Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:147

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
BK-16/00367 en BK-16/00368
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Bij ontkennende beantwoording van deze vraag is in geschil of belanghebbende te kwader trouw is ter zake van het feit op grond waarvan de navorderingsaanslagen zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/260
V-N 2017/19.10.11
FutD 2017-0324
NTFR 2017/498 met annotatie van De redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-16/00367 en BK-16/00368

Uitspraak d.d. 11 januari 2017

in het geding tussen:

[X] , te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juli 2016, nummers SGR 16/390 en 16/391, betreffende de onder 1.1 vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 18 juli 2015 voor de jaren 2010 en 2011 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar van 6 januari 2016 heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.238 en hem opgedragen het griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft bij nader stuk ingekomen bij het Hof op 7 november 2016 op het hoger beroep gereageerd.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 november 2016. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde staat in hoger beroep het volgende vast:

3.1.

Belanghebbende heeft op 16 februari 2011 aangifte IB/PVV voor het jaar 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.200. Op 6 maart 2012 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.299. Deze aangiften zijn ingediend door de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, belastingconsulent [A] (hierna: de belastingconsulent).

3.2.

Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2010, na toepassing van de drempel, een bedrag van € 989 wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten en een bedrag van € 142 wegens giften in aanmerking genomen. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 heeft belanghebbende, na toepassing van de drempel, een bedrag van € 1.301 wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten en een bedrag van € 44 wegens giften in aanmerking genomen.

3.3.

De Inspecteur heeft op 12 augustus 2011, overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte, een definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 opgelegd. Op 28 augustus 2012 heeft de Inspecteur een definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 opgelegd, eveneens conform de door belanghebbende ingediende aangifte.

3.4.

In 2013 is de Inspecteur een onderzoek gestart naar het aangiftegedrag van de belastingconsulent. De uitkomsten daarvan zijn aanleiding geweest om de door de belastingconsulent ingediende aangiften nader te onderzoeken. In maart 2015 is een strafrechtelijk onderzoek naar de belastingconsulent gestart.

3.5.

Bij brieven van 31 maart 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende vragen gesteld over de in de aangiften opgenomen aftrekposten.

3.6.

Op 18 juli 2015 zijn aan belanghebbende de navorderingsaanslagen opgelegd. Hierbij zijn de door belanghebbende opgevoerde aftrekposten wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften buiten aanmerking gelaten. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 24.331 (2010) respectievelijk € 25.479 (2011).

3.7.

Bij de uitspraken op bezwaar zijn de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

3.8.

In het kader van het onderzoek naar de belastingconsulent is [B] , medewerker van de Belastingdienst in Amersfoort, door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst als getuige gehoord. Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal van dit verhoor, gedateerd 16 januari 2015, waarin de verklaring van [B] is opgenomen. Deze verklaring luidt, voor zover hier van belang:

“(Wat is uw functie bij de Belastingdienst in [Y] ?)
“Ik ben aanslagregelaar in de Inkomensheffing Particulieren. Dat houdt in dat ik

aangiften controleer op de juistheid van aftrekposten en daarover met de

belastingplichtigen of de belastingadviseur correspondeer. Als het nodig is corrigeer

ik aangiften.

(. . .)

(Als er vragen zijn over een aangifte, die is ingediend met een BECON-nummer,

wordt dan de belastingplichtige benaderd of degene die van het BECON-nummer

gebruik maakt?)

“De algemene regel is, dat we de belastingconsulent benaderen. Die is gemachtigd

voor de aangifte van de belastingplichtige. Maar in het geval van [de belastingconsulent] hebben we er op een gegeven moment voor gekozen dit niet te doen, vanwege de vele vragen die gesteld moeten worden. Dat was overigens wel in overleg met [de belastingconsulent], die helemaal gek werd van onze brieven. Toen benaderden we dus de belastingplichtigen zelf. Ik denk dat dat vanaf eind 2013 is geweest.”

(…)

([De belastingconsulent] staat in het handelsregister ingeschreven sinds 01-10-1979. Hoelang maakt [de belastingconsulent] al gebruik van zijn BECON-nummer om aangiften inkomstenbelasting voor particulieren in te dienen?)

“Dat weet ik niet. Maar ik weet dat het al heel lang is. De laatste vier jaar zijn we strenger gaan controleren op de aangiften die zijn gedaan met zijn BECON-nummer. Toen bleek dat er erg veel gecorrigeerd moest worden. Mijn ervaring is, dat als er tien keer zorgkosten werden aangegeven, er ook tien keer gecorrigeerd moest worden.”

(…)

(Heeft u, in verband met deze aftrekposten, vragen gesteld aan [de belastingconsulent]?)

“Ja, al vele jaren sturen we vragenbrieven naar [de belastingconsulent], als dat nodig is. Maar dat was dan niet zo massaal als vanaf 2013. In de vragenbrieven vragen we onderbouwing van de aftrekposten.”

(…)

(Zijn er door het aangiftegedrag van [de belastingconsulent] daadwerkelijk bedragen ten onrechte uitbetaald?)

“Over oudere jaren, dan bedoel ik tot en met 2010, heel veel. In 2011 ook nog

een heleboel, maar hebben we dat voor een deel ook nog kunnen ondervangen.

Vanaf 2012 waren we op tijd voor het inbrengen van blokkeringen, zodat we die

aangiften bijna allemaal handmatig hebben kunnen behandelen. (…)”

3.9.

Tot de gedingstukken behoort voorts een ambtsedige verklaring van 27 mei 2016, afgelegd door [C] , als regiocoördinator systeemfraude IH werkzaam bij de Belastingdienst te Amsterdam. Deze verklaring luidt, voor zover hier van belang:

“(…) Begin 2013 ontving de Belastingdienst signalen dat er wellicht ten onrechte
aftrekposten waren opgevoerd in veel van de door [de belastingconsulent] voor
zijn klanten indiende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Op 2 april 2013 zijn voor alle aangiften binnengekomen onder het beconnummer
van [de belastingconsulent], afwijkende behandelingen ingebracht om te voorkomen dat de aangiften geautomatiseerd afgedaan zouden worden. Toen was echter het overgrote deel van de aangiften al beoordeeld door het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst. Vanaf eind 2013 zijn alle aangiften afkomstig van het
beconnummer van [de belastingconsulent] handmatig beoordeeld.
(…)

Door [de belastingconsulent] zijn over de jaren 2009 tot en met 2013 in totaal 16.124 aangiften voor andere belastingplichtigen ingediend. Van de 16.124 aangiften zijn er 3.427 handmatig behandeld. Van deze 3.427 aangiften zijn er 1.123 (32,7%) in het nadeel van de belastingplichtige gecorrigeerd op het punt van de persoonsgebonden aftrek. Bij extrapolatie van dit correctiepercentage naar het totale aantal aangiften, heeft [de belastingconsulent] vermoedelijk ten minste 5.272 aangiften inkomstenbelasting onjuist ingediend.

(…)”

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In geschil is of er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Bij ontkennende beantwoording van deze vraag is in geschil of belanghebbende te kwader trouw is ter zake van het feit op grond waarvan de navorderingsaanslagen zijn opgelegd .

4.2.

Belanghebbende betwist dat sprake is van een nieuw feit dan wel van kwade trouw. De Inspecteur stelt het tegenovergestelde.

4.3.

Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

"13. In artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is het volgende opgenomen:

“Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten

onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel

dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of

heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.“

14. De rechtbank overweegt dat bij het vaststellen van de aanslag als uitgangspunt heeft te gelden dat verweerder in beginsel met vertrouwen mag afgaan op de aangifte van een belastingplichtige en mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt (vgl. onder andere Hoge Raad 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3465). Verweerder is slechts gehouden een nader onderzoek in te stellen indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen dan wel indien er bijzondere omstandigheden zijn die hem reden geven aan de juistheid van de ingediende aangifte te twijfelen.

15. De rechtbank is van oordeel dat de aangiften IB/PVV 2010 en 2011 van eiser voor verweerder geen aanleiding hoefden te geven om een nader onderzoek in te stellen. Hierbij speelt mede een rol dat beide aangiften een verzorgde indruk maakten en door een gemachtigde waren ingediend. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan verweerder, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangiften van eiser, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen (vgl. Hoge Raad 11 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1005). Omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om voor de onderhavige jaren nader onderzoek te doen, zijn ook overigens in het onderhavige geval niet gebleken. Gelet hierop acht de rechtbank dan ook aannemelijk dat verweerder eerst bij het in 2013 ingestelde onderzoek bekend is geworden met het feit dat de belastingconsulent voor meerdere personen, onder wie eiser, stelselmatig aangiften met daarin onjuiste aftrekposten heeft ingediend. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

16. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de inhoud van de verklaring van [B] niet tot een andere conclusie. Uit deze verklaring komt in de eerste plaats naar voren dat verweerder niet eerder dan in 2013 massaal vragenbrieven naar de belastingconsulent en vervolgens ook naar diens cliënten is gaan versturen. De rechtbank leidt daaruit af dat het voor verweerder niet eerder dan in 2013 - derhalve nadat de definitieve aanslagen over de onderhavige jaren reeds waren opgelegd - duidelijk was dat de belastingconsulent op grote schaal onjuiste aangiften indiende zodat er ook niet eerder dan in 2013 aanleiding was voor het instellen van nader onderzoek. Eiser heeft ten slotte nog gewezen op het gedeelte van de verklaring waarin - in antwoord op de vraag of door het aangiftegedrag van de belastingconsulent daadwerkelijk bedragen ten onrechte zijn uitbetaald - wordt verklaard: “Over oudere jaren, (…) tot en met 2010, heel veel. In 2011 ook nog een heleboel, maar hebben we dat voor een deel ook nog kunnen ondervangen. Vanaf 2012 waren we op tijd voor het inbrengen van blokkeringen. (…)”. Deze passage kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gelezen dan dat het hier gaat om bedragen die over de belastingjaren 2010, 2011 en 2012 - en derhalve eerst na afloop daarvan - zijn uitbetaald en niet om bedragen die, zoals eiser meent, in die belastingjaren zijn uitbetaald. Teruggaven over de jaren 2010 respectievelijk 2011 zullen in de regel in 2011 respectievelijk 2012 zijn uitbetaald. Uit het feit dat, zoals [B] verklaart, over de jaren 2010 en 2011 - en dus in 2011 en 2012 - nog veel bedragen ten onrechte zijn uitbetaald, leidt de rechtbank af dat verweerder in 2011 en 2012 nog niet op de hoogte was van het aangiftegedrag van de belastingconsulent. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het feit dat, zoals ook blijkt uit de ambtsedige verklaring van [C] , verweerder niet eerder dan in 2013 een onderzoek naar het aangiftegedrag van de belastingconsulent is gestart. Nu niet langer in geschil is dat geen recht bestaat op aftrek wegens specifieke zorgkosten en giften, zijn de navorderingsaanslagen terecht opgelegd.

17. De uitspraak op bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd, nu in de uitspraak in ruim voldoende mate ingegaan is op de door eiser in haar bezwaarschrift aangevoerde grieven.

18. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Awr wordt, in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht, een belanghebbende gehoord indien hij daarom heeft verzocht. Vaststaat dat eiser heeft verzocht te worden gehoord zodat verweerder gehouden was eiser te horen. Dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld, brengt hierin geen verandering. Evenmin is in dat verband relevant dat verweerder pogingen heeft ondernomen om eiser op korte termijn te horen, maar dat deze pogingen zonder succes zijn gebleven. Deze omstandigheden ontslaan verweerder immers niet van zijn verplichting om eiser te horen. Nu eiser niet is gehoord, zal de rechtbank de beroepen van eiser gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. Nu eiser uitdrukkelijk heeft verzocht de zaken niet terug te wijzen naar verweerder, zal de rechtbank zelf in de zaken voorzien.

19. Gelet op hetgeen is overwogen onder 17 zal het beroep gegrond verklaard worden en zullen de uitspraken op bezwaar worden vernietigd. Nu de inhoudelijke beroepsgronden van eiser, gelet op hetgeen hiervoor onder 13, 14 en 15 is overwogen, falen, ziet de rechtbank echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb, de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten.

Proceskosten

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496, een wegingsfactor 1 en factor 1 wegens samenhang)."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

7.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat het voor het opleggen van de navorderingsaanslagen vereiste nieuwe feit ontbreekt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de Inspecteur al vóór het opleggen van de definitieve aanslagen ermee bekend was dat de aangiften ingediend door de belastingconsulent vaak onjuistheden bevatten. Door de aangiften van belanghebbende desondanks niet te controleren, heeft de Inspecteur volgens belanghebbende een ambtelijk verzuim begaan dat aan navordering in de weg staat.

7.3.

Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn betoog. Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel slechts gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (zie Hoge Raad 13 november 2009, nr. 08/04594, ECLI:NL:HR:2009:BK3080).

7.4.

Naar het oordeel van het Hof vormde de inhoud van de aangiften van belanghebbende, gelet op de aard en hoogte van de daarin opgenomen aftrekposten, op zichzelf geen aanleiding voor nader onderzoek. Uit de gedingstukken volgt dat de Belastingdienst in 2013 na signalen uit de praktijk een onderzoek is gestart naar de aangiften ingediend onder het beconnummer van de belastingconsulent. In de uitkomsten van dat onderzoek heeft de Inspecteur aanleiding gezien alle aangiften ingediend door de belastingconsulent nader te onderzoeken, waaronder de aangiften van belanghebbende. Hij heeft belanghebbende begin 2015 vragen gesteld over de in zijn aangiften opgenomen aftrekposten. Op grond van de antwoorden heeft de Inspecteur geconcludeerd dat belanghebbende geen recht heeft op de aftrekposten omdat hij geen (afdoende) bewijs hiervoor kon leveren. Dit vormt een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

7.5.

De verklaring van [B] doet aan het voorgaande niet af. Uit die verklaring volgt niet dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door niet eerder alle aangiften ingediend door de belastingconsulent, waaronder die van belanghebbende, te controleren. De ervaring van [B] zal veeleer (mede) een aanleiding voor het in 2013 gestarte onderzoek zijn geweest. Het Hof acht aannemelijk dat de Inspecteur, voordat hij kennisnam van de bevindingen in dat onderzoek, in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van de door de belastingconsulent ingediende aangiften.

7.6.

De vraag of belanghebbende te kwader trouw is ter zake van het feit op grond waarvan de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, behoeft, gelet op het overwogene onder 7.4, geen beantwoording.

7.7.

Het hoger beroep is ongegrond. Mitsdien zal het Hof beslissen zoals hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8.2.

Evenmin is er aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. S.E. Postema, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 11 januari 2017 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van mr. S.E. Postema is de uitspraak ondertekend door mr. J.J.J. Engel.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.