Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1346

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-05-2017
Datum publicatie
15-05-2017
Zaaknummer
22000309314
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1421, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWM + hennep

De verdachte wordt, overeenkomstig de eis van het Openbaar ministerie, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden wegens het bezit van een automatisch vuurwapen en betrokkenheid bij de levering van een partij hennep-gruis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003093-14

Parketnummer: 09-767135-13

Datum uitspraak: 15 mei 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 8 maart 2016 en op 1 mei 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder feit 2 (zaaksdossier [I]) ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder feit 1 (zaaksdossier [IV]) en feit 3 (zaaksdossier [V]) ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en dus mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

Zaaksdossier [IV]

1.
hij op of omstreeks 11 januari 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, te weten, een automatisch vuurwapen, (merk Agram, model 2000, kaliber 9 x 19 mm) en/of een voorwerp van categorie I, te weten een (bijbehorende) geluidsdemper en/of munitie van categorie III, te weten 42, althans een of meer patro(o)n(en) (merk Hollow Point, kaliber 9 mm Luger, merk Prvi Partizan Namenska Proizodnja) heeft overgedragen

aan een of meer ander(en) en/of voorhanden heeft gehad;

Zaaksdossier [V]

3.
hij op een meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 maart 2012 tot en met 26 maart 2012 te 's-Gravenhage en/of Delft en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Uitdrukkelijk voorgedragen verweren en onderbouwde standpunten

Vormverzuim ex artikel 359a Sv.

Standpunt raadsman

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen, zich ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard. Ter adstructie van zijn betoog heeft de raadsman aangevoerd dat nu is komen vast te staan dat het door zes (het hof begrijpt: zeven observanten onder nummer) verbalisanten ondertekende proces-verbaal van observatie d.d. 11 januari 2012 in strijd met de waarheid is opgemaakt er sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat hierdoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling te kort is gedaan. Onder verwijzing naar artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering levert dit een ernstig verzuim op en is zowel het belang dat het geschonden voorschrift dient als het door de verdachte ondervonden nadeel aanzienlijk.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat voornoemd proces-verbaal en de aanvullende processen-verbaal d.d. 22 mei 2014, 13 mei 2015 (verbalisant Veenstra) en 28 mei 2015 (het hof begrijpt: 27 mei 2015) (verbalisanten 20, 54 en Groenen) van het bewijs uitgesloten dienen te worden met als gevolg dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft gedaan zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Ook overigens is er te weinig bewijs, nu in de kern alleen observant 20 meent iets te hebben waargenomen.

Voorzover het hof genoemde processen-verbaal wel tot het bewijs zou willen bezigen, heeft de raadsman voorwaardelijk verzocht om verbalisant 51 te horen.

Tevens heeft de raadsman voorwaardelijk verzocht de belastende politieverhoren van [Medeverdachte 1]uit te luisteren voor zover het hof deze verklaringen voor het bewijs zou willen bezigen.

Beoordeling

Het hof stelt aan de hand van de zich in het dossier bevindende wettige en overtuigende bewijsmiddelen het volgende vast.

Op 11 november 2011 is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam "Condor" gericht op medeverdachte [Medeverdachte 2].

Gedurende het Condor onderzoek zijn meerdere bijzondere opsporingsmethodieken toegepast waaronder telefoontaps en observaties. Uit onderzoek van de tapgesprekken bleek dat er op 11 januari 2012 een ontmoeting bij De Jong Snacks zou plaatsvinden bij winkelcentrum De Stede in Den Haag tussen medeverdachte [Medeverdachte 2] en een NN-man.

Tijdens de observatie van deze ontmoeting bleek onder andere dat er op 11 januari 2012 rond 15.00 uur een zwarte tas werd overgedragen door [Medeverdachte 2] aan een NN-man (naar later zou blijken verdachte [verdachte]) en dat deze die tas in de kofferbak van zijn auto deed, waarna beiden ieder in een aparte auto vertrokken. Door de politie is toen besloten de auto waarin de NN-man (verdachte [verdachte]) als bijrijder instapte, te volgen. Vervolgens werd later die middag om 15.25 uur gezien dat door de verdachte [verdachte] in de loods gelegen naast portiek [IV] 53 te Den Haag deze zwarte (rug)tas werd weggelegd. De loods is hierna onder observatie genomen.

Gelet op deze bevindingen is ter afscherming van het nog lopende onderzoek tegen verdachte [Medeverdachte 2], met toestemming van de officier van justitie, mw. mr. N.H. Vogelenzang, een kluisproces-verbaal opgemaakt en ter beschikking gesteld aan de afschermfunctionaris van politie Haaglanden teneinde te bewerkstelligen dat de opsporingsautoriteiten in de politieregio Haaglanden een

opsporingsonderzoek konden instellen. Dit heeft geresulteerd in de verstrekking van een C.I.E. proces-verbaal “afgeschermde informatie” en naar aanleiding daarvan werd op woensdag 11 januari 2012 te 19:15 uur door personeel van bureau Scheveningen, de loods/garagebox, gelegen aan de [IV] betreden. In deze loods is vervolgens een zwarte rugtas aangetroffen met daarin een automatisch vuurwapen met geluidsdemper en twee patroonhouders met scherpe hollow point munitie (42 stuks). Tevens werd er een rode Digros plastic tas met daarin drie hennepstaven, met een totaalgewicht van 839,9 gram aangetroffen.

Het proces-verbaal van observeren van 11 januari 2012, met nummer HGL/00048/2012, AH/3/82 – 87, is opgemaakt en ondertekend door de observanten 10, 20, 51, 52, 54, 88 en 93.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

“15.02 uur

De TH-BS-43 stopt weer op het parkeerterrein van winkelcentrum “De Stede” te Den Haag. [Medeverdachte 2] stapt uit en maakt contact met [Medeverdachte 1]en NN1. [Medeverdachte 2] overhandigt NN1 iets waarop NN1 de kofferbak opent van een personenauto (…) voorzien van het kenteken SX-DT-87. NN1 gooit vervolgens een zwarte tas in de kofferbak en sluit deze weer. NN1 en [Medeverdachte 2] omhelzen elkaar hartelijk waarna zij afscheid nemen. [Medeverdachte 2] stapt in de TH-BS-43 en vertrekt. [Medeverdachte 1]en NN1 stappen in de SX-DT-87 en vertrekken ook (20 en 54)

(…)

15.25

uur

De SX-DT-87 stopt [IV] te Den Haag. NN1 stapt uit en pakt uit de kofferbak de zwarte tas. NN1 opent vervolgens met sleutel een loods gelegen naast portiek 53 en gaat naar binnen. Kort hierop verlaat NN1 genoemde loods zonder tas, stapt in de SX-DT-87 en vertrekt (20 en 51). Aanvang observatie genoemde loods.”

Op 27 mei 2015 is op verzoek van de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten 20 en 54. Op pagina 2 van dit proces-verbaal wordt door de verbalisanten over de observatie bij De Stede het volgende gerelateerd:

“Op het moment dat [Medeverdachte 2] iets aan [verdachte] gaf stonden beide mannen aan de achterzijde van de Audi. Zij stonden met de ruggen naar mij (verbalisant 20) toegekeerd. Wij zagen dat de mannen dicht tegen elkaar aan stonden. Ik (verbalisant 20) kon aan de armbewegingen van [Medeverdachte 2] en [verdachte] zien dat er iets werd overgedragen, echter de ruimte tussen [Medeverdachte 2] en [verdachte] was te klein om te zien wat dit precies geweest is. Wij zagen dat vrijwel direct hierna [verdachte] de kofferbak opende en een zwarte tas in de kofferbak van de Audi gooide.

Op de vraag wat er in de kofferbak ging en of dit afkomstig was van [Medeverdachte 2], kan ik (verbalisant 20) verklaren dat de zwarte tas die door [verdachte] in de kofferbak is gegooid, gezien de door mij waargenomen armbewegingen onomstotelijk van [Medeverdachte 2] afkomstig is geweest.” (vetgedrukt hof)

Op 19 september 2016 heeft observant 20 bij de raadsheer-commissaris onder punt 23 als volgt verklaard:

“U vraagt mij het stukje over 15:02 uur te lezen. […] Normaal is het zo dat je alles moet hebben waargenomen. […] Ik weet niet of 54 alles gezien heeft, maar ik heb alles gezien.”

Vervolgens heeft observant 54 – de observant die tevens de ontmoeting heeft gefilmd - op 20 september 2016 bij de raadsheer-commissaris onder punt 8 op vragen van de raadsman als volgt verklaard:

“U houdt mij voor uit het proces-verbaal van observatie (AH/3/84, 15:02 uur). U vraagt mij of ik de waarneming heb gedaan. Ik heb deels de waarneming gedaan, ik heb de ontmoeting gezien. […] de daadwerkelijke handeling heb ik niet gezien. U houdt mij voor dat beide nummers erbij vermeld zijn. U vraagt mij dat te verklaren. Omdat ik wel een deel van de waarneming heb gedaan. U vraagt mij waarom ervoor gekozen is om beide nummers neer te zetten. Omdat delen gezamenlijk zijn waargenomen en delen niet. U vraagt mij of 20 naast mij of dichtbij mij stond. Nee, we stonden niet op dezelfde positie.”

Het hof overweegt gegeven het vorenstaande als volgt. Naar het oordeel van het hof is in het proces-verbaal van observatie van 11 januari 2012 niet volstrekt helder en ondubbelzinnig opgeschreven door wie precies wat is geobserveerd. Het hof constateert dat hierdoor onduidelijk is wie welke observatie heeft gedaan. Niet is echter gebleken dat dit handelen doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces heeft plaatsgevonden. In het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2015 is door de observanten 20 en 54 een nadere uitleg gegeven over de wijze waarop observatie processen-verbaal worden gemaakt en is tevens een precisering gegeven van wie welke observatie heeft gedaan. Op grond van de verklaringen van de observanten 20 en 54 bij de raadsheer-commissaris op 19 respectievelijk 20 september 2016 is alsnog volstrekt helder geworden dat alleen observant 20 heeft gezien dat [verdachte] een zwarte tas in de kofferbak van de Audi heeft gegooid (en dat het “Wij” dus alleen slaat op het eerste deel van de zin).

Het aanvankelijke gebrek in de verslaglegging is daarmee hersteld. Het is niet aannemelijk geworden dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces op enigerlei wijze is geschonden (HR 5.1.2016, ECLI:NL:HR:2016:9).

Nu het gebrek in de verslaglegging is hersteld is geen sprake meer van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De vraag of en zo ja welk gevolg hieraan dient te worden verbonden behoeft geen beantwoording.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Onbetrouwbaarheid van de processen-verbaal

Door en namens de verdachte is naar voren gebracht dat er tijdens de ontmoeting op 11 januari 2012 tussen [Medeverdachte 2] en [verdachte] helemaal geen sprake is geweest van een overdracht en dat er ook niets door [verdachte] in de [IV] is weggelegd. De andersluidende processen-verbaal van de politie inzake de observaties op 11 januari 2012 zijn dan ook onbetrouwbaar.

Het hof volgt de raadsman niet in zijn standpunt. Het is immers volstrekt niet aannemelijk dat de politie de tot dan toe in het Condor-onderzoek onbekende NN-man volgt na de ontmoeting met [Medeverdachte 2] bij De Stede en later die dag de loods aan de [IV] onder observatie neemt en (door een ander team) invalt als er helemaal niets zou zijn overgedragen en weggelegd.

Het hof acht daarom het proces-verbaal van observatie van 11 januari 2012 in samenhang met het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2015 – mede tegen de achtergrond van de door de observanten 20 en 54 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen op 19 respectievelijk 20 september 2016 - wel betrouwbaar en bezigt deze dan ook tot het bewijs.

Voorwaardelijk verzoek horen verbalisant 51

Het hof wijst het voorwaardelijk gedane verzoek strekkende tot het horen van observant 51 af. Gegeven de door de raadsman aan dit verzoek ten grondslag gelegde motivering, ontbreekt naar het oordeel van het hof de noodzaak tot toewijzing nu in elk geval observant 20 de waarneming met betrekking tot de tas en de loods aan de [IV] heeft gezien. Het hof zal ook daar van uitgaan bij de weging van het voorhanden bewijs.

Voorwaardelijk verzoek uitluisteren belastende politieverhoren van [Medeverdachte 1]

Het hof bezigt de politieverklaringen afgelegd door [Medeverdachte 1]- waar hij bij de raadsheer-commissaris op is teruggekomen - niet tot het bewijs. De verdediging heeft derhalve geen belang meer bij het gedane verzoek, zodat het wordt afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaaksdossier [IV]

1.
hij op of omstreeks 11 januari 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, te weten, een automatisch vuurwapen, (merk Agram, model 2000, kaliber 9 x 19 mm) en/of een voorwerp van categorie I, te weten een (bijbehorende) geluidsdemper en/of munitie van categorie III, te weten 42, althans een of meer patro(o)n(en) (merk Hollow Point, kaliber 9 mm Luger, merk Prvi Partizan Namenska Proizodnja) heeft overgedragen aan een of meer ander(en) en/of voorhanden heeft gehad;

Zaaksdossier [V]

3.
hij op een meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 maart 2012 tot en met 26 19 maart 2012 te 's-Gravenhage en/of Delft en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelheid delen van hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de van dit arrest deel uitmakende bijlage I zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Nadere bewijsoverweging

Gegeven het voorhanden bewijs dat het verdachte is geweest die de zwarte rugzak in de loods heeft gebracht en dat het die rugzak is waarin later die dag het wapen, de geluidsdemper en de munitie is aangetroffen, is het enkele opperen van de mogelijkheid dat de loods ook via de binnenplaats door anderen kan zijn betreden, niet te beschouwen als een alternatief scenario.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat niet beoogd is de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet juncto artikel 1, tweede lid Opiumwetbesluit ten laste te leggen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een automatisch wapen, een geluidsdemper en bijbehorende munitie. Ter zake van de artikelen 13/26/31 WWM (voorhanden hebben en overdragen (vuur)wapen) zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten voor straftoemeting opgesteld. Het ongecontroleerde bezit van automatische vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico met zich voor de veiligheid van personen. Dat hier zwaar aan wordt getild, blijkt uit de omstandigheid dat voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen als vertrekpunt voor de gedachten over straftoemeting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden wordt genoemd.

Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen ongeveer 17 kilo hennepafval ([V]) afgeleverd. De verdachte heeft er geen blijk van gegeven zich rekenschap te hebben gegeven van de schadelijke gevolgen die de handel in hennep voor de gezondheid van anderen kan hebben. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat het leveren van drugs veelal gepaard gaat met diverse vormen van criminaliteit. Dit alles heeft de verdachte er kennelijk echter niet van kunnen weerhouden aan de drugshandel deel te nemen. Het hof stelt evenwel vast dat het onderzoek ter terechtzitting, mede gegeven de lage prijs die de kopers slechts bereid waren te betalen, aanleiding geeft te veronderstellen dat de aanwezige hoeveelheid werkzame bestanddelen in deze partij hennepafval beperkt was.

Het hof is van oordeel dat als reactie op de bewezen verklaarde feiten in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden zou zijn, waarbij het hof aansluiting zoekt bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd alsmede bij de eerder genoemde LOVS-oriëntatiepunten en tevens bij de Ressortelijke indicatiepunten softdrugdelicten van het Gerechtshof Den Haag waar bij voor een hoeveelheid tussen de 10 en de 25 kilo moet worden gedacht aan een gevangenisstraf van 6 2/3 maand.

Het hof heeft voorts in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Niettegenstaande bovengenoemde feiten is het hof evenwel van oordeel dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die strafverlagend werken. Zo heeft het hof het tijdsverloop in de onderhavige zaak in aanmerking genomen. Ook heeft de verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde openheid van zaken gegeven, hetgeen de positieve wending die de verdachte aan zijn leven zegt te geven, te weten het feit dat hij schoon schip wenst te maken en een streep onder zijn verleden wil zetten, ondersteunt. Het hof is - alles afwegende overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en gegeven de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf - van oordeel dat met een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof realiseert zich dat door de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgestippelde detentiefaseringstraject in de zaak waarvan hij de straf nu ondergaat, wordt doorkruist. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd kan echter niet worden volstaan met een taakstraf en een voorwaardelijke straf zoals door de raadsman voorgesteld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door Th.W.H.E. Schmitz,

mr. M. Moussault en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 mei 2017.