Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1099

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
22-002446-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002446-16

Parketnummer: 09-118630-15

Datum uitspraak: 22 februari 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 december 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1995,

[GBA-adres],

doch blijkens opgave ter terechtzitting

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 februari 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 april 2015 te Leiden, althans in Nederland, opzettelijk uit winstbejag (een) door misdrijf verkregen een pinpas (ten name van [benadeelde partij]) voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het bij hem op school gebruikelijk was dat de leerlingen onderling (even) elkaars pinpas leenden teneinde daarmee voor geringe bedragen contactloos te pinnen. Hij stelt dat hijzelf op 2 april 2015 ook iemands pinpas had geleend en dat hij deze, na daarmee (contactloos) te hebben gepind bij de Jumbo en de Ako in Leiden, direct had teruggegeven aan degene van wie hij hem had geleend. De verdachte ontkent te hebben geweten dat de pinpas van diefstal afkomstig was.

Het hof stelt vast dat het bij de door de verdachte erkende betalingen bij Jumbo en Ako om zeer geringe bedragen gaat. Uit het dossier blijkt voorts dat enkele uren na de door de verdachte erkende betalingen met dezelfde pinpas is betaald bij een filiaal van Albert Heijn in Den Haag. De verdachte heeft ontkend deze latere betalingen te hebben verricht, terwijl uit het dossier ook niet blijkt dat de verdachte aan deze pintransacties gekoppeld kan worden.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte over de gewoonte elkaars pinpas te lenen niet zonder meer als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Het feit dat slechts voor geringe bedragen is gepind maakt het ook minder aannemelijk dat de verdachte in dit geval bewust gebruik zou hebben gemaakt van een gestolen pinpas.

In dat geval zou het immers voor de hand hebben gelegen maximaal van de pas te profiteren. Al met al komt het hof tot het oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte het opzet heeft gehad om met een gestolen pinpas (contactloos) te pinnen, zodat de verdachte van het ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 504,21, vermeerderd met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 504,21, vermeerderd met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft - in afwijking van zijn schriftelijke vordering, die, gezien de vordering tot bevestiging van het beroepen vonnis, strekt tot afwijzing van de vordering - geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 februari 2017.