Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1521

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-05-2017
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
BK-16/00303
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:4393, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende ook voor de schenking in 2014 recht heeft op de verhoogde vrijstelling voor schenkingen door een ouder aan een kind in verband de eigen woning als bedoeld in artikel 33a van de Successiewet 1956 (hierna ook: verruimde vrijstelling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/39.20 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/1254
FutD 2017-1348
ERF-Updates.nl 2017-0122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00303

Uitspraak van 24 mei 2017

het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 april 2016, nummer SGR 15/7509, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslag.

Aanslag, beschikking en bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 7 juli 2015 een aanslag in de schenkbelasting opgelegd naar een belastbare verkrijging van (€ 30.000 minus vrijstelling van € 5.229 is) € 24.771. Het bedrag van de aanslag is € 2.477.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is van hem een griffierecht van € 45 geheven. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is van hem een griffierecht van € 124 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 december 2016, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1978. [Y] , haar vader, heeft aan haar de volgende schenkingen gedaan:

- op 12 november 2013 een schenking van € 70.000

- op 12 november 2014 een schenking van € 30.000.

Beide bedragen zijn gebruikt voor het aflossen van een schuld in verband met de eigenwoning.

3.2.

Belanghebbende heeft voor beide schenkingen aangifte schenkbelasting gedaan en daarbij een beroep gedaan op de tijdelijk verruimde vrijstelling van € 100.000 als bedoeld in artikel 33a van de Successiewet 1956.

3.3.

Voor de schenking van 12 november 2013 heeft de Inspecteur op 15 april 2015 aan belanghebbende een zogenoemde ‘beschikking geen aanslag’ afgegeven.

3.4.

Voor de schenking van 12 november 2014 heeft de Inspecteur de onderhavige aanslag opgelegd berekend naar een belastbare verkrijging van € 30.000 verminderd met de reguliere ouder-kindvrijstelling als bedoeld in artikel 33, lid 1, aanhef en ten vijfde van de Successiewet 1956, is € 24.771, resulterend in een bedrag aan schenkingsrecht van € 2.477.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of belanghebbende ook voor de schenking in 2014 recht heeft op de verhoogde vrijstelling voor schenkingen door een ouder aan een kind in verband de eigen woning als bedoeld in artikel 33a van de Successiewet 1956 (hierna ook: verruimde vrijstelling).

4.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat dat zij aan het besluit van de Staatssecretaris van 16 september 2013, BLKB2013/1699M, een uitlating van de Staatssecretaris tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat tot de opname van artikel 33a in de Wet heeft geleid, het rechtens te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat, waar in het zo-even vermelde wetsartikel de woorden “één kalenderjaar” worden gebruikt, daaronder in elk geval een tijdvak van twaalf maanden vallend buiten het kalenderjaar dient te worden verstaan. De Inspecteur heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken.

4.3.

Voor hetgeen partijen ter ondersteuning van hun standpunt hebben aangevoerd verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

5.2.

De Inspecteur heeft in hoger beroep geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“5. In het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 september 2013, nr. BLKB2013/1699M, is het volgende opgenomen:

3. Goedkeuring voor verruiming vrijstelling schenkbelasting voor de eigen woning

Goedkeuring

Ik keur vooruitlopend op wetgeving onder voorwaarden goed dat het door artikel 33, aanhef en onderdelen °5, °6 of °7, van de Successiewet, van schenkbelasting vrijgesteld bedrag wordt verhoogd tot een bedrag van € 100.000. De goedkeuring geldt ook voor de schenking voor de aflossing van de restschuld vervreemde woning.

Voorwaarden

De goedkeuring geldt onder de volgende voorwaarden:

- De schenking betreft een schenking voor de eigen woning in de periode 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013.

(…)’

6. In het op 19 september 2013 gepubliceerde Wetsvoorstel inzake het Belastingplan 2014 (TK 2013/14, 33752, nr.2, blz. 15) is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

‘Artikel XIV

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

Na artikel 33 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

1. Voor één kalenderjaar worden het ingevolge artikel 33, aanhef en onderdelen 5° of 6°, van schenkbelasting vrijgestelde bedrag en het ingevolge artikel 33, aanhef en onderdeel 7°, van schenkbelasting vrijgestelde bedrag, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden verhoogd tot een bedrag van € 100.000 indien:

a. het een schenking betreft van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van een bedrag dat is geschonken ter verwerving van een zodanige eigen woning (…), en

b. op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan.

Indien de woning of het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, is verkregen van de ouders, wordt het ingevolge de eerste volzin van schenkbelasting vrijgestelde bedrag verminderd met de bedragen waarvoor de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdelen 5° en 6°, op enig moment door het kind is toegepast.

2. De verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdelen 5° en 6°, vindt geen toepassing indien door het kind in een eerder jaar reeds de verhoogde vrijstelling van het eerste lid is toegepast op een verkrijging van de ouders.’

7. In de op 19 september 2013 gepubliceerde Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel (TK 2013/14, 33752, nr. 3, blz. 48) is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

Artikel XIV, onderdeel C (artikel 33a van de Successiewet 1956)

(…)

De vrijstellingen voor schenkingen door ouders aan kinderen en die voor zogenaamde overige verkrijgers worden ingevolge het voorgestelde artikel 33a, eerste lid van de SW 1956 eenmalig verhoogd tot € 100.000.’

8. In de Nota naar aanleiding van het Verslag (TK 2013/14, 33752, nr. 11, blz. 68 en 97; ontvangen 21 oktober 2013), is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

‘3.11. Verruimen vrijstelling schenkbelasting

(…)

In de aanhef van het voorgestelde artikel 33a, eerste lid, van de SW 1956 staat “Voor één kalenderjaar”. De NOB vraagt zich af of dat betekent dat zowel in 2013 als in 2014 een bedrag van € 100.000 kan worden geschonken, bijvoorbeeld door opa aan zijn kleinkind. “Voor één kalenderjaar” betekent dat slechts eenmaal gebruik kan worden gemaakt van de verruimde schenkvrijstelling van artikel 33a van de SW 1956.’

9. Artikel 33a van de Successiewet 1956 luidt in 2014 als volgt:

‘1. Voor één kalenderjaar worden het ingevolge artikel 33, aanhef en onderdelen 5° of 6°, van schenkbelasting vrijgestelde bedrag en het ingevolge artikel 33, aanhef en onderdeel 7°, van schenkbelasting vrijgestelde bedrag, onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden verhoogd tot een bedrag van € 100.000 indien:

a. het een schenking betreft van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste of derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van een bedrag dat is geschonken ter verwerving van een zodanige eigen woning, voor de kosten van verbetering of onderhoud van die woning (…), en

b. op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien de woning of het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, is verkregen van de ouders, wordt het ingevolge de eerste volzin van schenkbelasting vrijgestelde bedrag verminderd met de bedragen waarvoor de verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdelen 5° en 6°, op enig moment door het kind is toegepast.

2. De verhoogde vrijstelling, bedoeld in artikel 33, onderdelen 5° en 6°, vindt geen toepassing indien door het kind in een eerder jaar reeds de verhoogde vrijstelling van het eerste lid is toegepast op een verkrijging van de ouders.’

10. Op grond van het bovenstaande kan de rechtbank het standpunt van eiseres dat zij zowel voor de schenking in 2013 als voor de schenking in 2014 een beroep kon doen op de tijdelijk verruimde schenkvrijstelling van artikel 33a van de Successiewet 1956 niet volgen. Een dergelijke uitleg vindt noch steun in de wettekst noch in de wetgeschiedenis van het Belastingplan 2014. Daarbij was de kalendereis, zo stelt de rechtbank vast, reeds opgenomen in het wetsvoorstel van 19 september 2013 en had eiseres voorafgaande aan de schenking in november 2013 hiervan kennis kunnen nemen. Eiseres had naar het oordeel van de rechtbank dan ook kunnen weten dat zij, door te kiezen voor toepassing van de tijdelijk verruimde schenkvrijstelling ten behoeve van de schenking in november 2013, de mogelijkheid om in 2014 voor deze vrijstelling te opteren uitsloot. Hierbij merkt de rechtbank op dat het hieraan voorafgaande besluit van de staatssecretaris een goedkeurend karakter droeg, waaruit duidelijk volgde dat dit slechts gold voor de tijd van drie maanden.

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij benadeeld is ten opzichte van een belastingplichtige die in 2013 een beroep doet op de vrijstelling van artikel 33 van de Successiewet 1956 en vervolgens in 2014 op de tijdelijk verruimde schenkvrijstelling. De rechtbank onderkent dat verkrijgingen in 2013 en 2014 langs die weg had kunnen worden gesaldeerd en dat een dergelijke saldering bij inroeping van de tijdelijk verruimde schenkvrijstelling in 2013 niet mogelijk is. Toch kan ook deze beroepsgrond niet slagen.

Het is een bewuste keuze van de wetgever geweest om toepassing van de tijdelijk verruimde schenkvrijstelling slechts in één kalenderjaar toe te staan. Dat geldt zowel voor een belastingplichtige die in een eerder jaar reeds gebruik gemaakt heeft van de vrijstelling van voormeld artikel 33 als voor een belastingplichtige die dat niet heeft gedaan. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de mogelijkheid tot saldering van een schenking die eerder op grond van artikel 33 is vrijgesteld, wordt geboden om een ieder de kans te geven om in totaal een bedrag van € 100.000 vrijgesteld te ontvangen. Ook eiseres heeft over deze mogelijkheid beschikt, zij het dat eiseres die niet heeft benut. Daar komt bij dat het eiseres had vrijgestaan om in 2013 een beroep te doen op de vrijstelling van artikel 33 en in 2014 op de vrijstelling van artikel 33a. Eiseres had alsdan in 2013 echter niet € 70.000 vrijgesteld kunnen verkrijgen, maar slechts het in artikel 33 onder °5 genoemde bedrag van € 51.407.

12. Eiseres betoogt voorts nog aan de toelichting op de website van de Belastingdienst, het rekenhulpprogramma van de Belastingdienst en de tekst van de brochure “Toelichting 2014 Aangifte Schenkbelasting”, het vertrouwen te hebben ontleend dat de tijdelijk verruimde schenkvrijstelling mede ingeroepen zou kunnen worden met betrekking tot de schenking in 2014. Verder is eiseres van mening dat uit de door haar ingewonnen informatie niet volgt dat de schenkingen in hetzelfde kalenderjaar hadden moeten plaatsvinden.

13. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres zich niet bewust was van de kalendereis aangezien dit vereiste niet volgt uit de door haar genoemde toelichting op de website en het rekenhulpprogramma van de Belastingdienst. Dat is echter onvoldoende om haar beroep op het vertrouwensbeginsel te doen slagen. Dergelijke inlichtingen kunnen namelijk niet leiden tot een rechtens te beschermen vertrouwen, tenzij de belastingplichtige afgaande op die inlichtingen een handeling heeft verricht of nagelaten, ten gevolge waarvan hij niet alleen alsnog de verschuldigde belasting moet betalen, maar bovendien schade lijdt (vgl. HR 9 maart 1988, nr. 24199, ECLI:NL:HR:1988:ZC3780). Van die schade is in het onderhavige geval niet gebleken. Daarom faalt het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel.

14. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Belanghebbende heeft zowel in 2013 als in 2014 een bedrag geschonken aan zijn dochter ter aflossing van haar eigenwoningschuld. Artikel 33a, lid 1, van de Successiewet 1956 bepaalt dat voor één kalenderjaar het ingevolge artikel 33, onderdelen vijf of zes, van schenkbelasting vrijgestelde bedrag voor schenkingen aan kinderen wordt verhoogd tot € 100.000 voor een schenking ter delging van de eigen woningschuld van het kind. Ingevolge het tweede lid van artikel 33a is die verhoogde vrijstelling niet van toepassing indien door het kind in een eerder jaar reeds de verhoogde vrijstelling van het eerste lid is toegepast. Gelet op deze bepalingen geldt de verruimde vrijstelling slechts voor één kalenderjaar. Het Hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat de wettekst geen plaats biedt aan de opvatting van belanghebbende dat de verhoging van de vrijstelling voor een periode van twaalf maanden geldt, ook als deze buiten het kalenderjaar valt.

7.2.1.

Het Hof volgt belanghebbende niet in haar opvatting dat zij aan het besluit van de Staatssecretaris van 16 september 2013, BLKB2013/1699M (hierna: het Besluit) het vertrouwen kan ontlenen dat onder “één kalenderjaar” een tijdvak van twaalf maanden vallend buiten het kalenderjaar dient te worden verstaan. Bij dit oordeel overweegt het Hof het volgende.

7.2.2.

In het Besluit, dat voorafging aan de invoering van artikel 33a Successiewet 1956, is goedgekeurd dat “het door artikel 33, aanhef en onderdelen °5, °6 of °7, van de Successiewet, van schenkbelasting vrijgestelde bedrag wordt verhoogd tot een bedrag van € 100.000”. Het Besluit beperkt de verhoging derhalve tot de in de genoemde onderdelen vrijgestelde bedragen. In die onderdelen is uitdrukkelijk bepaald dat de daarin opgenomen vrijstellingen gelden ‘voor één kalenderjaar’.

7.2.3.

Het Besluit biedt geen aanknopingspunt voor de opvatting dat de besluitgever wat betreft de reikwijdte van de vrijstelling heeft willen afwijken van het reeds voor de niet verruimde vrijstelling geldende regime. Het ligt voor de hand dat, zou de besluitgever een dergelijke afwijking wel hebben beoogd, dit uitdrukkelijk in het Besluit dan wel in (de toelichting op) artikel 33a van de Wet, waarin het Besluit is gecodificeerd, zou zijn vermeld.

7.2.4.

De verruiming van de vrijstelling is verder zorgvuldig voorbereid, in 2013 aangekondigd, in september 2013 in het Besluit neergelegd en eind 2013 bij wet (Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten, Stb. 2013, 565, (Belastingplan 2014)) vastgelegd zodat belanghebbende bij het doen van de aangifte in 2013 voor de eerste schenking van de reikwijdte van de verruimde vrijstelling op de hoogte had kunnen zijn en er een beroep op had kunnen doen.

7.3.1.

De Staatssecretaris van Financiën is in zijn antwoord van 31 oktober 2013 op vragen van het Kamerlid Schouten ingegaan op de vraag of het “uitsmeren” van de vrijstelling over meer dan één jaar mogelijk is. Hij merkt daarover op:

“Mevrouw Schouten vraagt of het mogelijk is om het bedrag waarvoor de verruimde schenkingsvrijstelling geldt over meerdere jaren uit te smeren. De eenmalig verruimde vrijstelling geldt slechts eenmalig. Wel is het mogelijk om bijvoorbeeld in 2013 een bedrag tot € 51.407 te schenken voor de eigen woning onder de reguliere verhoogde vrijstelling, mits hier in een eerder jaar geen gebruik van is gemaakt, en dit bedrag in 2014 aan te vullen tot € 100.000 met een tweede schenking voor de eigen woning, waarbij een beroep wordt gedaan op de tijdelijk verruimde vrijstelling. Verder vraagt mevrouw Schouten of het verkrijgen van de € 100.000 van verschillende schenkers mogelijk is. Dit is inderdaad het geval. Het is zelfs zo dat deze vrijstelling per schenker geldt. Indien een begiftigde dus van verschillende schenkers € 100.000 krijgt voor de eigen woning, geldt de vrijstelling van € 100.000 voor ieder van die schenkingen.”

(Kamerstukken II, 2013-2014, 33 752, nr. 16, blz. 39).

7.3.2.

Belanghebbende kan aan de onder 7.3.1 geciteerde uitlating van de Staatssecretaris niet het vertrouwen ontlenen dat de wetgever de toepassing van de verruimde vrijstelling buiten het kalenderjaar heeft gewild. Aan uitlatingen van de Staatssecretaris die hij heeft gedaan in het kader van de behandeling van een wetsvoorstel, waarbij hij is opgetreden als medewetgever - zoals de onderhavige – kan immers geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend. De Staatssecretaris is daarbij niet opgetreden als uitvoerder.

7.4.

Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende aan de toelichting bij de aangifte Schenkbelasting 2014 (waaronder de rekenhulp) noch aan publicaties op de website van de Belastingdienst het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de verruimde vrijstelling ook geldt voor over twee kalenderjaren gespreide schenkingen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij, afgaande op die toelichting en/of publicaties, een handeling heeft verricht waardoor zij niet alleen belasting verschuldigd is, maar daarenboven schade lijdt. Voor het aannemen van zodanige schade is onvoldoende dat het bedrag van de belasting dat is gemoeid met deze schenking een andere aanwending had kunnen krijgen, bijvoorbeeld voor het levensonderhoud van belanghebbende.

7.5.

Voor zover belanghebbende een beroep doet op overeenkomstige toepassing van de versoepeling van de regeling neergelegd in het Besluit van 5 november 2014, nr. BLKB 2014/1865M, Stcrt. 2014, 32842, wijst het Hof dit beroep af omdat te dezen niet sprake is van een met het besluit vergelijkbaar geval van een in aanbouw zijnde woning waaraan na 2014 een bedrag ter aflossing wordt besteed.

7.6.

Belanghebbende heeft in het geval de verruimde vrijstelling voor de schenking in 2014 niet van toepassing is, verzocht om toepassing van de verhoogde vrijstelling voor ouders en kinderen als bedoeld in artikel 33 leden 5, 6, en 7 voor de schenking in 2013 en voor het restant in 2014 om toepassing van de verruimde vrijstelling van de eigenwoningschuld dan wel de schenkingen te mogen herroepen. Het eerste zou er op neer komen dat het Hof de wet buiten toepassing zou moeten laten. De rechter is daartoe niet bevoegd. Het tweede zou, zoals de Inspecteur terecht opmerkt, zonder gevolg voor de heffing blijven nu op de eigenwoningschuld wel is afgelost.

7.7.

Al het vorenstaande in ogenschouw nemen komt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8.2.

Evenmin is er aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 24 mei 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.