Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1638

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
BK-17/00032
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:14893, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2829
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de aanslag en de belastingrente terecht, en zo ja, tot het juiste bedrag is opgelegd respectievelijk in rekening is gebracht. Voorts is in geschil of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1367
FutD 2017-1487
Viditax (FutD), 10-11-2017
NTFR 2017/1800 met annotatie van mr. A. Wolkers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00032

Uitspraak d.d. 31 mei 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 december 2016, nummer SGR 16/4975, betreffende de hierna in 1.1 vermelde aanslag en beschikkingen.

Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.495 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 28.612. Gelijktijdig met het vaststellen van deze aanslag is bij beschikking € 775 aan belastingrente in rekening gebracht. Voorts heeft de Inspecteur bij beschikking op de voet van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een verzuimboete opgelegd van € 369.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag, de beschikking inzake de belastingrente en de boetebeschikking een bezwaarschrift ingediend bij de Inspecteur.

1.3.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag en de beschikkingen afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 124.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

Belanghebbende heeft op 13 maart 2017 en 3 april 2017 nadere stukken ingediend, waarvan afschriften aan de Inspecteur zijn gezonden.

2.4.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 april 2017, gehouden te Den Haag. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende is, met bericht van mogelijke verhindering en zonder verzoek om uitstel van de zitting te doen, niet verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vaststaan:

3.1.

Belanghebbende heeft bij brief van 16 februari 2014 aan de Inspecteur opgegeven de volgende inkomsten te hebben genoten:

- [A] € 7.116;

- [B] € 13.695;

- [C] € 2.684.

3.2.

Bij brief van 12 juni 2014 heeft belanghebbende aan de Inspecteur geschreven dat zij geen aangifteformulieren ontvangt omdat zij slechts een briefadres heeft in Nederland en dat zij eventueel gebruik wil maken van de inkeerregeling.

3.3.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 22 januari 2015 laten weten dat de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte voor het jaar 2012 op respectievelijk 30 maart 2013, 28 mei 2013 en 9 juli 2013 aan haar zijn verzonden, maar dat zij op geen van die stukken heeft gereageerd. Voorts vermeldt die brief dat de Inspecteur voornemens is, bij gebreke van een aangifte, de aanslag IB/PVV 2012 ambtshalve op te leggen doch dat belanghebbende nog een laatste mogelijkheid krijgt haar aangifte in te dienen en wel vóór 12 februari 2015.

3.4.

Bij brief van 9 februari 2015 heeft belanghebbende aangegeven dat zij de in de brief van de Inspecteur van 22 januari 2015 genoemde brieven van 27 mei 2013 en 8 juli 2013 niet heeft ontvangen evenmin als het aangifteformulier voor 2012, en voorts dat zij haar pensioeninkomsten reeds heeft opgegeven bij brieven van 16 februari 2014 en 12 juni 2014.

3.5.

De Inspecteur heeft met dagtekening 23 december 2015 ambtshalve de in 1.1 vermelde aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 opgelegd en de aldaar vermelde boetebeschikking en beschikking belastingrente vastgesteld.

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de aanslag en de belastingrente terecht, en zo ja, tot het juiste bedrag is opgelegd respectievelijk in rekening is gebracht. Voorts is in geschil of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vragen ontkennend. De Inspecteur beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend.

4.2.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag wegens overschrijding van de aanslagtermijn en vernietiging van de boetebeschikking en de beschikking belastingrente, dan wel, subsidiair, tot vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.495 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.599 (4% van € 39.965 (banktegoeden ad € 61.104 minus het heffingvrije vermogen ad € 21.139), met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente en vernietiging van de boetebeschikking.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vaststelling van het belastbare inkomen in box 3 op € 25.532 en van het verzamelinkomen op € 49.027, met dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente en met handhaving van de boetebeschikking.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – overwogen:

"Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2016.

[De Inspecteur] heeft zich laten vertegenwoordigen door [D] en [E] . [Belanghebbende] is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 20 oktober 2016 naar het adres [Y] te [Z] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. [Belanghebbende] is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

De enveloppe waarin die brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen. Uit de – kennelijk door medewerkers van PostNL – geplaatste aantekeningen op die enveloppe, die door de griffier in het dossier is gevoegd, leidt de rechtbank af dat de enveloppe niet is afgehaald op de afhaallocatie, en dat PostNL de enveloppe op 8 november 2016 heeft geretourneerd aan de afzender, te weten de griffier.

Blijkens de elektronisch geraadpleegde gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is genoemd adres sinds 27 oktober 2011 het briefadres van [belanghebbende]. Vervolgens heeft de griffier de brief bij gewone post op 9 november 2016 verzonden aan [belanghebbende] op dat adres.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Belanghebbende] is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 (hierna: de aangifte) vóór 1 mei 2013. Met dagtekening 28 mei 2013 is aan haar een herinnering tot het doen van aangifte gestuurd en met dagtekening 9 juli 2013 is een aanmaning verzonden.

2. Bij brief van 16 februari 2014 heeft [belanghebbende] de volgende inkomsten opgegeven:

- [A] € 6.116

- [B] € 13.695

- [C] € 2.684

3. [ Belanghebbende] vermeldt in haar brief geen vermogen, terwijl uit renseignementen blijkt dat [belanghebbende] op 1 januari 2012 beschikte over banksaldi bij de [F] Bank en de [G] van in totaal € 65.313. Voorts is [belanghebbende] op 1 januari 2012 eigenaar van de onroerende zaken [H] te [I] met een woz-waarde van € 156.000 en [J] te [K] met een woz-waarde van € 161.000. Ook heeft [belanghebbende] in 2012 een bedrag van € 3.144 aan rente ontvangen van de [L] bank in België.

4. [ De Inspecteur] heeft [belanghebbende] bij brief van 22 januari 2015 nogmaals in de gelegenheid gesteld om vóór 12 februari 2015 de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 in te dienen.

5. [ Belanghebbende] heeft hierop gereageerd bij brief van 9 februari 2015, waarin zij aangeeft dat zij haar inkomsten reeds heeft opgegeven bij brief van 16 februari 2014 en bij brief van 12 juni 2014.

6. [ De Inspecteur] heeft met dagtekening 23 december 2015 een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.495 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 28.612. Gelijktijdig is aan [belanghebbende] bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 369 wegens het niet tijdig indienen van de aangifte.

6. Tussen partijen is in geschil of [belanghebbende] een aangifte heeft ingediend en, zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, of deze aangifte kan worden aangemerkt als de vereiste aangifte in de zin van artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Indien de rechtbank van oordeel is dat [belanghebbende] niet de vereiste aangifte heeft gedaan, is voorts in geschil of de ambtshalve aanslag is gebaseerd op een redelijke schatting. Ten slotte is in geschil of de verzuimboete terecht aan [belanghebbende] is opgelegd.

8. Nog daargelaten het feit dat - in afwijking van hetgeen [belanghebbende] betoogt – zij niet op de bij de wet (de Awr) voorgeschreven wijze aangifte heeft gedaan, heeft zij ook geen opgaaf gedaan van haar vermogen. De daarmee niet aangegeven verschuldigde belasting is - zowel absoluut als relatief - van dien omvang dat reeds daarom niet kan worden geoordeeld dat zij de vereiste aangifte heeft gedaan.

9. Nu [belanghebbende] de vereiste aangifte niet heeft gedaan, brengt het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr, mee dat het beroep van [belanghebbende] ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het ligt dan op de weg van [belanghebbende] om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. De rechtbank acht [belanghebbende] daarin niet geslaagd. De enkele stelling dat op de beide onroerende zaken een last onder bestuursdwang rust en dat [belanghebbende] in die huizen niet mag wonen vanwege de onveilige situatie, is daartoe onvoldoende.

10. De rechtbank dient nog wel te beoordelen of de aanslag niet naar willekeur is opgelegd, maar berust op een redelijke schatting. [De Inspecteur] heeft dienaangaande gesteld dat, gelet op de omstandigheden dat [belanghebbende] in 2013 voor € 135.000 een woning heeft gekocht in [M] , dat haar banksaldo in 2013 is toegenomen met een bedrag van € 160.000 op 31 december 2013 en dat [belanghebbende] ook in 2013 nog rente heeft genoten van de [L] bank ten bedrage van € 1.956, terwijl het onder 3 opgenomen zichtbare vermogen niet is aangetast, er (veel) meer vermogen moet zijn geweest dan [de Inspecteur] bekend was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanslag berust op een redelijke schatting door uit te gaan van een vermogen van circa € 715.000.

11. Ingevolge artikel 67a, eerste lid, van de Awr, kan aan de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning tot het doen van aangifte gestelde termijn heeft gedaan (hierna: het aangifteverzuim), een verzuimboete worden opgelegd. Naar vaste jurisprudentie wordt bij afwezigheid van alle schuld (avas) geen boete opgelegd.

12. Vaststaat dat [belanghebbende] niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, van de Awr gestelde termijn aangifte heeft gedaan. [Belanghebbende] stelt evenwel dat zij de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning niet heeft ontvangen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

13. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van de voormelde stukken op het briefadres van [belanghebbende]. Dit brengt mee dat [de Inspecteur] in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. [De Inspecteur] is er met het overleggen van zijn verzendadministratie, naar het oordeel van de rechtbank, in geslaagd om de verzending van de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning naar het juiste adres aannemelijk te maken. Met haar enkele stelling dat zij de stukken niet heeft ontvangen, heeft [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank de ontvangst van die stukken niet op geloofwaardige wijze ontkent. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [belanghebbende] de stukken heeft ontvangen.

14. Nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van avas, is de verzuimboete terecht aan [belanghebbende] opgelegd. Ook zijn geen omstandigheden aangevoerd die de rechtbank aanleiding geven om de verzuimboete te matigen.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

Oproeping voor de zitting van de Rechtbank

6.1.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de brief van de Rechtbank van 20 oktober 2016, waarbij de uitnodiging aangetekend is verzonden, niet aan haar was gericht, oordeelt het Hof als volgt. Een afschrift van bedoelde brief behoort tot de gedingstukken en daarop staat zowel de naam van belanghebbende als haar adres correct vermeld. Deze stelling mist derhalve feitelijke grondslag.

Ook overigens acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van 17 november 2016.

Tijdigheid van de aanslag

6.2.

Ingevolge artikel 11, derde lid, AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag IB/PVV door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 5 AWR bepaalt dat de dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de aanslag. De dagtekening van de onderhavige, over het belastingjaar 2012 opgelegde aanslag is 23 december 2015. Nu belanghebbende op 30 december 2015 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen deze aanslag, moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende het aanslagbiljet uiterlijk op die datum heeft ontvangen op haar postadres, zodat deze binnen de driejaarstermijn is vastgesteld en bekendgemaakt. Anders dan belanghebbende veronderstelt, is de aanslag derhalve tijdig vastgesteld.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

6.3.

Belanghebbende heeft niet binnen de door de Inspecteur gestelde termijn aangifte gedaan voor het onderhavige jaar. Belanghebbende stelt echter geen aangiftebiljet IB/PVV voor het jaar 2012 te hebben ontvangen, en evenmin anderszins te zijn uitgenodigd tot het doen van aangifte. Zij stelt voorts ook de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 niet te hebben ontvangen.

6.4.

Het ligt op de weg van de inspecteur aannemelijk te maken dat de uitnodiging tot het doen van aangifte alsmede de aanmaning tot het doen van aangifte op het adres van de belanghebbende zijn ontvangen of aangeboden dan wel de belanghebbende anderszins hebben bereikt, waarbij de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending van deze stukken naar het juiste adres (zie HR 24 juni 2016, nr. 15/02345, ECLI:NL:HR:2016:1268, BNB 2016/192; zie voorts met betrekking tot de aanmaning HR 14 april 2017, nr. 16/05276, ECLI:NL:HR:2017:675).

6.5.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het aangiftebiljet per post naar belanghebbende is gezonden naar het bij de Belastingdienst bekende adres [Y] , [Z] . De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat dit adres al ten tijde van de verzending van de uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2012 (hierna: de uitnodiging) het brief/postadres was van belanghebbende. Ter onderbouwing van zijn standpunt met betrekking tot de verzending van de uitnodiging heeft de Inspecteur een rapport overgelegd, met daarin een verslag van de bevindingen uit het ingestelde onderzoek naar de postaanbieding van de uitnodiging alsmede enige uitdraaien uit computersystemen van de Belastingdienst. Uit dit rapport volgt onder meer dat de uitnodiging in een specifiek aangeduide partij documenten op 28 maart 2013 is aangeboden ter verzending aan PostNL en dat bij het aanbieden ter verzending van die partij documenten geen problemen zijn opgetreden. Verder vermeldt het rapport dat met PostNL in 2013 contractueel was vastgelegd dat partijen documenten als de onderhavige binnen 48 uur na aanbieding worden bezorgd. De Inspecteur heeft voorts rapporten overgelegd met betrekking tot de verzending van de herinnering en de aanmaning tot het doen van de aangifte IB/PVV 2012, waaruit op vergelijkbare wijze volgt dat deze op 12 juni 2013 respectievelijk 5 juli 2013 zonder problemen zijn aangeboden ter verzending aan PostNL.

6.6.

Gelet hierop is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur is geslaagd in het bewijs van verzending van de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning naar het adres van belanghebbende. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte op dat adres. Belanghebbende is met de enkele, niet nader onderbouwde stelling dat zij geen aangiftebiljet heeft ontvangen noch anderszins tot het doen van aangifte is uitgenodigd, en evenmin de herinnering en de aanmaning heeft ontvangen, niet erin geslaagd dit vermoeden te ontzenuwen.

6.7.

Belanghebbende stelt voorts dat zij wel aangifte heeft gedaan, te weten in haar brief van 16 februari 2014, waarin zij opgave heeft gedaan van haar inkomsten uit (vroegere) arbeid. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende aldus niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Niet alleen is geen aangifte gedaan op de ingevolge artikel 8 AWR voorgeschreven wijze, maar bovendien heeft belanghebbende in haar brief geen melding gemaakt van haar vermogen; een gebrek ten aanzien waarvan belanghebbende zich bewust moet zijn geweest dat daardoor een zowel verhoudingsgewijs als op zichzelf beschouwd aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. De Inspecteur heeft immers onbestreden gesteld dat de niet aangegeven binnenlandse spaartegoeden € 65.313 bedragen, en daarnaast was belanghebbende in 2012 eigenaar van een tweetal onroerende zaken in [K] en [I] , waarvan de vastgestelde WOZ-waarden ten tijde van bedoelde brief € 156.000 respectievelijk € 161.000 bedroegen. Voorts heeft belanghebbende, naar de Inspecteur onbestreden heeft gesteld, in de periode 2011-2014 jaarlijks rente ontvangen van de in België gevestigde [L] Bank NV, welke rente in 2012 € 3.144 bedroeg, hetgeen het vermoeden rechtvaardigt dat zij bij deze bank een aanzienlijk tegoed aanhield. De verschuldigde belasting over enkel de binnenlandse bankrekening en de onroerende zaken bedraagt € 4.274 (=(waarde vermogensbestanddelen € 377.313 minus het heffingvrije vermogen van € 21.139) * het forfaitair rendement van 4% * het tarief van 30%).

6.8.

De conclusie uit het vorenstaande luidt dat belanghebbende de op grond van artikel 8, eerste lid, AWR vereiste aangifte niet heeft gedaan. Op grond van artikel 27e, eerste lid, AWR dient de rechter in dat geval het beroep ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

6.9.

De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur evenwel niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. De Inspecteur heeft de correctie in de eerste plaats gebaseerd op de uit de administratie van de Belastingdienst blijkende bedragen op de binnenlandse bankrekeningen van belanghebbende, de WOZ-waarden van de onroerende zaken in [K] en [I] en de rente-inkomsten van de [L] Bank. Uitgaande van de ontvangen rente van € 3.144 heeft de Inspecteur het banksaldo geschat op € 150.000, hetgeen, naar het Hof opmerkt, correspondeert met een verondersteld rentepercentage van ca. 2,1 percent. In de tweede plaats heeft de Inspecteur de waarde van buitenlands vermogen in de vorm van onroerend goed geschat op € 183.000. De Inspecteur heeft voorts nog aangevoerd dat belanghebbende op 11 maart 2013 een onroerende zaak in

[M] heeft gekocht voor € 135.000, dat het saldo op de binnenlandse bankrekeningen ultimo 2013 € 225.131 bedroeg en de ontvangen rente van de [L] Bank € 1.956, terwijl verder geen noemenswaardige wijzigingen zijn opgetreden in belanghebbendes inkomens- en vermogenspositie.

Gelet op de bekende waarden van de binnenlandse bezittingen in 2012, de bekende rente-inkomsten in 2012 en 2013 van de [L] Bank, de door belanghebbende niet bestreden aankoop van de onroerende zaak in [M] in 2013 en het saldo van de binnenlandse bankrekeningen ultimo 2013, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de correctie onredelijk of willekeurig is vastgesteld.

6.10.

Het is aan belanghebbende, voor zover zij de juistheid van de door de Inspecteur gebruikte gegevens of de juistheid anderszins van diens schatting betwist, daarvoor (tegen)bewijs te leveren op de in artikel 27e van de AWR bedoelde wijze. Belanghebbende dient dus aan te tonen dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. In hoger beroep heeft belanghebbende een uitspraak van de gemeente [N] overgelegd, waaruit blijkt dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak te [K] is verminderd van € 161.000 naar € 83.000. De Inspecteur heeft daarom in zijn verweerschrift geconcludeerd dat belanghebbendes hoger beroep gegrond is omdat een te hoge waarde voor deze onroerende zaak in aanmerking is genomen en dat het belastbare inkomen in box 3 dienovereenkomstig moet worden verlaagd. Het Hof sluit zich daarbij aan. Voor het overige heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit overtuigend blijkt dat de aanslag onjuist is.

6.11.

Gelet op het voorgaande is de slotsom dat de onderhavige aanslag verminderd dient te worden tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.495 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 25.492 (€ 28.612 minus 4% van € 78.000).

Belastingrente

6.12.

Nu de aanslag moet worden verminderd, dient de bij de aanslag gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd.

6.13.

Het Hof ziet geen reden de in rekening gebrachte belastingrente verder te matigen, nu belanghebbende daarvoor geen gronden heeft aangevoerd.

Verzuimboete

6.14.

Indien de belastingplichtige de aangifte IB/PVV niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, AWR gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een verzuimboete kan opleggen (artikel 67a, eerste lid, in samenhang met artikel 9, derde lid, AWR). In dit geval heeft de Inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 369 opgelegd.

6.15.

Voor het opleggen van een verzuimboete op de voet van artikel 67a AWR is naar het oordeel van het Hof geen plaats indien belanghebbende niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Daarvoor is evenmin plaats indien de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, en de aanmaning de belastingplichtige ook anderszins niet heeft bereikt (HR 15 december 2006, nr. 41.882, ECLI:NL:HR:2006: AZ441, BNB 2007/112). Gelet op het hiervóór in rechtsoverwegingen 6.5 en 6.6 overwogene, is het Hof van oordeel dat belanghebbende zowel de uitnodiging tot het doen van aangifte over het onderhavige jaar als de herinnering en de aanmaning daartoe heeft ontvangen. Niettemin heeft belanghebbende verzuimd (tijdig) aangifte IB/PVV 2012 te doen. Een en ander brengt mee dat, nu de beboetbare gedraging als bedoeld in artikel 67a AWR zich heeft voorgedaan, de verzuimboete in zoverre terecht aan belanghebbende is opgelegd. Van een situatie van afwezigheid van alle schuld is, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, geen sprake. Het Hof acht een boete van € 369 passend en geboden voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan.

Dwangbevel

6.16.

In haar nadere stuk van 3 april 2017 tekent belanghebbende verzet aan tegen ‘elke vorm van tenuitvoerlegging’ van een dwangbevel uitgevaardigd met betrekking tot de aanslag IB/PVV die is opgelegd voor het jaar 2013. De onderhavige procedure ziet echter uitsluitend op de voor het jaar 2012 opgelegde aanslag IB/PVV en de daarbij gegeven beschikkingen met betrekking tot de belastingrente en de verzuimboete, zodat het Hof uitsluitend over die besluiten een beslissing kan nemen. Overigens wijst het Hof erop dat tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel geen beroep openstaat bij de belastingrechter doch uitsluitend verzet kan worden ingesteld bij de burgerlijke rechter. Bij het nadere stuk is voorts een op 1 april 2017 gedagtekende, en bij de Belastingdienst blijkens een op het stuk geplaatst stempel op 3 april 2017 ontvangen, brief met het opschrift ‘bezwaarschrift’ gevoegd, die betrekking heeft op zowel de bij evenbedoeld dwangbevel kennelijk in rekening gebrachte kosten van vervolging als op de aanslag IB/PVV 2013. Ook met betrekking tot het in deze brief aan de orde gestelde geldt dat dit buiten het bestek van de onderhavige procedure valt, zodat het Hof daarover geen beslissing kan nemen.

Slotsom

6.17.

Uit al het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van de belanghebbende gegrond is. Beslist dient te worden als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, nu van voor vergoeding op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

8.2.

De Inspecteur betoogt in zijn verweerschrift dat geen grond bestaat voor vergoeding van het griffierecht, omdat belanghebbende pas in hoger beroep het punt van de vermindering van de WOZ-waarde van de onroerende zaak te [K] heeft aangevoerd. Het Hof overweegt daarover als volgt. Indien de rechter het beroep gegrond verklaart, dient hij ingevolge artikel 8:74 Awb te bepalen dat het betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan. Anders dan bij een proceskostenveroordeling (artikel 8:75 Awb) en een veroordeling tot vergoeding van schade (artikel 8:88 Awb) is hierbij geen sprake van een aan de rechter toegekende bevoegdheid maar van een verplichting. Derhalve dient het aan belanghebbende voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.495 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 25.492;

  • -

    vermindert de bij de aanslag IB/PVV gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    handhaaft de boetebeschikking; en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 170 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. F.G.F. Peters, J.J.J. Engel en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 31 mei 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.