Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1118

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
22-003637-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De destijds 49-jarige verdachte heeft zich gedurende een periode van jaren stelselmatig schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer. Het slachtoffer was toen tussen de elf en achttien jaren jong en vanaf zijn vijftiende jaar ook nog eens toevertrouwd aan de zorg van de verdachte.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003637-16

Parketnummer: 10-730193-13

Datum uitspraak: 28 maart 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1952,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 14 maart 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder feit 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast is een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 2 april 2001 tot

2 maart 2006 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal, (telkens) met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortejaar] 1990), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het (telkens)

- betasten van de penis van die [benadeelde partij] en/of

- likken aan de anus van die [benadeelde partij] en/of

- aftrekken en/of pijpen van die [benadeelde partij];

2.
hij in of omstreeks de periode van 2 maart 2006 tot

2 april 2008 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten [benadeelde partij], geboren op [geboortejaar] 1990), ontucht heeft gepleegd, namelijk het (telkens)

- betasten van de penis van die [benadeelde partij] en/of

- likken aan de anus van die [benadeelde partij] en/of

- aftrekken en/of pijpen van die [benadeelde partij];

3.
hij in of omstreeks de periode van 2 april 2008 tot

1 mei 2013 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [benadeelde partij], heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het zich laten betasten aan zijn penis, zich laten aftrekken en/of zich laten pijpen, het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- misbruik maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (te weten de relatie kind-opvoeder/verzorger) en/of het uit zijn, verdachtes, leeftijd voortvloeiende psychische en/of fysieke en/of geestelijke overwicht en/of het feit dat [benadeelde partij] tijdens zijn minderjarigheid, stelselmatig (langdurig) door verdachte (seksueel) was misbruikt en/of

- die [benadeelde partij] weigeren naar zijn broer te laten gaan als hij niet eerst bovenstaande ontuchtige handelingen met zich liet doen en/of

- die [benadeelde partij] meedelen dat als hij bovenstaande ontuchtige handelingen niet met zich liet doen, dat hij, verdachte, [benadeelde partij]’s familie en/of vrienden zou vertellen en/of laten zien waar hij, [benadeelde partij], mee bezig was en/of dat hij, verdachte, aan [benadeelde partij]’s familie en/of vrienden foto’s van de seksuele handelingen zou laten zien en/of

- ( aldus) een (dreigende) situatie doen ontstaan ten gevolge waarvan die [benadeelde partij] onvoldoende in staat was om weerstand aan verdachte te bieden;

4.
hij op of omstreeks 13 mei 2013 te Rotterdam

[benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij] - via sms - dreigend de woorden toegevoegd :""Ik heb 10 jaar voor je gezorgd. En nou maak ik je helemaal kapot" en/of "Als het moet steek ik je neer".

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf, met dien verstande dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandelverplichting bij Het Dok of een soortgelijke instelling.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 2 april 2001 tot

2 maart 2006 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal, (telkens) met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortejaar] 1990), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het (telkens)

- betasten van de penis van die [benadeelde partij] en/of

- likken aan de anus van die [benadeelde partij] en/of

- aftrekken en/of pijpen van die [benadeelde partij];

2.
hij in of omstreeks de periode van 2 maart 2006 tot

2 april 2008 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten [benadeelde partij], geboren op [geboortejaar] 1990), ontucht heeft gepleegd, namelijk het (telkens)

- betasten van de penis van die [benadeelde partij] en/of

- likken aan de anus van die [benadeelde partij] en/of

- aftrekken en/of pijpen van die [benadeelde partij];

3.
hij in of omstreeks de periode van 2 april 2008 tot

1 mei 2013 te Rotterdam meermalen, althans eenmaal (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [benadeelde partij], heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het zich laten betasten aan zijn penis, zich laten aftrekken en/of zich laten pijpen, waarbij de het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- misbruik maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (te weten de relatie kind-opvoeder/verzorger) en/of het uit zijn, verdachtes, leeftijd voortvloeiende psychische en/of fysieke en/of geestelijke overwicht en/of het feit dat [benadeelde partij] tijdens zijn minderjarigheid, stelselmatig (langdurig) door verdachte (seksueel) was misbruikt en/of

- die [benadeelde partij] weigeren naar zijn broer te laten gaan als hij niet eerst bovenstaande ontuchtige handelingen met zich liet doen en/of

- die [benadeelde partij] meedelen dat als hij bovenstaande ontuchtige handelingen niet met zich liet doen, dat hij, verdachte, [benadeelde partij]’s familie en/of vrienden zou vertellen en/of laten zien waar hij, [benadeelde partij], mee bezig was en/of dat hij, verdachte, aan [benadeelde partij]’s familie en/of vrienden foto’s van de seksuele handelingen zou laten zien en/of

- (aldus) een (dreigende) situatie heeft doen ontstaan ten gevolge waarvan die [benadeelde partij] onvoldoende in staat was om weerstand aan verdachte te bieden;

4.
hij op of omstreeks 13 mei 2013 te Rotterdam

[benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij] - via sms - dreigend de woorden toegevoegd: "Ik heb 10 jaar voor je gezorgt. En nou maak ik je helemaal kapot" en/of "Als het moet steek ik je neer".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsuitsluiting van de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte]

De raadsman heeft – op gronden als vermeld in zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – betoogd dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] afgelegd op 26 juni 2013 en 30 april 2014 van het bewijs moeten worden uitgesloten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat, gelet op het verloop van de verhoren, er niet op kan worden vertrouwd dat [medeverdachte] uit eigen waarneming of ondervinding heeft verklaard dat hij in 2005 voor het eerst seksfoto’s van het slachtoffer heeft gemaakt en dat de verdachte in 2005, toen het slachtoffer vijftien jaar was, voor het eerst seks met het slachtoffer heeft gehad.

Het hof overweegt dat het de verklaringen van [medeverdachte] ten aanzien van deze onderdelen niet zal bezigen voor het bewijs en dat het verweer van de raadsman derhalve geen bespreking behoeft.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de aangifte alleen onvoldoende bewijs biedt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten. De naaktfoto’s van het slachtoffer, voor zover daarvan al kan worden vastgesteld dat deze in 2005 zijn genomen, leveren geen steunbewijs op nu op deze foto’s geen seksuele handelingen te zien zijn en ook de verdachte daarop niet staat afgebeeld. En nu de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] van het bewijs dienen te worden uitgesloten, kunnen ook deze verklaringen geen steun bieden aan de verklaring van het slachtoffer.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feiten en omstandigheden

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

De verdachte is de partner van [medeverdachte], zijnde de oom van het slachtoffer. Het slachtoffer was tien jaar toen oom [medeverdachte] en de verdachte voor het eerst op bezoek kwamen bij zijn moeder. De verdachte betastte het slachtoffer voor het eerst toen hij elf jaar was. Dit betasten vond plaats in de slaapkamer van het slachtoffer in de woning van zijn moeder. De verdachte wreef over de kleding van het slachtoffer over diens kruis en ging met zijn hand in zijn broek en zat dan aan zijn blote geslachtsdelen. Toen het slachtoffer twaalf jaar was, begon de verdachte hem ook af te trekken en te pijpen. Vanaf die leeftijd logeerde het slachtoffer ook regelmatig bij zijn ooms. Het slachtoffer moest dan van de verdachte naakt op bed gaan liggen en de verdachte verrichte dan seksuele handelingen met hem. Het slachtoffer was bang en deed mee uit angst.

Oom [medeverdachte] kwam erachter dat de verdachte seks met het slachtoffer had. Oom [medeverdachte] maakte foto’s van het slachtoffer als de verdachte seksuele handelingen met hem verrichtte.

Tijdens het seksueel misbruik lag het slachtoffer met een deken over zijn hoofd, omdat hij er niets mee te maken wilde hebben en er niet naar wilde kijken. Hij wist dat er foto’s van hem werden gemaakt, omdat hij vanonder de deken het licht van de flitser zag. De verdachte liet de foto’s een keer zien aan het slachtoffer. De verdachte bewaarde de foto’s op een SD-kaartje. De foto’s stonden niet opgeslagen op zijn computer voor het geval iemand daar eens op zou kijken. De verdachte dreigde de foto’s aan iedereen te laten zien en ook te vertellen wat het slachtoffer met zich liet doen, als het slachtoffer aangaf geen seks meer met hem te willen.

Vanaf zijn vijftiende woonde het slachtoffer permanent bij zijn ooms. Thuis wonen bij zijn moeder was niet meer mogelijk. De verdachte verrichtte ook toen regelmatig seksuele handeling met het slachtoffer. Als het slachtoffer geen seks met hem wilde, dan deed de verdachte moeilijk over bepaalde dingen. Het slachtoffer mocht dan bijvoorbeeld zijn broer of vrienden niet bezoeken of helemaal niet weg van huis. Of de verdachte zei het slachtoffer dat hij hem geld zou geven voor iets dat hij nodig had, nadat hij seks met hem zou hebben gehad. Ook zei de verdachte dat hij het slachtoffer zwart zou gaan maken, als hij mensen over de seks zou gaan vertellen. Het slachtoffer voelde zich afhankelijk van zijn ooms, omdat hij bij hen woonde en niet meer bij zijn moeder terecht kon.

Het seksueel contact ging door totdat het slachtoffer drieëntwintig jaar was. Op die leeftijd heeft het slachtoffer de stap gezet niet langer bij zijn ooms thuis te verblijven, omdat er vaak ruzie was tussen hem en de verdachte en hij zich voelde als een gevangene in zijn eigen huis. De verdachte bedreigde het slachtoffer vervolgens per sms. Vanwege de ontstane situatie ging de wijkagent op gesprek bij de verdachte. In dit gesprek vertelde de verdachte geheel uit zichzelf dat hij een seksuele relatie had met het slachtoffer vanaf diens achttiende jaar. Dit vormde aanleiding tot nader onderzoek waardoor het seksueel misbruik aan het licht kwam.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt allereerst dat de tenlastelegging een aaneengesloten periode betreft waarin seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer, welke periode juridische is opgesplitst in drie afzonderlijke ten laste gelegde feiten. Bij de beoordeling van de zaak gaat het hof uit van de periode in zijn geheel, waardoor de feiten en omstandigheden die in deze periode hebben plaatsgevonden als redengevend worden beschouwd voor alle drie de ten laste gelegde feiten.

Naar oordeel van het hof is de voor de verdachte belastende verklaring van het slachtoffer niet het enige bewijsmiddel voor de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, nu deze verklaring op onderdelen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo heeft de medeverdachte [medeverdachte](oom) verklaard dat hij foto’s heeft gemaakt als de verdachte met het slachtoffer bezig was. Daarnaast zijn op diverse gegevensdragers die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen diverse foto’s aangetroffen van een naakte jongen met zijn gezicht onder de dekens. Enkele foto’s zijn gedateerd tussen 12 juni 2005 en 18 juli 2005. Het slachtoffer was toen net vijftien jaar. De verdachte heeft op deze foto’s zijn eigen slaapkamer en het slachtoffer herkend. Ook heeft hij verklaard dat het slachtoffer er altijd bij ging liggen zoals op de foto als zij seks met elkaar hadden. Tot slot is op de gegevensdrager ook een soortgelijke foto aangetroffen gedateerd 25 februari 2002. Het slachtoffer had toen de leeftijd van elf jaar. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep over deze foto verklaard dat hij hierop zijn slaapkamer herkent.

Voor zover de raadsman heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de datering van vorenbedoelde foto’s correct is, overweegt het hof dat deze stelling niet voldoende concreet is onderbouwd en de juistheid van de datering bovendien niet door de verdachte noch door zijn medeverdachte is betwist.

Voor wat betreft het seksuele contact tussen de verdachte en het slachtoffer vanaf het moment dat het slachtoffer meerderjarig is, overweegt het hof nog het volgende.

Het slachtoffer is vanaf zijn elfde jaar stelselmatig onderworpen aan seksueel misbruik door de ruim veertig jaar oudere verdachte. Bovendien is het slachtoffer vanaf zijn vijftiende ook nog eens aan de zorg van de verdachte toevertrouwd geweest. Derhalve is vanaf jonge leeftijd sprake geweest van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, waarbij het slachtoffer zich in een kwetsbare en afhankelijke positie heeft bevonden ten opzichte van de verdachte. Daar komt bij dat de verdachte regelmatig heeft gedreigd aan vrienden en familie te vertellen wat het slachtoffer met zich liet doen en daar ook foto’s van te zullen laten zien op het moment dat het slachtoffer anderen zou inlichten over het seksueel misbruik. Ook mocht het slachtoffer niet weg uit huis om vrienden en familie te bezoeken als hij geen seks had met de verdachte. Deze dreigingen is de verdachte blijven uiten ook nadat het slachtoffer meerderjarig was.

Verder is gebleken dat de verdachte een zeer dominante persoonlijkheid en een opvliegend karakter heeft, waarbij hij (verbaal) agressief naar anderen kan zijn.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het slachtoffer is opgegroeid met een volstrekt vertekend beeld van een normale relatie tussen een kind en zijn verzorger en dat het mede daarom voor hem, ook nadat hij achttien jaar was geworden, onmogelijk was om zich te ontworstelen aan het psychische overwicht dat de verdachte op hem had. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de kwetsbare en afhankelijke positie waarin het slachtoffer zich bevond, is blijven voortbestaan ook nadat het slachtoffer meerderjarig is geworden en dat de verdachte van deze positie misbruik is blijven maken door seks van het slachtoffer te blijven verlangen.

Het vorenstaande brengt mee dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De destijds 49-jarige verdachte heeft zich gedurende een periode van jaren stelselmatig schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer [benadeelde partij]. Het slachtoffer was toen tussen de elf en achttien jaren jong en vanaf zijn vijftiende jaar ook nog eens toevertrouwd aan de zorg van de verdachte. Ook heeft de verdachte het slachtoffer vanaf zijn achttiende ruim vijf jaren met grote regelmaat seksueel aangerand.

De verdachte heeft aldus een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft het psychische en fysiek welzijn van het slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele lusten en de seksuele ontwikkeling van het slachtoffer op grove wijze verstoord. Ook heeft de verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin het slachtoffer zich bevond vanaf het moment dat hij aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als opvoerder ten opzichte van hem volkomen genegeerd. Te verwachten is dat het slachtoffer nog een lange tijd de psychische gevolgen zal ondervinden van het seksueel misbruik waar de verdachte hem aan heeft onderworpen.

Voorts heeft de verdachte, nadat het slachtoffer zich eindelijk aan hem had weten te ontworstelen, het slachtoffer bedreigd per sms. Dit is beangstigend geweest voor het slachtoffer.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

28 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 8 juni 2016 van Reclassering Nederland, opgemaakt door G. Soeurt en W.H. Dambruin, reclasseringswerker respectievelijk leidinggevende. Hierin is vermeld dat de gezondheid van de verdachte vanaf 2014 achteruit is gegaan.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de strafduur zal het hof evenwel rekening houden met de inmiddels gevorderde leeftijd van de verdachte en zijn fysieke gezondheid.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

In beslag genomen voorwerpen

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze vermeld zijn onder de voorwerpen genummerd: 2, 3a, 3, 7, 8, 9, 11, 13, 14, 20, 21, 22, 27, 28 en 40 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu dit voorwerpen zijn met behulp waarvan of met betrekking tot welke het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde is begaan

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 5, 15, 17, 18, 25, 30, 31, 32, 37, 38 en 39 wordt de teruggave aan de verdachte gelast.

Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp genummerd 19 wordt de teruggave aan [benadeelde partij] gelast.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4 en 6 zal de bewaring worden gelast ten behoeve van de rechthebbende, nu thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 14.765,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het ter terechtzitting in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 14.000,-, bestaande uit immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. De beoordeling van de vordering vormt een te grote belasting van het strafgeding, nu gelet op de problematische jeugd van de benadeelde partij niet is uit te sluiten dat de psychische klachten een andere oorzaak hebben dan het seksueel misbruik.

Naar het oordeel van het hof staat buiten twijfel dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden door het jarenlange seksueel is misbruikt zoals onder 1, 2 en 3 bewezen is verklaard. Dat er aanwijzingen bestaan dat deze psychische schade mogelijk ook een andere bron heeft naast dit misbruik doet daar niet aan af. De vordering leent zich derhalve - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 8.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 8.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 36f, 57, 246, 247, 249 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

6 (zes) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

5 (vijf) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich zal melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen voor zijn gedrag in onderhavige zedenzaak door middel van het 'Therapieprogramma Seksuele Delictplegers', dan wel individuele behandeling ondergaan van polikliniek Het Dok te Rotterdam, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling dan wel behandelaar zullen worden gegeven, ook als dat inhoudt de medewerking aan een persoonlijkheidsonderzoek.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen genummerd 2, 3a, 3, 7, 8, 9, 11, 13, 14, 20, 21, 22, 27, 28 en 40.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen genummerd 5, 15, 17, 18, 25, 30, 31, 32, 37, 38 en 39.

Gelast de teruggave aan [benadeelde partij] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

voorwerp genummerd 19.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen genummerd 4 en 6.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 8.000,00 (achtduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde partij], ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.000,00 (achtduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. S. van Dissel en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 maart 2017.

Mr. S. van Dissel is buiten staat dit arrest te ondertekenen.