend laten voortduren.

3.6

Uit de e-mail van 27 november 2014 blijkt dat ClubGolf de overeenkomst heeft opgezegd. Zoals hiervoor is overwogen, was dit mogelijk. De eerste grief is dus gegrond.

3.7

De overige grieven bouwen op de eerste grief voort en dienen ter onderbouwing van het uitsluitend subsidiair ingenomen standpunt van ClubGolf en behoeven dus, met uitzondering van grief(onderdeel) 1.4, geen afzonderlijke bespreking. Het hof zal het vonnis vernietigen voorzover het niet uitgaat van de opzegging van de tussen partijen op 4 februari 2014 gesloten samenwerkingsovereenkomst.

4.1

Het hof komt daarom toe aan bespreking van de vraag of ClubGolf ondanks de opzegging, het (volle) loon verschuldigd is gebleven, zoals Golflink heeft aangevoerd.

4.2

Uit de onder 1.6 genoemde e-mails van 27 november en 1 december 2014 blijkt dat ClubGolf de overeenkomst per 1 december 2014 (dus min of meer per direct) heeft opgezegd. Het betrof een voortijdig einde van de opdracht, zoals bedoeld in artikel 7:411 BW. Anders dan ClubGolf aanvoert, is artikel 7:411 BW wel van toepassing. De vergoeding van Golflink is immers afhankelijk van het verrichten van werkzaamheden gedurende de gehele overeengekomen periode.

4.3

Voor doorbetaling van de overeenkomst tot het einde van 2015, zoals Golflink heeft gevorderd, ziet het hof onvoldoende grond. Golflink kon haar werkzaamheden immers na de opzegging gaan beëindigen. Zij heeft onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat zij de werkzaamheden tot eind 2015 is blijven verrichten en zij heeft ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij tot eind 2015 alle (loon)kosten heeft gemaakt. Wel acht het hof het redelijk dat het loon wordt doorbetaald gedurende een redelijke periode voor afwikkeling van de overeenkomst. Partijen geven immers (beide) in de schriftelijke correspondentie aan dat er een behoorlijke afwikkeling moet plaatsvinden: ClubGolf heeft (destijds) om medewerking aan de afwikkeling/overdracht verzocht en Golflink heeft (destijds) te kennen gegeven een financiële afwikkeling te verlangen. De aard van de overeenkomst – het gedurende twee jaar voeren van het complete ledenbeheer, inclusief gegevensuitwisseling en contacten met individuele leden door de opdrachtnemer – leent zich niet voor een tussentijds direct einde zonder meer. Het hof zal daarom bepalen dat bij de tussentijdse opzegging voor de (financiële) afwikkeling moet worden doorbetaald tot 1 maart 2015. Voor het bepalen van deze - redelijke - termijn sluit het hof, naast bij de aard van de overeenkomst, aan bij de termijn die partijen zijn overeengekomen voor het einde van de samenwerking na twee jaar (slot van artikel 1).

4.4

ClubGolf heeft onvoldoende gesteld om vast te kunnen stellen dat zij geen betaling verschuldigd is wegens tekortkomingen van Golflink, hetgeen ook geldt voor het daarmee samenhangende (subsidiair gevoerde) ontbindingsverweer. Uit haar stellingen kan immers niet blijken dat de gestelde tekortkomingen, tekortkomingen waren van Golflink in de overeenkomst met ClubGolf (en niet - uitsluitend - tekortkomingen uit hoofde van de overeenkomst tussen Nederland Golft en GCN), noch dat deze tekortkomingen er al waren voordat ClubGolf zelf met betalen in verzuim raakte. Het enkele feit dat, zoals ClubGolf stelt, de overeenkomst tussen haar en Golflink er niet zou zijn geweest wanneer er geen overeenkomst tussen Nederland Golft en GCN was geweest, brengt niet mee dat in de onderlinge verhoudingen dezelfde verplichtingen bestonden, terwijl Golflink dat heeft betwist. Grief 1.4 faalt daarom.

4.5

Gelet op het voorgaande zal het hof het door ClubGolf aan Golflink uit hoofde van de tussen deze partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst van 4 februari 2014 nog te betalen bedrag bepalen op: € 10.890,- zijnde de betaling voor 2014 (de twee facturen uit 2014) plus € 14.356,- zijnde de betaling van een financiële vergoeding voor de afwikkelingsperiode januari en februari 2015 (twee maanden van de jaarfactuur van € 86.139,90); in totaal dus € 25.246, (inclusief 21% BTW). Over dit bedrag is ClubGolf de wettelijke handelsrente verschuldigd, zoals door Golflink (onbetwist) gevorderd vanaf de vervaldatum van de facturen.

5. Nu enerzijds de grieven deels slagen en anderzijds de hoofdvordering van Golflink tot voornoemd bedrag (met rente) wel wordt toegewezen, en partijen dus over en weer in het ongelijk zijn gesteld, past het om de proceskosten, behoudens na te noemen beslagkosten, te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt, de buitengerechtelijke kosten daaronder begrepen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

6. De gevorderde kosten die Golflink heeft gemaakt vanwege het op 22 januari 2015 gelegde derdenbeslag op de bankrekening van ClubGolf, komen voor toewijzing in aanmerking. Het beslag was niet nietig, onnodig of onrechtmatig. ClubGolf had ten tijde van het beslag immers een achterstand in de betaling van de facturen. De rechtbank heeft de beslagkosten begroot op € 1.293,40. Tegen de hoogte van dit bedrag zijn geen (gemotiveerde) grieven gericht. Het vonnis van de rechtbank kan daarom in zoverre in stand blijven.

7. Het bewijsaanbod van elk van partijen voldoet niet aan de eisen die daaraan in hoger beroep moeten worden gesteld, en zal dus worden gepasseerd.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis van 11 november 2015 voor zover tussen partijen gewezen, behoudens voor zover het de beslagkosten betreft;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt ClubGolf om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Golflink te voldoen een bedrag van € 25.246,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 10.890,- vanaf 1 januari 2015 tot en met 7 februari 2015 en over € 25.246,- vanaf 7 februari 2015 tot de dag van volledige betaling;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis voor zover het de veroordeling van ClubGolf in de beslagkosten aan de zijde van Golflink betreft;

- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep draagt.

- verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, M.A.F. Tan-de Sonnaville en J.J. van der Helm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.