Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1592

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
22-002327-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2248
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 63 Sr. Levenslange gevangenisstraf. Bewezenverklaring in hoger beroep ter zake van poging tot ontvoering en twee pogingen tot zware mishandeling. In verband met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht komt het hof niet tot strafoplegging gelet op niet-onherroepelijk vonnis waarbij de verdachte is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-002327-14

Parketnummer: 09-711522-12

Datum uitspraak: 7 juni 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 mei 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 24 mei 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, met dat opzet (tezamen en in vereniging met één of meerdere anderen):

- met een of meer door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) bestuurde auto('s), een auto waarin die [slachtoffer 1] zich bevond heeft achtervolgd en/of (vervolgens) - de auto('s) waarin hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich bevond(en) (achter de auto waarin die [slachtoffer 1] zich bevond) heeft stil gezet, en/of (vervolgens) - op die [slachtoffer 1] (die was uitgestapt) is afgelopen en/of die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of geschopt en/of geslagen en/of met een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] heeft geduwd/getrokken in de richting van een of meer (andere) auto's en/of heeft geschreeuwd dat die [slachtoffer 1] met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) mee moest komen en/of de/een auto in moest gaan, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.
hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Vaillantlaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het door verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl een of meer van hen waren voorzien van een of meer vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), benaderen van en/of (dreigend) toelopen op en/of opdringen aan die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) het duwen tegen en/of trekken aan het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of het schoppen en/of trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of het met een of meer vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), althans (een) hard(e) voorwerp(en) slaan op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of het slaan en/of stompen tegen/op het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer 1];

3.
hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee, althans een wapen(s) van categorie III (te weten een revolver en/of een of meerdere pisto(o)l(en) (van het merk Luger, 9mm) voorhanden heeft gehad;

4.
hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te Leiden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 2] (motoragent van politie Haaglanden) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk als bestuurder van een auto accelererend en/of met (relatief) hoge/verhoogde snelheid achteruit is (in)gereden op/in de richting van die [slachtoffer 2] (die op dat moment op zijn motor zat (welke hij, [slachtoffer 2], op enige afstand achter de auto van verdachte had stilgezet) en/of op het punt stond om van die motor af te stappen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te Leiden, althans in Nederland, [slachtoffer 2] (motoragent politie Haaglanden) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een auto met (relatief) hoge/verhoogde snelheid (achteruit) op die [slachtoffer 2] ingereden/afgereden;

5.
hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te Leiden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 3], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet zals bestuurder van een auto accelererend en/of met (relatief) hoge/verhoogde snelheid vooruit is (in)gereden op/in de richting van die [slachtoffer 3] (die op dat moment in zijn auto zat, welke auto (van [slachtoffer 3]) op enige afstand vóór de auto van verdachte stil stond), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te Leiden, althans in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een auto met (relatief) hoge/verhoogde snelheid (vooruit) op die [slachtoffer 3] ingereden/afgereden;

6.
hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk:

a. a) een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

b) een motorfiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Politie Haaglanden, (telkens) in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk

a. a) met zijn (verdachtes), althans een auto, in te rijden op de auto van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], althans accelererend en/of met (relatief) hoge/verhoogde snelheid tegen de auto van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] aan te rijden en/of

b) met zijn (verdachtes), althans een auto, (met (relatief) hoge, althans verhoogde snelheid) (achteruit) op die motorfiets in te rijden, althans (accelererend) tegen die motorfiets aan te rijden;

7.
hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te Leiden, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (auto) betrokken bij een of meerdere verkeersongeval(len), of door wiens gedraging een of meerdere verkeersongeval(len) was/waren veroorzaakt op de Europaweg, de plaats van het/de ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongeval(len) naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan (de motor en/of auto van) een ander (te weten [slachtoffer 2] en/of Politie Haaglanden en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]) letsel en/of schade was toegebracht;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.

De beoordeling van de tenlastelegging

Op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op zaterdag 13 oktober 2012, omstreeks 6.59 uur, is er een melding binnengekomen bij de meldkamer 112 over een incident op de Vaillantlaan in Den Haag. Daarbij werd een kenteken [kentekennummer/kentekennummer] genoemd, naar later bleek behorende bij een grijze Seat Ibiza.1 Het slachtoffer van het incident is naar het Westeinde Ziekenhuis gebracht. Aldaar bleek het te gaan om [slachtoffer 1].2

[slachtoffer 1] (hierna ook: de aangever) heeft verklaard te zijn achtervolgd door een auto terwijl hij samen met zijn vriendin, de getuige [getuige 1], in een taxi zat. Op de Vaillantlaan stapte [slachtoffer 1] uit de taxi en liep hij naar de auto die hen volgde. Daar sprak hij met een jongen die uit een zwarte auto stapte, waarna hij door die jongen en vervolgens ook door meerdere andere mannen werd aangevallen. [slachtoffer 1] zag drie vuurwapens. Eén vuurwapen werd tegen zijn borstkas gedrukt en met één vuurwapen werd hij op zijn hoofd geslagen. Hij werd meerdere malen geslagen en ook werd hij door de mannen getrapt. Ze probeerden hem in de richting van een auto te trekken. [slachtoffer 1] werd tegen de bestuurderskant van een auto, een Seat, gezet en de mannen probeerden hem in de auto te krijgen. [slachtoffer 1] hoorde de mannen zeggen: “Ga in de auto of we schieten je neer”. [slachtoffer 1] is uiteindelijk niet in de auto terechtgekomen. Hij lag op de grond toen hij zag dat de mannen in de auto’s stapten en wegreden.3

Als gevolg van dit geweld zijn bij [slachtoffer 1] meerdere verwondingen geconstateerd, zoals bloeduitstortingen op zijn hoofd en een wond bij zijn linker wenkbrauw.4

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij samen met [slachtoffer 1] in een taxi zat toen er een zwarte auto achter hen aanreed. Zij vertelde [slachtoffer 1] dat zij werden gevolgd en [slachtoffer 1] is daarop uit de taxi gestapt en naar de auto gelopen die hen achtervolgende. [getuige 1] zag dat [slachtoffer 1] door een Marokkaanse jongen werd meegetrokken naar achteren. Achter de zwarte auto was ook een grijze Seat gestopt. Uit de auto’s kwamen meerdere jongens die met [slachtoffer 1] in gevecht raakten en aan hem begonnen te trekken. [getuige 1] heeft verder verklaard dat zij een pistool in de hand van één van de mannen zag. [slachtoffer 1] werd met het vuurwapen op zijn hoofd geslagen. Ook heeft zij verklaard dat er een revolver in zijn buik werd geduwd. De jongens probeerden [slachtoffer 1] in de grijze auto te sleuren. Uiteindelijk zag [getuige 1] dat de mannen stopten met slaan, instapten en wegreden met de zwarte auto en de grijze Seat.5


De verklaringen van de aangever en de getuige [getuige 1] worden ondersteund door de verklaringen van de getuige [getuige 2], de chauffeur van de taxi waarin zij zich bevonden. De getuige [getuige 2] heeft onder meer verklaard dat hij het meisje tegen de jongen hoorde zeggen dat zij gevolgd werden. Op de hoek van de Vaillantlaan en de Hoefkade zei de jongen dat de taxi moest stoppen, omdat hij wilde kijken of ze gevolgd werden. De getuige zag vervolgens dat er een zwarte auto achter hem stond. Daarachter stond een grijze Seat. De jongen stapte uit en liep naar de Seat. Er stond een man bij de jongen. Daarna kwamen er 3 of 4 jongens bij. Er ontstond een vechtpartij en de jongen kreeg klappen. De getuige hoorde het meisje zeggen dat ze pistolen hadden. Bij het wegrijden van de auto’s zag de getuige dat de Seat geen kenteken aan de achterzijde had. De taxichauffeur heeft de jongen vervolgens naar het Westeinde ziekenhuis gebracht.6

Vervolgens heeft er op 13 oktober 2012 vrijwel meteen hierna, iets na 7.00 uur, op de Europaweg in Leiden een verkeersincident plaatsgevonden, waarbij er door de bestuurder van een grijze Seat met kenteken [kentekennummer] twee aanrijdingen zijn veroorzaakt en waarbij deze bestuurder van de plaats van het ongeval is weggerend.

Opsporingsambtenaar [slachtoffer 2] heeft daaromtrent het volgende verklaard. [slachtoffer 2] bevond zich op 13 oktober 2012, tussen 7.00 en 7.10 uur, op het Schenkviaduct in Den Haag toen hij zag dat een grijze auto, waarvan het kenteken begon met [kentekennummer], een verkeersovertreding beging. In de auto bevonden zich drie of vier personen. [slachtoffer 2] wilde de bestuurder aanspreken en is achter de grijze auto aangereden. De auto reed de Utrechtsebaan (Hof: de A12) op en reed vervolgens met hoge snelheid op de A4 in de richting van Amsterdam. Na een achtervolging zag [slachtoffer 2] dat de grijze auto stilstond en dat de kentekenplaat aan de achterzijde van de auto was verwijderd. Alleen de bestuurder zat nog in de auto. De auto reed weer weg en [slachtoffer 2] zette wederom de achtervolging in. Toen de grijze auto weer stopte en stilstond heeft [slachtoffer 2] zijn dienstmotor op ongeveer 20 meter afstand neergezet. [slachtoffer 2] wilde van zijn motor afstappen om de bestuurder staande te houden toen hij zag dat de auto ineens achteruit in zijn richting begon te rijden. Hij voelde een harde klap. De auto bleef achteruit rijden en hij schoof [slachtoffer 2] met motor en al achterwaarts weg. Nadat [slachtoffer 2] meerdere waarschuwingsschoten had gelost, reed de auto vooruit weg. Op ongeveer 20 meter vóór de grijze auto was inmiddels een andere auto gestopt. De grijze auto reed vol gas tegen de achterzijde van deze auto aan. [slachtoffer 2] hoorde een harde klap en zag dat de bestuurder uit de grijze auto kwam. De bestuurder rende de weg over en vluchtte in de bosschages weg.7

De bestuurder van de auto waartegen de grijze Seat is aangereden, bleek aangever [slachtoffer 3] te zijn. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 13 oktober 2012, omstreeks 7.00 uur, in een personenauto reed toen hij een personenauto en een motoragent zag rijden op de Europaweg. [slachtoffer 3] zag de personenauto en de motoragent vervolgens op de rechterrijstrook stilstaan, of althans langzaam rijden. De motoragent had zijn motor nog tussen zijn benen en was bezig om van zijn motor af te stappen toen [slachtoffer 3] zag dat de personenauto hard achteruit reed in de richting van de motoragent. De achterzijde van de personenauto kwam vervolgens hard tegen de voorzijde van de motor aan. De motor viel op de grond. [slachtoffer 3] zette zijn personenauto ook stil, kort voor de plek waar de andere personenauto stilstond. Toen hij in zijn achteruitkijkspiegel keek, zag hij de personenauto hard naar voren rijden. Vervolgens voelde en hoorde hij dat hij hard van achteren werd aangereden. Als gevolg van de aanrijding schoot zijn auto naar voren. De bestuurder van de betreffende auto stapte zijn auto uit, stak de weg over en rende richting de bosschages.8

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte één van de personen is geweest die [slachtoffer 1] - al dan niet met een vuurwapen - heeft geslagen en geschopt en heeft geprobeerd om hem met geweld in een auto te manoeuvreren (feit 1, 2 en 3) en of de verdachte op de Europaweg te Leiden de bestuurder van de desbetreffende Seat is geweest (feit 4, 5, 6 en 7).

Oordeel van het hof

Ten aanzien van de feiten met betrekking tot het incident op de Europaweg

De vraag is of de verdachte bij dit incident de bestuurder van de Seat Ibiza is geweest. Daarvoor bestaan diverse aanwijzingen.

a. de airbag

De airbag van de bestuurdersplaats is uitgebreid door het NFI onderzocht.9 Uit dit onderzoek komt naar voren dat op diverse plekken DNA-materiaal, matchend met dat van de verdachte, is aangetroffen.

Daarnaast zijn ook diverse sporen aangetroffen met DNA-mengprofielen. Op grond van hetgeen het NFI ten aanzien een aantal geformuleerde hypotheses (I tot en met VI) met betrekking tot deze mengprofielen heeft gerelateerd,10 neemt het hof aan dat ook deze mengprofielen DNA-materiaal, overeenkomend met dat van de verdachte, bevatten.

Uit de samenvatting van de onderzoeksresultaten11 begrijpt het hof dat een relatief prominente hoeveelheid DNA van de verdachte op de airbag is aangetroffen, en dat van het aangetroffen DNA van onbekenden geen relatief prominente hoeveelheid van één onbekende persoon is aangetroffen.

Het NFI heeft een aantal overwegingen geformuleerd,12 waar hier kortheidshalve naar wordt verwezen.

Vervolgens heeft het NFI de onderzoeksresultaten geëvalueerd onder hypotheses op activiteitenniveau.13

Hypothese 1: de verdachte was de bestuurder bij het uitklappen van de airbag. In dit verband heeft het NFI overwogen:

  • -

    De kans om onder deze hypothese een relatief grote hoeveelheid DNA van de verdachte aan te treffen in meerdere bemonsteringen van de airbag (waaronder een bemonstering van de voorzijde met een aanwijzing voor de aanwezigheid van speeksel) wordt beoordeeld als groot tot zeer groot.

  • -

    De kans om onder deze hypothese DNA van onbekende personen (“achtergrond-DNA”) aan te treffen in meerdere bemonsteringen van de airbag wordt beoordeeld als betrekkelijk groot.

Hypothese 2: een onbekend persoon was de bestuurder bij het uitklappen van de airbag en de verdachte was geen inzittende van de auto. Hij reed wel als bestuurder (met bebloede handen en gezicht) in de auto op 5 of 12 oktober 2012 en was tevens 3 tot 4 keer bijrijder in de auto. In dit verband heeft het NFI overwogen:

  • -

    De kans om onder deze hypothese een relatief grote hoeveelheid DNA van de verdachte aan te treffen in meerdere bemonsteringen van de airbag (waaronder bemonsteringen waarin géén bloed is aangetroffen en een bemonstering van de voorzijde met een aanwijzing voor de aanwezigheid van speeksel) wordt beoordeeld als zeer klein.

  • -

    De kans om onder deze hypothese in géén van de bemonsteringen van de airbag (waaronder een bemonstering met een aanwijzing voor speeksel) een relatief grote hoeveelheid DNA van een onbekende persoon aan te treffen wordt beoordeeld als klein.

  • -

    De kans om DNA van onbekende personen (“achtergrond-DNA”) aan te treffen in meerdere bemonsteringen van de airbag wordt beoordeeld als betrekkelijk groot.

De conclusie van het NFI is dat de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en het DNA-onderzoek worden beoordeeld als veel waarschijnlijker onder hypothese 1 dan onder hypothese 2.

b. de Blackberry: de gebruiker

Op de bestuurdersstoel van de Seat Ibiza is een Blackberry aangetroffen. Met betrekking tot deze mobiele telefoon is nader onderzoek verricht.

Uit het onderzoek is gebleken dat de gebruiker van deze Blackberry voor het pingen het gebruikers-ID [gebruikers-ID] heeft en de naam [Ping-naam] daarbij gebruikt. Aan dit pin-ID is een foto gekoppeld van een persoon die herkend wordt als de verdachte.14

Op 24 januari 2013 is de verdachte in een ander onderzoek (13Ebetsu) aangehouden. Hij was toen in het bezit van een andere Blackberry. Uit onderzoek is gebleken dat 17 afbeeldingen (waaronder de foto van de pin-ID) zowel op de sd-kaart van de Blackberry van het onderhavige onderzoek als in de Blackberry in het 13Ebetsu-onderzoek zijn aangetroffen. Een aantal foto’s is waarschijnlijk met de Blackberry van het onderhavige onderzoek gemaakt.15

Uit onderzoek blijkt verder het volgende.16

Op 23 september 2012 geeft de gebruiker van de Blackberry in een pingcontact als zijn/haar nummer op: [telefoonnummer].

Op 12 oktober 2012 vindt een pingsessie plaats tussen de gebruiker van de Blackberry en een pincontact met het pin-ID [getuige 3]. Uit politiegegevens kan worden opgemaakt dat dit pingcontact [getuige 3] is.

In oktober 2013 heeft [getuige 3] aangifte gedaan van diefstal van haar telefoon met nummer [telefoonnummer]. In het 13Ebetsu-onderzoek is dit nummer bekend als een tegennummer en vast contact van een nummer van de verdachte. Uit onderzoek is gebleken dat het nummer van [getuige 3] ([telefoonnummer]) achtereenvolgens contact heeft meerdere nummers die in dat onderzoek aan de verdachte worden toegeschreven, zonder overlap en aansluitend op elkaar. In de periode van 17 september 2012 tot en met 20 oktober 2012 is dit het nummer [telefoonnummer].

Op 25 juli 2014 is [getuige 3] als getuige gehoord. Zij is geconfronteerd met het pingcontact [Ping-naam] uit oktober 2012. Zij verklaarde daarop dat het pingcontact toendertijd een vriend van haar was en dat die vriend [voornaam] heet. Zijn achternaam begint met een [achternaam]. Zij wist dat “hij verdachte is”.17

In chatsessies tussen het pingcontact [Ping-naam] en het pingcontact [pingcontact] op 12 oktober 2012 en het pingcontact tussen [Ping-naam] en het pingcontact [getuige3] op 13 oktober 2012 wordt het pingcontact [Ping-naam] meerdere malen “[voornaam]” genoemd.18

Op grond van de hiervoor omschreven omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, concludeert het hof dat de verdachte op 13 oktober 2012 de gebruiker was van de in de Seat Ibiza aangetroffen Blackberry.

c. het nummer [telefoonnummer] van de verdachte, de locatie en de contacten

Op 13 oktober 2012 van 07.36 uur (dus kort na het moment dat de bestuurder van de Seat Ibiza op de Europaweg in Leiden is weggevlucht) tot en met 08.48 uur had het nummer [telefoonnummer] (in gebruik bij de verdachte, zie hiervoor onder b.) 40 inkomende en uitgaande contacten met verschillende telefoonnummers. Hierbij maakte de telefoon met dit nummer 35 maal gebruik van de zendmast aan de Apollolaan 570 te Leiden. Bij de andere 5 contacten waren geen zendmastgegevens aanwezig. Tot 09.16 uur is met dit nummer nog 17 maal contact geweest, waarvan 15 maal via deze zelfde zendmast in Leiden.19

Tussenconclusie hof

Het hof concludeert op grond van de hiervoor omschreven bevindingen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, dat de verdachte de bestuurder is geweest van de Seat Ibiza toen deze tegen de politieambtenaar [slachtoffer 2] reed en daarna tegen de auto van [slachtoffer 3], waarna hij wegvluchtte en getracht heeft met anderen telefonisch in contact te komen, naar het hof vermoedt, om hem op te halen.

Voorts moet nog worden beoordeeld of er ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde sprake is van een poging tot doodslag, dan wel een poging tot zware mishandeling. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er een aanmerkelijke kans bestond dat verbalisant [slachtoffer 2] als gevolg van de botsing zou komen te overlijden, nog daargelaten dat de verdachte zich van die kans bewust moet zijn geweest. Het hof zal de verdachte dan ook van de poging tot doodslag vrijspreken.

Gelet op de aard van de gedraging, namelijk het met een auto met enige snelheid inrijden op een persoon, is het hof evenwel van oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. De verdachte moet dat ook hebben begrepen en hij heeft die kans dus ook op de koop toegenomen. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat sprake is van een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2].

Dit laatste geldt ook ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] (feit 5). Immers ook het hard inrijden op een auto met een inzittende kan, naar de verdachte ook moet hebben begrepen, gemakkelijk tot zwaar lichamelijk letsel van die inzittende leiden.

Ten aanzien van de feiten met betrekking tot het incident op de Vaillantlaan

Naar het oordeel van het hof kan worden vastgesteld (zie hiervoor) dat de verdachte op 13 oktober 2012 de bestuurder is geweest van de grijze Seat Ibiza met het kenteken [kentekennummer] toen deze in Leiden op de Europaweg tegen de motor van een politieambtenaar aanreed en vervolgens tegen een andere auto botste.

Op grond van de waarnemingen van het gebeurde op de Vaillantlaan en de meteen daarop gedane waarnemingen van politieambtenaar [slachtoffer 2] die de auto op het Schenkviaduct in Den Haag, en vervolgens op de A12 en aansluitend op de A4 richting Amsterdam heeft zien rijden, kan naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat de in Leiden aangetroffen Seat Ibiza dezelfde auto was als de auto die even tevoren betrokken was bij het incident op de Vaillantlaan. Daarbij is van belang dat de getuige [getuige 2], zoals hiervoor vermeld, heeft verklaard dat hij heeft gezien dat op de achterkant van de grijze Seat geen kentekenplaat zat, terwijl [slachtoffer 2] dit ook heeft verklaard. Dit wordt daarnaast ook nog bevestigd door de omstandigheid dat aan de Seat Ibiza in Leiden diverse bloedsporen van slachtoffer [slachtoffer 1] zijn aangetroffen.20 Er zijn wel aanwijzingen dat onderweg enkele personen de auto hebben verlaten (verbalisant [slachtoffer 2] zag aanvankelijk 3 of 4 personen in de auto zitten, bij aankomst op de Europaweg was er nog slechts één inzittende, de bestuurder), maar er is geen enkele aanwijzing dat onderweg ook van bestuurder is gewisseld. Op grond daarvan neemt het hof aan dat de verdachte ook bij het wegrijden van de Seat Ibiza vanaf de Vaillantlaan de bestuurder van de auto was, en dat hij dus bij het incident op de Vaillantlaan aanwezig was. Niet vastgesteld kan worden of hij ook met deze Seat dan wel als inzittende van de andere (zwarte) auto op de Vaillantlaan is aangekomen, maar dat is ook niet van belang. Uit de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer 1], de getuige [getuige 1] en de getuige [getuige 2] kan wel worden afgeleid dat hij met één van deze twee auto’s daar is gekomen. Zij spreken immers over geweld door personen die uit deze twee auto’s kwamen en die met deze auto’s weer wegreden, niet over personen die zich ter plaatse bij hen gevoegd hebben.

De vraag is vervolgens of de verdachte heeft deelgenomen aan de geweldplegingen tegen het slachtoffer [slachtoffer 1] op een zodanige wijze dat hij als medepleger van dat geweld kan worden aangemerkt. Indien de verdachte daar slechts aanwezig is geweest als chauffeur van de auto en tijdens de geweldplegingen in de auto is blijven zitten en verder niets vastgesteld kan worden omtrent zijn rol en wetenschap, is dat, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad, onvoldoende om hem als medepleger te kunnen aanmerken.

De verdachte is door niemand herkend als aanwezige bij het incident op de Vaillantlaan. Het slachtoffer [slachtoffer 1] en de getuige [getuige 1] zijn geconfronteerd met een foto van de verdachte, maar zij hebben verklaard de verdachte niet te herkennen. Ook anderszins bevat het dossier geen directe concrete aanwijzingen in de vorm van verklaringen of waarnemingen waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte één van de personen was die, toen de aangever uit de taxi was gestapt, ook is uitgestapt en samen met de anderen geweld heeft gebruikt tegen de aangever en/of geprobeerd heeft de aangever in de auto te krijgen.

Voor een meer actieve betrokkenheid bij het geweld zouden aanwijzingen gevonden kunnen worden in de omstandigheid dat later sporen met DNA, overeenkomend met dat van [slachtoffer 1], in en aan de Seat Ibiza zijn aangetroffen. Uit de diverse rapportages maakt het hof op dat [slachtoffer 1] (mogelijk) betrokken is bij de volgende sporen:

- bloed op de airbag21;

- bloed op diverse plaatsen aan de buitenzijde van de auto22;

- bloed op de linkerzijde van het dashboard23;

- bloed op de Blackberry op de bestuurdersstoel24;

- bloed op het stuur25.

Het hof neemt aan dat de aan de buitenzijde van de auto aangetroffen bloedsporen daar zijn gekomen door de gewelddadige schermutseling op de Vaillantlaan. Deze sporen zeggen niets over de vraag of de verdachte feitelijk aan het geweld heeft meegedaan. Ditzelfde kan ook gelden voor het bloedspoor op de linkerzijde van het dashboard, nu niet uitgesloten kan worden dat [slachtoffer 1] die plek heeft aangeraakt toen hij zich verzette terwijl zijn belagers het betreffende autoportier al hadden opengedaan. Ten aanzien van het spoor op het stuur geldt dat het om een complex mengprofiel gaat waarvan de frequentie om die reden niet is berekend. Er is derhalve onvoldoende zekerheid of [slachtoffer 1] aan dit spoor heeft bijgedragen.

Resteert het bloed op de airbag en op telefoon die bij de verdachte in gebruik was.

Airbag AAFA3394NL#01: Naast het hoofdprofiel van de verdachte zijn DNA-nevenkenmerken van minimaal twee personen aangetroffen; [slachtoffer 1] kan niet worden uitgesloten als celdonor.26

Airbag AAFA3394NL#03: Het betreft een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen, de verdachte, [slachtoffer 1] en minimaal één andere persoon. De op dit spoor toegepaste hypothese dat het monster celmateriaal van de verdachte, van [slachtoffer 1] en van één of twee willekeurige onbekende personen bevat is meer dan een miljoen keer waarschijnlijker dan de hypohese dat de bemonstering celmateriaal bevat van de verdachte en van twee of drie willekeurige onbekende personen.27

Airbag AAFA3394NL#06 (bloed): DNA-mengprofiel van twee personen, de verdachte en [slachtoffer 1]. De matchkans is één op honderd miljoen. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-mengprofiel is kleiner dan één op één miljard (inclusiekans).28

Blackberry AAFA1569NL#01 (bloed): het DNA-profiel komt overeen met dat van [slachtoffer 1].29

Op grond van de bevindingen van het NFI met betrekking tot deze sporen gaat het hof ervan uit dat de sporen AAFA1569NL#01, Airbag AAFA3394NL#03 en Airbag AAFA3394NL#06, alsmede Blackberry AAFA1569NL#01 DNA-materiaal van het slachtoffer [slachtoffer 1] bevatten en aldus van hem afkomstig zijn.

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier geen enkele aanwijzing dat die sporen op de airbag anders dan door toedoen van de verdachte daar zijn gekomen.

De verdediging heeft geopperd dat de op de airbag aangetroffen sporen van de verdachte mogelijk niet daarop terecht zijn gekomen door aanwezigheid van de verdachte tijdens de bewuste rit met de auto, maar bijvoorbeeld door het transport van de auto na het incident waardoor de uitgeklapte airbag in contact is gekomen met plekken in de auto waar deze sporen reeds aanwezig waren. Het NFI heeft met betrekking hiertoe geconcludeerd dat de kans dat onder andere door transport van de auto overdracht van sporen naar andere plaatsen op de airbag kan plaatsvinden, als betrekkelijk groot wordt beoordeeld, maar ook dat de kans dat celmateriaal volledig wordt verplaatst naar andere locaties als klein wordt beoordeeld.30 Het hof is van oordeel dat de (hiervoor weergegeven) door de verdediging opgeworpen mogelijkheid tegen deze achtergrond als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven en, gelet op voormelde onderzoeksresultaten, dat de sporen op de airbag door de verdachte in de auto zijn achtergelaten.

Ten aanzien van het door de verdachte opgeworpen alternatieve scenario

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in de grijze Seat Ibiza met kenteken [kentekennummer] heeft gereden, maar niet ten tijde van de gebeurtenissen op de Vaillantlaan en de Europaweg. De verdachte heeft verklaard dat hij op één van de twee vrijdagen voorafgaand aan zaterdag 13 oktober 2012 naar Cabaret in Delft was geweest en daar een glas in zijn gezicht heeft gekregen, waardoor er bloed op zijn gezicht zat. In de auto heeft hij dit van zijn gezicht geveegd, terwijl hij scheef en met zijn voeten buiten de auto op de bestuurdersstoel zat. Dit kan volgens de verdachte het bloed op de dorpel verklaren. Ten aanzien van de Blackberry, waarin op de geheugenkaart foto’s van de verdachte staan, heeft de verdachte verklaard dat hij in die periode geen telefoon in zijn bezit had. Hij maakte gebruik van telefoons van vrienden waarmee hij onder andere in contact kon komen met zijn broertje. Op die telefoons van zijn vrienden stonden een aantal foto’s van hem.31

De verdachte heeft, zo blijkt uit zijn hiervoor weergegeven verklaring, aldus gesteld dat de in de Seat Ibiza aangetroffen van hem afkomstige bloedsporen en dactyloscopische sporen niet op 13 oktober 2012 maar eerder in de auto terecht zijn gekomen. Hij heeft immers niet op 13 oktober 2012 maar wel eerder in de auto gezeten.

Het hof is van oordeel dat een dergelijk opgeworpen alternatief scenario met grote behoedzaamheid moet worden beoordeeld. De verdachte heeft zijn verklaring immers pas gegeven toen hem alle resultaten van het sporenonderzoek bekend waren en hij dus precies wist voor welke sporen van hem een verklaring werd verwacht. Voor de juistheid van dit scenario bevat het dossier geen enkele concrete aanwijzing, integendeel, bij de politie is niets bekend van de door de verdachte genoemde vechtpartij waarbij hij letsel zou hebben opgelopen, waar toch zeker een mutatie-notitie verwacht zou mogen worden.32 Daarmee is het scenario echter niet per se ondenkbaar. Naar het oordeel van het hof is het niet onmogelijk dat de verdachte eerder in de bewuste auto heeft gezeten en daar sporen heeft achtergelaten. Het hof is echter van oordeel dat hij in elk geval ook op 13 oktober 2012 inzittende van de auto is geweest, en wel als bestuurder. Het hof verwijst hiervoor naar hetgeen eerder met betrekking tot de airbag is overwogen en met name naar de bevinding van het NFI dat, kort gezegd, bij het uitklappen van de airbag van de bestuurder een relatief grote hoeveelheid DNA op de airbag zou moeten worden aangetroffen, hetgeen ten aanzien van de verdachte wél en ten aanzien van een onbekende persoon niet het geval is. Nu de aanwezigheid van de verdachte in de auto op 13 oktober 2012 niet uitsluit dat hij ook eerder in de auto heeft gezeten, zal het hof de van de verdachte aangetroffen sporen als de bloeddruppel op de dorpel, de dactyloscopische sporen op het pakje Roosvicee en de DNA-sporen op een flesje Sinas verder buiten beschouwing laten.

Conclusie hof

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt het vorengaande de gevolgtrekking dat de verdachte actief aan het geweld tegen het slachtoffer heeft meegedaan, waardoor hij materiaal van het slachtoffer op zich of op zijn kleding heeft gekregen, welk materiaal vervolgens in de auto als sporenmateriaal is achtergelaten. Dit zou, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan niet is gebleken, niet zijn gebeurd indien de verdachte tijdens de schermutselingen zich afzijdig zou hebben gehouden door bijvoorbeeld slechts in de auto te blijven zitten.

Nu niet duidelijk is of de verdachte bij het geweld een vuurwapen heeft gehanteerd of op de hoogte was van de aanwezigheid van een of meer vuurwapens bij de mededaders, acht het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor feit 3 (verboden wapenbezit).

Slotsom

Op grond van al het bovenstaande, tezamen en in onderling verband bezien, komt het hof tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard hetgeen aan de verdachte onder de feiten 1, 2, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 ten laste is gelegd. Van feit 3 dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan, gelet op al het vorenstaande, niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 13 oktober 2012 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, met dat opzet tezamen en in vereniging met anderen:

- met door hem, verdachte, en/of zijn mededaders bestuurde auto's, een auto waarin die [slachtoffer 1] zich bevond heeft achtervolgd en vervolgens - de auto's waarin hij, verdachte, en zijn mededaders zich bevonden achter de auto waarin die [slachtoffer 1] zich bevond heeft stil gezet, en vervolgens - op die [slachtoffer 1] die was uitgestapt is afgelopen en die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en geschopt en geslagen en met een vuurwapen op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en die [slachtoffer 1] heeft getrokken in de richting van een auto en heeft geschreeuwd dat die [slachtoffer 1] de auto in moest gaan, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
2.
hij op 13 oktober 2012 te 's-Gravenhage, met anderen, op de openbare weg, Vaillantlaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het door verdachte en zijn mededaders, terwijl een of meer van hen waren voorzien van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, benaderen van en toelopen op die [slachtoffer 1] en vervolgens het trekken aan het lichaam van die [slachtoffer 1] en trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en het met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp slaan op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en het slaan tegen/op het lichaam en/of hoofd van die [slachtoffer 1];

4.
hij op 13 oktober 2012 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 2] (motoragent van politie Haaglanden) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk als bestuurder van een auto accelererend en met (relatief) hoge snelheid achteruit is ingereden op die [slachtoffer 2] die op dat moment op zijn motor zat (welke hij, [slachtoffer 2], op enige afstand achter de auto van verdachte had stilgezet) en op het punt stond om van die motor af te stappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


5.
hij op 13 oktober 2012 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer 3], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een auto accelererend en met (relatief) hoge snelheid vooruit is ingereden op die [slachtoffer 3] die op dat moment in zijn auto zat, welke auto (van [slachtoffer 3]) op enige afstand vóór de auto van verdachte stil stond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


6.
hij op 13 oktober 2012 te Leiden, opzettelijk en wederrechtelijk:

a. a) een auto, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en

b) een motorfiets, toebehorende aan de Politie Haaglanden, heeft beschadigd door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk

a. a) met zijn (verdachtes), althans een auto, tegen de auto van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] aan te rijden en

b) met zijn (verdachtes), althans een auto,(achteruit) tegen die motorfiets aan te rijden;

7.
hij op 13 oktober 2012 te Leiden, als bestuurder van een motorrijtuig (auto) betrokken bij meerdere verkeersongevallen, de plaats van de ongevallen heeft verlaten, terwijl bij die ongevallen naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan de motor en auto van een ander (te weten Politie Haaglanden en [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]) schade was toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen, als in de voetnoten vervat, zijn weergegeven en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen,

meermalen gepleegd.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Bij de vraag of aan de verdachte straf dient te worden opgelegd heeft het hof gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 13 oktober 2012 samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot ontvoering van en openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer 1]. De verdachte en zijn mededaders hebben de taxi waarin [slachtoffer 1] zich bevond met een tweetal auto’s, waaronder een Seat Ibiza, gevolgd. Nadat [slachtoffer 1] op de Vaillantlaan in Den Haag uit de taxi was gestapt, hebben de verdachte en zijn mededaders, die vuurwapens bij zich hadden, [slachtoffer 1] geslagen en geschopt en hebben zij geprobeerd om [slachtoffer 1] één van de auto’s in te trekken. Dat is uiteindelijk niet gelukt.

Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Feiten als de onderhavige worden door slachtoffers bovendien als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt ook welke ingrijpende gevolgen het gebeurde voor [slachtoffer 1] heeft gehad en nog steeds heeft. Door dit geweld op de openbare weg te plegen hebben de verdachte en zijn mededaders bovendien bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving als geheel.

Nadat de ontvoering van [slachtoffer 1] was mislukt zijn de verdachte en zijn mededaders er met de twee auto’s vandoor gegaan. De verdachte heeft zich vervolgens, als bestuurder van een van de auto’s, de Seat Ibiza, schuldig gemaakt aan een viertal andere strafbare feiten.

Tijdens de autorit vanaf de Vaillantlaan werd door motoragent [slachtoffer 2] een verkeersovertreding geconstateerd, waarop hij de bestuurder van de betreffende auto, de verdachte, staande wilde houden. Op de Europaweg in Leiden heeft [slachtoffer 2] daarop zijn motor achter de auto van de verdachte stilgezet. De verdachte heeft zijn auto vervolgens in zijn achteruit gezet en is met relatief hoge snelheid tegen de motor van die [slachtoffer 2] gereden. Intussen had slachtoffer [slachtoffer 3], die het incident had gezien, zijn auto vóór de auto van de verdachte stilgezet. De verdachte heeft vervolgens gas gegeven en is met zijn auto tegen de achterzijde van de auto van [slachtoffer 3] gereden.

Met dit handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3]. Dat zij daarbij niet gewond zijn geraakt, is geenszins aan de verdachte te danken. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Bovendien zijn de motor van [slachtoffer 2] en de auto van [slachtoffer 3] beschadigd geraakt en heeft de verdachte aldus financiële schade en overlast veroorzaakt.

De verdachte is na de aanrijding met [slachtoffer 2] en vervolgens met [slachtoffer 3] uit zijn auto gestapt en is weggerend. Aldus heeft hij de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit prijs te geven. Zodoende heeft de verdachte getracht zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de gevolgen van zijn handelen te ontlopen. Ook dit rekent het hof de verdachte aan.

Gezien de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden alleszins gerechtvaardigd is.

Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu er tussen het instellen van het hoger beroep door de officier van justitie op 28 mei 2014 en het wijzen van dit arrest op 7 juni 2017 een periode van meer dan 24 maanden is gelegen. Gelet op deze termijnoverschrijding is het hof van oordeel dat in plaats van voormelde straf een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren gerechtvaardigd is.

Het hof heeft echter ook acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte bij (niet onherroepelijk) vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2015 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Nu de verdachte, zoals vermeld, bij vonnis van 1 mei 2015 en aldus ná het begaan van de thans bewezen verklaarde feiten, is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf is het hof gehouden rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht brengt in dezen met zich mee dat de hiervoor genoemde straf niet kan worden opgelegd.

Het hof komt mitsdien niet toe aan het opleggen van voormelde gevangenisstraf.

Het hof is voorts van oordeel dat, tegen de achtergrond van de opgelegde levenslange gevangenisstraf, met de door de advocaat-generaal gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid geen redelijk met de strafoplegging beoogd doel gediend is, zodat het hof de gevorderde ontzegging niet zal opleggen.

Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft mr. F.C. Knoef zich als gemachtigde van [slachtoffer 1] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële (€ 547,-) en immateriële (€ 1.500,-) schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een bedrag van in totaal € 2.047,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot een bedrag van € 1.000,- ter zake de gevorderde immateriële schadevergoeding en ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding tot een bedrag zoals ter terechtzitting in eerste aanleg door de officier van justitie geëist.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, in die zin dat de vordering tot vergoeding van materiële schade dient te worden gematigd.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 547,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.547,-, met rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, met rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 850,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet inhoudelijk betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 primair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 850,-, met rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, met rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

Kosten

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 141, 282, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verstaat dat geen gevangenisstraf meer kan worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.547,- (duizend vijfhonderdzevenenveertig euro) bestaande uit

€ 547,- (vijfhonderdzevenenveertig euro) materiële schade en € 1.000,- (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.547,- (duizend vijfhonderdzevenenveertig euro) bestaande uit € 547,- (vijfhonderdzevenenveertig euro) materiële schade en

€ 1.000,- (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 850,- (achthonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 850,- (achthonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. I.P.A. van Engelen,

in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juni 2017.

1 Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, d.d. 21 november 2012 met nr. 2012219481, p. ZD/VAIL/AH/1 e.v. en een proces-verbaal van bevindingen van de politie Hollands Midden, d.d. 13 oktober 2012, met nr. PL1644 2012151832-5, p. ZD/VAIL/AH/9.

2 Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, d.d. 13 oktober 2012 met nr. PL1511 2012219481-2, p. ZD/VAIL/AH/7.

3 Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] van de politie Haaglanden, d.d. 13 oktober 2012 met nr. PL1512 2012219481-1, p. ZD/VAIL/A/1, een proces-verbaal van verhoor aangever van de politie Haaglanden, d.d. 13 oktober 2012, p. ZD/VAIL/A/ 7 en een proces-verbaal van verhoor aangever (nader) van de politie Haaglanden, d.d. 24 oktober 2012, p. ZD/VAIL/A/13-14.

4 Een geschrift, zijnde een aanvraagformulier medische informatie d.d. 1 november 2012, p. ZD/VAIL/A/5.

5 Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] van de politie Haaglanden, d.d. 13 oktober 2012, met nr. PL1512 2012219481-3, p. ZD/VAIL/G/1-2 en een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van de politie Haaglanden, d.d. 13 oktober 2012, p. ZD/VAIL/G/ 8-9.

6 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van de politie Haaglanden, d.d. 14 oktober 2012, p. ZD/VAIL/G/39 en een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van de politie Haaglanden, d.d. 31 oktober 2012 met nr. 2012219481, p. ZD/VAIL/G/48-49.

7 Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van de politie Hollands Midden, d.d. 13 oktober 2012, p. ZD/EURO/A/1-3.

8 Een proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 3] van de politie Hollands Midden, d.d. 13 oktober 2012 met nr. PL1643 2012151832-2, p. ZD/EURO/A/7-8.

9 NFI rapport d.d. 30 september 2016 (op verzoek van de raadsheer-commissaris).

10 NFI rapport vorige voetnoot, pag. 7.

11 NFI rapport vorige voetnoot, pag. 13.

12 NFI rapport vorige voetnoot, pag. 13.

13 NFI rapport vorige voetnoot, pag. 14-15.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2014, nummer 20123322178, pag. 2 bovenaan. Dit proces-verbaal is gevoegd bij het schrijven van de advocaat-generaal d.d. 18 mei 2015 Aanvullend onderzoek in hoger beroep.

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2014, nummer 2012332178, onderzoek 13Ebetsu, pag. 3 midden. Dit proces-verbaal is gevoegd bij het schrijven van de advocaat-generaal d.d. 18 mei 2015 Aanvullend onderzoek in hoger beroep.

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2014, nummer 2012332178, onderzoek 13Ebetsu, pag. 2 en 3. Dit proces-verbaal is gevoegd bij het schrijven van de advocaat-generaal d.d. 18 mei 2015 Aanvullend onderzoek in hoger beroep.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 augustus 2014, nummer 2012332178, onderzoek 13Ebetsu. Dit proces-verbaal is gevoegd bij het schrijven van de advocaat-generaal d.d. 18 mei 2015 Aanvullend onderzoek in hoger beroep. Alsmede: aanvullend proces-verbaal d.d. 26 januari 2016, nummer 2012219481, onderzoek Opala, uitwerking van voornoemd verhoor van 25 juli 2014.

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2014, nummer 2012219481, onderzoek Opala, pag. 3 bovenste helft. Dit proces-verbaal is gevoegd bij het schrijven van de advocaat-generaal d.d. 18 mei 2015. Aanvullend onderzoek in hoger beroep.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2015, nummer 2012219481, onderzoek Opala/ 15B1312450, pag. 2 en 3. Dit proces-verbaal is gevoegd bij het schrijven van de advocaat-generaal d.d. 18 mei 2015. Aanvullend onderzoek in hoger beroep.

20 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 4 maart 2013, nr. 2012151832-15, opgenomen in het dossier Forensisch Technisch Onderzoek nr. II en NFI rapport d.d. 31 mei 2013.

21 Rapport NFI d.d. 30 september 2016, pag. 5.

22 Rapport NFI d.d. 31 mei 2013, m.b.t. AAFA5505/5506/5507/5510/5512/5514NL, pag.2.

23 Rapport NFI d.d. 13 mei 2013, m.b.t. AAFA5509NL#01, pag. 1.

24 Rapport NFI d.d. 19 oktober 2012, m.b.t. AAFA1569NL#01, pag. 7 en 9.

25 Rapport NFI d.d. 30 september 2016, pag. 5.

26 Rapport NFI d.d. 26 april 2013, pag. 1.

27 Rapport NFI d.d. 30 september 2016, m.b.t. AAFA3394NL#03, pag. 5 en 8.

28 Rapport NFI d.d. 30 september 2016, m.b.t. AAFA3394NL#06, pag. 5 en 6.

29 Rapport NFI d.d. 19 oktober 2012, m.b.t. AAFA1569NL#01, pag. 7 en 9.

30 Rapport NFI d.d. 30 september 2016, pag. 14 bovenaan.

31 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 mei 2014.

32 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2015, nr. 2012219481. Dit proces-verbaal is gevoegd bij het schrijven van de advocaat-generaal d.d. 18 mei 2015.