Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2016:934

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
06-04-2016
Zaaknummer
22-002821-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:86, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 9.942,66 (negenduizend negenhonderdtweeënveertig euro en zesenzestig cent).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002821-12 PO

Parketnummer: 10-633136-09

Datum uitspraak: 15 maart 2016

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 18 april 2012 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1973,

[adres].

Procesgang

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 18 april 2012 is de veroordeelde ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde,

gekwalificeerd als:

medeplichtigheid aan oplichting,

veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 9.942,66, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in zijn strafzaak bewezen verklaarde feit.

De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 18 april 2012 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 9.942,66 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.942,66.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van

1 maart 2016.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering in hoger beroep

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de heer [getuige].

Het hof acht het horen van de heer [getuige] niet noodzakelijk nu de heer [getuige] blijkens het dossier weliswaar een vergelijkbare positie had als de veroordeelde, maar niet als medepleger ten aanzien van de door verdachte verrichte handelingen kan worden aangemerkt.

Het verzoek wordt afgewezen.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen - bepleit dat – zakelijk weergegeven – de vordering dient te worden afgewezen nu niet zijn cliënt, maar – zo er al enig wederrechtelijk voordeel zou zijn -, de onderneming van de veroordeelde, [bedrijf] wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Het hof overweegt als volgt.

Het standpunt van de verdediging dat niet de verdachte, maar de B.V. eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel zou hebben genoten spoort niet met de door de veroordeelde op 27 april 2009 afgelegde verklaring tegenover de politie. De veroordeelde heeft op 27 april 2009 tegenover de politie onder meer – zakelijk weergegeven - verklaard dat hij 30% van het gestorte totaalbedrag zelf mocht houden, en dat hij dat voor persoonlijke uitgaven heeft gebruikt. Het hof houdt de verdachte aan deze tegenover de politie afgelegde verklaring en is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het geld - het wederrechtelijk verkregen voordeel – in de B.V. is gebleven en ten behoeve van de B.V. is gebruikt. Hierbij overweegt het hof nog ten overvloede dat de heer [getuige], die in een vergelijkbare positie verkeerde als de veroordeelde, identiek over de hoogte van de door hem ontvangen ‘fee’ heeft verklaard. Dit versterkt de overtuigingskracht van de door verdachte inzake de hoogte van de ‘fee’ afgelegde verklaring.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 9.942,66.

Bewijsvoering

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Vaststelling van de betalingsverplichting

Schending redelijke termijn

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op verschillende onderdelen is overschreden, immers:

1. de veroordeelde kon aan het politieverhoor d.d. 27 april 2009 in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem in geval van een veroordeling ter zake van oplichting een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt en de behandeling van de ontnemingszaak ter terechtzitting is met een vonnis afgerond op 18 april 2012;

2. het hoger beroep is op 20 april 2012 ingesteld en de stukken van het geding zijn eerst op 18 december 2014 ter griffie van het hof ontvangen;

3. de veroordeelde heeft op 20 april 2012 hoger beroep ingesteld en het geding in hoger beroep zal met een einduitspraak zijn afgerond op 15 maart 2016.

Het hof zal daarmee rekening houden bij de vaststelling van het te betalen ontnemingsbedrag en een korting toepassen van 5%. Aan de veroordeelde zal derhalve de verplichting worden opgelegd om aan de Staat, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, een bedrag te betalen van € 9.445,53.

Draagkracht

De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep stukken overgelegd – gehecht aan de door hem overgelegde pleitaantekeningen – ter onderbouwing van de gestelde slechte financiële situatie van cliënt.

Het hof overweegt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu of in de toekomst niet in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de staat te voldoen, mede gezien de leeftijd van de veroordeelde. De door de raadsman overgelegde losse stukken bieden een onvoldoende gestructureerd totaalbeeld van de financiële situatie van de veroordeelde. Het hof verwerpt dan ook het verweer

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 9.942,66 (negenduizend negenhonderdtweeënveertig euro en zesenzestig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 9.445,53 (negenduizend vierhonderdvijfenveertig euro en drieënvijftig cent).

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. D.M. Thierry, in bijzijn van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 maart 2016.