Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1067

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
02-05-2017
Zaaknummer
BK-16/00409
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:8419, Niet ontvankelijk
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1622, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of het hoger beroepschrift tijdig is ingediend. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is voorts in geschil of bij de definitieve vaststelling van de zorgtoeslag en huurtoeslag is uitgegaan van het juiste toetsingsinkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1044
FutD 2017-1113
Viditax (FutD), 11-08-2017
NTFRB 2017/35 met annotatie van mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-16/00409

Uitspraak d.d. 28 maart 2017

in het geding tussen:

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 19 juli 2016, nr. SGR 16/852 betreffende de vaststelling van het inkomensgegeven van belanghebbende voor het jaar 2014.

Beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De aan belanghebbende voor het jaar 2014 toekomende zorgtoeslag en huurtoeslag zijn vastgesteld bij beschikkingen van 14 augustus 2015.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de in 1.1 vermelde beschikkingen afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand blijven en de Inspecteur opgedragen het griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 124.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 februari 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Bij voorschotbeschikkingen van 27 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan belanghebbende toekomende zorgtoeslag en huurtoeslag voor het jaar 2014 voorlopig vastgesteld op € 865 respectievelijk € 2.456 (hierna: de voorschotten). De voorschotten zijn gebaseerd op een schatting aan de hand van inkomensgegevens uit het jaar 2013. Het geschatte toetsingsinkomen waarvan bij de berekening van de voorschotten is uitgegaan bedraagt € 17.333.

3.2.

Gedurende het jaar 2014 heeft belanghebbende de volgende inkomsten genoten:

Loonheffing

Loon

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek

€ 118

€ 679

Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij NV

€ 148

€ 826

Aegon Levensverzekering NV

€ 318

€ 1.777

ABN-AMRO Levensverzekering NV

€ 445

€ 2.465

Sociale Verzekeringsbank

€ 61

€ 14.063

Totaal

€ 1.090

€ 19.810

3.3.

Bij beschikkingen van 14 augustus 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan belanghebbende toekomende zorgtoeslag en huurtoeslag voor het jaar 2014 definitief vastgesteld op € 814 respectievelijk € 1.513. Deze beschikkingen zijn gebaseerd op het toetsingsinkomen van het jaar 2014 van € 19.810. Als gevolg van het feit dat bij de vaststelling van de voorschotbeschikkingen is uitgegaan van een te laag toetsingsinkomen, heeft belanghebbende in het onderhavige jaar te veel zorgtoeslag en huurtoeslag ontvangen. De te veel ontvangen bedragen zijn van belanghebbende teruggevorderd.

3.4.

Belanghebbende heeft tegen de beschikkingen inzake zorgtoeslag en huurtoeslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de beschikkingen gehandhaafd.

3.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand blijven.

3.6.

De uitspraak van de Rechtbank is gedagtekend 19 juli 2016 en blijkens een postkamerstempel op 22 juli 2016 in afschrift aan partijen verzonden (hierna: de rechtbankuitspraak).

3.7.

Op 15 augustus 2016 heeft belanghebbende telefonisch contact opgenomen met de griffie van de Rechtbank en om uitleg van de rechtbankuitspraak gevraagd. Belanghebbende stelt dat hem door een medewerker van de griffie is verteld dat hij in het gelijk is gesteld en dat hij niet in hoger beroep hoeft te gaan.

3.8.

Op 5 september 2016 heeft belanghebbende een gesprek gehad met een medewerker van het Juridisch Loket van de gemeente, die hem heeft uitgelegd wat de rechtbankuitspraak inhoudt.

3.9.

Het hogerberoepschrift van belanghebbende is gedagtekend 6 september 2016 en blijkens een postkamerstempel op 9 september 2016 ter griffie van het Hof ontvangen.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of het hoger beroepschrift tijdig is ingediend. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is voorts in geschil of bij de definitieve vaststelling van de zorgtoeslag en huurtoeslag is uitgegaan van het juiste toetsingsinkomen.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van het toetsingsinkomen dat ten grondslag ligt aan de beschikkingen zorgtoeslag en huurtoeslag op € 17.345.

5.2.

De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

6. De Rechtbank heeft – voor zover thans van belang – overwogen:

" (…)

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het bezwaar

9. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

10. De dagtekening van de beschikking is 14 augustus 2015. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 25 september 2015. Het bezwaarschrift is op
30 september 2015 door [de Inspecteur] ontvangen. Gelet echter op het feit dat het beroepschrift is gedagtekend 17 augustus 2015, acht de rechtbank aannemelijk dat het bezwaarschrift vóór het einde van de bezwaartermijn ter post bezorgd is. Dit betekent dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is dan ook in zoverre gegrond. Gezien het bepaalde in artikel 8:41a van de Awb zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, letter b, van de Awb zelf in de zaak voorzien.

Hoogte toetsingsinkomen

11. Onder toetsingsinkomen wordt op grond van artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) verstaan het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven. Voor de invulling van het begrip inkomensgegeven verwijst artikel 2, eerste lid, onder o, van de Awir naar artikel 21, aanhef en onderdeel e, van de Awr. Dit artikel luidt:

“In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)
e. inkomensgegeven:
1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;
2°. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon.”

12. Vast staat dat aan [belanghebbende] over het jaar 2014 geen aanslag inkomstenbelasting is opgelegd zodat onder het inkomensgegeven - en daarmee onder het toetsingsinkomen - moet worden verstaan het laatst bepaalde belastbare loon. [De Inspecteur] heeft aan de hand van de door hem overgelegde loongegevens (zoals opgenomen onder 5) aannemelijk gemaakt dat [belanghebbendes] belastbare loon over het jaar 2014 € 19.810 heeft bedragen. [Belanghebbende] heeft daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag dat hij van ABN Amro heeft ontvangen ten onrechte tot het toetsingsinkomen is gerekend. Dat, zoals [belanghebbende] stelt, over dat bedrag reeds belasting is betaald, is daartoe onvoldoende. Voor het antwoord op de vraag of het bedrag deel uitmaakt van het belastbare loon is immers niet relevant of daarover al dan niet reeds belasting is betaald. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [de Inspecteur] het toetsingsinkomen op het juiste bedrag heeft vastgesteld.

13. [ Belanghebbende] heeft voorts nog aangevoerd dat het bedrag dat hij van ABN Amro heeft ontvangen voor hem een ‘extraatje’ vormde dat diende ter aanvulling van zijn overigens sobere pensioen en dat, indien dit bedrag tot het toetsingsinkomen wordt gerekend, het effect daarvan tenietgedaan wordt doordat hij minder huur- en zorgtoeslag ontvangt. Voor zover [belanghebbende] hiermee betoogt dat de strikte toepassing van de regelgeving onredelijk of onbillijk is, overweegt de rechtbank dat de rechter moet rechtspreken volgens de wet en ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke bepalingen mag beoordelen.

14. Gelet op wat hiervoor onder 10 is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard. Omdat naar het oordeel van de rechtbank het toetsingsinkomen op het juiste bedrag is vastgesteld, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand laten.

(…)"

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zes weken. Deze termijn vangt krachtens artikel 6:8 Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Artikel 6:9 Awb bepaalt vervolgens dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, met dien verstaande dat bij verzending per post een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

7.2.

De uitspraak van de Rechtbank is bekendgemaakt op 22 juli 2016. Gelet op het in 7.1 overwogene is het onderhavige hogerberoepschrift tijdig ingediend indien dit uiterlijk op 2 september 2016 is ontvangen dan wel indien dit voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en uiterlijk op 9 september 2016 is ontvangen. Het hogerberoepschrift is gedagtekend 6 september 2016. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat hij het hogerberoepschrift niet voor het einde van de termijn ter post heeft bezorgd. Hoewel het hogerberoepschrift op 9 september 2016 ter griffie van het Hof is ontvangen, moet gelet op het voorgaande worden geoordeeld dat het te laat is ingediend.

7.3.

Op grond van artikel 6:11 Awb kan niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-tijdige indiening van het hogerberoepschrift slechts achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft zich in dit verband beroepen op de in 3.7 en 3.8 vermelde feiten. Deze omstandigheden leveren evenwel geen verschoonbare termijnoverschrijding in vorenbedoelde zin op. Belanghebbende kan aan een mededeling als in 3.7 omschreven niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat het niet aan hem te wijten is dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend. Hierbij komt dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hijzelf uit de rechtbankuitspraak heeft kunnen opmaken dat de Rechtbank het toetsingsinkomen zoals dat door de Inspecteur is vastgesteld, heeft gehandhaafd, en dat hij zijn twijfels had over vorenbedoelde mededeling die aan hem was gedaan. Het aanvankelijk niet begrepen hebben van de rechtbankuitspraak waardoor niet adequaat op die uitspraak is gereageerd, behoort voor rekening van belanghebbende te komen. Bij twijfel over de inhoud en strekking van een uitspraak, mag van de belanghebbende worden verwacht dat hij ter behoud van rechten binnen de daarvoor gestelde termijn pro forma hoger beroep instelt.

7.4.

Gelet op al het vorenoverwogene is het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het Hof komt derhalve niet toe aan de beantwoording van de vraag of het toetsingsinkomen op het juiste bedrag is vastgesteld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, Chr.Th.P.M. Zandhuis en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 28 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.