Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1539

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2017
Datum publicatie
01-06-2017
Zaaknummer
22-001504-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artt. 255, 300 en 304 Sr. Mishandeling van zijn kinderen. Kleineren en op hun kamer opsluiten is psychische mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0502
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001504-16

Parketnummer: 09-857117-15

Datum uitspraak: 31 mei 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 maart 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedag] 1970,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg op 2 maart 2016 en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 23 december 2016, 10 januari 2017, 11 januari 2017, 25 april 2017 en 26 april 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 5 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2017 medegedeeld dat het hoger beroep zich niet richt tegen de vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde.

Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling in hoger beroep van het onder 5 ten laste gelegde. Het hof zal de officier van justitie daarom, gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv), in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en zodoende mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing evenwel geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Omvang van het hoger beroep

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het inhoudelijke oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

Feit 1.

Primair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) van het leven te beroven, met dat opzet die [kind 1] (terwijl die [kind 1] (reeds) een fysiek slechte conditie had)

- in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur, althans ruimte, heeft laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) heeft laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- gedurende geruime tijd, zonder voldoende warme kleding, buiten de woning in de kou heeft gezet en/of heeft laten staan en/of heeft laten lopen

waardoor zij, die [kind 1], in een toestand van ernstige onderkoeling en/of levensbedreigende onderkoeling en/of een comateuze toestand is gekomen en/of zij een hartstilstand heeft gekregen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan zijn kind, te weten [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 1] onder meer

- laten fietsen terwijl die [kind 1] duizelig en/of verzwakt was en zij meermalen met haar fiets ten val kwam en/of

- in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur, althans ruimte, laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- gedurende geruime tijd, zonder voldoende warme kleding, buiten de woning in de kou gezet en/of laten staan en/of laten lopen en/of

- (terwijl die [kind 1] ernstig verzwakt was) haar rondjes laten lopen om een vrachtwagen op een ongelijke met stenen bezaaide bodem waarbij zij meermalen ten val is gekomen

waardoor zij, die [kind 1], in een toestand van ernstige onderkoeling en/of een comateuze toestand is gekomen en/of zij een hartstilstand heeft gekregen en/of een subgaleaal hematoom heeft opgelopen en/of een blijvend litteken op haar borstkas heeft bekomen;

meer subsidiair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, zijn kind, te weten [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 1]

- laten fietsen terwijl die [kind 1] duizelig en/of verzwakt was en zij meermalen met haar fiets ten val kwam en/of

- in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur, althans ruimte, laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- gedurende geruime tijd, zonder voldoende warme kleding, buiten de woning in de kou gezet en/of laten staan en/of laten lopen en/of

- (terwijl die [kind 1] ernstig verzwakt was) haar rondjes laten lopen om een vrachtwagen op een ongelijke met stenen bezaaide bodem waarbij zij meermalen ten val is gekomen

ten gevolge waarvan die [kind 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten ernstige onderkoeling en/of een hartstilstand en/of een comateuze toestand en/of een subgaleaal hematoom en/of een blijvend litteken op de borstkas, althans pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording is veroorzaakt;

Feit 2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 6 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, en/of Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens zijn kind, te weten [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 1] onder meer

- onder een koude douche gezet en/of laten staan en/of

- in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur laten slapen en/of verblijven, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) laten slapen en/of verblijven, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 1] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd haar behoefte in de kamer/ruimte te doen) en/of

- gekleineerd en/of denigrerend toegesproken

waardoor die [kind 1] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij haar is veroorzaakt;

Feit 3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk als vader van [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002), tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij (als haar vader) krachtens wet of overeenkomst verplicht was, die [kind 1] meermalen (telkens) in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door met dat opzet, terwijl de lichamelijke toestand van [kind 1] (steeds) verder verslechterde, na te laten ten behoeve van de gezondheid van die [kind 1] (tijdig)

- maatregelen te treffen om haar lichaamstemperatuur te verhogen en/of

- passende medische zorg in te roepen,

waardoor die [kind 1] in een hulpeloze toestand werd gebracht en/of gelaten, ten gevolge waarvan die [kind 1] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en/of is toegebracht, te weten ernstige onderkoeling en/of een hartstilstand en/of het geraken in een comateuze toestand en/of een subgaleaal hematoom en/of een blijvend litteken op de borstkas;

Feit 4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 januari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens zijn kind, te weten [kind 2] (roepnaam [kind 2]), geboren [geboortedag] 2000, opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 2] onder meer

- geruime tijd (gedurende enkele uren) in een korte broek, althans onvoldoende warme kleding, buiten gezet/ gelaten, terwijl de buitentemperatuur tussen de 0 en 8 graden Celsius was en/of

- zijn mond met (duct)tape dicht/afgeplakt en/of

- (minutenlang) gedwongen zijn plas op te houden, althans die [kind 2] ervan weerhouden naar het toilet te kunnen gaan en/of

- opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 2] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd zijn behoefte in de kamer/ruimte te doen) en/of

- gekleineerd en/of denigrerend toegesproken

waardoor die [kind 2] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij hem is veroorzaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het bestreden vonnis

Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Algemene overwegingen

1 Feiten en omstandigheden

Het hof gaat bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende feiten en omstandigheden.

16 februari 2015 en de dagen daarna

Op 16 februari 2015 rond 09.27 uur belt de verdachte [de medeverdachte] (hierna: [de medeverdachte]) het alarmnummer 112. Zij meldt dat bij haar thuis in Roelofarendsveen een 12-jarig meisje, genaamd [kind 1], slecht aanspreekbaar is en moeilijk ademhaalt.

Hulpverleners komen ter plaatse. Zij treffen een meisje aan dat op de grond op een dekbed ligt. Ze voelt koud aan en heeft geen hartslag. Er wordt direct begonnen met reanimatie. De reanimatie wordt voortgezet in de ambulance op weg naar het Leidsch Universitair Medisch Centrum (verder: LUMC).

In het LUMC wordt de reanimatie overgenomen door het team van het LUMC. Ook wordt daar de temperatuur van [kind 1] gemeten (tussen 10.24 en 10.40 uur). Deze blijkt 23 graden Celsius te zijn.

Na een uur en drie kwartier reanimeren is nog geen herstel van de hartslag opgetreden. Daarom wordt besloten [kind 1] naar de operatiekamer te brengen. Daar wordt ze geopereerd en aan de hart-longmachine aangesloten om haar langzaam, in comateuze toestand, te kunnen opwarmen.

In de dagen daarna wordt [kind 1] buiten bewustzijn gehouden met een lichaamstemperatuur van 35 graden. In deze periode herstellen de neurologische functies snel. Na verder te zijn behandeld op de afdeling intensive care en de kinderafdeling wordt [kind 1] in maart 2015 uit het ziekenhuis ontslagen.

Voorgeschiedenis

Periode 2000 t/m januari 2015

Op [geboortedag] 2000 wordt uit het huwelijk van de medeverdachte [de verdachte] (hierna: [de verdachte]) en [de moeder] (hierna: de moeder) een zoon geboren, roepnaam [kind 2], en op [geboortedag] 2002 een dochter, roepnaam [kind 1].1

In 2003 ontstaat een relatie tussen [de verdachte] en [de medeverdachte].

Op 6 januari 2005 wordt de echtscheiding tussen [de verdachte] en de moeder uitgesproken. Er komt co-ouderschap.2

[de verdachte] en [de medeverdachte] trouwen op 6 oktober 2006.3 Na een doodgeboren kindje krijgen ze in 20084, 20095 en 20116 drie zoons.

Er zijn veel conflicten tussen de moeder enerzijds en [de verdachte] en [de medeverdachte] anderzijds. De ouders communiceren niet constructief.7

Op 5 oktober 2005 wordt de eerste zorgmelding over [kind 2] gedaan.8

In de jaren daarna nemen de zorgen over [kind 2] toe en ontstaan ook zorgen over [kind 1]. Hulpverlening in een vrijwillig kader is niet toereikend.9

Op 1 september 2009 volgt een ondertoezichtstelling van beide kinderen.10

In april 2011 worden [kind 2] en [kind 1] bij [de verdachte] en [de medeverdachte] geplaatst omdat de moeder uit haar huis dreigt te worden gezet.11

In juli 2013 wordt vastgesteld dat [kind 2] en [kind 1] lijden onder de jarenlange strijd tussen beide ouders.12

Op 7 oktober 2013 wordt de ondertoezichtstelling van [kind 1] niet verder verlengd, hoewel Jeugdzorg dat wel nodig vindt.13

In maart 2014 ziet de kinderarts [kind 1].14 De glutenwaardes in haar bloed blijken matig verhoogd.15 In 2003 was bij [kind 1] al de diagnose coeliakie (een chronische darmaandoening met intolerantie voor gluten) gesteld.16

Vanaf november 2014 ziet de leerkracht van [kind 1] haar steeds magerder worden. Ouders van andere kinderen komen vanaf januari 2015 naar de leerkrachten toe en maken zich ook zorgen. Sommige ouders hebben haar zien vallen met de fiets.17

De kinderarts ziet [kind 1] op 28 januari 2015 omdat [de medeverdachte] zich zorgen maakt over het eetgedrag van [kind 1]. [de medeverdachte] heeft de indruk dat [kind 1] gluten eet. De kinderarts constateert dat [kind 1] iets is aangekomen. Er is geen sprake meer van een verhoging van de glutenwaarden in het bloed. De kinderarts zal een verwijzing naar Cardea regelen omdat [de medeverdachte] zegt dat het thuis lastig is.18

Periode 7 t/m 16 februari 2015

[kind 1] valt op zaterdag 7 februari 2015 thuis van de eerste verdieping naar de begane grond van de trap omdat ze duizelig is. Haar teen bloedt en ze klaagt dat alles pijn doet.

Op zondag 8 februari 2015 is [kind 1] ’s morgens een beetje duizelig. Na het eten voelt ze zich goed.

’s Middags gaat [kind 1] op de fiets naar een supermarkt, de Plus, om glutenvrij brood te halen. Het is koud. Onderweg vraagt ze een buurman om hulp. Ze zegt dat ze is gevallen. Ze lijkt onderkoeld en ze vertelt dat ze duizelig is. De buurman ziet haar nogmaals vallen. Hij doet die middag een melding bij Veilig Thuis.

Bij de Plus vraagt [kind 1] opnieuw hulp: ze is duizelig en kan bijna niet meer op haar benen staan. Ze lijkt het heel erg koud te hebben. [de verdachte] en [de medeverdachte] worden gebeld en komen naar de Plus. Ze laten [kind 1] terugfietsen naar huis.

Op maandag 9 februari 2015 geeft [kind 1] op school aan dat ze duizelig is.

De volgende dag, dinsdag 10 februari 2015, zegt de leerkracht van [kind 1] tegen [de verdachte] en [de medeverdachte] dat ze zich zorgen maakt om [kind 1] omdat ze zo mager en wit is en duizelig is. Ze stelt voor zelf een arts te bellen. [de verdachte] en [de medeverdachte] vinden dat niet nodig omdat er al contact met de kinderarts is. De duizeligheid is volgens hen vooral aandacht vragen.

Op woensdag 11 februari 2015 valt een andere leerkracht op dat [kind 1] er heel slecht uitziet. Ze is mager en wit en lijkt heel afwezig en apathisch.

Op donderdag 12 februari 2015 meldt [de medeverdachte] [kind 1] ziek. Ze is volgens [de medeverdachte] ingestort. Ze kan niet meer op haar benen staan.

[de medeverdachte] belt met de assistente van de kinderarts en zegt dat het steeds slechter gaat met [kind 1]. Ze vraagt of er al iets bekend is over de verwijzing naar Cardea. De kinderarts zal terugbellen.

’s Middags loopt [kind 1] rondjes om de vrachtwagen van [de verdachte]. Ze valt en wordt door [de verdachte] overeind geholpen.

Op vrijdag 13 februari 2015 kan [kind 1] niet zelfstandig naar beneden en gaat ze zittend de trap af.

Rond 9.00 uur maakt [de medeverdachte] een filmpje, waarop te zien is dat [kind 1] onvast ter been is en dat haar hele lichaam trilt.

[kind 1] loopt die dag 15 tot 20 minuten rondjes rond de vrachtwagen van [de verdachte]. Ze valt. Ze kan niet meer zelf overeind komen.

Op zondag 15 februari 2015 loopt [kind 1] weer buiten rondjes. Ze valt weer. Na een paar rondjes houdt ze zich vast aan een stoel. Ze is die dag volgens [de medeverdachte] niet zoals ze normaal is. Ze is zwakker dan normaal.

[kind 1] gaat na het avondeten naar boven. Enige tijd later roept ze [de medeverdachte]. Haar bed en kleren zitten onder de poep. Ze is rillerig en koud en een beetje afwezig. Ze wordt onder de douche gezet. Na de douche is ze nog steeds koud. Ze zit te rillen.

Een getuige ziet als [kind 1] onder de douche staat dat ze met haar handen tegen de muur van de douche leunt. [kind 1] ziet er beroerd uit en kan haar evenwicht niet houden, ze kan niet blijven staan. Het duurt een uur voordat [kind 1] iets zegt; voor die tijd is ze voornamelijk stil met alleen een klein kreungeluidje.

De getuige ziet ook dat de rug van [kind 1] bont en blauw is en dat ze een grote schaafwond op haar rug heeft die aan het helen is met korsten. Haar handen zijn na het douchen koud. Ze staat onstabiel op haar benen en gaat zittend de trap af.

Na het douchen drinkt [kind 1] een flesje astronautenvoeding en eet ze een stukje gebak. Ze is aanvankelijk traag in haar bewegingen. Na iets te hebben gedronken gaat het beter. Het trillen houdt op. Getuige [getuige 1] vertrekt rond 22.00 uur naar huis.

[de verdachte] komt die avond twee keer thuis van zijn werk om te pauzeren, de tweede keer rond 22.30 uur. Hij drinkt dan koffie en gaat weer aan het werk. [de verdachte] komt rond 2.00 uur weer thuis en gaat rond 02.30 uur naar bed.

Op maandag 16 februari 2015 brengt [de medeverdachte] de drie jongste kinderen naar school. Rond 8.50 uur is ze weer thuis. Ze voert tot 9.19 uur een telefoongesprek.

[de medeverdachte] belt rond 9.27 uur 112.

De problemen van [kind 2] en [kind 1]

Uit de hulpverleningsgeschiedenis blijkt dat [kind 2] en [kind 1] gedurende vele jaren knel hebben gezeten tussen aan de ene kant hun moeder en aan de andere kant [de verdachte] en [de medeverdachte].

Bij beide kinderen is een lage intelligentie vastgesteld.19

Onderzoek heeft uitgewezen dat [kind 2] PDD-NOS heeft.20

Ook is bij hem de diagnose ADHD gesteld.21

[kind 1] heeft een glutenallergie (coeliakie).22

Op de problemen die de twee kinderen hadden hebben de verdachten regelmatig met bijzondere opvoedingsmethodes gereageerd. Daarvan getuigen onder meer filmpjes die de verdachten van [kind 2] en [kind 1] hebben gemaakt. Uit die filmpjes blijkt dat [kind 2] werd gedwongen zijn plas op te houden en dat [kind 1] werd gedwongen te eten. Beide kinderen zijn op de filmpjes hevig overstuur.23

Een van de hulpverleners heeft opgemerkt dat de straffen echt idioot fors en buiten proportie waren. Volgens haar was er zeker sprake van psychische mishandeling.24

Het hof acht gelet hierop aannemelijk dat de wijze waarop [de verdachte] en [de medeverdachte] omgingen met [kind 2] en [kind 1] ertoe heeft bijgedragen dat hun problemen alleen maar groter zijn geworden. Dat de situatie thuis van invloed was op het gedrag van bijvoorbeeld [kind 2] blijkt ook uit het feit dat de gedragsproblemen die zich thuis voordeden elders niet of nauwelijks werden gezien.

De hulpverlening

In een periode van bijna vijfeneenhalf jaar (gerekend tot 16 februari 2015) zijn acht gezinsvoogden in het gezin van [de verdachte] en [de medeverdachte] werkzaam geweest. Drie keer vond een wisseling van gezinsvoogd plaats (mede) naar aanleiding van klachtgesprekken met [de medeverdachte] en [de verdachte] en een steeds stroever lopende samenwerking met de gezinsvoogd. De meeste gezinsvoogden zijn korter dan een jaar in het gezin werkzaam geweest.

Ook andere hulpverleners zijn niet langer dan een aantal maanden in het gezin werkzaam geweest.25

De houding van [de verdachte] en met name [de medeverdachte] ten opzichte van de hulpverlening droeg eraan bij dat de hulpverleners omzichtig te werk gingen. [de medeverdachte] voelde zich snel aangevallen, zegt een van de hulpverleners.26 Een ander zegt dat er heel lang moest worden meegegaan in het perspectief van [de medeverdachte] voordat er weer iets kon worden gezegd over de kinderen.27 Meerdere gezinsvoogden verklaren dat [de verdachte] en [de medeverdachte] meewerkten zolang ze iets nodig hadden. Als de hulp werd ingezet of als het weer rustig was haakten ze af.28 Gesprekken met de kinderen werden soms afgehouden.29

2 De verklaring van [kind 1]

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat – zakelijk weergegeven – de verklaring van [kind 1] niet als bewijs kan dienen, omdat deze onvoldoende betrouwbaar is.

Het hof is van oordeel dat de verklaring die [kind 1] op 28 december 2016 heeft afgelegd, gelet op alle omstandigheden, waaronder de nog jonge leeftijd van [kind 1] en het tijdsverloop, met behoedzaamheid moet worden beoordeeld. Voor uitsluiting van het bewijs is evenwel geen reden voor zover deze verklaring in voldoende mate steun vindt in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen.

Aan de betrouwbaarheid van de verklaring draagt naar het oordeel van het hof bij dat [kind 1] tijdens het verhoor herhaaldelijk antwoordt op vragen dat zij zich iets niet herinnert. Daaruit leidt het hof af dat [kind 1] zorgvuldig is geweest bij het geven van haar antwoorden. Bovendien heeft [kind 1] niet uitsluitend belastend verklaard ten aanzien van de verdachte en de medeverdachte, maar eveneens op onderdelen ontlastend.

Vrijspraken

1. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Het primair ten laste gelegde

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde

Het hof is van oordeel dat de verdachte eveneens van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Hiertoe overweegt het hof dat de betrokkenheid van de verdachte ten aanzien van de handelingen zoals ten laste gelegd onder het tweede en het derde gedachtestreepje niet voldoende is komen vast te staan.

Verder bestaat er naar het oordeel van het hof geen causaal verband tussen de handelingen zoals ten laste gelegd onder het eerste, het vierde en het vijfde gedachtestreepje en het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel.

Het meer subsidiair ten laste gelegde

Het hof is verder van oordeel dat de verdachte van de handelingen zoals ten laste gelegd onder het tweede, het derde en het vierde gedachtestreepje van het meer subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof dat ook ten aanzien van deze onderdelen van de tenlastelegging de betrokkenheid van de verdachte niet wettig en overtuigend is komen vast te staan.

2. Gedeeltelijke vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Het hof is van oordeel dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde ten dele dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof ten aanzien van de handelingen zoals ten laste gelegd onder het eerste en het tweede gedachtestreepje dat de verklaring van [kind 1] op deze onderdelen niet (voldoende) wordt ondersteund door ander bewijs, zodat niet is voldaan aan het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, Sv. Het gaat daarbij – samengevat – om het onder een koude douche zetten en het in een garage of schuur laten slapen.

3. Gedeeltelijke vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

Het hof heeft uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3, eerste gedachtestreepje, ten laste gelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, zijn kind, te weten [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 1]

- laten fietsen terwijl die [kind 1] duizelig en/of verzwakt was en zij meermalen met haar fiets ten val kwam en/of

- in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur, althans ruimte, laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- gedurende geruime tijd, zonder voldoende warme kleding, buiten de woning in de kou gezet en/of laten staan en/of laten lopen en/of

- (terwijl die [kind 1] ernstig verzwakt was) haar rondjes laten lopen om een vrachtwagen op een ongelijke met stenen bezaaide bodem waarbij zij meermalen ten val is gekomen,

ten gevolge waarvan die [kind 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten ernstige onderkoeling en/of een hartstilstand en/of een comateuze toestand en/of een subgaleaal hematoom en/of een blijvend litteken op de borstkas, althans pijn en/of letsel heeft bekomen en/of bij die [kind 1] een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording is veroorzaakt;

Feit 2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 6 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, en/of Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens zijn kind, te weten [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002), opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 1] onder meer

- onder een koude douche gezet en/of laten staan en/of

- in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur laten slapen en/of verblijven, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

- in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) laten slapen en/of verblijven, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen,

waardoor bij die [kind 1] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij haar is veroorzaakt,

en/of

- opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 1] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd haar behoefte in de kamer/ruimte te doen) en/of

- gekleineerd en/of denigrerend toegesproken;

Feit 3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk als vader van [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002), tot wierns onderhoud, verpleging of verzorging hij (als haar vader) krachtens wet of overeenkomst verplicht was, die [kind 1] meermalen (telkens) in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door met dat opzet, terwijl de lichamelijke toestand van [kind 1] (steeds) verder verslechterde, na te laten ten behoeve van de gezondheid van die [kind 1] (tijdig)

- maatregelen te treffen om haar lichaamstemperatuur te verhogen en/of

- passende medische zorg in te roepen,

waardoor die [kind 1] in een hulpeloze toestand werd gebracht en/of gelaten, ten gevolge waarvan die [kind 1] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en/of is toegebracht, te weten ernstige onderkoeling en/of een hartstilstand en/of het geraken in een comateuze toestand en/of een subgaleaal hematoom en/of een blijvend litteken op de borstkas;

Feit 4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 januari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens zijn kind, te weten [kind 2] (roepnaam [kind 2]), geboren [geboortedag] 2000, opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 2] onder meer

- geruime tijd (gedurende enkele uren) in een korte broek, althans onvoldoende warme kleding, buiten gezet/ gelaten, terwijl de buitentemperatuur tussen de 0 en 8 graden Celsius was en/of

- de zijn mond van die [kind 2] met (duct)tape dicht/afgeplakt en/of

- die [kind 2] (minutenlang) gedwongen zijn plas op te houden, althans die [kind 2] ervan weerhouden naar het toilet te kunnen gaan, en/of

- opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 2] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd zijn behoefte in de kamer/ruimte te doen) en/of

waardoor die [kind 2] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij hem is veroorzaakt,

en

- die [kind 2] opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 2] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd zijn behoefte in de kamer/ruimte te doen) en

- die [kind 2] gekleineerd en/of denigrerend toegesproken;

en

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 januari 2015 1 februari 2013 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander , althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens zijn kind, te weten [kind 2] (roepnaam [kind 2]), geboren [geboortedag] 2000, opzettelijk heeft mishandeld, immers hebben hij, verdachte en /of zijn mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 2] onder meer

- geruime tijd (gedurende enkele uren) in een korte broek, althans onvoldoende warme kleding, buiten gezet/gelaten, terwijl de buitentemperatuur tussen de 0 en 8 graden Celsius was, en/of

- zijn mond met (duct)tape dicht/afgeplakt en/of

- (minutenlang) gedwongen zijn plas op te houden, althans die [kind 2] ervan weerhouden naar het toilet te kunnen gaan en/of

- opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 2] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd zijn behoefte in de kamer/ruimte te doen) en/of

- gekleineerd en/of denigrerend toegesproken

waardoor die [kind 2] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij hem die [kind 2] is veroorzaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 2 en 4 ten laste gelegde kleineren en denigrerend toespreken en het opsluiten in een kamer waardoor [kind 2] en [kind 1] hun behoefte in die kamer moesten doen

De advocaat-generaal gaat er in haar requisitoir van uit dat het ten laste gelegde meermalen kleineren en denigrerend toespreken van [kind 1] en [kind 2] psychische mishandeling is. Zij stelt zich op het standpunt dat er voldoende termen zijn om deze vorm van mishandeling onder de werking van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) te laten vallen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daartegen aangevoerd dat het strafrecht op deze wijze te veel wordt opgerekt.

Het hof is van oordeel dat het kleineren en/of denigrerend toespreken van kinderen onder omstandigheden psychische mishandeling kan opleveren.

De wetgever heeft in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg en de Jeugdwet kindermishandeling als volgt gedefinieerd:

“Elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel”.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van genoemd artikel dat niet uitsluiten.

Hoewel in de wetsgeschiedenis van artikel 300 Sr niet wordt gesproken over de geestelijke gezondheid kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de wetgever ook dit belang beoogt te beschermen. In ieder geval biedt de in het vierde lid van artikel 300 Sr genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust, maar ook voor mishandelingen van psychische aard. Het hof is van oordeel dat niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr kan worden aangemerkt. Het komt aan op de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht of gemaakt.

In het onderhavige geval is er gedurende een langere periode sprake van een patroon van kleinerende en/of denigrerende opmerkingen. Gedragingen van de verdachte en de medeverdachte, zoals onder meer blijkend uit de filmpjes die zich in het dossier bevinden, kunnen als ondersteunend en versterkend worden aangemerkt voor het kleinerende en denigrerende karakter van de opmerkingen.

De deskundige dr. T.A.W. van der Schoot heeft over [kind 1] gerapporteerd dat de bejegening die zich in de thuissituatie heeft voorgedaan kan worden getypeerd als emotionele verwaarlozing, waaruit onder meer het gevoel ontstaat dat je gebrekkig, slecht, minderwaardig of waardeloos bent. Ten aanzien van [kind 2] heeft de deskundige gerapporteerd, dat [kind 2] vanwege zijn ontwikkelingsstoornis PDD-NOS, in combinatie met onder meer de bejegening in de begeleiding en opvoeding, een achterstand heeft opgelopen in de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Het hof acht op grond daarvan aannemelijk dat het kleineren en denigrerend toespreken van [kind 1] en [kind 2] heeft bijgedragen aan het ontstaan van psychische schade.

Ook ten aanzien van het regelmatig opsluiten van [kind 1] en [kind 2] in hun kamer waardoor zij hun behoefte in hun kamer moesten doen is dit het geval.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat hetgeen ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen en bovendien een strafbaar feit oplevert.

Voor zover de verdediging nog heeft betoogd dat het handelen van de verdachte jegens zijn kinderen vooral is ingegeven door pedagogische motieven is het hof van oordeel dat, in ieder geval waar het gaat om de ten laste gelegde en bewezen verklaarde handelingen, aan dat verweer voorbij dient te worden gegaan. Het hof heeft daarbij gelet op de vastgestelde overschrijding van strafrechtelijke normen, waardoor de grenzen van aanvaardbaar streng pedagogisch optreden in ieder geval zijn overschreden.

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en het overige onder 2 ten laste gelegde

De raadsvrouw van de verdachte heeft onder meer aangevoerd dat de verdachte geen opzet op de mishandelingen had, zodat hij van deze feiten moet worden vrijgesproken.

De verdachte heeft volgens de raadsvrouw voorafgaande aan het fietsen niet gemerkt dat [kind 1] koud, zwak of ziek was en [kind 1] wilde zelf terugfietsen.

Het rondjes laten lopen is gebeurd met de bedoeling de toestand van [kind 1] te verbeteren.

Ook met zijn opmerkingen richting [kind 1] heeft hij geen kwaad bedoeld.

Uit de waarnemingen van de getuigen die [kind 1] op 8 februari 2015 hebben gezien, zoals de buurman en de medewerkers van de Plus supermarkt, die [kind 1] hebben opgevangen, leidt het hof af dat ook aan de verdachte voldoende duidelijk moet zijn geweest dat zij niet in staat was om veilig te fietsen. Dat [kind 1] volgens de verdachten zelf terug wilde fietsen doet daaraan niet af.

Voorts leidt het hof uit de uiterlijke gedraging van het rondjes laten lopen in samenhang met de slechte gezondheidstoestand van [kind 1], waarvan de verdachte op de hoogte was, af, dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat [kind 1] zou komen te vallen en zich pijn zou doen en die kans op de koop heeft toegenomen.

Ten aanzien van het kleineren en denigrerend toespreken is het hof van oordeel dat met deze ook in de opvatting van de verdachte en de medeverdachte opzettelijke handelingen iedere grens van het gepretendeerde pedagogische motief is overschreden. Het hof acht opzet op de ten laste gelegde gedragingen aanwezig. Derhalve faalt het in dit opzicht gevoerde verweer.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (in hulpeloze toestand laten)

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat in de periode voorafgaand aan 16 februari 2015 diverse hulpverleners bij [kind 1] betrokken waren en dat geen van hen het advies heeft gegeven om met [kind 1] naar het ziekenhuis te gaan of haar medisch te laten onderzoeken. Ook de buurman en de medewerkers van de Plus supermarkt die [kind 1] op 8 februari 2015 zagen, hebben geen hulp ingeschakeld.

Het hof stelt vast dat buiten de verdachten niemand een volledig beeld had van de toestand van [kind 1] vanaf 7 februari 2015. Gezien de gebeurtenissen op zondag 8 februari 2015 kan het hen niet zijn ontgaan dat het niet goed ging met [kind 1]. Dat had hen zorgen moeten baren, temeer nu [kind 1] op 7 februari 2015 van de trap was gevallen. In ieder geval moet hen op dinsdag, toen de leerkracht van [kind 1] een arts wilde bellen, duidelijk zijn geweest dat de toestand van [kind 1] zorgelijk was. Pas op donderdag heeft de verdachte [de medeverdachte] een arts benaderd, maar toen de kinderarts niet direct terugbelde hebben de verdachten niet opnieuw contact gezocht met een arts. Op donderdag en op de dagen daarna kwam in contacten van de verdachten met de school, een vriendin en een nicht van de verdachte [de medeverdachte] de gezondheidstoestand van [kind 1] aan de orde. De verdachten vertelden dat er contact was met een arts en dat deze adviezen had gegeven.

Verder blijkt niet dat de verdachten in die week de hulpverleners in het gezin om hulp hebben gevraagd.

Deze gang van zaken zou kunnen verklaren waarom (behalve de buurman op zondag) verder niemand alarm heeft geslagen. Onder deze omstandigheden konden de verdachten dat ook niet van de omstanders verwachten. Overigens berust de verantwoordelijkheid om hulp in te roepen voor een kind, ook op grond van de wet, in de eerste plaats bij de tot verzorging verplichte ouder.

Het hof is van oordeel dat de situatie van [kind 1] in de week vanaf 7 februari 2015 zodanig zorgelijk was dat de verdachten ervoor hadden moeten zorgen dat [kind 1] gezien werd door een arts. Door dat niet te doen hebben de verdachten [kind 1] in een hulpeloze toestand gelaten.

Het hof acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De ernstige onderkoeling, de hartstilstand en het blijvend litteken op de borstkas worden door het hof niet aangemerkt als rechtstreekse gevolgen van het niet tijdig inroepen van medische hulp. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan derhalve niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat er geen bewijs is voor de lange periode die onder 4 is ten laste gelegd.

Naar het oordeel van het hof blijkt weliswaar uit de bewijsmiddelen niet precies wanneer de ten laste gelegde gedragingen zich hebben voorgedaan, maar wel dat deze in de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden. Het verweer faalt.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat met het laten ophouden van de plas door [kind 2] werd gepoogd de blaas van [kind 2] te trainen. Dit zou op advies van een arts zijn gebeurd.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken en ook niet aannemelijk is dat artsen hebben geadviseerd de blaastraining uit te voeren op de wijze zoals uit de bewijsmiddelen, onder meer de eerder genoemde filmpjes, blijkt.

Het hof gaat derhalve aan dit verweer voorbij.

Ten slotte heeft de raadsvrouw betoogd dat vrijspraak van het onder 4 ten laste moet volgen omdat de verdachten geen opzet hebben gehad op de mishandelingen. Zij zouden alleen verkeerde keuzes hebben gemaakt.

Het hof is ook ten aanzien van dit feit van oordeel dat het beroep op vrijspraak moet worden verworpen reeds omdat de verdachten de handelingen opzettelijk pleegden. Zij hebben daarbij de strafrechtelijke grens van het aanvaardbare zodanig overschreden dat hen ook anderszins geen beroep op enige rechtvaardiging of schulduitsluiting toekomt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het opzettelijk in hulpeloze toestand laten van iemand tot wier onderhoud en verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof, evenals de rechtbank, in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn kinderen [kind 1] en [kind 2], die bij hem en de medeverdachte [de medeverdachte] woonden, gedurende lange tijd mishandeld. Kindermishandeling is een zeer ernstige vorm van mishandeling. Daarnaast heeft de verdachte nagelaten medische zorg in te roepen voor [kind 1], terwijl haar lichamelijke conditie zeer zorgelijk was. Hoewel de verdachte uiteindelijk niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de levensbedreigende onderkoeling van [kind 1] acht het hof hetgeen de verdachte zijn kinderen heeft aangedaan zeer laakbaar. De verdachte zou als vader juist degene moeten zijn die zijn kinderen een veilige en geborgen omgeving biedt, waarin zij zonder angst kunnen opgroeien. De verdachte is in zijn rol als vader ernstig tekort geschoten.

Door het handelen van de verdachte is de ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2] zwaar onder druk komen te staan. Daarnaast is bekend dat de gevolgen van kindermishandeling nog zeer lang kunnen doorwerken en zich op verschillende manieren kunnen manifesteren, ook in het volwassen leven.

Evenals de rechtbank heeft gedaan houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de medeverdachte [de medeverdachte] de gang van zaken in het gezin in belangrijke mate bepaalde - waarin de verdachte schijnbaar zonder zelf veel na te denken meeging - maar dit kan nimmer het op deze ernstige wijze verwaarlozen van zijn zorgtaken rechtvaardigen.

In de samenleving roepen feiten als de onderhavige gevoelens van afschuw, geschoktheid en onbegrip op.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapportage van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 23 februari 2016, opgemaakt en ondertekend door P.G. Smits, psycholoog, en A.E. Grochowska, psychiater.

In dit rapport wordt geconcludeerd dat de verbale capaciteiten van de verdachte minder goed ontwikkeld zijn dan zijn andere cognitieve capaciteiten. Er zijn enige aanwijzingen voor emotionele verwaarlozing in de jeugd en een ontwikkelingsachterstand op sociaal en emotioneel gebied. Mede door zijn beperkte verbale cognitieve capaciteiten en emotionele tekorten is de verdachte minder goed in staat om zich te verplaatsen in anderen en af te stemmen op het gedrag van anderen. Hij heeft moeite om bij een ander affectieve behoeftes te herkennen, erop in te tunen en zijn gedrag erop af te stemmen, wat tevens naar voren komt in de interacties met zijn kinderen. Deze beperking is waarschijnlijk ook van invloed geweest op zijn (onzekere, passieve) invulling van de vaderrol. Er zijn geen aanwijzingen voor agressieregulatieproblemen.

Op basis van het onderzoek zijn er onvoldoende gronden om bij de verdachte de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zoals een persoonlijkheidsstoornis, vast te stellen.

De rapporteurs adviseren om de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Uit het meest recente reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 20 april 2017 blijkt dat de verdachte door zijn detentie noodgedwongen zijn bedrijf heeft moeten verkopen en dat hij, via een uitzendbureau, aan het werk is als grondwerker. De verdachte heeft uitzicht op het krijgen van zelfstandige woonruimte.

Voorts blijkt uit dit advies dat de Raad voor de Kinderbescherming op 27 maart 2017 bij de rechtbank een verzoek heeft ingediend om het gezag van de verdachte over zijn vijf kinderen te laten beëindigen.

Het hof heeft ten slotte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 april, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof komt tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd omdat het hof vrijspreekt van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Het hof acht geen gronden aanwezig voor de gevorderde gevangenneming van de verdachte en wijst die vordering dan ook af.

Vordering van de benadeelde partij [kind 1]

In eerste aanleg heeft [de moeder], de biologische moeder, als wettelijk vertegenwoordiger van [kind 1], zich als benadeelde partij gevoegd in het onderhavige strafproces. Zij heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, ten dele als voorschot, tot een bedrag van € 20.831,60, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder zijn de buitengerechtelijke kosten gevorderd.

Voor zover de vordering betrekking heeft op een voorschot merkt het hof deze aan als een vordering tot vergoeding van reeds geleden schade.

In hoger beroep heeft mr. M.J. Snijder, sinds 12 oktober 2016 bijzonder curator van [kind 1], deze vordering gehandhaafd, behalve ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de vordering van de

benadeelde partij van zeer complexe aard is en leidt tot onevenredige belasting van het strafproces. Voor zover het gaat om schade door de hartstilstand is de verdachte daarvoor niet verantwoordelijk. Ten aanzien van de andere schade kan niet worden vastgesteld dat deze is geleden en dat deze het rechtstreeks gevolg is geweest van handelingen van de verdachte.

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de gestelde materiële schade ter hoogte van € 831,60 een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak van de verdachte bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot het voormelde bedrag worden afgewezen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de eerder in dit arrest weergegeven conclusies van de deskundige dr. T.A.W. van der Schoot, klinisch psycholoog, aannemelijk is geworden dat er geestelijk letsel bij [kind 1] is ontstaan en dat dit letsel ten minste voor een deel het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.500,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [kind 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [kind 1].

Vordering van de benadeelde partij [kind 2]

In eerste aanleg heeft [de moeder], de biologische moeder, als wettelijk vertegenwoordiger van [kind 2], zich als benadeelde partij gevoegd in het onderhavige strafproces. Zij heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder zijn de buitengerechtelijke kosten gevorderd.

Voor zover de vordering betrekking heeft op een voorschot merkt het hof deze aan als een vordering tot vergoeding van reeds geleden schade.

In hoger beroep heeft mr. M.J. Snijder, sinds 12 oktober 2016 bijzonder curator van [kind 2], deze vordering gehandhaafd, met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de vordering van de

benadeelde partij van zeer complexe aard is en leidt tot onevenredige belasting van het strafproces. Niet kan worden vastgesteld dat de schade het rechtstreeks gevolg is geweest van handelingen van de verdachte.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de conclusies van de deskundige dr. T.A.W. van der Schoot, klinisch psycholoog, zoals eerder in dit arrest weergegeven, aannemelijk is geworden dat er geestelijk letsel bij [kind 2] is ontstaan en dat dit letsel ten minste voor een deel het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2014 (de datum waarop [kind 2] uit huis is geplaatst) tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [kind 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [kind 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 255, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de officier van justitie en de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [kind 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 831,60 (achthonderd eenendertig euro en zestig cent) aan materiële schade;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [kind 1], ter zake van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [kind 2] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [kind 2], ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

mr. S. van Dissel en mr. S.A.J. van 't Hul, in bijzijn van de griffier mr. A.D. Verhoeven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 mei 2017.

1 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2029).

2 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2030).

3 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2036).

4 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2041).

5 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2049).

6 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2067).

7 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina’s 2032 en 2034).

8 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2031).

9 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2045).

10 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2047).

11 Een geschrift, te weten een feitenrelaas d.d. 23 maart 2015 van Jeugdbescherming West (dossierpagina 1251 e.v.).

12 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2127).

13 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina’s 2028 en 2036).

14 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2150).

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] d.d. 3 maart 2015 (dossierpagina 983).

16 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, zaaknummer 2015.02.18.081, d.d. 28 oktober 2015, opgemaakt en ondertekend door de deskundige W.A. Karst, forensisch arts (pagina 9 van 20).

17 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 9] d.d. 19 februari 2015 (dossierpagina 467).

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] d.d. 3 maart 2015 (dossierpagina 980 e.v.).

19 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2148) en proces-verbaal van verhoor verdachte [de medeverdachte] d.d. 17 februari 2015 met proces-verbaalnummer 1 (dossierpagina 52).

20 Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2148).

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 28 oktober 2015 (pagina 4 van 5).

22 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, zaaknummer 2015.02.18.081, d.d. 28 oktober 2015, opgemaakt en ondertekend door de deskundige W.A. Karst, forensisch arts (pagina 9 van 20).

23 Proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpjes van [kind 1] 2 en 3) d.d. 12 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 345 (dossierpagina 2470 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpje van [kind 1] 4) d.d. 12 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 346 (dossierpagina 2473 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpje van [kind 1] 5) d.d. 15 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 348 (dossierpagina 2475 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpjes van [kind 2] 2 en 3) d.d. 29 september 2015 met proces-verbaalnummer 332 (dossierpagina 2481 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpje van [kind 2] 4) d.d. 29 september 2015 met proces-verbaalnummer 333 (dossierpagina 2483 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpjes van [kind 2] 6 en 7) d.d. 29 september 2015 met proces-verbaalnummer 336 (dossierpagina 2487 e.v.).

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 april 2015 met proces-verbaalnummer 201 (dossierpagina 2516).

25 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2015 met proces-verbaalnummer 224 (dossierpagina 1203 e.v.).

26 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 april 2015 met proces-verbaalnummer 201 (dossierpagina 2516).

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 25 maart 2015 met proces-verbaalnummer 169 (dossierpagina 1027).

28 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris d.d. 16 december 2015 (pagina 4 van 5); proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] bij de rechter-commissaris d.d. 27 oktober 2015 (pagina 6 van 7); proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] bij de rechter-commissaris d.d. 27 oktober 2015 (pagina 3 van 7).

29 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] bij de rechter-commissaris d.d. 27 oktober 2015 (pagina 2 van 7) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 25 maart 2015 met proces-verbaalnummer 169 (dossierpagina 1026).