Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2017:1063

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
02-05-2017
Zaaknummer
BK-15/01074 en BK-15/01075
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:14468, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de hoger beroepschriften tijdig zijn ingediend. Zo dit het geval is, is voorts in geschil, aldus begrijpt het Hof, of de aanslagen, de verzuimboete en de beschikking heffingsrente terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1106
V-N 2017/28.21.2
V-N Vandaag 2017/1005
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-15/01074 en BK-15/01075

Uitspraak van 21 februari 2017

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op de hoger beroepen van de Inspecteur tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 1 oktober 2015, in afschrift verzonden aan partijen op 5 oktober 2015, nummers SGR 14/11244 en SGR 15/6300, betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaren en geding in eerste aanleg

BK-15/01074

1.1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.974 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.912. Bij beschikkingen is een verzuimboete opgelegd van € 226 en is € 1.764 heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.1.3. Belanghebbende heeft beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank (nr. SGR 14/11244) heeft het beroep gegrond verklaard.

BK-15/01075

1.2.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd (hierna: Zvw) naar een bijdrage-inkomen van € 31.095. Bij beschikking is € 145 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.2.3. Belanghebbende heeft beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank (nr. SGR 15/6300) heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van de gedingen in hoger beroep

2.1.

De Inspecteur is van de uitspraken van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 januari 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1.

Belanghebbende is gedurende 2010 gehuwd en staat volgens de Gemeentelijke basisadministratie in 2010 ingeschreven op het adres [A] te [Z] . Feitelijk woont belanghebbende in dat jaar met zijn echtgenote en hun zoon op het adres [B] te [C] (hierna: de woning).

3.2.

De juridische eigendom van de woning is in handen van [D] . Omdat belanghebbende na herhaaldelijk verzoek niet heeft aangegeven in welke hoedanigheid hij de beschikking heeft over de woning heeft de Inspecteur in verband met de woning een resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen van € 31.095 (4,5% van de waarde van de woning van € 691.000).

3.3.

Bij uitspraken op bezwaar van 30 oktober 2014 zijn de bezwaren tegen beide aanslagen en beschikkingen ongegrond verklaard en zijn de aanslagen en beschikkingen gehandhaafd.

3.4.

De uitspraken van de Rechtbank zijn gedagtekend 1 oktober 2015 en blijkens een postkamerstempel op 5 oktober 2015 in afschrift aan partijen verzonden.

3.5.

De hoger beroepschriften van de Inspecteur zijn gedagtekend 13 november 2015 en blijkens een postkamerstempel op 23 november 2015 bij de griffie van het Hof binnengekomen.

3.6.

Tot de gedingstukken behoort een brief van de Inspecteur gedagtekend 7 juni 2016 waarin voor zover hier van belang het volgende is vermeld:

“Het beroepschrift is op de datum van de dagtekening in het postvakje uitgaande post gelegd. Ik kan hiervan een ambtsedige verklaring over afleggen indien gewenst.

Ik kan ook een ambtsedige verklaring laten afleggen door een medewerker van de postkamer dat elke dag het postvakje uit wordt geleegd en de post dezelfde dag wordt aan geboden aan PostNI.

De medewerker van de postkamer kan geen ambtsedige verklaring afleggen inzake dit specifieke

poststuk omdat altijd meerdere poststukken in het postvakje uit liggen.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of de hoger beroepschriften tijdig zijn ingediend. Zo dit het geval is, is voorts in geschil, aldus begrijpt het Hof, of de aanslagen, de verzuimboete en de beschikking heffingsrente terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

4.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de van hen afkomstige stukken en naar hetgeen partijen in aanvulling daarop ter zitting hebben aangevoerd.

Conclusies van partijen

BK-15/01074 (aanslag IB/PVV 2010)

5.1.1. De Inspecteur concludeert tot ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

5.1.2.

Belanghebbende concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

BK-15/01075 (aanslag Zvw 2010)

5.2.1. De Inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep.

5.2.2. Belanghebbende concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van de hoger beroepen

BK-15/01074 (aanslag IB/PVV 2010)

6.1.

De termijn voor het indienen van een hoger beroepschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zes weken. Deze termijn vangt gelet op artikel 6:8 van de Awb, aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:9, lid 1, van de Awb is een hoger beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, met dien verstande dat bij verzending per post, gelet op lid 2 van artikel 6:9 van de Awb, het hoger beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

6.2.

De uitspraak is bekendgemaakt op 5 oktober 2015. Het hoger beroepschrift is tijdig ingediend indien dit uiterlijk op 16 november 2015 zou zijn ontvangen dan wel indien dit voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en op 23 november 2015 is ontvangen.

6.3.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat het hoger beroepschrift op 13 november 2015 ter post is bezorgd, biedt de Inspecteur aan (zie hiervoor onder 3.6) een ambtsedige verklaring af te leggen dat hij het hoger beroepschrift op 13 november 2015 in het postvakje uitgaande post heeft gelegd. Daarnaast kan hij een ambtsedige verklaring laten opmaken door een medewerker van de postkamer van de Belastingdienst dat het postvakje uitgaande post iedere dag wordt geleegd en dat de post op dezelfde dag wordt aangeboden aan PostNL. De medewerker van de postkamer kan geen ambtsedige verklaring afleggen over het onderhavige hoger beroepschrift.

6.4.

Dienaangaande geldt het volgende. De door de Inspecteur aangeboden ambtsedige verklaringen van hemzelf en een medewerker van de postkamer van de Belastingdienst, geven enkel de gebruikelijke gang van zaken bij verzending van hoger beroepen weer en werpen geen licht op de vraag of het onderhavige hoger beroepschrift op 13 november 2015 is verzonden. Indien al kan worden aangenomen dat het hoger beroepschrift op de datum van dagtekening in het postvakje is gelegd, geeft dit nog geen uitsluitsel dat het onderhavige hoger beroepschrift op die datum daadwerkelijk ter post is bezorgd, nu de medewerker van de postkamer daarover niets kan verklaren.

6.5.

Ter zitting heeft de Inspecteur zijn bewijsaanbod aldus gepreciseerd dat de medewerker van de postkamer kan verklaren dat hij op 13 november 2015 het postvakje heeft geleegd en dat alles wat in het desbetreffende postvakje lag op die datum ter post is bezorgd. Het Hof hecht geen waarde aan deze in te brengen verklaring nu het niet aannemelijk acht dat een individuele medewerker van de postkamer zich na bijna 14 maanden nog precies kan herinneren dat hij het desbetreffende postvakje heeft geleegd en dat de gehele inhoud daarvan ter post is bezorgd.

6.6.

Het Hof ziet gelet op het hiervoor onder 6.3 tot en met 6.5 overwogene af van het opvragen van de aangeboden ambtsedige verklaringen.

6.7.

De Inspecteur heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat het onderhavige hoger beroep op 13 november 2015 ter post is bezorgd.

6.8.

Het hiervoor overwogene brengt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep niet binnen de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn is ingediend en dat het derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

BK-15/01075 (aanslag Zvw 2010)

6.9.

De Rechtbank heeft het beroep in deze zaak ongegrond verklaard nu “de vermindering van het inkomen uit werk en woning niet tot gevolg heeft dat het bijdrage-inkomen daalt tot onder het maximale bijdrage-inkomen van € 31.095.”

6.10.

De Inspecteur heeft ter zitting geconcludeerd dat, omdat het beroep door de Rechtbank ongegrond is verklaard, hij geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep zodat het niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het Hof heeft geen reden dit standpunt niet te volgen en zal dienovereenkomstig beslissen. De stelling van de Inspecteur dat het hoger beroep tijdig is ingediend, behoeft derhalve geen behandeling.

Proceskosten en griffierecht

7.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belangheb-bende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 992 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een bedrag per punt van € 496 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1).

7.2.

Nu de uitspraken van de Rechtbank in stand blijven, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 497.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 992.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. E.M. Vrouwenvelder, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier drs. N. El Allaoui. De beslissing is op 21 februari 2017 in het openbaar uitgesproken.

Van de Inspecteur wordt ter zake van het instellen van hoger beroep een griffierecht geheven van € 497.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.