Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:121

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
200.140.812/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

functioneel leeftijdspensioen registerloodsen, privatisering loodswezen, korting WAZ-uitkering? onverbindende verordening? art. 1 EVRM, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, discretionaire bevoegdheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1516
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.166.820/02

Zaaknummer rechtbank : C/10/442613 / HA ZA 14-78

arrest van 7 februari 2017

inzake

1 de publiekrechtelijke rechtspersoon
Nederlandse Loodsencorporatie

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: NLc

2 Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in het principaal appel,

hierna te noemen: BpL,

appellanten,

advocaat: mr. M.B. Kerkhof te Amsterdam

tegen

[executeur testamentair] ,

in haar hoedanigheid van executeur testamentair van de nalatenschap van

[geïntimeerde] ,

wonende te Les Eyzies de Tayac (Frankrijk),

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde]

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 18 februari 2015 zijn NLc en BpL in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van 26 november 2014 van de rechtbank Rotterdam. Bij memorie van grieven hebben NLc en BpL dertien grieven aangevoerd. Aan [geïntimeerde] is akte niet dienen verleend vanwege het niet nemen van de memorie van antwoord. Aan de zijde van [geïntimeerde] is een akte genomen. Daarop hebben NLc en BpL een antwoordakte genomen, waarna de procedure is geschorst ex art. 225 lid 1 Rv. De zaak is weer opgebracht door NLc en BpL bij exploot van 3 mei 2016. Partijen hebben hun zaak op 11 november 2016 doen bepleiten, NLc en BpL door mr. Kerkhof voornoemd en [geïntimeerde] door de mrs. P.G. Gilhuis en D.H.P.M. Müskens, advocaten te Dordrecht. De advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities. Aan de zijde van [geïntimeerde] zijn nog producties overgelegd. Partijen hebben arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

[geïntimeerde] is op 1 maart 1980 als rijksloods in ambtelijke dienst getreden bij de toenmalige Rijksloodsendienst.

1.2

In 1988 is het loodswezen (gedeeltelijk) verzelfstandigd, met dien verstande dat (onder meer) de regels omtrent de aan de loodsen toekomende vergoedingen en pensioenen nog door de overheid werden vastgesteld. Hiertoe is op 1 september 1988 een nieuwe Loodsenwet in werking getreden, alsmede (op grond van art. 26 Loodsenwet) het Financieel Besluit Loodsen. [geïntimeerde] heeft zich laten inschrijven in het Openbaar loodsenregister en was sindsdien registerloods in de zin van de nieuwe Loodsenwet.

1.3

In 1995 is het loodswezen ook in financieel opzicht verzelfstandigd. Daartoe is (onder meer) art. 26 van de Loodsenwet gewijzigd, aldus dat hierin werd bepaald dat de aan loodsen toekomende vergoedingen en pensioenen zouden worden vastgesteld door de Algemene Raad van de Nederlandse Loodsencorporatie.

1.4

[geïntimeerde] was sinds november 2002 arbeidsongeschikt. Vanaf 6 november 2003 ontving hij een uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid (van 35-45%) op grond van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (hierna: WAZ). In de periode tot 1 november 2005 ontving [geïntimeerde] daarnaast een invaliditeitspensioen van BpL.

1.5

[geïntimeerde] heeft na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar per 1 november 2005, aanspraak gemaakt op functioneel leeftijdspensioen (hierna: FLP). BpL is belast met het uitkeren van FLP aan voormalige registerloodsen.

1.6

De algemene Raad van NLc heeft op 12 september 1995 de Financiële Verordening Loodswezen (hierna: de FVL) vastgesteld. De ledenvergadering van de NLc heeft op 30 maart 2004 de FVL gewijzigd, onder meer door in art. 7 lid 2 daarvan te bepalen dat op de FLP-uitkering in mindering wordt gebracht:

“de uitkering die aan betrokkene is toegekend krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en/of de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)[…]”.

1.7

In de periode 1 november 2005 tot en met 30 september 2012 heeft UWV voor een bedrag van € 34.339,28 de WAZ-uitkeringen van [geïntimeerde] aan BpL betaald. Hiertoe had [geïntimeerde] aan BpL een machtiging verschaft.

1.8

UWV heeft op 12 september 2012 na herkeuring aan [geïntimeerde] bericht dat zijn WAZ-uitkering met terugwerkende kracht met ingang van 14 juni 2005 verhoogd, in verband met een toename van het arbeidsongeschiktheidspercentage, van 35-45% naar
80-100%. UWV heeft naar aanleiding hiervan een bedrag van € 58.621,17 bruto rechtstreeks aan [geïntimeerde] nabetaald.

1.9

UWV heeft de WAZ-uitkering over oktober 2012 nog aan het Beroepspensioenfonds betaald. Vanaf 1 november 2012 heeft UWV de WAZ-uitkering ad € 1.092,07 per maand rechtstreeks aan [geïntimeerde] betaald.

1.10

Over de periode van december 2012 tot en met februari 2013 heeft BpL de volledige FLP aan [geïntimeerde] voldaan. [geïntimeerde] heeft in de periode november 2012 - 4 april 2013 een bedrag ad € 2.194,07 betaald aan BpL.

1.11

BpL heeft per 1 maart 2013 de maandelijkse FLP- uitkeringen aan [geïntimeerde] gestaakt omdat [geïntimeerde] weigerde aan de sommatie te voldoen om de WAZ-uitkeringen aan haar af te dragen.

1.12

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd - samengevat – dat:

  1. voor recht wordt verklaard dat de (gewijzigde) FVL, voor zover daarin de AAW- respectievelijk WAZ-uitkeringen op de FLP-uitkering in mindering worden gebracht, onverbindend is en nooit verbindend is geweest,

  2. voor recht wordt verklaard dat NLc door de uitvaardiging van de gewijzigde FVL, en BpL door de toepassing daarvan, toerekenbaar onrechtmatig jegens [geïntimeerde] hebben gehandeld en handelen,

  3. NLc en BpL wordt bevolen de gewijzigde FVL voor zover daarin WAZ-uitkering op de FLP-uitkering in mindering wordt gebracht, buiten toepassing te laten,

  4. BpL wordt veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een aantal bedragen
    (€ 40.980,-, € 1.092,07 en € 48.426,40) die BpL is verschuldigd omdat hij op de FLP-uitkeringen de WAZ-uitkeringen van [geïntimeerde] in mindering heeft gebracht, vermeerderd met wettelijke rente,

  5. BpL wordt veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 4.842,64 per maand vanaf 1 januari 2014, vermeerderd met wettelijke rente,

  6. BpL wordt veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 17.783,-- als schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente,

  7. BpL en NLc worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 29.040,-- aan buitengerechtelijke incassokosten,

  8. NLc en BpL hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld.

1.13

BpL heeft in reconventie gevorderd, samengevat:

  • -

    i) te verklaren voor recht dat BpL op de FLP-uitkering de WAZ-uitkering van [geïntimeerde] in mindering moet brengen,

  • -

    ii) [geïntimeerde] te veroordelen aan BpL te betalen: (1) € 60.815,38 bruto uit hoofde van onverschuldigde betaling, te verminderen met betalingen die [geïntimeerde] reeds had betaald door middel van verrekening, en te vermeerderen met wettelijke rente en (2) € 2.000,- ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente,

  • -

    iii) [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.

1.14

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in conventie:

  • -

    i) de door [geïntimeerde] gevorderde verklaringen voor recht gegeven,

  • -

    ii) NLc bevolen de gewijzigde FVL voor zover daarin WAZ-uitkering op de FLP-uitkering in mindering wordt gebracht, buiten toepassing te laten,

  • -

    iii) BpL veroordeeld tot betaling van € 40.980,-, € 1.092,07 en € 48.426,40, zijnde de WAZ-uitkeringen die rechtstreeks aan BpL zijn betaald, vermeerderd met wettelijke rente,

  • -

    iv) BpL veroordeeld tot betaling maandelijks van een bedrag van € 4.842,64 vanaf 1 januari 2014 tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van [geïntimeerde],

  • -

    v) BpL en NLc veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 12.500,-- inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten,

  • -

    vi) BpL en NLc veroordeeld in de proceskosten en

  • -

    vii) het meer of anders gevorderde afgewezen.


De rechtbank heeft in reconventie de vorderingen van BpL afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

1.15

[geïntimeerde] is op 18 mei 2015 overleden.

2. In hoger beroep vorderen NLc en BpL vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog (i) niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] in zijn vorderingen, althans deze vorderingen af te wijzen, (ii) [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling aan BpL van een bedrag van € 149.974,60 vermeerderd met wettelijke rente, (iii) [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling aan BpL van een bedrag gelijk aan de door hem na
15 december 2014 ontvangen WAZ-uitkeringen vermeerderd met wettelijke rente,
(iv) toewijzing van de vorderingen van BpL in reconventie van de eerste aanleg, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

3. De grieven 1 en 9 richten zich tegen het oordeel dat art. 7 lid 2 van de (per 1 april 2004 gewijzigde) FVL in strijd is met de door art. 26 lid 2 Loodsenwet vereiste waarborg, daarom onverbindend is en buiten werking/toepassing dient te blijven, zodat de vaststelling en uitvoering van art. 7 lid 2 FVL onrechtmatig is. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. Het hof overweegt als volgt.

4.1.

Met de financiële verzelfstandiging van het Loodswezen is art. 26 van de Loodsenwet per 1 oktober 1995 gewijzigd (Stb. 1995, 397). In lid 1 van dit artikel is sindsdien bepaald dat bij verordening regels worden vastgesteld ten aanzien van de bedragen, de verschuldigdheid daarvan, de maatstaven voor de vaststelling, alsmede de betaling met betrekking tot (a) de diensten van registerloodsen, (b) de door de algemene raad en de besturen van de regionale corporaties krachtens deze wet te verzorgen taken en (c) de taken ten behoeve van de door de registerloodsen te verlenen diensten. Voorheen werden deze regels bij of krachtens AMvB gesteld. In het tweede lid is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde regels rekening houden met de totale te verwachten opbrengst uit loodsgelden en in ieder geval voorzien in “een waarborg en een fonds of andere voorziening waarin stortingen worden gedaan voor het kunnen voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit het functioneel leeftijdspensioen van registerloodsen […]”.

4.2.

Anders dan [geïntimeerde] stelt is uit de totstandkomingsgeschiedenis van
art. 26 Loodsenwet in 1995 niet af te leiden dat de in het tweede lid genoemde “waarborg” ertoe strekt te verzekeren dat de bij verordening vast te stellen regeling van het FLP van registerloodsen minimaal overeenkomt met de ambtelijke regelingen ter zake die golden ten tijde van de inwerkingtreding van de Loodsenwet op
1 september 1988 (Stb. 1988/390). Deze strekking kan niet (langer) worden gebaseerd op (de toelichting bij) het Financieel Besluit Loodsen 1988 (KB van 18 augustus 1988, Stb. 1988,/396). Dit besluit voorzag wel in een dergelijke gelijkstelling bij de juridische verzelfstandiging van het loodswezen in 1988, maar is vervallen bij de financiële verzelfstandiging in 1995 (KB van 14 april 1995, Stb. 1995, 244 (art. 34)).

4.3.

In de overgangsbepalingen van art. 62 e.v. van de Loodsenwet (1988) kan de verdedigde strekking evenmin worden gelezen. Deze bepalingen zien waar het gaat om het behoud van arbeidsvoorwaarden niet op registerloodsen (die geen werknemers zijn maar zelfstandig ondernemers), maar op ondersteunend personeel in loondienst (zie MvT: TK 1987/1988, 20 290, nr. 3, p. 49).

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat art. 7 lid 2 FVL niet in strijd is met de door
art. 26 lid 2 Loodsenwet vereiste waarborg. Van onverbindendheid vanwege strijd met deze waarborg is dus geen sprake. In zoverre slagen de grieven 1 en 9. Bij deze stand van zaken behoeven de grieven 2 tot en met 8, die voortbouwen op de door [geïntimeerde] verdedigde, maar verworpen uitleg van bedoelde waarborg, geen behandeling.

5. Vanwege de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep zal het hof de stellingen van [geïntimeerde] dat art. 7 lid 2 FVL in strijd is met (i) art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en (ii) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en ook om die redenen onverbindend is, beoordelen.

6. Het hof verwerpt de stelling dat art. 7 lid 2 FVL in strijd is met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. [geïntimeerde] kon jegens UWV steeds ongestoord aanspraak (blijven) maken op zijn recht op een WAZ-uitkering. Door [geïntimeerde] is onvoldoende onderbouwd waarom de betaling van de verminderde FLP hem stoort in zijn genot van zijn WAZ-uitkering.

7. [geïntimeerde] stelt dat art. 7 lid 2 FVL in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder (a) het motiveringsbeginsel, (b) het gelijkheidsbeginsel en (c) het verbod op willekeur. De FVL is volgens [geïntimeerde] nimmer gemotiveerd. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is sprake nu de gezonde loods met FLP kan bijverdienen wat hij wil zonder dat deze extra inkomsten worden gekort, terwijl de zieke loods met FLP wordt gekort vanwege zijn WAZ-uitkering en ook niet kan bijverdienen. Van willekeur is sprake omdat NLc bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het vaststellen van art. 7 lid 2 FVL had kunnen komen. De vaststelling door NLc van art. 7 lid 2 FVL en de uitvoering daarvan door BpL is daarom onrechtmatig, aldus nog steeds [geïntimeerde].

8. Het hof overweegt als volgt.

8.1

Voor het beoordelen van de gestelde onverbindendheid en onrechtmatigheid is het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 1986 maatgevend (ECLI:NL:HR:1986:AC9354, r.o. 1.6):

“Het tweede onderdeel stelt de vraag aan de orde of naar Nederlands recht algemeen verbindende voorschriften (wetten in materiele zin) door de rechter kunnen worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. Het hof heeft deze vraag, voor wat betreft voorschriften als de onderhavige, bevestigend beantwoord.

Dit antwoord - voor zover in de onderhavige zaak van belang - is in zoverre juist dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter een zodanig, niet door de formele wetgever gegeven voorschrift onverbindend en in verband daarmee de vaststelling en uitvoering daarvan onrechtmatig kan oordelen op de grond dat sprake is van willekeur in dier voege dat het desbetreffende overheidsorgaan, in aanmerking genomen de belangen die aan dit orgaan ten tijde van de totstandbrenging van het voormelde uitvoeringsbesluit bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot het desbetreffende voorschrift is kunnen komen. Daarbij heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moeten worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen, terwijl zowel de aard van de wetgevende functie als de positie van de rechter in ons staatsbestel, zoals deze mede in art. 11 Wet Algemene Bepalingen tot uiting komt, meebrengen dat hij ook overigens bij deze toetsing terughoudendheid moet betrachten. Voorts zullen gebreken in de motivering van het desbetreffende voorschrift of van de bepaling waarop het voorschrift is gegrond op zichzelf niet tot onverbindendheid leiden. Wel zal de motivering mede in aanmerking kunnen worden genomen bij de vraag of dit voorschrift de toetsing aan de boven weergegeven maatstaf kan doorstaan, zoals daarbij ook in aanmerking kan worden genomen of in verband met het voorschrift wellicht aan de daardoor in het gedrang komende belangen is tegemoet gekomen door aan eventuele benadeelden enigerlei vorm van vergoeding toe te kennen.”

8.2

Uit dit arrest van de Hoge Raad volgt dat strijd met het motiveringsbeginsel - wat daar ook van zij - op zichzelf beschouwd niet tot onverbindendheid kan leiden.

8.3

Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. Het onweersproken doel van de korting van de WAZ-uitkering is ervoor te zorgen dat de arbeidsgeschikte en de arbeidsongeschikte voormalige registerloods dezelfde FLP-uitkering krijgen. Zou de korting niet plaatsvinden dan geniet de arbeidsgeschikte voormalige registerloods een lager inkomen dan de arbeidsongeschikte. Daarmee geniet de arbeidsongeschikte voormalige registerloods een niet gerechtvaardigd voordeel ten opzichte van de arbeidsgeschikte voormalige registerloods. Deze laatste zou dan gedwongen worden om bij te verdienen om hetzelfde inkomen te bereiken als dat van de arbeidsongeschikte voormalige registerloods. Dat een gezonde voormalige registerloods mag bijverdienen zonder korting impliceert geen ongelijkheid in de regeling. Iedere voormalige registerloods mag - maar hoeft niet - op deze basis bijverdienen. Dat een arbeidsongeschikte voormalige registerloods niet of in mindere mate in staat is bij te verdienen is het gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid en niet van een in de FVL gemaakte keuze.

8.4

[geïntimeerde] heeft in het licht van het voorgaande onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat sprake is van willekeur van NLc. De hiervoor genoemde doelstelling van de korting is aanvaardbaar. Dat geldt ook voor de afweging van NLc dat het FLP betaalbaar - op basis van een omslagstelsel over de nog werkende registerloodsen – en stabiel moet zijn. Op dit punt is voorts van belang dat samenloopregelingen als hier aan de orde gebruikelijk zijn bij veel (pre)pensioenregelingen.

8.5

Uit het voorgaande volgt dat art. 7 lid 2 FVL niet onverbindend is vanwege strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vaststelling door NLc van
art. 7 lid 2 FVL en de uitvoering daarvan door BpL is daarom niet onrechtmatig jegens [geïntimeerde].

9. [geïntimeerde] heeft voorts subsidiair gesteld dat het redelijk is dat slechts 50% van zijn WAZ-uitkering in mindering wordt gebracht op de FLP-uitkering omdat de WAZ-uitkering voor tenminste 50% aan zijn nevenwerkzaamheden moet worden toegerekend (inleidende dagvaarding sub 20). Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg leidt het hof af dat [geïntimeerde] daarmee beoogt een beroep te doen op de hardheidsclausule van art. 24 van het Pensioenreglement (p.3 3e alinea). Daarnaast doet [geïntimeerde] een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (Dossiernotitie van 24 mei 2014 ten behoeve van de comparitie, p. 3, 3e alinea).

10. Het hof overweegt als volgt.

10.1

Art. 24 van het Pensioenreglement kent de kop “Onvoorziene gevallen” en luidt als volgt:

In een incidenteel geval, niet van algemene aard zijnde, waarin dit reglement niet voorziet of de billijkheid afwijking van dit reglement vordert, beslist het bestuur, zonodig in overleg met de verzekeraar en/of de Algemene Raad van de N.L.C.”

10.2

Het hof stelt voorop dat (het bestuur van) BpL discretionaire bevoegdheid toekomt bij het al dan niet toepassen van deze hardheidsclausule. Ter beoordeling van de rechter staat slechts of het bestuur, rekening houdend met de omstandigheden van het geval en met de tekst en strekking van het Pensioenreglement, in redelijkheid tot zijn desbetreffende beslissing is kunnen komen, zulks gelet op de inhoud van de beslissing en de wijze waarop zij tot stand is gekomen.

10.3

De omstandigheden waarop [geïntimeerde] zich (subsidiair) beroept zijn van algemene aard/strekking en slechts summier toegelicht. Deze omstandigheden treffen deels iedere arbeidsongeschikte voormalige registerloods die voor pensionering ook nevenwerkzaamheden verrichte en een WAZ-uitkering geniet. De door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheid dat de WAZ-premie ook vanuit de nevenwerkzaamheden werd gefinancierd, is betwist en staat daarmee niet vast. [geïntimeerde] heeft bovendien erkend dat zijn nevenwerkzaamheden niet ertoe hebben geleid dat hij een hogere WAZ-premie diende te betalen. Naar het oordeel van het hof - er van uitgaande dat [geïntimeerde] een beroep op de hardheidsclausule heeft gedaan - heeft BpL in redelijkheid tot haar beslissing kunnen komen de hardheidsclausule niet toe te passen. Mede gelet hierop, ziet het hof evenmin aanleiding voor toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het hof verwerpt deze subsidiaire stelling van [geïntimeerde].

11. Grief 10 richt zich tegen de toewijzing van de in r.o. 1.13 genoemde vorderingen
(1) tot en met (7). Gezien het voorgaande slaagt deze grief.

11. Grief 11 richt zich tegen de toegewezen kosten van het vaststellen van de aansprakelijkheid van NLc en BpL. Nu deze aansprakelijkheid niet bestaat is er geen grond om NLc en BpL te veroordelen deze kosten te betalen. Grief 11 slaagt.

11. Grief 12 richt zich tegen de afwijzing van de reconventionele vorderingen van NLc en BpL. Deze grief slaagt. BpL heeft gevorderd te verklaren voor recht - kort gezegd - dat BpL op de FLP-uitkering de WAZ-uitkering van [geïntimeerde] in mindering moet brengen. Die verplichting volgt uit art. 7 lid 2 FVL, zoals hiervoor is geoordeeld. [geïntimeerde] heeft niet weersproken dat BpL belang heeft bij deze verklaring voor recht. Deze vordering van BpL is daarom toewijsbaar.

11. BpL heeft tevens gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 60.815,38 bruto uit hoofde van onverschuldigde betaling, te verminderen met de betalingen die [geïntimeerde] tot aan (de datum van) het vonnis in eerste aanleg door middel van verrekening heeft verricht. De onverschuldigde betaling betreft de FLP-uitkeringen en uitkeringen van invaliditeitspensioen die zijn gedaan zonder (correcte) vermindering van de door [geïntimeerde] ontvangen WAZ-uitkeringen over de betreffende perioden. De vermindering van de WAZ-uitkeringen op de uitkeringen van het invaliditeitspensioen is gegrond op art. 12 lid 4 van het Pensioenreglement, aldus nog steeds BpL.

11. Het hof overweegt als volgt.

15.1

Hiervoor is geoordeeld dat de FLP-uitkeringen hadden moeten worden verminderd met de door [geïntimeerde] ontvangen WAZ-uitkeringen. Voor zover dat niet is gebeurd heeft BpL te hoge FLP-uitkeringen aan [geïntimeerde] gedaan. Deze FLP-uitkeringen zijn dus voor het cumulatieve bedrag aan WAZ-uitkeringen over de betreffende perioden te hoog, en daarmee onverschuldigd betaald. Hetzelfde geldt voor de uitkeringen van invaliditeitspensioen. Dat deze uitkeringen ook hadden moeten worden verminderd met de WAZ-uitkeringen is door [geïntimeerde] niet weersproken. Dit leidt er toe dat de terugvordering van teveel betaalde FLP-uitkeringen en uitkeringen van het invaliditeitspensioen, toewijsbaar is.

15.2

BpL heeft over het uiteindelijke saldo van te veel betaalde uitkeringen de wettelijke rente vanaf 22 februari 2013 gevorderd. Ook dit is toewijsbaar. Ter onderbouwing heeft BpL gesteld dat [geïntimeerde] bij brief van 8 februari 2013 in gebreke is gesteld en per 22 februari 2013 in verzuim verkeert. Dit is door [geïntimeerde] niet weersproken.

16. BpL heeft voorts € 2.000,-- gevorderd ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze vordering is niet toewijsbaar. BpL heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van kosten in de zin van art. 6:96 lid 2 onderdeel c BW.

16. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen in hoger beroep nu deze niet ter zake dienend zijn dan wel onvoldoende zijn geconcretiseerd.

16. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen en de reconventionele vorderingen zullen alsnog worden toegewezen, met uitzondering van de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, inclusief de nakosten. Het arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals gevorderd.

16. Bij deze stand van zaken zijn de vorderingen van BpL tot terugbetaling van hetgeen hij aan [geïntimeerde] op grond van het bestreden vonnis (teveel) heeft betaald, toewijsbaar. Van de zijde van [geïntimeerde] is niet weersproken dat hem ter zake tot 15 december 2014 een bedrag van € 142.974,60 is betaald. De vordering van BpL tot terugbetaling van een bedrag gelijk aan hetgeen [geïntimeerde] na 15 december 2014 heeft ontvangen uit hoofde van de WAZ, vermeerderd met wettelijke rente vanaf die datum, is eveneens toewijsbaar.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 november 2014,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    wijst af de vorderingen van [geïntimeerde],

  • -

    verklaart voor recht dat Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen op de uitkering inzake functioneel leeftijdspensioen van [geïntimeerde] de WAZ-uitkering van [geïntimeerde] in mindering moet brengen,

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] aan Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen te betalen het saldo van het bedrag van (i) € 60.815,38 bruto en (ii) de bedragen die [geïntimeerde] tot aan (de datum van) het vonnis in eerste aanleg door middel van verrekening heeft betaald, en dit saldo te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening,

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie, aan de zijde van de Nederlandse Loodsencorporatie en Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen tot op 26 november 2014 begroot op € 589,-- aan griffierecht en € 2.627,97 aan salaris advocaat;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie, aan de zijde van de Nederlandse Loodsencorporatie en Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen tot op 26 november 2014 begroot op € 894,-- aan salaris advocaat;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] aan Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen terug te betalen een bedrag van € 142.974,60, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf
    15 december 2014,

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] aan Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen terug te betalen een bedrag gelijk aan wat [geïntimeerde] na 15 december 2014 heeft ontvangen aan uitkeringen uit hoofde van de WAZ, vermeerderd met de wettelijke rente daarover steeds vanaf de dag van verschuldigdheid van deze (afzonderlijke) uitkeringen aan Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen,

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Nederlandse Loodsencorporatie en Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen tot op heden begroot op € 171,89 aan kosten exploten € 5.213,-- aan griffierecht en € 7.896,-- aan salaris advocaat, en op € 131,- aan nasalaris voor de advocaat, te vermeerderen met
€ 68,- en de kosten van het betekeningsexploot in het geval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling wordt voldaan,

- wijst af de overige vorderingen van Stichting Beroepspensioenfonds Loodsen,

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, C.A. Joustra en O.F. Blom en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.