Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1260

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-05-2017
Datum publicatie
16-05-2017
Zaaknummer
BK-15/00871, BK-15/00872 en BK-15/00873
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:7698, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:421
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is - naar het Hof begrijpt - in geschil of: de hoorplicht is geschonden; de verliesvaststellingsbeschikkingen op de juiste bedragen zijn vastgesteld; (het saldo van) de te verrekenen verliezen op te lage bedragen zijn vastgesteld; sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; en of belanghebbende recht heeft op immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1132
NTFR 2017/1358
NLF 2017/1247 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-15/00871, BK-15/00872 en BK-15/00873

Uitspraak van 2 mei 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de (thans) Belastingdienst/kantoor Hoofddorp, de Inspecteur,

op de hoger beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 29 juni 2015, nummers SGR 08/8762, SGR 08/8763 en SGR 08/8764, betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaren en gedingen in eerste aanleg

BK-15/00871

1.1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil. De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag, bij beschikking het verlies over het jaar 1998 vastgesteld op ƒ 14.936.

1.1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar toegewezen en het verlies over het jaar 1998 nader vastgesteld op ƒ 37.990.

1.1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank (nr. SGR 08/8762) heeft het beroep voor zover gericht tegen de mededeling van het saldo van de te verrekenen verliezen per 31 december 1998 niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over schadevergoeding.

BK-15/00872

1.2.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil. De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag, bij beschikking het verlies over het jaar 1999 vastgesteld op ƒ 56.566.

1.2.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar toegewezen en het verlies over het jaar 1999 nader vastgesteld op ƒ 111.244.

1.2.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank (nr. SGR 08/8763) heeft het beroep voor zover gericht tegen de mededeling van het saldo van de te verrekenen verliezen per 31 december 1999 niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over schadevergoeding.

BK-15/00873

1.3.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil. De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag, bij beschikking het verlies over het jaar 2000 vastgesteld op ƒ 6.883.

1.3.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar toegewezen en het verlies over het jaar 2000 nader vastgesteld op ƒ 128.237.

1.3.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank (nr. SGR 08/8764) heeft het beroep voor zover gericht tegen de mededeling van het saldo van de te verrekenen verliezen per 31 december 2000 niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over schadevergoeding.

Loop van de gedingen in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraken van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. In verband daarmee is door de griffier éénmaal (in de zaak met nr. BK-15/00871) een griffierecht geheven van € 123.

2.2.1.

Ter zake van de in het najaar van 2016 behandelde hoger beroepen van belanghebbende zijn de volgende griffierechten geheven:

Zitting

BK-nr.

Middel/jaar

Griffierecht

20-09-2016

15/00871

15/00872

15/00873

Aanslag IB/PVV 1998

Aanslag IB/PVV 1999

Aanslag IB/PVV 2000

€ 123

-

-

11-10-2016

15/00874

15/00875

Aanslag IB/PVV 2002

Aanslag IB/PVV 2003

€ 123€ 123

08-11-2016

15/00876

15/00877

Navorderingsaanslag IB/PVV en Zfw 2004

Aanslag IB/PVV 2004

€ 123€ 123

15-11-2016

15/00879

15/00880

15/00881

15/00882

Aanslag IB/PVV 2005

Navorderingsaanslag IB/PVV en Zfw 2005

Aanslag IB/PVV 2006

Aanslag IB/PVV 2007

€ 123€ 123€ 123€ 123

13-12-2016

15/00878

Naheffingsaanslag OB 2005-2007

€ 123

2.2.2.

Ter zake van de in het najaar van 2016 behandelde hoger beroepen van de echtgenoot van belanghebbende zijn de volgende griffierechten geheven:

Zitting

BK-nr.

Middel/jaar

Griffierecht

20-09-2016

15/00883

15/00884

15/00885

15/00886

Verliesverrekeningsbeschikking 1988

Aanslag IB/PVV 1998

Aanslag IB/PVV 1999

Aanslag IB/PVV 2000

€ 123€ 123

-

-

11-10-2016

15/00887

15/00888

15/00889

Aanslag IB/PVV 2001

Aanslag IB/PVV 2002

Aanslag IB/PVV 2003

€ 123€ 123€ 123

08-11-2016

15/00894

15/00895

15/00896

Verliesvaststellingsbeschikking 2004

Navorderingsaanslag Zfw 2004

Verliesverrekeningsbeschikking 2004

€ 123

-

-

15-11-2016

15/00890

15/00891

15/00892

15/00893

Aanslag IB/PVV 2005 en Zfw 2005

Navorderingsaanslag IB/PVV en Zfw 2005

Aanslag IB/PVV en Zvw 2006

Aanslag IB/PVV en Zvw 2007

€ 123

-€ 123€ 123

13-12-2016

15/00897

15/00898

Naheffingsaanslag OB 2004

Naheffingsaanslag OB 2005-2007

€ 248

-

2.3.

De mondelinge behandeling van de onderhavige zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 20 september 2016, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4.

Op 2 februari 2017 heeft belanghebbende bij het Hof twee brieven afgegeven met het opschrift "KLACHT Over de Postbezorging door Postnl, van met name aangetekende stukken, verstuurd door oa. Voornoemde 3 organen" en het opschrift beginnend met "Onder verwijzing naar verzoek art 12 toepassing door dhr [Y] dd 19-01-2017, ingediend, met het verzoek om ontvangst bevestiging (…)". Aangezien deze brieven na sluiting van het onderzoek zijn binnengekomen en de inhoud van deze brieven niet noopt tot heropening van het onderzoek, zullen deze brieven niet in de beoordeling worden betrokken.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Op het aanslagbiljet IB/PVV 1998 is vermeld dat het totaalbedrag van de nog te verrekenen verliezen op 31 december 1998 is vastgesteld op ƒ 95.742, waarvan ƒ 55.580 onbeperkt verrekenbaar en ƒ 40.162 beperkt verrekenbaar. De aanslagbiljetten IB/PVV 1999 en 2000 bevatten mededelingen van gelijke strekking.

3.2.

De Inspecteur heeft in elk van de onderhavige zaken in de bezwaarfase besloten om voor het vaststellen van het inkomen uit te gaan van de door belanghebbende aangegeven belastbare inkomens. Hij heeft de bij de aanslagregeling doorgevoerde correcties derhalve teruggenomen. In de uitspraken op bezwaar schrijft hij telkens:

"Er heeft door mij enkel om doelmatigheidsredenen geen inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden van de teruggenomen correcties. Ik benadruk dat de Belastingdienst hiermee geen standpunt inneemt over de aanvaardbaarheid van deze aftrekposten voor de toekomst."

3.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 16 september 2015 een beroep op betalingsonmacht griffierecht gedaan. Bij brief van 6 oktober 2015 heeft zij het toegezonden formulier en de gevraagde gegevens aan de griffier (retour) gezonden. Belanghebbende heeft in dit formulier het volgende verklaard:

"I. ondergetekende verklaart voor zichzelf en zijn eventuele fiscale partner dat zij beiden:

 geen inkomen genieten. [Hof: met pen bijgeschreven] dwz negatief uit onderneming/zie bijlage.

(…)

II. Ondergetekende verklaart voor zichzelf en zijn eventuele fiscale partner dat zij gezamenlijk in Nederland en/of in het buitenland

 niet over vermogen beschikken. [Hof: met pen bijgeschreven] = negatief zie bijlage/uitleg."

3.4.

Belanghebbende heeft bij de hiervoor onder 3.3 vermelde verklaring vier bijlagen gevoegd. Kort samengevat heeft belanghebbende in deze bijlagen verklaard dat zij per 1 oktober 2015 samen met haar echtgenoot een bedrag van € 555.559,49 is verschuldigd aan hun twee kinderen. Voorts heeft zij gesteld dat hun gezamenlijke vermogen per saldo negatief is, aangezien tegenover de schuld aan de kinderen banktegoeden staan van € 302.165,52 op naam van belanghebbende plus € 219.988,38 op naam van de echtgenoot, derhalve in totaal een bedrag van € 522.153,90. Belanghebbende en haar echtgenoot zetten in de 'bijlage bij de verzoeken 30-09-2015', ingekomen op 7 oktober 2015, uiteen dat dit:

"[i]n feite impliceert […] dat voor vrijstelling griffierecht rechtmatig kan worden geopteerd. In een eerder jaar is dat ook altijd wel toegekend. De laatste tijd hebben we daarvan echter vrijwillig afgezien […]. De […] alhier/cumulerende griffierechten worden ons echter te gortig".

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is - naar het Hof begrijpt - in geschil of:

  • -

    a. de hoorplicht is geschonden;

  • -

    b. de verliesvaststellingsbeschikkingen op de juiste bedragen zijn vastgesteld;

  • -

    c. (het saldo van) de te verrekenen verliezen op te lage bedragen zijn vastgesteld;

  • -

    d. sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; en of

  • -

    e. belanghebbende recht heeft op immateriële schadevergoeding.

4.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de van hen afkomstige stukken en naar hetgeen partijen in aanvulling daarop ter zitting hebben aangevoerd.

Conclusies van partijen

5.1.

De hoger beroepen van belanghebbende strekken, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar met instandhouding van de rechtsgevolgen van die uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de jaren 1999 en 2000, tot handhaving van de aanslag 1998 en tot verhoging van het verlies van het jaar 1998, tot vergoeding van de proceskosten en tot toewijzing van het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6.1.

De Rechtbank (nr. SGR 08/8762) heeft omtrent het geschil in de zaak betreffende de aanslag IB/PVV 1998 en de bijbehorende verliesvaststellingsbeschikking als volgt overwogen:

"8. De rechtbank stelt vast dat [belanghebbende] tegen de aanslag IB en tegen de nadere vaststelling van het verlies op ƒ 37.990 geen gronden heeft aangevoerd.

9. De gronden van het beroep zien - voor zover hier van belang - uitsluitend nog op het in aanmerking te nemen saldo van de te verrekenen verliezen per 31 december 1998, alsmede op de afwijzing van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Saldo te verrekenen verliezen

10. Anders dan met betrekking tot de verliesvaststelling, waarvoor ingevolge artikel 51a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geldt dat het verlies bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt vastgesteld en op het aanslagbiljet wordt vermeld, is bij de vermelding op het aanslagbiljet van het totaalbedrag van de per 31 december 1998 nog te verrekenen verliezen geen sprake van een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing. Deze vermelding is volgens vaste jurisprudentie slechts een mededeling waartegen geen bezwaar en beroep openstaat. Het bedrag is immers het saldo van alle voorafgaande verliesvaststellingsbeschikkingen minus alle voorafgaande verliesverrekeningsbeschikkingen, tegen welke beschikkingen afzonderlijk bezwaar en beroep heeft opengestaan. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Vergoeding kosten bezwaarfase

11. De rechtbank stelt vast dat zowel het bezwaarschrift als de aanvullingen door [belanghebbende] zelf zijn ingediend. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

12. De rechtbank stelt voorts vast dat het op 8 januari 2007 ontvangen aanvullende bezwaarschrift namens [belanghebbende] is ondertekend door haar echtgenoot.

13. Voor zover de echtgenoot als gemachtigde van [belanghebbende] het aanvullende bezwaarschrift heeft ingediend, overweegt de rechtbank met verwijzing naar het in 5 genoemde arrest [Hof: HR 15 oktober 2010, nr. 09/03033, ECLI:NL:HR:2010:BO0411] dat de tussen [belanghebbende] en haar echtgenoot bestaande relatie niet aan het beroepsmatig karakter van de verleende rechtsbijstand in de weg behoeft te staan.

14. Voor beantwoording van de vraag of de echtgenoot in de bezwaarfase op zakelijke basis voor [belanghebbende] is opgetreden, heeft [belanghebbende] in de na de conclusie van repliek ingediende nadere stukken gewezen op de uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage van 8 juni 2011 in de zaken met registratienummers BK-10/00330 en 10/00331, ECLI:NL:GHSGR:2001:BR2951.

15. Hierin en in hetgeen [belanghebbende] verder heeft aangevoerd acht de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van op zakelijke basis verleende rechtsbijstand. [Belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat tegen een beloning rechtsbijstand is verleend, dat aan haar is gefactureerd en dat zij voor de verleende rechtsbijstand heeft betaald. Voor zover [belanghebbende] beoogt te stellen dat sprake is van verrekening, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat kosten van verleende rechtsbijstand - zo die kosten al zijn gemaakt - zijn verrekend met een vordering die [belanghebbende] op haar echtgenoot heeft vanwege door haar aan hem verleende rechtsbijstand. Niet aannemelijk is immers dat [belanghebbende] aan haar echtgenoot rechtsbijstand heeft verleend, nu op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat zij beroepsmatig als rechtsbijstandverlener optreedt.

16. [De Inspecteur] heeft het verzoek om kostenvergoeding terecht afgewezen."

6.2.

De overwegingen en oordelen van de Rechtbank in de zaken betreffende de aanslagen IB/PVV 1999 en 2000 en de bijbehorende verliesvaststellingsbeschikkingen (nrs. SGR 08/8763 en SGR 08/8764) hebben een gelijke strekking.

Beoordeling van de hoger beroepen

Geschilpunt a (de hoorplicht)

7.1.

Voor zover belanghebbende erover klaagt dat zij in de bezwaarfase niet is gehoord en terugwijzing van de zaken naar de Inspecteur bepleit, treft het betoog geen doel omdat belanghebbende door de gang van zaken niet is benadeeld. Partijen verschillen niet meer van mening omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan. De Inspecteur heeft bij de uitspraken op bezwaar de bij de aanslagregeling doorgevoerde correcties volledig teruggenomen. De uitspraken op bezwaar worden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in stand gelaten (vgl. HR 29 januari 2016, nr. 15/02441, ECLI:NL:HR:2016:114, BNB 2016/74, r.o. 2.5 en HR 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267). Toepassing van artikel 6:22 van de Awb neemt niet weg dat in de gang van zaken aanleiding kan worden gevonden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die een belastingplichtige heeft gemaakt. Gelet op het hierna met betrekking tot geschilpunt d overwogene bestaat hiervoor in het onderhavige geval evenwel geen aanleiding.

Geschilpunt b (verliesvaststellingsbeschikkingen)

7.2.1.

De hiervoor in 1.1.2, 1.2.2 en 1.3.2 vermelde bezwaarschriften zijn gericht tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2000 en de gelijktijdig bij beschikking vastgestelde verliezen van de desbetreffende jaren.

7.2.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar om doelmatigheidsredenen de bij de aanslagregeling doorgevoerde correcties volledig teruggenomen.

7.2.3.

Belanghebbende heeft in hoger beroep - behoudens hetgeen onder 7.3 is opgenomen - geen nadere aftrekposten geclaimd en heeft in zoverre dan ook geen belang bij de door haar ingestelde hoger beroepen.

7.2.4.

Bij de stelling dat de onderhavige aanslagen buiten de termijn van artikel 11, lid 3, van de Algemene wet rijksbelasting (hierna: AWR) zijn vastgesteld, heeft belanghebbende geen belang omdat het verliesvaststellingsbeschikkingen betreft. Een niet tijdig opgelegde aanslag kan evenmin tot het door belanghebbende kennelijk voorgestane gevolg leiden dat het verlies wordt vastgesteld conform het in de aangifte vermelde bedrag.

Overige klachten; nadere aftrekpost van ƒ 3.500?

7.3.1.

Belanghebbende heeft in de zaak betreffende de aanslag IB/PVV 1998 en de bijbehorende verliesvaststellingsbeschikking in hoger beroep aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over een door haar geclaimde nadere aftrekpost van ƒ 3.500. Belanghebbende verwijst in dit verband in hoger beroep uitsluitend, zonder nadere toelichting, naar een brief van 7 januari 2007 ('zie brief 7-01-2007').

7.3.2.

Belanghebbendes klacht wordt verworpen, aangezien deze geen steun vindt in de stukken van het geding. Zij heeft in de procedure voor de Rechtbank (nr. SGR 08/8762; IB/PVV 1998) niet een dergelijke aftrekpost geclaimd. Weliswaar zit als bijlage 2-a ('Brief 07/08 jan 2007') bij het beroepschrift een brief gevoegd, met dagtekening 7 januari 2006, ingekomen bij de Belastingdienst op 8 januari 2007, welke brief onder meer de volgende passage bevat:

"Er bestaat tevens recht op aftrek nadere kosten. Vergeten. Rechten voorbehoudend. Idem bestaat nader recht op aftrek kosten met bijtelling FL3500, per saldo is dit meer aftrek, welke nader mag .worden bepaald, en ingebracht zolang aanslag openstaat, rechten voorbehoudend.

Drempelwerking idem dan nog in het voordeel aan te passen."

De inhoud van deze brief is, zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, onvoldoende voor het oordeel dat de nadere aftrekpost van ƒ 3.500 in het onderhavige jaar (1998) als geschilpunt is voorgelegd aan de Rechtbank. Bij dit oordeel wordt in aanmerking genomen dat (i) bij het beroepschrift een veelvoud van stukken en bijlagen zijn gevoegd, (ii) het beroepschrift is voorzien van een toelichting van 2 pagina's waarin echter met geen woord wordt gerept over de bedoelde aftrekpost, en (iii) de Rechtbank ook niet op enig ander moment in de procedure betreffende het jaar 1998 door belanghebbende op de bedoelde aftrekpost is gewezen.

7.3.3.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep betoogt recht te hebben op een aftrekpost van ƒ 3.500, heeft zij volstrekt niet aan haar stelplicht voldaan, nu aard en grondslag van de bedoelde aftrekpost ontbreekt.

Geschilpunt c (verliesverrekeningsbeschikkingen)

7.4.1.

Voor zover de klachten in hoger beroep ertoe strekken dat belanghebbende tevens opkomt tegen de beschikkingen waarbij de verliezen van de onderhavige jaren zijn verrekend, geldt dat verrekening van verliezen geschiedt bij afzonderlijke beschikking, waartegen afzonderlijk rechtsmiddelen openstaan. Klachten tegen verliesverrekeningsbeschikkingen kunnen in procedures als de onderhavige, inzake aanslagen en verliesvaststellingsbeschikkingen, niet aan de orde komen.

7.4.2.

Voor zover belanghebbende in dit verband met een beroep op het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb heeft bedoeld te stellen dat de Inspecteur de beweerdelijk door haar ingediende bezwaarschriften tegen de verliesverrekeningsbeschikkingen in het geding moet brengen, faalt deze stelling. Die bezwaarschriften zijn immers geen op de zaak betrekking hebbende stukken in déze procedures.

Geschilpunt c (het saldo van de te verrekenen verliezen)

7.5.

Ten aanzien van de onder 3.1 bedoelde mededelingen heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat daartegen geen rechtsmiddelen openstaan.

Geschilpunt d (vergoeding van proceskosten)

7.6.1.

De Inspecteur heeft betwist dat de echtgenoot in de bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsfase op zakelijke basis is opgetreden.

7.6.2.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat tegen een beloning rechtsbijstand is verleend, in hoger beroep aangevoerd dat op basis van het tussen haar en haar echtgenoot geldende huwelijksvermogensregime ieder jaar verrekening van kosten plaatsvindt. De blote stelling dat dit geschiedt, is onvoldoende voor het oordeel dat in de onderhavige zaken sprake is van op zakelijke basis verleende rechtsbijstand. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar echtgenoot op zakelijke basis is opgetreden.

7.7.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat kosten zijn gemaakt bij derden (niet zijnde haar echtgenoot) ter zake van rechtsbijstand, doch deze kosten niet gespecificeerd. De Inspecteur betwist belanghebbendes stelling. De enkele stelling dat er facturen zijn terug te vinden in de boekhouding is onvoldoende. Belanghebbende heeft ter zitting aangeboden - om zo het Hof dat wenst stukken te overleggen. Het Hof heeft belanghebbende meerdere malen voorgehouden dat het aan belanghebbende zelf is te bepalen of en welke stukken zij in het geding brengt. Aangezien belanghebbende de desbetreffende stukken niet alsnog in het geding heeft gebracht en het heeft gelaten bij een aanbod daartoe zijn de kosten niet aannemelijk gemaakt.

7.8.

Uit het hiervoor in 7.6 en 7.7 overwogene volgt dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.

7.9.

Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat recht bestaat op vergoeding van andere kosten, zoals bijvoorbeeld bedoeld in artikel 41 van het EVRM.

Geschilpunt e (verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn)

7.10.

Aangezien de Rechtbank bij afzonderlijke uitspraak beslist over het verzoek tot vergoeding van immateriële schade ter zake van het verloop van de procedures in bezwaar en in beroep, zal thans uitsluitend het verzoek tot schadevergoeding in de hogerberoepsfase worden beoordeeld (vgl. HR 25 november 2016, nr. 16/00363, ECLI:NL:HR:2016:2678, r.o. 3.1.1). In casu is binnen twee jaar na het instellen van de hoger beroepen uitspraak gedaan, zodat de redelijke termijn niet is overschreden.

Afsluitende overwegingen

7.11.1.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat sprake is van schending van artikel 1 EP bij het EVRM, geldt dat zij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

7.11.2.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat aan haar in rekening gebrachte heffingsrente, mede gelet op de duur van de procedures, als boete als bedoeld in het EVRM zou moeten worden aangemerkt, geldt dat dit standpunt moet worden verworpen omdat het geen steun vindt in het recht.

7.11.3.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden (meer in het bijzonder: het beginsel van detournement de pouvoir), geldt dat zij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een dergelijke schending.

7.11.4.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat overigens Europeesrechtelijke regels zijn geschonden, geldt dat zij deze stelling onvoldoende heeft gespecificeerd.

7.11.5.

Voor zover belanghebbende stelt 'dat er stukken verdwijnen' en met een beroep op het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb bedoelt te stellen dat de Inspecteur deze in het geding moet brengen, geldt dat zij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

7.11.6.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat het verbod op reformatio in peius is geschonden, geldt het volgende. De onderhavige aanslagen en beschikkingen zijn in bezwaar gehandhaafd dan wel verminderd. Van een verslechtering van de positie van belanghebbende als gevolg van de door haar ingediende bezwaarschriften is derhalve geen sprake. De uitspraken van de Rechtbank hebben evenmin tot gevolg gehad dat belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren dan zonder het instellen van het beroep het geval zou zijn geweest. De grief treft daarom geen doel.

7.11.7.

Voor zover belanghebbende stelt dat de Rechtbank haar uitspraken onvoldoende heeft gemotiveerd, geldt dat deze klacht faalt, reeds omdat belanghebbende niet aan haar stelplicht heeft voldaan, nu deze stelling onvoldoende is onderbouwd.

7.11.8.

Voor zover belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geweigerd stukken aan te nemen die belanghebbende alsnog ter zitting wilde overleggen, geldt dat deze klacht faalt. Belanghebbende had deze stukken al bij aanvang van de beroepsprocedure in bezit en had deze reeds op dat moment in het geding kunnen brengen. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende goede redenen had die stukken niet eerder in te brengen. Gelet hierop kon de Rechtbank het algemeen belang van een doelmatige procesgang laten prevaleren (vgl. HR 15 juni 2012, nr. 11/03308, ECLI:NL:HR:2012:BW8344, BNB 2012/240, r.o. 3.3.2).

Slotsom

7.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de hoger beroepen ongegrond zijn.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb (zie onderdeel 7.8).

8.2.1.

Belanghebbende heeft het in rekening gebrachte griffierecht voldaan, doch doet een beroep op betalingsonmacht griffierecht. Zij heeft verklaard tezamen met haar echtgenoot bezittingen te hebben, waaronder begrepen liquide middelen, ten bedrage van € 522.153,90 (zie onderdeel 3.4). Belanghebbende beschikte derhalve over de benodigde middelen om het griffierecht te voldoen, zodat zij in staat was een afweging te maken tussen de last van het voldoen van het griffierecht en het nut van het voeren van een gerechtelijke procedure (vgl. HR 28 maart 2014, nr. 12/03888, ECLI:NL:HR:2014:699, BNB 2014/135, r.o. 3.3.5). Daaraan doet niet af dat belanghebbende stelt schulden te hebben ten bedrage van € 555.559,49. Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is geworden dat het onmogelijk dan wel uiterst moeilijk was om het griffierecht te voldoen.

8.2.2.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat het aan haar ter zake van het indienen van het hoger beroep in rekening gebrachte griffierecht ten onrechte in rekening is gebracht, geldt het volgende. Op grond van artikel 8:41 juncto 8:108 van de Awb wordt van de indiener van het hogerberoepschrift een griffierecht geheven. Ingevolge het derde lid van artikel 8:41 van de Awb is, onder meer, bij een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten eenmaal griffierecht verschuldigd. Van samenhang is sprake als besluiten voortkomen uit één samenstel van feiten en omstandigheden.

Er is voor wat betreft de inkomstenbelastingzaken voor de jaren 1998 tot en met 2000, alsmede voor de jaren 2002 en 2003 sprake van samenhangende besluiten in voormelde zin omdat de Inspecteur in die zaken de bij de aanslagregeling aangebrachte correcties vanwege doelmatigheidsredenen op één na heeft teruggenomen. Voor dit cluster wordt in de zaak met nr. BK-15/00871 griffierecht geheven ten bedrage van € 123.

Voor de inkomstenbelasting- en omzetbelastingzaken die betrekking hebben op de jaren 2004 tot en met 2007 is sprake van samenhang in voormelde zin omdat die zaken voortvloeien uit boekenonderzoeken. In dit cluster wordt in de zaak met nr. BK-15/00876 griffie-recht geheven ten bedrage van € 123.

Ten aanzien van de overige zaken zal de griffier worden gelast het betaalde griffierecht terug te betalen.

8.2.3.

Voor zover belanghebbende stelt dat [Y] en zijzelf beroepschriften hebben ingediend tegen hetzelfde besluit als bedoeld in artikel 8:41, lid 3, van de Awb, zodat voor hen beiden slechts eenmaal griffierecht wordt verschuldigd, geldt dat dit betoog faalt, omdat opgekomen wordt tegen verschillende besluiten.

8.2.4.

Dat betekent dat in de zaak met nr. BK-15/00871 terecht een griffierecht van € 123 is geheven.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    bevestigt de uitspraken van de Rechtbank, en

  • -

    wijst de ingediende verzoeken tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn betreffende de procedure voor het Hof af.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, E.M. Vrouwenvelder en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. E.J. Nederveen en A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 2 mei 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.