Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:941

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
07-04-2016
Zaaknummer
2200252214
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van (medeplegen van) moord/doodslag.

Veroordeling ter zake van opzetheling en handel in cocaïne.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002522-14

Parketnummer: 10-730150-12

Datum uitspraak: 7 april 2016 (bij vervroeging)

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres],

thans gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 april 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, impliciet primair (moord), 2, impliciet primair (opzetheling), en 3 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als vermeld in het vonnis. Tevens is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:


hij op of omstreeks 05 mei 2012 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg), meermalen, althans éénmaal, met één of meer vuurwapens één of meer kogels afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2:


hij op of omstreeks 06 maart 2013 te Schiedam (een) goed(eren), te weten

- een motorscooter (merk Piaggio, kenteken 70-MB-PB) en/of,

- een kentekenplaat (met nummer [XXXX]) en/of

- een kentekenbewijs (voor het kenteken [XXXX]) en/of

- een crossmotor (merk Suzuki)

heeft verworven en/of voorhanden gehad terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

3:


hij in de periode van 25 maart 2012 tot en met 6 maart 2013 te Rotterdam en/of te Schiedam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair:


hij op of omstreeks 6 maart 2013 te Rotterdam en/of te Schiedam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit voor te bereiden en/of te bevorderen als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een (handels)hoeveelheid cocaine, in elk geval een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden had, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat deze zijn bestemd zijn tot het plegen van dat feit, immers had verdachte in zijn woning aanwezig:

- een in een tissuehouder verborgen zak met een middel teneinde cocaine te kunnen versnijden en/of

- een blender met restanten van een witte poederachtige substantie (versnijdingsmiddel) en/of

- ( meerdere)sporen van een witte substantie, (telkens) bevattende cocaine.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daartoe overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft van aanvang af ontkend betrokken te zijn bij de levensberoving van [slachtoffer].

De wisselende verklaringen die hij in de loop van de tijd heeft afgelegd over zijn alibi voor de nacht van 4 op 5 mei 2012, de diefstal van de kentekenplaten van de gehuurde Volkswagen Golf, het verdwijnen van zijn telefoon en de inhoud van de OVC gesprekken, roepen bij het hof vragen op. Het hof is echter van oordeel dat - ondanks het zeer uitvoerige onderzoek dat is verricht - het verkregen bewijsmateriaal onvoldoende concreet is om buiten gerede twijfel vast te kunnen stellen dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer op 5 mei 2012 rond 00.55 uur om het leven heeft gebracht op de [straat] te Rotterdam.

Met name de omstandigheid dat het hof niet onomstotelijk heeft kunnen vaststellen dat de door verdachte gehuurde donkerkleurige Volkswagen Golf met [kenteken] op of in de directe nabijheid van de plaats delict is geweest, is hierbij doorslaggevend geweest. Wel volgt uit getuigenverklaringen dat tegen 01.00 uur – vlak voor deze schietpartij – een donkerkleurige Volkswagen Golf werd geparkeerd nabij de plaats delict en deze hierna is weggereden, maar van deze auto is geen kenteken bekend. Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt in dit verband niet meer dan dat hij die nacht in Rotterdam Zuid met de door hem gehuurde Volkswagen Golf cocaïne heeft afgeleverd. Uit het dossier blijkt dat hij vervolgens om 00.40 uur in de buurt van de Maastunnel is geweest. Of hij vanuit Rotterdam-Zuid door deze tunnel naar de plaats van het delict is gereden staat niet vast. Evenmin is uit camerabeelden afdoende gebleken dat kort voor het neerschieten van het slachtoffer een Volkswagen Golf vanuit de richting van de (andere kant van de) Maastunnel in de buurt van de plaats delict in Rotterdam West heeft rondgereden. Voorts leidt het hof uit de inhoud van het OVC gesprek van 7 juli 2012, gevoerd in de door verdachte gebruikte auto, niet af dat de verdachte en de mede-inzittenden spreken over de levensberoving van [slachtoffer]. Het lijkt te gaan over een man in het rood, een groene auto en een vuurwapen, maar daaruit volgt niet dat het over de schietpartij van 5 mei 2012 gaat. Uit de peilbaken-gegevens van deze auto blijkt verder dat deze zich ten tijde van dit gesprek in Schiedam bevond en niet in de nabijheid van de plaats delict. De verdachte heeft verklaard dat dit gesprek op een ander schietincident betrekking had. In de procedure in hoger beroep zijn daaromtrent twee getuigen gehoord door de raadsheer-commissaris. Deze getuigen – volgens hun verklaring deelnemers aan dat gesprek – hebben bij de raadsheer-commissaris bevestigd dat het OVC gesprek over een ander schietincident ging.

Het hof zal de verdachte daarom van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:

hij op of omstreeks 06 maart 2013 te Schiedam (een) goed(eren), te weten

- een motorscooter (merk Piaggio, kenteken 70-MB-PB) en/of

- een kentekenplaat (met nummer [XXXX]) en/of

- een kentekenbewijs (voor het kenteken [XXXX]) en/of

- een crossmotor (merk Suzuki)

heeft verworven en/of voorhanden gehad terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

3 primair:

hij in de periode van 25 maart 2012 tot en met 6 maart 2013 te Rotterdam en/of te Schiedam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 en 3 primair bewezen verklaarde levert op:

2 opzetheling;

3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, impliciet primair, 2, impliciet primair en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank, met oplegging van een schadevergoedings-maatregel.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim elf maanden samen met een ander schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededader een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid bedreigd.

Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samen-leving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt drugsgebruik veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.

De verdachte en zijn mededader hebben hiervoor kennelijk geen oog gehad en waren slechts uit op eigen financieel gewin.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een aantal goederen. Heling maakt het plegen van diefstallen en inbraken lucratief en houdt een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 maart 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 pistool FN Browning 1910 met houder, kal 7.65;

- 2 patronen a01.2;

- 7 stuks munitie S&B Sin [NUMMER],

zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.889,49.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van 10.889,49.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.889,49, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36d, 47, 57, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 pistool FN Browning 1910 met houder, kal 7.65;

- 2 patronen a01.2;

- 7 stuks munitie S&B Sin [NUMMER].

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. D.M. Thierry en mr. P. van Essen, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 april 2016.