Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:135

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
200.200.333/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Gecertificeerde instelling geeft geen uitvoering aan beschikkingen van hof en rechtbank om mogelijkheden tot thuisplaatsing te onderzoeken. Hof gelast een onderzoek ogv. art. 810 lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 11 januari 2017

Zaaknummer : 200.200.333/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 16-491

Zaaknummer rechtbank : C/10/495726

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Bosmans te Rotterdam,

tegen

de Stichting Jeugdbescherming [vestigingsplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[pleegouders] ,

beiden wonende op een bij de gecertificeerde instelling bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, zijn aangemerkt:

1) [informant] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

2) [informant 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [informant 2] .

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 30 september 2016 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 juli 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De gecertificeerde instelling heeft op 31 oktober 2016 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

van de zijde van de moeder:

 op 6 december 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

De raad heeft bij brief van 8 november 2016 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. Het hof heeft bij de voorbereiding van de mondelinge behandeling vastgesteld dat het met het oog op het verkrijgen van advies van de raad, gewenst was dat de raad wel zou verschijnen. Om die reden heeft het hof de raad telefonisch bericht dat het hof het op prijs zou stellen indien de raad zijn beslissing om niet te verschijnen in heroverweging zou nemen.

De zaak is op 7 december 2016 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

 de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

 [naam] namens de gecertificeerde instelling;

 de pleegouders;

 [naam] namens Flexus Jeugdplein;

 [naam] namens de raad.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de kinderrechter de duur van de machtiging aan de gecertificeerde instelling tot uithuisplaatsing van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 4 maart 2017.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, dan wel een in goede justitie te bepalen gefaseerde thuisplaatsing te gelasten.

3. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De moeder betwist dat is voldaan aan het wettelijk criterium van artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) en zij voert het volgende aan. Vanaf de uithuisplaatsing van de minderjarige tracht de moeder haar leven weer zo in te richten dat de minderjarige weer thuis zal worden geplaatst. Daartoe heeft zij ook de relatie met de vader van de minderjarige verbroken. De moeder heeft op dit moment geen contact meer met de vader. Het laatste contact waarover de gecertificeerde instelling spreekt, is van 1 juli 2015. De moeder stelt, dat er bij haar thuis een veilig leefklimaat is voor de minderjarige. Het Kennis- en servicecentrum voor diagnostiek (KSCD) heeft medio 2015 een onderzoek gedaan en geconstateerd dat de moeder over voldoende ouderschapskwaliteiten beschikt en dat het persoonlijk contact tussen de moeder en de minderjarige goed is. De conclusie dat men zorgen heeft over het persoonlijk functioneren van de moeder en dat vele zaken uit de openheid lijken te blijven is niet bevreemdend in het licht van het contact met de vader en de aanhouding van de moeder op 1 juli 2015. De vraag is in hoeverre die conclusie thans nog standhoudt. De situatie is sindsdien aanmerkelijk veranderd. Er is een jaar verlopen waarin de moeder geen contact meer onderhoudt met de vader en de strafzaak tegen de moeder is geseponeerd. De raad komt in zijn rapport van 11 februari 2016 tot het oordeel dat de moeder het afgelopen jaar een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat maakt dat de raad van mening is dat een laatste poging moet worden gedaan om te bezien of een gefaseerde terugplaatsing tot de mogelijkheden behoort, waarbij de contactmomenten tussen de moeder en de minderjarige moeten worden geïntensiveerd. Bij beschikking van 1 maart 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam heeft de kinderrechter gelast dat de mogelijkheden tot terugplaatsing bij de moeder wederom dienen te worden onderzocht. De gecertificeerde instelling heeft onvoldoende naar alternatieve mogelijkheden gezocht voor terugplaatsing bij de moeder en ook het advies van de raad om de contactmomenten te intensiveren is volledig terzijde geschoven.

Relevant is de vraag of verdere uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige en zo neen, wat zijn de mogelijkheden om thuisplaatsing alsnog te realiseren. De moeder stelt zich op het standpunt dat uithuisplaatsing van de minderjarige niet langer noodzakelijk is. Er zijn volgens de moeder voldoende mogelijkheden om op te bouwen naar een thuisplaatsing van de minderjarige en zij is bereid aan elke vorm van een thuisplaatsingstraject mee te werken. De moeder wordt daarin gesteund door een groot netwerk van familie, vrienden en buren.

5. Namens de moeder is ter zitting nog het volgende naar voren gebracht. Er is geen althans zeer weinig onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor terugplaatsing van de minderjarige en er is geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor uitbreiding van de contactmomenten. Niet duidelijk is waarop de conclusie is gebaseerd dat terugplaatsing van de minderjarige niet in haar belang is. De moeder heeft zelf hulpverlening ingeschakeld en zich in verband daarmee gewend tot het Centrum voor Jeugd en Gezin en tot een pedagoog.

6. De gecertificeerde instelling stelt zich op het standpunt dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing onverminderd aanwezig zijn, ondanks dat de moeder wil meewerken en een positieve ontwikkeling laat zien. Het voortzetten van de plaatsing binnen het huidige pleeggezin is zeer noodzakelijk en in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, gezien de kwetsbaarheid die zij laat zien in de afgelopen jaren. Het hechtingsproces dat de minderjarige doormaakt met de pleegouders mag niet worden onderbroken, omdat zij onvoldoende veerkrachtig is.

De gecertificeerde instelling voert verder het volgende aan. De moeder heeft de afgelopen jaren onvoldoende vertrouwen gegeven de veiligheid en het belang van de minderjarige voorop te kunnen stellen, ondanks haar positieve inzet en motivatie. De moeder heeft onvoldoende probleeminzicht en erkent onvoldoende de specifieke behoeften van de minderjarige, waardoor terugplaatsing bij de moeder niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de minderjarige is. In de eerste jaren na de uithuisplaatsing van de minderjarige lukte het de moeder niet goed haar leven zo in te richten dat de minderjarige weer kon worden teruggeplaatst. De moeder bleef contact houden met de vader en zij gaf dit ook aan tijdens het hoger beroep op 16 december 2015. De gecertificeerde instelling is van mening dat de moeder geen vooruitgang heeft laten zien als het gaat om probleeminzicht of het tonen van een intrinsieke motivatie om te werken aan haar persoonlijke problematiek. De gecertificeerde instelling heeft naar aanleiding van het advies van de raad en de daaropvolgende uitspraak van de kinderrechter van 1 maart 2016 diverse zorgaanbieders benaderd om het traject van terugplaatsing bij de moeder te begeleiden. De zorgaanbieders hebben onafhankelijk van elkaar laten weten terugplaatsing niet in het belang van de minderjarige te vinden. De moeder kijkt vooral vanuit haar eigen oogpunt, terwijl bij terugplaatsing meer wordt gekeken vanuit het perspectief van de minderjarige, die heeft laten zien erg kwetsbaar te zijn en hierbij goede begeleiding en stabiliteit nodig heeft. Terugplaatsing bij de moeder zou de veiligheid van de minderjarige opnieuw in gevaar brengen en haar opnieuw voor een moeilijke opgave stellen zich te moeten aanpassen. Dit komt niet ten goede aan de ontwikkeling van de minderjarige. De wens van de moeder het contact met de minderjarige te intensiveren kan pas vorm krijgen als de minderjarige in het pleeggezin opgroeit, de moeder hiermee vrede kan hebben en de minderjarige het gevoel kan geven dat het goed is. Zolang de moeder een strijd voert om de minderjarige thuis te krijgen, zal zij het risico lopen in een loyaliteitsconflict te komen. De moeder lijkt de afgelopen maanden meer open en durft ook verantwoordelijkheid te nemen voor de gebeurtenissen uit het verleden. Dit is echter met zeer veel reserve, omdat de moeder zich gewantrouwd voelt door de gecertificeerde instelling. De ontwikkeling van de minderjarige moet goed in de gaten worden gehouden en meer specifiek zal bekeken moeten worden of zij signalen laat zien van een posttraumatische stressstoornis zoals hyperarousal, herbeleving en vermijding. Pleegzorg en de gecertificeerde instelling zullen het gedrag van de minderjarige steeds goed in kaart brengen en indien nodig onderzoek en behandeling uitzetten bij een zorgaanbieder van geestelijke gezondheidszorg in verband met trauma.

7. Namens de gecertificeerde instelling is ter zitting nog het volgende naar voren gebracht. De gecertificeerde instelling betwijfelt of de minderjarige gehecht is aan de moeder. De minderjarige weet dat de moeder haar moeder is en de minderjarige ervaart de bezoeken aan de moeder als veilig door de veiligheid die zij in het pleeggezin ervaart. Na een heftige periode van vier jaar begint de minderjarige nu wat rust te krijgen en de gecertificeerde instelling blijft bij haar conclusie dat het niet in het belang van de minderjarige is om haar leven weer in grote mate te ontwrichten. Er zijn geen twijfels over de opvoedvaardigheden van de moeder, wel over de verhalen die de moeder vertelt. Het bezoek van de minderjarige met de moeder aan de dierentuin was onder begeleiding van de pleegouders. De minderjarige ging vrij lange tijd met veel weerstand naar de bezoeken met de moeder en die bezoeken vergden heel veel van de minderjarige, zowel vooraf als achteraf. De moeder wilde dat niet aanvaarden en de gecertificeerde instelling heeft daarover gesproken met de moeder. De minderjarige wordt niet belast met uitbreiding van de bezoekregeling als zij nog niet veilig is op de plek waar zij zit, maar uitbreiding van de bezoekregeling wordt niet uitgesloten evenals een grotere rol voor de moeder in de toekomst.

8. Namens [informant 2] is ter zitting het volgende naar voren gebracht. [informant 2] heeft samen met de gedragsdeskundige gekeken naar de mogelijkheden voor een uitwijktraject en vervolgens is besloten het uitwijktraject niet in gang te zetten, omdat de minderjarige een kwetsbaar meisje is, zij een uithuisplaatsing en overplaatsing heeft meegemaakt en zij behoorlijk last heeft van een trauma. De minderjarige doet het nu goed in het pleeggezin en zij bouwt een hechtingsrelatie op met de pleegouders. De minderjarige was drie maanden oud tijdens de eerste uithuisplaatsing en zij heeft geen herinnering aan een thuissituatie bij de moeder. De minderjarige kent haar moeder als een persoon die haar bezoekt. Het is lastig om de minderjarige, die zoveel zorg nodig heeft, terug te plaatsen. Terugplaatsing is niet in het belang van de minderjarige en staat haar ontwikkeling in de weg. [informant 2] ziet teveel risico’s bij terugplaatsing, te meer ook omdat de moeder lange tijd geen openheid van zaken heeft gegeven en [informant 2] niet weet hoe het in de toekomst zal gaan. Over het intensiveren van de contactmomenten is veel overleg geweest met de gecertificeerde instelling en er wordt gekeken naar wat haalbaar is. De minderjarige moet nu de kans krijgen een veilige hechtingsrelatie met de pleegouders aan te gaan en als er weer rust komt, kunnen de contactmomenten worden uitgebreid.

9. De pleegvader heeft ter zitting verklaard dat de minderjarige zich goed ontwikkelt en dat de contactmomenten met de moeder – op het kantoor van [informant 2] – goed verlopen. Een jaar geleden huilde en schreeuwde de minderjarige als ze op bezoek gingen en nu vindt zij het leuk. Uit de verklaring van de pleegvader blijkt dat de minderjarige een kwetsbaar meisje is. Zo reageert zij schrikachtig bij stemverheffing en heeft zij intensieve begeleiding nodig bij veranderingen, zoals een andere juffrouw in de klas.

10. De pleegmoeder heeft ter zitting verklaard dat zij nog een pleegkind hebben en dat de pleegouders merken dat dit pleegkind een steun is voor de minderjarige.

11. Namens de raad is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De raad was bezig met een onderzoek in verband met een gezagsbeëindigende maatregel en naar aanleiding van de uitspraak van dit hof is nader onderzoek gedaan naar de mogelijkheden tot terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder. Gezien de bijzondere situatie van de moeder wilde de raad het nog één keer proberen om te bezien of terugplaatsing van de minderjarige mogelijk was. Bij dat proces hoort dat de contactmomenten tussen de minderjarige en de moeder worden verruimd en dat proces is niet van de grond gekomen. De moeder heeft hele goede eigenschappen om de opvoeding op te pakken. De betrokken instanties nemen een professionele verantwoordelijkheid als zij de terugplaatsing op zich gaan nemen en die instanties maken een afweging. Er is nog steeds veel onduidelijk over de veiligheid bij de moeder thuis. Er kan een moment zijn dat de instanties zeggen dat er te weinig vertrouwen in de moeder is, omdat de moeder wel vaker zaken heeft verklaard die achteraf anders bleken te zijn. Als de instanties zeggen dat zij niet meewerken aan terugplaatsing, kan de raad niets anders doen dan zich daarbij neerleggen. Op dit moment wordt er door de raad een onderzoek gedaan naar een gezagsbeëindigende maatregel.

12. De moeder heeft ter zitting het volgende verklaard. Het contact tussen de vader en mij was helemaal in het begin, in 2014 of 2015. Toen werd de vader bij mij thuis aangetroffen, want ik wilde dat hij zijn spullen kwam ophalen. Ik zie de minderjarige nu één keer per vier weken gedurende een uur en daarvoor één keer per twee weken. Het contact is verminderd omdat de minderjarige moest wennen aan het pleeggezin. Ik zie de minderjarige in dat bezoekuur als een spontaan en vrolijk kind. Voor mijn gevoel heb ik een hechte band met mijn dochter en bij het laatste bezoekuur wilde zij niet weggaan en wilde zij nog bij mij blijven spelen. Er staat zwart op wit dat mijn opvoedkwaliteiten goed zijn. Ik heb nog twee dochters en twee kleinkinderen en mijn kleinkinderen slapen regelmatig bij mij. In september 2016 werd de minderjarige vier jaar en toen zijn we naar de dierentuin gegaan.

13. Het hof overweegt als volgt. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:265c lid 2 BW telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:265b lid 1 BW, nog bestaan. Uit dit artikel volgt dat tot uithuisplaatsing van een minderjarige slechts wordt overgegaan als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

14. Bij beschikking van 6 januari 2016 heeft dit hof de beschikking van 20 augustus 2015 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, waarin onder andere een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige is verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 september 2015 tot uiterlijk 4 maart 2016, bekrachtigd. Uit de beschikking van het hof blijkt dat de raad door de gecertificeerde instelling is verzocht om een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. Het hof heeft in zijn beschikking onder meer het volgende overwogen: “Het hof vraagt zich af of een dergelijk onderzoek op dit moment opportuun is, nu de vader niet langer in beeld lijkt te zijn. Het hof acht in het kader van die gezagsbeëindigende maatregel een aanvullend raadsonderzoek geïndiceerd naar de noodzaak van de verdere uithuisplaatsing van de minderjarige in het licht van de situatie van de moeder in combinatie met de behoeften, de hechting en de overige belangen van de minderjarige. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de minderjarige pas enkele maanden in het huidige pleeggezin verblijft. Het hof vraagt de raad in dat verband uitdrukkelijk te (laten) onderzoeken of de betreffende minderjarige met succes kan worden teruggeplaatst naar de moeder, al dan niet met inzet van hulp in de thuissituatie bij de moeder.”.

15. De raad heeft vervolgens nader onderzoek gedaan en op 11 februari 2016 een rapport uitgebracht (hierna: het raadsrapport). Uit het raadsrapport blijkt dat de raad onvoldoende gronden zag om een verzoek in te dienen om het gezag van de moeder te beëindigen. In het raadsrapport is onder meer het volgende vermeld: “Aan de ene kant heeft de Raad oog voor de visie van JBRR waarin zij aangeven dat zij al het mogelijke hebben gedaan ten aanzien van een eventuele terugplaatsing van [minderjarige] bij moeder. Aan de andere kant is uit het raadsonderzoek naar voren gekomen dat moeder het afgelopen jaar een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat vader al geruime tijd niet meer in beeld is. Alles afwegende is de raad van mening dat een laatste poging moet worden gedaan om te bezien of een gefaseerde terugplaatsing tot de mogelijkheden behoort. Hierbij zullen de contactmomenten tussen moeder en [minderjarige] geïntensiveerd moeten worden. Daarnaast zal moeder alle hulp blijvend accepteren en volledige openheid van zaken moeten (blijven) geven. Moeder zal voor haarzelf (psychologische) hulp moeten accepteren ten aanzien van haar copingsvaardigheden, haar weerbaarheid en haar gevoelens leert te onderkennen. Daarnaast is de Raad van mening dat het netwerk van moeder intensief bij het traject betrokken dient te worden. Concluderend is de raad van mening dat binnen een half jaar duidelijk moet zijn of moeder in staat is om zelfstandig voor [minderjarige] te zorgen. Deze termijn acht de Raad voor [minderjarige] ook aanvaardbaar.”.

16. Bij beschikking van 1 maart 2016 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam heeft de kinderrechter onder meer overwogen dat aan de uitspraak van het hof niet voorbij kan worden gegaan en dat de gecertificeerde instelling de mogelijkheden tot terugplaatsing bij de moeder wederom dient te onderzoeken. Verder is overwogen dat het belang van de minderjarige in dit traject voorop dient staan, wat betekent dat het traject zeer zorgvuldig dient te gebeuren.

17. Uit de bestreden beschikking van 11 juli 2016 blijkt dat de gecertificeerde instelling bij briefrapport van 22 april 2016 aan de kinderrechter te kennen heeft gegeven dat [informant 2] niet wil meewerken aan een uitwijktraject, omdat [informant 2] dit niet in het belang van de minderjarige vindt, dat het KSCD heeft geweigerd aanvullend onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor thuisplaatsing, omdat het KSCD al eerder een uitgebreide onderzoeksrapportage heeft uitgebracht en dat Yulius geen mogelijkheden ziet voor een moeder-kindopname gericht op een mogelijke thuisplaatsing.

18. Ondanks de eerdere beschikking van dit hof van 6 januari 2016, het daaropvolgende advies in het raadsrapport en de beschikking van de kinderrechter van 1 maart 2016, zijn de mogelijkheden voor terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder niet nader onderzocht. Evenmin zijn de contactmomenten geïntensiveerd. Bij gebrek aan een deugdelijke schriftelijke verslaglegging zijn de afwegingen van de door de gecertificeerde instelling benaderde instanties waarom de noodzakelijke trajecten niet zijn ingezet, niet inzichtelijk gemaakt en dientengevolge voor de moeder en het hof niet toetsbaar. Duidelijk is wel dát deze instanties evenals de gecertificeerde instelling een traject om te bezien of een gefaseerde terugplaatsing tot de mogelijkheden behoort niet in het belang van de minderjarige achten, maar doordat wordt nagelaten duidelijk aan te geven op welke gronden tot deze afweging is gekomen en in hoeverre daarbij de ervaringen met de moeder uit het verleden een rol van betekenis hebben gespeeld, acht het hof zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om in staat te zijn een beslissing te kunnen nemen die in het belang van de minderjarige mag worden geacht. Gelet hierop acht het hof een nader deskundigenonderzoek noodzakelijk.

19. Alvorens over te gaan tot het gelasten van een deskundigenonderzoek en de benoeming van een deskundige, zal het hof partijen de gelegenheid geven zich binnen twee weken na de datum van deze beschikking uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de onderstaande vragen, waarna het hof hieromtrent in een latere beschikking nader zal beslissen.

20. Het hof is voornemens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) opdracht te geven een deskundige voor te dragen.

21. Het hof is voornemens de te benoemen deskundige te verzoeken de navolgende vragen te betrekken bij het uit te voeren onderzoek:

  1. hoe verloopt de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige?

  2. hoe is de gehechtheid van de minderjarige in het pleeggezin?

  3. hoe is de relatie tussen de moeder en de minderjarige?

  4. wat zijn de specifieke behoeften/kwetsbaarheden van de minderjarige wat betreft opvoeding en ontwikkeling?

  5. welke omgeving is nodig om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften/kwetsbaarheden van de minderjarige?

  6. beschikt de moeder over voldoende pedagogische en affectieve vaardigheden om aan de opvoedingsbehoeften van de minderjarige – eventueel aanvankelijk met hulpverlening – tegemoet komen?

  7. zijn er (contra-)indicaties voor terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder?

  8. indien terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder mogelijk is: hoe dient een terugplaatsingstraject te worden vorm gegeven? Is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm, waar dient deze op gericht te zijn en hoe zullen de betrokkenen zich hiertegenover opstellen en hoe zullen de betrokkenen ervan kunnen profiteren?

  9. n hoeverre komen uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarige en of bij eventueel te nemen beslissingen?

22. De aan voormeld deskundigenonderzoek verbonden kosten zullen ingevolge het bepaalde in artikel 810a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten laste van ‘s Rijks kas worden gebracht.

23. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens nader te beslissen:

stelt partijen in de gelegenheid zich binnen twee weken na de datum van deze beschikking uit te laten over de door het hof te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen als hiervoor genoemd in rechtsoverweging 20 en 21;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, J.A. van Kempen en A.J. van Montfoort, bijgestaan door mr. M.A.J. Ysebaert als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2017.