Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1106

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
22-004539-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Het slachtoffer is daarbij tegen het lichaam geschopt en met stoelen tegen het lichaam geslagen, deels terwijl hij op de grond lag. Ten gevolge van de mishandeling heeft het slachtoffer een gebroken arm opgelopen, waaraan een operatie nodig was.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004539-16

Parketnummer: 09-827180-15

Datum uitspraak: 20 maart 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 september 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats op [geboortejaar] 1981,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 6 maart 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open.

Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 12 augustus 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm, heeft toegebracht, door die [benadeelde partij] (meermalen) tegen het lichaam te schoppen en/of met stoelen, althans met een of meerdere harde voorwerpen, tegen het lichaam te slaan en/of met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend (hard) voorwerp, op het hoofd te slaan en/of één of meerdere vuistslagen en/of klappen (tegen het lichaam) te geven;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 12 augustus 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde partij] (meermalen) tegen het lichaam heeft geschopt en/of met stoelen, althans met een of meerdere harde voorwerpen, tegen het lichaam heeft geslagen en/of met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend (hard) voorwerp, op het hoofd heeft geslagen en/of één of meerdere vuistslagen en/of klappen (tegen het lichaam) heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 12 augustus 2015 te 's-Gravenhage, al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] (meermalen) tegen het lichaam te schoppen en/of met stoelen, althans met een of meerdere harde voorwerpen, tegen het lichaam te slaan en/of met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend (hard) voorwerp, op het hoofd te slaan en/of één of meerdere vuistslagen en/of klappen (tegen het lichaam) te geven.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het letsel van het slachtoffer, een gebroken arm, niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht brengt volgens vaste jurisprudentie mee dat de rechter de vrijheid heeft om ook buiten de in dat artikel genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te kwalificeren, wanneer dat voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beoordeling daarvan komt voorts betekenis toe aan de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

Met betrekking tot het door het slachtoffer opgelopen letsel kan op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier het volgende worden vastgesteld.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 12 augustus 2015 heeft het slachtoffer verklaard dat zijn rechterarm door het incident was gebroken. Uit de medische informatie van het Medisch Centrum Haaglanden (MCH) d.d. 12 augustus 2015 volgt dat sprake was van een gecompliceerde fractuur distale ulnadiafyse met een cortexdikke dislocatie (een fractuur van de ellepijp). Voorts blijkt uit de brief van het MCH d.d. 2 maart 2016 dat het slachtoffer op 28 september 2015 aan de arm is geopereerd (ORIF: open repositie en interne fixatie) en dat zes maanden nadien nog sprake was van een supinatiebeperking (beperking in de beweging van een gewricht). Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van 14 september 2016 blijkt daarnaast dat het gebruik van zijn rechterhand beperkt blijft. Ondanks diens operatie en revalidatie kan het slachtoffer niets zwaars optillen en kan hij zijn sport niet meer uitoefenen.

Het hof is – gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel – dan ook van oordeel dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2015 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [benadeelde partij] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm, heeft toegebracht, door die [benadeelde partij] (meermalen) tegen het lichaam te schoppen en/of met stoelen, althans met een of meerdere harde voorwerpen, tegen het lichaam te slaan en/of met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend (hard) voorwerp, op het hoofd te slaan en/of één of meerdere vuistslagen en/of klappen (tegen het lichaam) te geven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Het slachtoffer is daarbij tegen het lichaam geschopt en met stoelen tegen het lichaam geslagen, deels terwijl hij op de grond lag. Aldus handelend heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Bovendien worden daardoor in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd.

Ten gevolge van de mishandeling heeft het slachtoffer een gebroken arm opgelopen, waaraan een operatie nodig was. Hij heeft langdurig moeten revalideren en het gebruik van zijn rechterhand was ruim een jaar na dato nog steeds beperkt. Uit zijn slachtofferverklaring blijkt dat de impact van de mishandeling op het slachtoffer groot is geweest. Hij denkt er vaak aan terug en wordt er nog dagelijks aan herinnerd door de littekens op zijn gezicht.

Bij de bepaling van de straf heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) opgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting ter zake van artikel 302 van Wetboek van Strafrecht.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 februari 2017 niet eerder met justitie of politie in aanraking is gekomen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 primair ten laste gelegde tot een bedrag van € 2.508,29, vermeerderd met de wettelijke rente. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg hoofdelijk toegewezen bedrag van € 1.008,29, met rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.008,29, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 8,29 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

De vordering is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade gemotiveerd betwist. Voorts constateert het hof dat onderbouwing door middel van bijvoorbeeld een – in civiele zaken ook vereiste - nadere deskundigenverklaring omtrent dit gedeelte van de vordering ontbreekt. Gelet daarop levert de behandeling van dit deel van de vordering naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 8,29 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

3 (drie) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8,29 (acht euro en negenentwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8,29 (acht euro en negenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar, mr. S. Verheijen en mr. E.P.J. Myjer, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 maart 2017.

Mr. E.P.J. Myjer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.